Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:5270

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
01/995036-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een sloopbedrijf is veroordeeld wegens:

-aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon;

- aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, begaan door een rechtspersoon.

- overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 32, lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Opgelegd wordt een geldboete van EUR 100.000,- waarvan EUR 20.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2019/11
Jurisprudentie HSE 2018/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/995036-17

Datum uitspraak: 30 oktober 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

Gevestigd te [adres 1] , [plaats] .

Ter terechtzitting vertegenwoordigd door:

[betrokkene] , geboren op [1983] ,

wonende te [adres 2] , [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 augustus 2018.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 4 september 2015 in de gemeente Eindhoven

zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam, onzorgvuldig en/of

nalatig een of meer werknemers arbeid heeft laten verrichten in het [gebouw]

op het terrein van de TU aldaar,

door bij het demonteren van een lift en/of sloopwerkzaamheden in een

liftschacht de werknemers [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

- plaats te laten nemen op een liftcabine welke was bevestigd aan een niet

voor het vervoer van personen bestemde kabellier (Hit-trac) en/of

- die werkzaamheden te laten verrichten zonder voortdurend een valbeveiliging

te dragen en/of

- die werkzaamheden te laten verrichten zonder voortdurend toezicht en/of

- die werkzaamheden te laten verrichten terwijl hij/zij daarvoor

onvoldoende was/waren geïnstrueerd en/of onvoldoende vaardigheden en/of

deskundigheid had(den)

waardoor het aan haar schuld te wijten is dat de liftcabine met daarop die

werknemers naar beneden is gestort waardoor [slachtoffer 1] zodanig letsel heeft

bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden en/of [slachtoffer 2] zwaar

lichamelijk letsel (te weten onder andere een dwarslaesie, een verbrijzelde

arm, beenbreuken, een schouderbreuk en/of een klaplong) heeft bekomen;

2.

zij op of omstreeks 4 september 2015 in de gemeente Eindhoven, in het [gebouw]

, op het terrein van de TU aldaar

als werkgever, bij het slopen van een lift, althans bij sloopwerkzaamheden in

een liftschacht, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht en/of

nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende

bepalingen, door in strijd met artikel:

- 3, eerste lid sub c van de Arbeidsomstandighedenwet niet te zorgen voor de

veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid

verbonden aspecten en daarbij in acht te nemen dat de inrichting van de

arbeidsplaats, de werkmethoden en/of de bij de arbeid gebruikte

arbeidsmiddelen, zoveel als redelijkerwijs kon worden gevergd, aan de

persoonlijke eigenschappen van de werknemers werden aangepast, aangezien

werknemer [slachtoffer 2] de handleiding van de Hit-Trac niet kon lezen en/of

werknemer [slachtoffer 1] geen ervaring had met het slopen van liften en/of

gebruiken van een (elektrische) kabellier en/of

- 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het

arbeidsomstandighedenbeleid niet in een invenstarisatie en evaluatie

schriftelijk vast te leggen welke risico's de arbeid met betrekking tot de

sloop in een liftschacht met zich brengt en/of

- 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet er niet voor te zorgen dat

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten

werkzaamheden en/of de daaraan verbonden risico's en/of de maatregelen die

erop gericht waren deze risico's te voorkomen en/of te beperken en/of

- 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet niet toe te zien op de

naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen en/of

beperken van de in het eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste

gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en/of

- 7.3, tweede lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit de arbeidsmiddelen die

op de arbeidsplaats ter beschikking van de werknemers werden gesteld niet

uitsluitend te (laten) gebruiken voor het doel en/of op de wijze waarvoor

zij zijn ingericht en bestemd, immers werd de Hit-trac kabellier gebruikt

voor het vervoer van personen en/of

- 7.18, vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit met een hijs- of

hefwerktuig (te weten een Hit-trac kabellier) dat uitsluitend was bestemd en

ingericht voor het vervoer van goederen, in de plaats van of tezamen met

goederen personen te laten vervoeren en/of

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten,

levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer

werknemers, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ontstond of te verwachten was;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs (t.a.v. feit 1 en 2).

Bewijsbijlage.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage en overweegt voorts het volgende.

Inleiding.

