Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:5685

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-11-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
01/865051-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, zulks in tegenwoordigheid van de jonge kinderen van het slachtoffer. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en legt verdachte een contactverbod met het slachtoffer op en een gebiedsverbod voor de gemeente waar het slachtoffer woonachtig is. Van de ten laste gelegde verkrachting van het slachtoffer door verdachte, wordt verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865051-18

Datum uitspraak: 19 november 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 mei 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 5 november 2018 is gewijzigd is, aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 14 april 2018 tot en met 15 april 2018 te Valkenswaard door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten met gebalde vuist(en) in het gezicht en/of op/tegen het lichaam van [slachtoffer] stompen/slaan en/of met bierblikjes, althans voorwerpen in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] gooien en/of schoppen tegen de benen en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of het toevoegen van de woorden "je bent een hoer, een vieze hoer, ik ga je nek breken, net zoals ik dat bij mijn ex heb gedaan. Jij gaat het einde van het weekend niet halen" en/of die [slachtoffer] mee te nemen naar de slaapkamer en/of die [slachtoffer] te dwingen op bed te gaan liggen en/of die [slachtoffer] te verbieden zich aan te kleden en/of die [slachtoffer] te zeggen dat hij haar zou behandelen als hoer, [slachtoffer] meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het (telkens) met zijn penis en/of zijn vinger(s) binnendringen van de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] ;

2. hij in of omstreeks de periode van 14 april 2018 tot en met 15 april 2018 te Valkenswaard

[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht met gebalde vuist(en) in/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of meermalen,althans eenmaal, een bierblikje in het gezicht te gooien en/of met krachttegen de benen en/of op/tegen het lichaam te schoppen;

3. hij in of omstreeks de periode van 14 april 2018 tot en met 15 april 2018 te Valkenswaard [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend die [slachtoffer] de woorden toegevoegd "ik ga je nek breken, net zoals ik dat bij mijn ex heb gedaan. Jij gaat het einde van het weekend niet halen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

4. hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Valkenswaard, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "als ik bij jou was geweest had ik je total loss geslagen. Dat meen ik echt", en/of "hier krijg je spijt van, dat garandeer ik je" en/of "dat moet je bij mij niet doen. Daar moet je echt mee oppassen. Want dan kom je naast die van ons te liggen. Dat garandeer ik je. Echt, daar word ik heel gevaarlijk van", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 21 maart 2018 te Valkenswaard, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik heb toch niks meer te verliezen, ik heb er schijt aan. 100.000 Euro heb ik op je kop gezet, dan weet je dat vast" en/of "ik heb er al eentje omgelegd, en jij bent de volgende" en/of "hou je kop, hou je kop dicht, laatste waarschuwing die je krijgt, zeg het maar" en/of "moet je dood, zeg het maar, regel ik nu meteen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In haar aangifte verklaart aangeefster dat zij tegen haar zin seks heeft gehad met verdachte. Vaststaat dat verdachte en aangeefster seks hebben gehad.

Tegenover de beschuldiging van aangeefster van onvrijwillig seksueel contact met verdachte staat de van aanvang af stellige ontkenning hiervan door verdachte.

Uit onderzoek blijkt dat op de inbeslaggenomen telefoon van verdachte gesprekopnames staan van gesprekken tussen verdachte en aangeefster. Daaruit blijkt dat op 13 april 2018 verdachte en aangeefster een aantal malen telefonisch contact met elkaar hebben. In het gesprek op 13 april 2018 om 21.25 uur spreken zij af dat zij de relatie zullen beëindigen en elkaar nog een keer zullen zien om “goed” afscheid van elkaar te nemen. Verdachte zegt dat hij blijft slapen, dat hij er nog een keer een leuke avond van wil maken en dat ze dan uit elkaar gaan. Aangeefster reageert dat zij bang is om zwanger te raken. Hieruit valt op te maken dat het de bedoeling was dat verdachte en aangeefster seks met elkaar zouden hebben.

