Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:538

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
C/01/326322 / HA ZA 17-675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident.IPR EEX-Vo II, forumkeuzebeding in geldleningsovereenkomst, geldleningsov. mee overgegaan in aandelenovereenkomst, forumkeuzebeding in geldleningsov. geldt voor vordering u.h.v. die geldleningsov. niet forumkeuzebeding in aandelenovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/326322 / HA ZA 17-675

Vonnis in incident van 7 februari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMS ZUID B.V.,

gevestigd te Oisterwijk,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. S.M.I. van Loon te Veghel,

tegen

de vennootschap naar Duits recht

RAILMAINT GMBH,

gevestigd te Delitzsch (Duitsland),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. R.A.M.D. Smit te Eindhoven.

Partijen zullen hierna IMS en Railmaint genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

Op 1 juni 2009 is een overeenkomst van geldlening (hierna: de geldleningsovereenkomst) gesloten tussen Husa Transportation Group B.V. (hierna: HTG) en Rail Service Benelux B.V. (hierna: RSB). Blijkens de geldleningsovereenkomst heeft HTG een bedrag van € 75.000 geleend aan RSB.

2.2.

In artikel 11 van de overeenkomst zijn HTG en RSB het volgende overeengekomen: “This Loan Agreement shall be governed by, construed and performed in accordance with Dutch law. Any dispute, disagreement or claim, arising out of, relating to, or regarding the interpretation and/or execution of any of its provisions shall, at the sole discretion of Lender, be submitted tot he District Court of ’s-Hertogenbosch (The Netherlands) or any other court having jurisdiction on the matter.”

2.3.

De aandelen van RSB werden ten tijde van het sluiten van de geldleningsovereenkomst gehouden door Husa Rolling Stock Services B.V. (hierna: HRSS) en EuroMaint Rail GmbH (hierna: EuroMaint), ieder voor 50%.

2.4.

In maart 2012 heeft HRSS haar aandelen in RSB verkocht aan EuroMaint. Hiervan is een overeenkomst opgemaakt (hierna: de Aandelenovereenkomst). In artikel 9 van de Aandelenovereenkomst zijn partijen het volgende overeengekomen: “This Agreement shall be governed by and construed in accordance with the laws of the Federal Republic of Germany. The Mannheim courts shall have exclusive jurisdiction over any disputes arising from or in connection with this Agreement.”

2.5.

De naam van HRSS is op 21 mei 2013 gewijzigd in “IMS Zuid B.V.” (eiseres in de hoofdzaak). De naam van EuroMaint is inmiddels gewijzigd in “Railmaint GmbH” (gedaagde in de hoofdzaak).

2.6.

IMS vordert in de hoofdzaak dat Railmaint wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een hoofdsom van € 75.000, vermeerderd met contractuele rente van 7,00% per jaar vanaf 27 maart 2012 .

2.7.

IMS legt aan haar vordering ten grondslag dat HTG haar vordering op RSB uit hoofde van de geldleningsovereenkomst heeft overgedragen aan HRSS en dat EuroMaint (thans Railmaint) bij de Aandelenovereenkomst de verplichtingen van RSB jegens HRSS uit hoofde van de geldleningsovereenkomst heeft overgenomen.

3 Het geschil en de beoordeling in het incident

3.1.

Railmaint vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Railmaint voert hiertoe – kort gezegd – het volgende aan.

Railmaint betwist dat IMS een vordering op haar heeft op grond van de geldleningsovereenkomst. Zij zijn geen van beiden partij bij de geldleningsovereenkomst. Railmaint betwist dat HRSS de vordering van HTG op RSB uit hoofde van de geldleningovereenkomst heeft overgenomen. Bovendien betwist Railmaint dat zij de verplichtingen van RSB jegens HTG uit hoofde van de geldleningsovereenkomst heeft overgenomen. Aangezien Railmaint geen partij is bij de geldleningsovereenkomst geldt de forumkeuze in artikel 11 van die overeenkomst niet jegens Railmaint. De enige overeenkomst waarbij Railmaint partij is, is de Aandelenovereenkomst. Daarin is bepaald dat de rechtbank te Mannheim (Duitsland) exclusief bevoegd is.

3.2.

IMS voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.3.1.

De vraag of deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van IMS jegens Railmaint dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo II).

De hoofdregel, neergelegd in artikel 4 EEX-Vo II, is dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat. Daaraan is in het onderhavige geval niet voldaan. Railmaint is immers gevestigd in Duitsland. Derhalve moet onderzocht worden of de Nederlandse rechter op andere grond bevoegdheid kan ontlenen aan de EEX-Vo II.

3.3.2.

Op grond van artikel 25 EEX-Vo II is een gerecht van een lidstaat bevoegd, (onder andere) indien partijen bij schriftelijke overeenkomst dit gerecht hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. IMS beroept zich erop dat de partijen bij de geldleningsovereenkomst in artikel 11 de rechtbank te ’s-Hertogenbosch (rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch) hebben aangewezen als bevoegde rechter.

Railmaint betwist weliswaar dat zij de verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst heeft overgenomen of anderszins bij de geldleningsovereenkomst is betrokken. De vraag of dat het geval is dient echter te worden beantwoord in de hoofdzaak. De grondslag van de vordering die IMS stelt te hebben is bepalend voor de vraag of deze rechtbank bevoegd is. Volgens IMS is in de Aandelenovereenkomst overeengekomen dat RailMaint de geldleningsovereenkomst zou overnemen. IMS wijst er in haar conclusie van antwoord in het incident op dat in de Aandelenovereenkomst is bepaald dat “all other provisions of the underlying Loan Agreement shall remain valid”. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat artikel 11 van de geldleningsovereenkomst is blijven gelden en dat de bevoegdheidsbepaling in de Aandelenovereenkomst niet geldt voor de geldleningsovereenkomst. Op grond van het bepaalde in artikel 25 EEX-Vo II is deze rechtbank dan ook als de door de partijen bij de geldleningsovereenkomst aangewezen rechter bevoegd om kennis te nemen van vorderingen uit hoofde van die geldleningsovereenkomst.

3.4.

Railmaint zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.

De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

4.2.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.3.

De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

4.4.

In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

4.5.

Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt Railmaint in de kosten van het incident, aan de zijde van IMS tot op heden begroot op € 452,00,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 februari 2018 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018.