Op 4 oktober 2015 vond tijdens demontagewerkzaamheden in en aan een liftschacht van het [gebouw] op het terrein van TU Eindhoven een ernstig bedrijfsongeval plaats, waarbij één van de twee werknemers van verdachte die op de liftkooi in de liftschacht aan het werk waren is komen te overlijden ( [slachtoffer 1] ) en de andere werknemer ( [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit onderzoek van het Liftinstituut is gebleken dat de technische oorzaak van het ongeval is geweest dat de stalen hijskabel waaraan de liftkooi was opgehangen, tijdens het dalen van de lift van de tractieschijf van de elektrische motorkabellier, ook wel takel(lier) genoemd, is afgelopen. Daardoor is de liftkooi nagenoeg in vrije val geraakt. Tevens is gebleken dat de drukveren van de vanginrichting van de lift onklaar waren gemaakt, waardoor de vanginrichting niet in staat was om de vallende liftkooi tot stilstand te brengen. Tenslotte bleken de beide werknemers op het moment dat de lift naar beneden viel, met hun valharnas niet te zijn aangelijnd, waardoor zij beiden met de liftcabine naar beneden vielen en dodelijk, respectievelijk zwaar lichamelijk gewond raakten.

Aan verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat de dood van het [slachtoffer 1] en het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] aan haar schuld is te wijten, alsmede dat zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen om de risico’s en gevaren die aan de sloop- c.q. demontagewerkzaamheden in de liftschacht waren verbonden, te voorkomen of te beperken.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 en 2 ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit.

De verdediging heeft – kort samengevat – aangevoerd dat verdachte niet wist en ook redelijkerwijs niet had kunnen weten dat de gehuurde takellier van het merk/type Hittrac-32 niet bestemd was voor personenvervoer, dat verdachte haar werknemers die op hoogte werken, heeft verplicht een valbescherming/beveiliging te dragen en dat verdachte de [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op de dag van het ongeval nog erop heeft gewezen zich aan te lijnen, dat van verdachte in redelijkheid niet had kunnen worden gevergd dat zij voortdurend toezicht zou houden op de sloopwerkzaamheden aan de lift,

dat voortdurend toezicht het ongeval niet had kunnen voorkomen en dat de [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voldoende geïnstrueerd en voldoende vaardig en deskundig waren om de sloopwerkzaamheden aan de lift uit te voeren. Ook heeft de verdediging bepleit dat geen causaal verband aanwezig is tussen de onvoldoende mate van vaardigheid en deskundigheid van de slachtoffers en het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer 1] en het zwaar lichamelijk letsel van het [slachtoffer 2] , zodat de gevolgen van het ongeval redelijkerwijs niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit.

De verdediging heeft – kort samengevat – aangevoerd dat verdachte zijn verplichting om de slachtoffers over de aan de sloopwerkzaamheden aan de lift verbonden risico’s en gevaren te instrueren niet heeft geschonden, omdat het [slachtoffer 1] geen sloopervaring nodig had voor de werkzaamheden die hij zou uitvoeren en omdat het [slachtoffer 2] , ondanks dat hij als analfabeet de handleiding van de kabellier niet kon lezen, voldoende ervaring had met het slopen van liften en het gebruiken van (ketting)takellieren en zich omringd wist met voldoende collega’s die wel konden lezen. Verdachte kan niet worden verweten dat hij geen schriftelijke risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) over de risico’s en gevaren van de sloopwerkzaamheden aan de lift heeft opgemaakt aangezien er met betrekking tot de sloop van de liftinstallaties wel degelijk een risico-inventarisatie en evaluatie is gemaakt.

Ook kan verdachte niet worden verweten dat geen doeltreffende informatie werd verstrekt over de te verrichten werkzaamheden aan de lift en de daaraan verbonden risico’s en eventuele maatregelen om die risico’s te beperken. Immers werd door de [projectuitvoerder] , bij verdachte in dienst, aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] mondeling een start/werkinstructie gegeven, werd door hem de handleiding van de takel gelezen en werd door hem deze handleiding aan hen ter beschikking gesteld. [slachtoffer 2] had bovendien ruime ervaring in het slopen van liften. Voor zover het verwijt ziet op het feit dat de in de risico-inventarisatie beschreven bediening van de ontgrendeling op de liftkooi van de valbeveiliger in werkelijkheid ontbrak, wijst de verdediging erop dat dit niet van invloed is geweest op het voorkomen of beperken van de aan de sloopwerkzaamheden verbonden risico’s en gevaren.