De buurman van aangeefster, [getuige 1] , heeft verklaard

-dat hij op 14 april 2018 rond 23.00 uur gegil heeft gehoord in de woning van aangeefster;

-dat het gegil kwam van de eerste verdieping en afkomstig was van een vrouwenstem;

-dat het één of twee gillen waren;

-dat hij hierna personen van de trap af hoorde lopen en dat hij een mannenstem hoorde zeggen “doe maar rustig of blijf maar rustig”;

-dat het daarna stil is geworden en gebleven.

Deze verklaring past weliswaar in de verklaring van aangeefster dat verdachte haar stompte waarop zij is gaan gillen, maar levert geen bewijs op voor gedwongen seksueel contact..

Het dossier bevat geen objectief bewijs ter ondersteuning van de beschuldiging van aangeefster van gedwongen seksueel contact.

Aangeefster kwam weliswaar op 15 april 2018 in de vroege ochtend bang en overstuur met haar twee kinderen op de huisartsenpost, allen gekleed in een pyjama en haar kinderen op blote voeten, om een wondje te laten hechten bij haar onderlip. Bovendien heeft aangeefster naast de wond op haar onderlip verwondingen op haar lichaam.

Verder zijn in de woning bloedvlekken en -spatten aangetroffen. Op de plaatsen waarvan aangeefster zegt dat de verkrachtingen zouden hebben plaatsgevonden, zoals in het bed, is echter nauwelijks bloed aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er in de periode van 14 april tot en met 15 april 2018 geweld heeft plaatsgevonden tussen verdachte en de aangeefster. . Zo kan niet uitgesloten worden dat het geweld heeft plaatsgevonden nadat er seksueel contact is geweest. Hoewel het dossier aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling dat het is gegaan zoals aangeefster verklaart en dat zij zich gedwongen heeft gevoeld tot de seksuele handelingen, te meer daar haar twee kinderen in de woning waren en zij niet kon wegvluchten, is niet onomstotelijk bewezen dat de seks heeft plaatsgevonden tegen de wil van aangeefster, laat staan dat het voor verdachte kenbaar is geweest dat het tegen haar wil was. In dat verband hecht de rechtbank bovendien belang aan de omstandigheid dat verdachte naar de woning van aangeefster kwam met de vooropgezette bedoeling van beiden om seks met elkaar te hebben.

Het voorgaande maakt dat er geen bewijs is voor dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zodat het tenlastegelegde feit onder 1 niet kan worden bewezen.

feit 3

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In haar aangifte verklaart aangeefster dat verdachte haar in de periode van 14 april tot en met 15 april 2018 heeft bedreigd. Verdachte ontkent de beschuldiging.

Het dossier bevat zonder meer aanwijzingen dat verdachte aangeefster ernstig heeft bedreigd, met name haar vlucht in de vroege ochtend, in pyjama met haar twee kinderen op blote voeten, de staat waarin zij zich bevond en haar mededelingen tegen de dienstdoende arts en de ter plaatse gekomen verbalisanten. Ook heeft verdachte aangeefster eerder en meerdere malen met de dood bedreigd, zo blijkt uit hetgeen de rechtbank hierna met betrekking tot de tenlastegelegde feiten 4 en 5 heeft overwogen. Voor de onder 3 tenlastegelegde bedreigingen, althans gelijksoortige uitingen, vormt de verklaring van aangeefster echter de enige bron. Er is geen sprake van objectief ander bewijs ter ondersteuning van de beschuldiging van aangeefster. Aldus is sprake van onvoldoende wettig bewijs om tot een veroordeling te komen.

Bewijs

Inleiding.

Aangeefster kent verdachte sinds januari 2018. Zij zagen elkaar alleen in het weekend, aangezien verdachte in een tbs-kliniek zat vanwege feiten gepleegd tegen zijn ex-partner.

