Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:543

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
01/845340-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Verdachte heeft deze kans welbewust aanvaard. De rechtbank acht derhalve poging tot doodslag bewezen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Daarom verklaart de rechtbank het bewezenverklaarde feit niet strafbaar. De rechtbank ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845340-17

Datum uitspraak: 07 februari 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1964] ,

wonende te [postcode] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 december 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 juni 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn zij/buik(streek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging

De officier van justitie heeft gevorderd dat poging tot doodslag bewezen zal worden verklaard. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de bewijsvraag.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft bekend aangever [slachtoffer] tijdens een vechtpartij op 3 juni 2017 in de [supermarkt] aan de [adres 2] te Eindhoven met een mes te hebben gestoken. Aan verdachte is poging tot doodslag van [slachtoffer] ten laste gelegd. Dat betekent dat verdachte opzet moet hebben gehad op het overlijden van [slachtoffer] . Niet gebleken is dat verdachte heeft gehandeld met het doel om [slachtoffer] om het leven te brengen. Opzet op een bepaald gevolg, zoals hier het overlijden van [slachtoffer] , kan echter ook aanwezig zijn als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Dan is sprake van zogeheten voorwaardelijk opzet.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de getoonde camerabeelden waarop het incident goed is te zien, volgt dat verdachte tijdens een gevecht met [slachtoffer] een mes met een lemmet van ongeveer tien centimeter met zijn linkerhand uit zijn linkerbroekzak heeft gehaald. Vervolgens heeft verdachte, nog steeds tijdens dat gevecht, [slachtoffer] met een stekende beweging aan diens rechterzijde in de zij dan wel buik gestoken.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen, in aanmerking genomen dat zich in de buikstreek aan de rechterzijde vitale organen bevinden, zoals de lever en de darmen, willens en wetens de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Door desondanks te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij deze kans ook welbewust aanvaard.

Aan deze conclusie doet niet af dat het daadwerkelijk letsel beperkt lijkt te zijn gebleven. Weliswaar is een steekverwonding in de rechterflank van [slachtoffer] met op echo een spoor van vrij vocht geconstateerd, maar ander letsel is niet vastgesteld. Er waren, volgens de medische informatie die is ingewonnen, geen aanwijzingen voor leverlaceratie. Voor de beoordeling van het opzet moet echter worden gekeken naar de gedragingen van verdachte en de aanmerkelijke kans die met die gedragingen in het leven is geroepen, en dus niet zozeer naar achteraf beschouwd beperkt gebleven gevolgen.

Evenmin doet aan deze conclusie af de omstandigheid dat verdachte, naar eigen zeggen, niet met volle kracht zou hebben gestoken. Verdachte heeft in een hectische situatie, met over en weer veel geduw en getrek, met een stekende beweging [slachtoffer] in de rechterbuikstreek gestoken. Zelfs als dat niet met volle kracht is gebeurd, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat die messteek een zo ernstige verwonding zou veroorzaken dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Immers is in zo’n situatie niet alleen de kracht waarmee wordt gestoken bepalend, maar ook de lichaamsbewegingen over en weer van verdachte en van [slachtoffer] .

Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

op 3 juni 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven met een mes in zijn zij/buik(streek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde misdrijf.

Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet allereerst sprake zijn geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Vervolgens moet de reactie op die aanranding ook geboden zijn ter noodzakelijke verdediging daartegen. Dit betekent ten eerste dat de verdediging noodzakelijk moet zijn geweest en verdachte zich bijvoorbeeld niet kon en moest onttrekken aan de aanranding. Ten tweede betekent het dat de verdediging, in het bijzonder het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, niet in een onredelijke verhouding mag staan tot de ernst van de aanranding.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank het volgende op.

Verdachte is op 3 juni 2017, omstreeks 8.20 uur, naar de [supermarkt] aan de [adres 2] in Eindhoven gegaan om boodschappen te doen. Omdat hij al enkele weken werd lastiggevallen door [slachtoffer] , en op 1 juni 2017 door hem met een stok was geslagen en bekogeld met stenen, was verdachte bang dat [slachtoffer] hem opnieuw zou lastigvallen of belagen. Verdachte heeft om die reden een mes bij zich gestoken toen hij op weg ging naar de [supermarkt] .

Verdachte kwam [slachtoffer] buiten, voor de [supermarkt] , tegen en is toen doorgelopen. Toen verdachte even later bij de kassa van de [supermarkt] stond, kwam [slachtoffer] vanuit het winkelgedeelte aangelopen en begon beledigingen en bedreigingen naar verdachte te schreeuwen. [slachtoffer] liep naar verdachte toe en passeerde hem bij de kassa waar verdachte stond te wachten.