Evenmin kan verdachte worden verweten dat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden op de naleving van instructies/voorschriften, gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s die aan de sloopwerkzaamheden aan de lift waren verbonden en op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, omdat [slachtoffer 2] ruime ervaring had met het invoeren van de stalen hijskabel in de kabellier en voorafgaand aan het ongeval geen aanwijzingen bestonden dat de invoer van de stalen hijskabel in de kabellier mogelijk niet correct is geweest. Ten slotte kan verdachte niet worden verweten dat hij de takel heeft gebruikt voor het vervoer van personen, omdat de nageleverde Engelstalige handleiding van de takel geen passage bevatte waarin het verbod van personenvervoer was opgenomen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsbijlage.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage en overweegt voorts het volgende.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank.

De gebondenheid van verdachte aan de voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet en de voorschriften uit het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Verdachte is gebonden aan de veiligheidsvoorschriften, zoals die onder meer voortvloeien uit de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). De rechtbank stelt vast dat op de plaats van het ongeval, een liftschacht in het [gebouw] van de TU Eindhoven gelegen aan Den Dolech 2 te Eindhoven, sprake was van een arbeidsplaats in de zin van artikel 1, derde lid, onder g van de Arbowet. Namens verdachte werden op de voornoemde locatie in opdracht van [bedrijf] onder meer sloopwerkzaamheden verricht. [betrokkene] , als vertegenwoordiger werkzaam voor verdachte, heeft verklaard dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] in vaste dienst waren van verdachte en dat zij in opdracht werkten van verdachte. Ten aanzien van beide slachtoffers was sprake van een werkgever-werknemer relatie in de zin van artikel 1, derde lid, onder a en b van de Arbowet.

In de Arbowet is verankerd dat werknemers recht hebben op een veilige en gezonde werkplek. De primaire verantwoordelijkheid voor het inrichten van een dergelijke werkplek rust op de feitelijke werkgever, die verplicht is een arbobeleid te voeren dat gericht is op de bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers.

De naleving van de op verdachte rustende zorgplicht uit hoofde van artikel 5, eerste lid, van de Arbowet.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat verdachte de risico’s en gevaren die verbonden waren aan de sloopwerkzaamheden aan de lift onvoldoende heeft beschreven in een schriftelijke risico-inventarisatie en evaluatie (hierna: RI&E). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

In de RI&E wordt onder te nemen maatregelen beschreven dat de vanginrichting alleen ontgrendeld mag worden als de liftkooi naar een lagere verdieping zakt. In het werkplan wordt onder de paragraaf ‘geleiding’ beschreven dat de aanwezige valbeveiliging tijdens de sloopwerkzaamheden in bedrijf zal blijven en dat tijdens het zakken van de liftkooi de valbeveiliging van de lift tijdelijk zal worden ontgrendeld.

De rechtbank stelt vast dat uit het onderzoek van het Liftinstituut en de bevindingen daarvan zoals verwoord in de rapportage ongevalsonderzoek blijkt dat de lift in werkelijkheid niet was voorzien van een ontgrendelingsmechanisme waarmee de vanginrichting van de liftkooi kon worden ontgrendeld. De inhoud van de RI&E strookt voor wat betreft het daarin voorgeschreven ontgrendelingsmechanisme dus niet met de werkelijke situatie dat op de liftkooi geen ontgrendelingsvoorziening aanwezig was.

Dat een ontgrendelingsvoorziening geen standaard onderdeel is van een liftinstallatie, maakt niet dat verdachte niet verplicht was ervoor te zorgen dat de beschrijving van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen van de liftkooi in de RI&E en het werkplan overeenkwam met de veiligheidsvoorzieningen waarover de liftkooi in werkelijkheid beschikte.

Een beschrijving van de bediening, werking en functie van de wél aanwezige vanginrichting als valbeveiliging van de liftkooi en van de daarmee samenhangende risico’s ontbrak.