In de week voorafgaand aan het delict is de relatie beëindigd. Verdachte zou op zaterdag

14 april 2108 naar aangeefster komen om afscheid te nemen en zijn spullen op te halen.

Op 15 april 2018 in de vroege ochtend heeft aangeefster zich gemeld op de huisartsenpost van het ziekenhuis in Veldhoven om een wondje aan haar kin te laten hechten. Zij was erg geëmotioneerd en gekleed in een pyjama. Zij was met haar twee kinderen die ook gekleed waren in een pyjama en op blote voeten waren.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden de onder 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is op gronden zoals vermeld in de in het dossier gevoegde pleitnota van mening dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

feit 2

De rechtbank acht de onder 2. tenlastegelegde mishandeling van aangeefster door verdachte wettig en overtuigend bewezen, gelet op de navolgende bewijsmiddelen:

Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] :2

Op dinsdag 17 april 2018 deed aangeefster aangifte van onder andere mishandeling, die plaatsvond tussen 14 april 2018 te 11:00 uur en 15 april te 07:25 uur in haar woning te Valkenswaard.

(…)

Je doet ook aangifte van mishandeling. Wanneer was dat?

-Afgelopen weekend zaterdag 14 april 2018.

Hoe vaak ben je door hem mishandeld?

- De hele avond. (…)

Hij stompte me in mijn buik. (…)

Dat stompen hoe deed hij dat?

-Hier tegen mijn heup (wijst naar haar linker heup). Ik ben daar ook helemaal blauw.

Hoe sloeg hij?

- Met een hoek. Gestompt (…)

Hij sloeg me vervolgens meteen in mijn gezicht. Ik was toen boven op de gang. (…)

- Gewoon met zijn vuist vol op mijn gezicht. Het bloed zat tegen de deur aan.

Wat veroorzaakte die vuist dan?

- een gat in mijn kin. Hier. De wond is later in het ziekenhuis behandeld. (…)

Waar sloeg hij jou toen?

- Op mijn buik of op mijn borst. (…)

En toen?

(…) toen kreeg ik dat bierblikje in mijn gezicht. Dat was een halfvol blikje. (…)

- Dat gooide hij in mijn gezicht. Hij gooide niet zo heel hard want hij stond

dichtbij. (…)

vervolgens kreeg ik een lowkick die terecht kwam op mijn benen. Vervolgens sloeg hij

me weer. Hij sloeg me ergens op mijn buik of borst. (…)

Medische informatie van 15 april 2018, van Huisartsenpost Ziekenhuis te Veldhoven, van patient [slachtoffer] , van dienstdoende [arts] :3

(…)

Patient: [slachtoffer] , adres [adres 2] [woonplaats]

(…)

Heeft een gaatje van ongeveer 1 cm op de rechteronderkaak. Wondje loopt door tot in de mondholte. (…)

Forensisch medische onderzoek van 15 april 2018:4

-scheur verwondingen rechts onderlip;

-beschadiging rechterwang;

-verwonding aan rechterpols;

-andere verwondingen, blauwe plekken op lichaam met name buik/heup en benen.

Proces-verbaal forensisch onderzoek:5

(…)

In de woning zagen wij in de hal op de vloer voor de trap meerdere vlekken. [verbalisant] rook een geur die kenmerkend is voor bier. In de keuken zagen wij in de afvalbak bij de achterdeur meerdere bierblikken liggen.

Proces-verbaal van bevindingen:6

(…)

Wij, verbalisanten, hoorden dat [getuige 2] , (de zoon van aangeefster), het volgende vertelde tegen ons (…)

-“ [verdachte] is niet lief, want hij heeft mijn mama geslagen”.

feiten 4 en 5:

De rechtbank acht de feiten 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

-de aangifte van [slachtoffer]7;

-proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het telefoongesprek van 17 maart8;

-proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het telefoongesprek van 21 maart9;

-de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting10.