Vervolgens heeft [slachtoffer] verdachte, na geschreeuw over en weer, een harde trap in het kruis gegeven, terwijl verdachte de confrontatie juist wilde beëindigen, zoals ook de medewerkster die achter de desbetreffende kassa zat heeft verklaard. Verdachte stond op dat moment ingeklemd tussen de kassa een de ene kant, een afscheiding naar de volgende kassa aan de andere kant en de boodschappenkar van een klant aan de achterkant. Nadat verdachte [slachtoffer] met een trap van zich af probeerde te houden, trapte [slachtoffer] verdachte opnieuw, pakte hem vast en begon met de gebalde rechtervuist op verdachte in te slaan. De telefoon die verdachte uit zijn broekzak had gepakt om 112 te bellen, vloog daarbij uit zijn hand. [slachtoffer] heeft verdachte, terwijl hij verdachte met zijn linkerhand vasthield bij de bovenkleding, drie keer hard op het hoofd geslagen. Tijdens dit gevecht heeft verdachte met zijn linkerhand het mes uit zijn linkerbroekzak gepakt en [slachtoffer] daarmee op enig moment gestoken in diens rechterzij. Kort daarna werden verdachte en [slachtoffer] uit elkaar gehaald door de bedrijfsleider van de supermarkt.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande duidelijk blijkt dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer] . Tegen deze aanranding kon en mocht verdachte zich verdedigingen. Doordat verdachte ingeklemd stond, bestond er voor hem fysiek geen mogelijkheid om zich aan de aanranding te onttrekken. Verdachte wilde volgens de dienstdoende kassière vooral de aanval beëindigen en haalde nog zijn mobiele telefoon uit zijn broekzak om 112 te bellen. Dat lukte echter niet, omdat die telefoon door de aanval uit zijn hand vloog. Kort na het begin van de vechtpartij heeft [slachtoffer] verdachte bovendien vastgepakt.

De rechtbank komt verder tot de conclusie dat de verdediging met behulp van een mes in dit geval niet in een onredelijke verhouding stond tot de aanranding. [slachtoffer] had verdachte eerder aangevallen en doodsbedreigingen geuit naar verdachte. Uit de foto’s in het dossier en de ter zitting bekeken camerabeelden van het voorval blijkt dat [slachtoffer] een steviger en gespierder postuur heeft dan verdachte. Bovendien is het linkerbeen van verdachte in het verleden verbrijzeld, waardoor verdachte minder goed ter been is dan [slachtoffer] . Fysiek was [slachtoffer] dus de meerdere van verdachte en onder die omstandigheden kon van verdachte niet worden verwacht dat hij zich, bijvoorbeeld, enkel met de blote vuisten zou verdedigen. Daar komt bij dat de poging die verdachte aanvankelijk deed om [slachtoffer] van zich af te houden door hem te trappen, niet succesvol bleek en er alleen maar toe leidde dat [slachtoffer] vastberaden achter verdachte aanging en zijn aanranding voortzette.

Ook de wijze waarop verdachte het verdedigingsmiddel, een mes met een lemmet van ongeveer tien centimeter, heeft gebruikt, maakt niet dat die verdediging in een onredelijke verhouding met de aanranding stond. Omdat verdachte, nu hij linkshandig is, het mes in zijn linkerbroekzak had gestoken en dus ook met zijn linkerhand uit die linkerbroekzak haalde, en [slachtoffer] hem vasthield en op afstand hield, was er voor verdachte geen andere reële mogelijkheid dan te steken zoals hij heeft gestoken.

De rechtbank vindt dus dat verdachte in beginsel heeft gehandeld uit noodweer. De voorgeschiedenis tussen verdachte en [slachtoffer] en de omstandigheid dat verdachte vanwege die voorgeschiedenis een mes in zijn zak had gestoken voor het geval [slachtoffer] hem opnieuw zou belagen of aanvallen, staat naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer. Niet kan worden gezegd dat verdachte de aanval heeft uitgelokt of uit was op een confrontatie. Dat verdachte op een eerder moment een andere, achteraf bekeken wellicht verstandiger keuze had kunnen maken, door bijvoorbeeld naar de politie te gaan in plaats van een mes bij zich te steken, neemt niet weg dat hij op 3 juni 2017 ongewild werd geconfronteerd met een heftige aanval door [slachtoffer] . Die aanval hoefde hij niet lijdzaam over zich heen te laten komen.

De rechtbank komt tot dezelfde conclusie als de officier van justitie en de verdediging, te weten dat verdachte een beroep toekomt op noodweer, en zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

poging tot doodslag

Verklaart het bewezen verklaarde feit niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit feit

van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. Kraniotis, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. T. van de Woestijne, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 7 februari 2018.