De rechtbank merkt op dat voor de beoordeling van de naleving van de onderhavige zorgplicht niet relevant is of de slachtoffers al dan niet wisten dat de liftkooi niet beschikte over een ontgrendelingsvoorziening. Van de feitelijke werkgever wordt immers verwacht dat deze de aan de werkzaamheden verbonden risico’s en gevaren benoemt en de daartegen te nemen veiligheidsmaatregelen beschrijft, ongeacht of werknemers wel of niet op de hoogte zijn van die risico’s en gevaren.

Voorts merkt de rechtbank op dat noch in de RI&E, noch in het werkplan, het gebruik van valgordels dwingend wordt voorgeschreven. In het werkplan wordt volstaan met de instructie om de persoonlijke valbescherming aan te lijnen aan de liftgeleiders. Deze liftgeleiders moesten echter juist verwijderd worden. In de werkinstructie ontbreekt een beschrijving van de risico’s van deze werkwijze en een instructie hoe deze risico’s kunnen worden voorkomen of beperkt. Uit de eerste verklaring van [getuige 1] en de eerste verklaring van [getuige 2] blijkt dat verdachte evenmin heeft voorzien in een reddingsplan voor het geval dat werknemers aan hun vanggordels in de liftschacht zouden komen te hangen en op welke wijze de duur daarvan zoveel mogelijk kon worden beperkt.

Ten slotte blijkt uit de inhoud van het dossier dat een paar dagen voorafgaand aan het ongeval de constructie waarmee de takel was bevestigd waaraan de liftkooi hing, dermate instabiel bleek te zijn dat de takel was komen te vallen. De rechtbank heeft geconstateerd dat ook met betrekking tot de constructie waarmee de takel werd bevestigd een risico-inventarisatie en evaluatie ontbrak. Ook het incident waarbij de takel was gevallen en waarbij de instabiliteit van de hangconstructie van de takel bleek, heeft niet geleid tot een risicoanalyse van de constructie.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte in strijd heeft gehandeld met de op haar uit hoofde van artikel 5 lid 1 Arbowet rustende zorgplicht.

De naleving van de op verdachte rustende zorgplicht uit hoofde van artikel 8, eerste lid, van de Arbowet.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de slachtoffers niet op doeltreffende wijze heeft ingelicht over de sloopwerkzaamheden aan de lift, de daaraan verbonden risico’s en gevaren en eventuele maatregelen om die risico’s te beperken. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de verklaring van [getuige 2] , werkzaam als uitvoerder sloopwerkzaamheden bij verdachte, blijkt weliswaar dat het werkplan met de slachtoffers is doorgesproken, maar zoals eerder opgemerkt kwamen de in het werkplan beschreven veiligheidsmaatregelen niet overeen met de veiligheidsvoorzieningen die aldaar feitelijk aanwezig waren.

[getuige 2] heeft daarenboven verklaard dat niet zwaar werd getild aan het feit dat de beschrijving van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen niet overeenkwam met de werkelijk aanwezige veiligheidsvoorzieningen bij de liftkooi en dat hij zelf, kennelijk ten onrechte, veronderstelde dat er een ontgrendelingsmechanisme bij de liftkooi aanwezig was, alsmede dat in verband met het risico op afknelling van de bloedtoevoer van ledematen niet is nagedacht over de maximale tijd die werknemers aan een valgordel mochten hangen. [getuige 1] , die de werkinstructie heeft opgesteld, verklaarde dat hij er zelf niet vanuit ging dat de lift zou vallen en dat hij daarom ook niet had nagedacht over scenario’s waarbij de lift zou vallen en de werknemers aan de persoonlijke valbeveiliging zouden blijven hangen.

De verdediging heeft aangevoerd dat de in het werkplan beschreven, maar in werkelijkheid afwezige ontgrendelingsmechanisme van de valbeveiliging niet van invloed is geweest op het voorkomen of beperken van de aan de sloopwerkzaamheden verbonden risico’s en gevaren. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van de rechtbank valt niet uit te sluiten dat door de verkeerde instructie hieromtrent werknemers op het verkeerde been worden gezet en een andere dan de in de werkomschrijving beschreven werkwijze gaan hanteren die mogelijk meer of andere risico’s en gevaren oplevert. In zoverre is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook op dit punt tekort is geschoten in de naleving van haar verplichting om haar werknemers doeltreffend te informeren.

Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte in strijd heeft gehandeld met de op haar uit hoofde van artikel 8, eerste lid, van de Arbowet rustende zorgplicht.

De naleving van de op verdachte rustende zorgplichten uit hoofde van artikel 3, eerste lid, onder c, van de Arbowet en artikel 8, vierde lid, van de Arbowet.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat verdachte kan worden verweten dat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden op de naleving van instructies/voorschriften die waren gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s die aan de sloopwerkzaamheden van de liftschacht waren verbonden, onvoldoende toezicht heeft gehouden op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en de inrichting van de arbeidsplaats, werkmethoden en bij de arbeid gebruikte arbeidsmiddelen niet zoveel als redelijkerwijs kon worden gevergd aan de persoonlijke eigenschappen van de werknemers heeft aangepast. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de rapportage ongevalsonderzoek van het Liftinstituut is gebleken dat het [slachtoffer 2] de hijskabel via de zijingang (variant outlet) in de takel heeft ingevoerd.

De rechtbank stelt vast dat de Engelstalige gebruikershandleiding, althans de versie die ten tijde van het ongeval voorhanden was, geen aanwijzingen bevat dat het invoeren van de hijskabel via de zijgang van de takel ongeoorloofd was of werd ontraden, zodat de enkele omstandigheid dat de hijskabel via de zijingang van de takel is ingevoerd nog niet maakt dat verdachte onvoldoende toezicht heeft gehouden. Evenmin kan, zoals de verdediging heeft aangevoerd, uit de inhoud van het dossier worden afgeleid dat voorafgaand aan het ongeval concrete aanwijzingen bestonden dat de stalen hijskabel niet op correcte wijze in de takel is ingevoerd.

Wel bevat de Engelstalige gebruikershandleiding de instructie dat de takel alleen bediend mag worden door daartoe geautoriseerde personen en dat de bediener van de takel de gebruikershandleiding moet hebben gelezen en de instructies moet hebben begrepen.

Tevens bevat de Engelstalige gebruikershandleiding de expliciete waarschuwing dat extra oplettendheid moet worden betracht bij het invoeren van de hijskabel in de takel. Deze waarschuwing luidt dat het onbelaste deel van de hijskabel zonder gebroken draden en ongehinderd in de takel moet worden ingevoerd en dat de kabel in de gaten moet worden gehouden wanneer de takel in beweging is.

De rechtbank stelt op basis van de eerste verklaring van [getuige 1] , als bedrijfsleider werkzaam bij verdachte, en de eerste verklaring van het [slachtoffer 2] , vast dat niemand was aangewezen om toezicht te houden op de invoer van de kabel in de takel. [getuige 3] heeft gezien dat het [slachtoffer 2] de hijskabel op 2 september 2015 zelf heeft ingevoerd in de takel. [getuige 2] heeft in zijn eerste verklaring aangegeven dat de importeur van de takel de Engelstalige gebruikershandleiding pas na de levering van de takel heeft verstrekt en dat hij de Engelstalige handleiding op 2 september 2015 naar de slooplocatie heeft gebracht, maar dat de kabel op dat moment al ingevoerd was in de takel.

Bovendien heeft [slachtoffer 2] in zijn eerste verklaring aangegeven dat hij niet kan lezen. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het [slachtoffer 2] bij het invoeren van de hijskabel in de takel niet beschikte over een gebruikershandleiding van de takel.

Op basis van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de instructies uit de gebruikershandleiding op andere wijze aan [slachtoffer 2] zijn verstrekt.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [slachtoffer 2] zelf geen kennis heeft genomen van de instructies uit de Engelstalige gebruikershandleiding en evenmin dat hij de strekking daarvan kan hebben begrepen. Dat [slachtoffer 2] ruime ervaring had met het werken met takellieren maakt dit niet anders, te meer niet omdat door verdachte normaal gesproken met een kettingtakel werd gewerkt en dit de eerste keer was dat met een elektrische Hit-Trac takel werd gewerkt.