De verdediging bepleit vrijspraak van feit 4 aangezien de gebezigde tekst niet bedreigend zou zijn.

De verdediging bepleit ook vrijspraak ten aanzien van feit 5. Nadat de in de tenlastegelegde tekst is geuit door verdachte, vraagt aangeefster of verdachte haar dood gaat maken. Verdachte reageert daarop “ik ga je niet doodmaken, want dat is nooit mijn intentie geweest”. Derhalve is er geen sprake van een redelijke vrees bij aangeefster dat verdachte de bedreiging zou uitvoeren.

De rechtbank acht de door verdachte geuite tekst bedreigend gelet op de context. Voor een strafbare bedreiging is vereist dat de uitlatingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied, dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld. Onder de gegeven omstandigheden vindt de rechtbank het aannemelijk dat verdachte wel degelijk vrees had en ook de redelijke vrees kon hebben dat verdachte haar iets aan zou doen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

2. in de periode van 14 april 2018 tot en met 15 april 2018 te Valkenswaard [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, (telkens) met kracht met gebalde vuist tegen het gezichten tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en een bierblikje in het gezicht te gooien en tegen de benen te schoppen;

4. op 17 maart 2018 te Valkenswaard [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "als ik bij jou was geweest, had ik je total loss geslagen. Dat meen ik echt", en "hier krijg je spijt van, dat garandeer ik je" en "dat moet je bij mij niet doen. Daar moet je echt mee oppassen. Want dan kom je naast die van ons te liggen. Dat garandeer ik je. Echt, daar word ik heel gevaarlijk van";

5. op 21 maart 2018 te Valkenswaard [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik heb toch niks meer te verliezen, ik heb er schijt aan. 100.000 euro heb ik op je kop gezet, dan weetje dat vast" en "ik heb er al eentje omgelegd, en jij bent de volgende "en "hou je kop, hou je kop dicht, laatste waarschuwing die je krijgt, zeg het maar" en "moet je dood, zeg het maar, regel ik nu meteen";

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist voor de feiten 1 tot en met 5 een gevangenisstraf van 5 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt verzoekt de verdediging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld, bestaande uit mishandeling van zijn ex-vriendin. Daarnaast heeft hij zijn ex-vriendin tweemaal bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.

De rechtbank acht dit ernstige feiten. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij de mishandeling heeft gepleegd in de woning van zijn ex-vriendin en dat haar twee jonge kinderen aanwezig waren in de woning en getuige zijn geweest van het geweld. Verdachte ontkent het feit en neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Het slachtoffer heeft zich zeer angstig gevoeld en heeft zich gedwongen gezien in de vroege ochtend heimelijk met haar twee jonge kinderen haar huis te verlaten. De zoon is door het huiselijk geweld getraumatiseerd en heeft psychologische hulp nodig.

Verdachte heeft door het huiselijk geweld een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. Gelet op de aangifte heeft het geweld een grote indruk op haar en de kinderen gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan.

Het gewelddadig karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder al meermalen is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij ten tijde van de feiten liep in de termijn van een TBS met voorwaarden.

Drs. R.J.A. van Helvoirt, GZ-psycholoog, heeft een rapport uitgebracht over verdachte.

Hij concludeert dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en

een narcistische persoonlijkheidsstoornis. De kern van de problematiek van verdachte

is dat er sprake is van een hoge mate van psychopathie. Daarnaast is er sprake van in

remissie zijnde middelenproblematiek. Bovenstaande problematiek was aanwezig ten tijde

van het ten laste gelegde. Gezien de aard van de pathologie van betrokkene wordt een relatie

met de huidige feiten waar hij van verdacht wordt aannemelijk geacht, alleen kan dat niet

verder gepreciseerd worden. Of betrokkene dan ook door zijn pathologie gehinderd werd in

het bepalen van zijn wilsvrijheid, kan niet verder onderbouwd en beschreven worden.

