Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:5462

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
7084644 / 18-5883
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst, verzoek tot ontbinding en ontruiming toegewezen. Herhaalde tekortkoming en huurachterstand van meer dan drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zaaknummer: 7084644 \ CV EXPL 18-5883

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 7084644 \ CV EXPL 18-5883

Vonnis van 25 oktober 2018

in de zaak van:

de stichting Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,

tegen:

[huurder] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna genoemd “Woonbedrijf” en “ [huurder] ”.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt onder meer uit het volgende:

a. het tussenvonnis van 23 augustus 2018 met de daarin genoemde stukken;

b. de zitting d.d. 26 september 2018 ten behoeve waarvan Woonbedrijf een akte vermeerdering van eis, met producties, in het geding heeft gebracht die zowel aan de kantonrechter als aan [huurder] zijn toegezonden.

1.2.

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen Woonbedrijf en [huurder] bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning met aanhorigheden, staande en gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde).

2.2.

De maandelijkse huurprijs bedraagt thans € 595,37, bij vooruitbetaling te voldoen.

3 Het geschil

3.1.

Woonbedrijf vordert na eiswijziging, kort samengevat, ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst, ontruiming van de door [huurder] van Woonbedrijf gehuurde woning gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres] onder de verplichting van [huurder] om tot aan de ontruiming huur c.q. schadevergoeding te betalen, alsmede veroordeling van [huurder] tot betaling aan Woonbedrijf van € 1.986,39, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

3.2

Woonbedrijf legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

[huurder] is met correcte betaling van de huurpenningen in gebreke gebleven en heeft tot en met september 2018 een huurachterstand doen ontstaan van € 1.772,28. Woonbedrijf is op grond van de tekortkoming van [huurder] in de nakoming van zijn verplichtingen gerechtigd de ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van het gehuurde te vorderen. Aan buitengerechtelijke incassokosten is [huurder] op grond van de wet € 213,14 verschuldigd geworden. Woonbedrijf is al eerder genoodzaakt geweest om een gerechtelijke procedure tegen [huurder] te starten. Het vonnis in deze procedure (zaaknummer [nummer] , rolnummer [nummer] ) is uitgesproken op 17 augustus 2017 en betrof een huurachterstand ad € 589,90. Woonbedrijf is op grond van herhaalde toerekenbare tekortkoming van [huurder] gerechtigd de ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van het gehuurde te vorderen.

3.3.

[huurder] heeft, zakelijk weergegeven, bij antwoord het volgende verweer gevoerd.

Hij betwist de huurachterstand niet. De huurachterstand is ontstaan doordat hij in de zomer van 2016 een ernstig ongeval heeft gehad, met als gevolg een lange revalidatie. Door een relatiebreuk zijn de schulden verder opgelopen. Hij maakt bezwaar tegen de ontbinding en ontruiming. Zo vindt hij het niet terecht als hij, juist nu alles weer de goede kant op gaat, zijn huis uit zou moeten. Daarnaast geeft hij ook aan dat zijn dochter bij hem woont en het haar niet wil aandoen om nu ook te moeten verhuizen. Hij wil graag een betalingsregeling treffen met Woonbedrijf.

4 De beoordeling

4.1

[huurder] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken dat een huurachterstand is ontstaan van € 1.772,28. De vordering wegens huurachterstand is dan ook toewijsbaar. Ook de rentevordering is door [huurder] niet weersproken en daarom toewijsbaar.

4.2

Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

Het is hierbij aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling dient verder rekening worden gehouden met alle door partijen genoegzaam gemotiveerd aangevoerde omstandigheden van het geval waaronder eventueel ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de gestelde tekortkoming.

Ook dient het woonbelang van de huurder in de beoordeling te worden betrokken.

4.3

In het onderhavig geval staat vast dat sprake is van herhaalde tekortkoming aangezien de kantonrechter te Eindhoven op 17 augustus 2017 wegens een eerdere huurachterstand vonnis heeft gewezen. Omdat nu opnieuw sprake is (geweest) van een aanmerkelijke huurachterstand (meer dan drie maanden), kan niet worden gezegd dat deze (herhaalde) tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zullen worden toegewezen. De gevorderde huur c.q. schadevergoeding tot aan de ontruiming waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd is toewijsbaar als na te melden.

4.4

De kantonrechter acht gronden aanwezig om de termijn waarbinnen door [huurder] dient te worden ontruimd, vast te stellen op veertien dagen na betekening van het vonnis.

4.5

De kantonrechter merkt daarbij op dat Woonbedrijf ter zitting heeft aangegeven dat zij (nadat de kantonrechter in deze zaak een vonnis heeft gewezen waarbij de gevorderde ontbinding en ontruiming is uitgesproken) dit vonnis, bij correcte betaling van de lopende huur en afbetaling van de huurachterstand (door het treffen van een mogelijke afbetalingsregeling), niet verder ten uitvoer zal leggen maar zal worden gebruikt als “stok achter de deur”. Hiermee geeft Woonbedrijf [huurder] de mogelijkheid om in zijn woning te kunnen blijven wonen. Dit betekent overigens wel dat als [huurder] de lopende huur en de nog te treffen afbetalingsregeling met Woonbedrijf niet stipt nakomt, hij alsnog uit de woning kan worden gezet.

4.6

Woonbedrijf maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Vast staat dat aan de vereisten van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan en dat het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten overeenkomt met het in het Besluit bepaalde tarief, zodat dit deel van de vordering ook wordt toegewezen.

4.7

[huurder] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreffende het gehuurde gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] ;

veroordeelt [huurder] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met alle zich daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en met afgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonbedrijf te stellen;

veroordeelt [huurder] om aan Woonbedrijf te betalen een bedrag van € 1.986,39, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.772,28 vanaf 19 juli 2018 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [huurder] om aan Woonbedrijf te betalen een bedrag van € 595,37 voor elke maand of deel van een maand, dat [huurder] vanaf 1 augustus 2018 het gehuurde niet heeft ontruimd en verlaten;

veroordeelt [huurder] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Woonbedrijf tot heden begroot op € 101,89 aan explootkosten, € 476,00 aan griffierecht en € 150,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2018.