Evenmin is vast komen te staan dat het [slachtoffer 1] over de Engelstalige gebruikershandleiding beschikte en dat hij de strekking van de instructies daarin heeft begrepen. Daarbij kent de rechtbank mede gewicht toe aan de omstandigheid dat, zoals volgt uit de tweede verklaring van [getuige 2] de ter terechtzitting afgelegde verklaring door de vertegenwoordiger van [verdachte] , het [slachtoffer 1] geen ervaring had met de demontage van liftschachten en het gebruik van elektrische takels.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de werkmethode en bij de arbeid gebruikte arbeidsmiddelen niet zoveel als redelijkerwijs mogelijk aan de persoonlijke eigenschappen van [slachtoffer 2] waren aangepast zoals voorgeschreven in artikel 3, eerste lid aanhef en sub 3 van de Arbowet.

[getuige 2] heeft tevens verklaard dat [getuige 3] – die volgens [getuige 2] mee had geholpen met het installeren van de takel en daarvoor de elektrische stroom had aangesloten – toen deze met de Engelstalige handleiding aan kwam zetten aan hem had verteld dat alles al in elkaar zat. Hieruit leidt de rechtbank af dat de takel en de hijskabel zonder gebruikmaking van de handleiding zijn geïnstalleerd en dat er geen adequaat toezicht heeft plaatsgevonden bij deze installatie.

Tevens stelt de rechtbank op basis van de tweede verklaring van [getuige 2] en de tweede verklaring van [getuige 1] vast dat de werking van de vanginrichting van de liftkooi niet is gecontroleerd, omdat daarvoor een neerwaartse beweging van de liftkooi zou moeten worden gesimuleerd en dit niet goed mogelijk was.

Uit de rapportage ongevalsonderzoek van het Liftinstituut is gebleken dat de drukveren van de vanginrichting van de liftkooi zichtbaar met een snijbrander waren doorgebrand, waardoor de vanginrichting van de liftkooi niet heeft gewerkt. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen controle heeft uitgevoerd op het functioneren van de vanginrichting van de liftkooi en dientengevolge onvoldoende toezicht heeft gehouden op de veiligheidswaarborgen die werden verondersteld aanwezig te zijn.

Ten slotte stelt de rechtbank op basis van de eerste verklaring van het [slachtoffer 2] vast dat beide slachtoffers waren aangelijnd aan de geleiders van de liftschacht, maar dat als zij de lift naar beneden bewoog van de ene naar de andere verdieping of als zij van de liftkooi af wilden stappen, de vanglijn eraf moest. Dit laatste was ook het geval voorafgaand aan het naar beneden storten van de liftkooi, toen beide slachtoffers een rookpauze hielden.

Het afkoppelen van de vanglijn is de laatste oorzakelijke omstandigheid geweest waardoor beide slachtoffers met de vallende liftkooi mee naar beneden zijn gestort in de liftschacht.

Ofschoon [getuige 1] en [getuige 2] diverse malen hebben aangegeven dat de beide werknemers hun persoonlijke valbeveiliging aangelijnd moesten houden en [getuige 2] een voorziening had getroffen die vanaf de maandag na het ongeval mogelijk zou maken dat

beiden aangelijnd konden blijven bij het dalen en afstappen van de lift, heeft het toezicht hierop in de ogen van de rechtbank toch tekort geschoten.

Als immers blijkt dat zich tijdens de werkzaamheden een niet voorziene risicovolle omstandigheid voordoet, namelijk dat de werknemers niet te allen tijde met hun persoonlijke valbescherming zijn aangelijnd, dan ligt het op de weg van de werkgever daarop direct maatregelen te treffen, waaronder eventueel het stilleggen van het werk totdat de vereiste voorziening aanwezig is. De rechtbank vindt dan ook dat verdachte in het toezicht op het juiste gebruik van persoonlijke beveiligingsmiddelen is tekortgeschoten.

Uit al het hiervoor gestelde omtrent het al dan niet uitgevoerde toezicht stelt de rechtbank vast dat verdachte niet heeft voldaan aan haar zorgplichten overeenkomstig artikel 8, vierde lid van de Arbowet.