Het recidiverisico is hoog.

Daarnaast heeft drs. H. Kondakçi, psychiater, een rapport uitgebracht over verdachte.

Hij concludeert eveneens dat bij verdachte primair sprake is van ernstige

persoonlijkheidsproblematiek, die kan worden geclassificeerd als een antisociale

persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Verdachte heeft vanaf jeugdige leeftijd

jarenlang alcohol en drugs (de laatste jaren vooral cocaïne) misbruikt. Door zijn detentie is

deze stoornis in het gebruik van middelen gedwongen in remissie.

Aangenomen kan worden dat deze stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde. Over de mate van toerekenen kan geen uitspraak worden gedaan.

De gebruikte risicotaxatie instrumenten gecombineerd met het eigen klinisch oordeel

laten zien dat het recidivegevaar hoog is en dat er een hoge noodzaak bestaat voor een

intensieve behandeling.

De gedragsdeskundigen onthouden zich van een strafadvies.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Verdachte heeft ruim 200 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Gelet op het gegeven dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van feit 1, de verkrachting, heeft de rechtbank tussen de behandeling ter terechtzitting en de uitspraak de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven, aangezien de situatie zich voordeed dat de duur van de voorlopige hechtenis de duur van de op te leggen gevangenisstraf zou overschrijden.

Contact- en gebiedsverbod

De rechtbank is zich ervan bewust dat aangeefster angst heeft voor verdachte en daarom zal de rechtbank de hierna vermelde maatregel opleggen.

De rechtbank acht een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de gemeente waar het slachtoffer woont noodzakelijk om de kans dat het slachtoffer met verdachte wordt geconfronteerd te minimaliseren. De rechtbank zal deze verboden opleggen in de vorm van een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en dat voor de duur van twee jaar.

Voor elke keer dat verdachte één van de op te leggen verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis voor een hierna te bepalen duur worden opgelegd.

Voorts zal de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevelen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend jegens het slachtoffer zal gedragen. Het slachtoffer moet zich in haar eigen (woon)omgeving veilig kunnen voelen. De op te leggen maatregel beoogt daar (mede) de voorwaarden voor te creëren.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een GSM, kleur zwart, Samsung, G1338765, vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit het voorwerp is met behulp waarvan de feiten 4 en 5 zijn begaan en deze GSM ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorde.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 38v, 38w, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het ten laste gelegde onder de feiten 2, 4 en 5 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder de feiten 2, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 2:mishandeling;

Ten aanzien van feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling; Ten aanzien van feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregelen:

Ten aanzien van de feiten 2, 4 en 5:Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

Contactverbod voor de duur van 2 jaar;

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze

- direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer];

Gebiedsverbod voor de duur van 2 jaar;

Legt op de maatregel dat de veroordeelde zich voor de duur van 2 jaren niet zal ophouden in het navolgende gebied: de gemeente Valkenswaard.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel (contactverbod/gebiedsverbod) wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] , beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel (contact- en gebiedsverbod), dadelijk uitvoerbaar is..

Ten aanzien van de feiten 4 en 5:Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten:

GSM, kleur zwart, Samsung, G1338765.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A. van Gameren, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. A.C. Bosch , leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,

en is uitgesproken op 19 november 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Districtsrecherche Helmond, genummerd PL2100-2017180664, aantal pagina’s: 61. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p.40-43 van voornoemd einddossier.

3 Schriftelijk stuk, zijnde medische informatie van [huisartsenpraktijk] , p. 90 van voornoemd einddossier op p.90.

4 Forensisch medisch onderzoek, p.57-16 van voornoemd einddossier.

5 Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 68 van voornoemd einddossier.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 89 van voornoemd einddossier.

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 37-47 van voornoemd einddossier.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 93-95 van voornoemd einddossier.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 96-99 van voornoemd einddossier.

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 5 november 2018.