Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:5461

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
7034271 / 18-5244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Achmea vordert onbetaalde premie bedrijfspolis, vordering toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zaaknummer: 7034271 \ CV EXPL 18-5244

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 7034271 \ CV EXPL 18-5244

Vonnis van 25 oktober 2018

in de zaak van:

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V..

tegen:

[E.] Holding B.V.,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna genoemd “Achmea” en “ [gedaagde] ”.

1 Het verloop van het geding

Achmea heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. Bij tussenvonnis van 23 augustus 2018 is vervolgens een zitting (“comparitie van partijen”) gelast. Achmea heeft voorafgaand aan de comparitie aanvullende stukken toegezonden. De comparitie heeft plaatsgevonden op 26 september 2018. Na afloop van de comparitie is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken het volgende vast.

2.2.

[gedaagde] is bij Achmea verzekerd (geweest) uit hoofde van een zogeheten "Bedrijfs Compact Polis".

2.3.

[gedaagde] is uit hoofde van de tussen partijen bestaande overeenkomst(en) en de daarop toepasselijke voorwaarden en/of reglementen gehouden om de verschuldigde premie voor de verzekering bij vooruitbetaling aan Achmea te voldoen.

3 Het geschil

3.1.

Achmea vordert betaling van € 135,47, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

3.2.

Achmea legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

De uit hoofde van de verzekering verschuldigde premie over de periode van 13 oktober 2017 tot 13 november 2017 ad € 83,21 heeft Achmea bij [gedaagde] in rekening gebracht. Deze premie is, ondanks herhaalde herinneringen en aanmaningen, niet betaald.

De gedurende het gehele buitengerechtelijke incassotraject door Achmea gemaakte buitengerechtelijke incassokosten bedragen € 48,40. Op grond van de wet komen deze kosten voor rekening van [gedaagde] Op grond van de wet is [gedaagde] vanaf de vervaltermijn tot en met heden aan wettelijke handelsrente een bedrag van € 3,86 verschuldigd geworden.

3.3.

[gedaagde] voert, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Voor haar was niet duidelijk waarom zij nog een bedrag moest betalen aan Achmea. De openstaande facturen zijn altijd via een incasso-opdracht uitgevoerd. Er is door [gedaagde] meerdere malen contact opgenomen met Achmea en het incassobureau voor uitleg waarom het bedrag afweek van de gebruikelijke premie. Uit nadere stukken die door Achmea in het geding zijn gebracht, ten behoeve van de comparitie, is het voor [gedaagde] duidelijk waarom zij moet betalen; zij betwist het bedrag niet meer en wil de hoofdsom voldoen. Zij maakt bezwaar tegen de rente en bijkomende (proces-)kosten.

4 De beoordeling

4.1.

Ter verdere onderbouwing van haar vordering heeft Achmea voorafgaande aan de comparitie stukken in het geding gebracht waaruit blijkt hoe de openstaande vordering is opgebouwd. Allereerst geeft Achmea aan dat de termijn waarover betaald moet worden onjuist in de dagvaarding staat. De termijn loopt tot 01-11-2017 in plaats van de vermelde 13-11-2017. De maandelijkse premie die door [gedaagde] moet worden voldaan, bedraagt € 138,69. In verband met de beëindiging van de verzekering loopt de premie tot 1-11-2017 en niet tot 13-11-2017. Hierdoor is er sprake van een mindering op de premie van

€ 55,48. Zodoende is [gedaagde] een bedrag van € 83,21 verschuldigd aan Achmea.

4.2.

[gedaagde] heeft deze nadere onderbouwing door Achmea ter comparitie niet verder dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. De hoofdsom en de gevorderde rente zijn daarom toewijsbaar.

4.3.

Ter comparitie heeft Achmea haar vordering omtrent de buitengerechtelijke kosten ingetrokken. Dit betekent dat over dit onderdeel van de vordering niet hoeft te worden beslist.

4.4.

[gedaagde] wordt als de (in overwegende mate) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Achmea te betalen de som van € 87,07 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 83,21 vanaf 27 juni 2018 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Achmea tot heden begroot op € 105,79 aan explootkosten, € 119,00 aan griffierecht en € 60,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2018.