De naleving van de op verdachte rustende zorgplichten uit hoofde van artikel 7.3, tweede lid, van het Arbobesluit en artikel 7.18, vierde lid, van het Arbobesluit.

De rechtbank acht, met de verdediging, niet bewezen dat verdachte de takel in strijd met de gebruiksvoorschriften daarvan heeft gebruikt voor het vervoer van personen.

Zoals eerder overwogen beschikte verdachte ten tijde van het tenlastegelegde slechts over de Engelstalige gebruikershandleiding van de takel. De rechtbank stelt vast dat uit de instructie dat de takel enkel is bestemd om lasten te trekken, te hijsen of neer te laten

(‘to pull, lift and lower loads’) niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat de takel niet voor personenvervoer/-verplaatsing mocht worden gebruikt. Voor het overige bevat de gebruikershandleiding evenmin een ander voorschrift of andere instructie of waarschuwing waaruit ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat de takel niet voor personenvervoer mocht worden gebruikt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit valt af te leiden dat verdachte kan worden verweten dat zij ten tijde van het tenlastegelegde niet over de Nederlandstalige gebruikershandleiding beschikte.

De Nederlandstalige gebruikershandleiding bevat weliswaar wel de expliciete instructie dat de takel in geen geval voor het transport van personen mag worden gebruikt en dat de aanwezigheid van personen op een aan de takel hangende structuur verboden is, maar blijkens de tweede verklaring van [getuige 1] heeft verdachte deze gebruikershandleiding pas na het ongeval van de leverancier van de takel ontvangen. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat verdachte moet worden vrijgesproken van het vijfde en zesde gedachtestreepje van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door het [slachtoffer 1] en het [slachtoffer 2] sloopwerkzaamheden te laten verrichten aan een liftschacht, terwijl de werkzaamheden onvoldoende waren afgestemd op de persoon van de slachtoffers met het oog op de risico’s en gevaren die aan de werkzaamheden waren verbonden, de risico’s en gevaren en de te treffen veiligheidsmaatregelen onvoldoende waren geïnventariseerd, de slachtoffers niet op een deugdelijke wijze waren voorgelicht en geïnstrueerd over die risico’s en gevaren en te nemen veiligheidsmaatregelen en onvoldoende toezicht is gehouden op de sloopwerkzaamheden in de liftschacht, de voor haar geldende verplichting om zorg te dragen voor een zo veilig mogelijke werkomgeving heeft geschonden.

De rechtbank overweegt dat verdachte bewust en daarmee opzettelijk heeft nagelaten de veiligheidsrisico’s die aan de sloopwerkzaamheden in de liftschacht waren verbonden op te nemen in een schriftelijke RI&E, en daarmee in strijd met artikel 5, eerste lid van de Arbowet gehandeld. Ook heeft verdachte bewust en daarmee opzettelijk in strijd met artikel

3, eerste lid, onder c, artikel 8, eerste lid en artikel 8, vierde lid Arbowet ontoereikende veiligheidsmaatregelen getroffen, terwijl zij wist dat daardoor levensgevaar en ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers ontstond of te verwachten was.

Gelet op de aard van de werkzaamheden van haar werknemers, te weten uitgevoerd op grote hoogte in een liftschacht staande op een liftkooi die aan een constructie waarop voornoemde voorschriften in het belang van de veiligheid en gezondheid (in verband met valgevaar) van die werknemers nu juist betrekking hebben, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat (een van) haar werknemer(s) ten gevolge van een onveilige werksituatie zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarmee acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde in de opzettelijke variant bewezen.

De beoordeling van schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat wel causaal verband aanwezig is tussen het laten uitoefenen van sloopwerkzaamheden door het [slachtoffer 1] en het [slachtoffer 2] , zonder hen voortdurend een valbeveiliging – de rechtbank verstaat daaronder: een valbeveiligend middel dat is bevestigd aan een bevestigingspunt – te laten dragen, zonder voortdurend toezicht uit te oefenen op die werkzaamheden, zonder hen deugdelijk te instrueren en terwijl zij onvoldoende vaardigheden en deskundigheid hadden om die sloopwerkzaamheden veilig te verrichten, en de dood van het [slachtoffer 1] en het zwaar lichamelijk letsel van het [slachtoffer 2] . Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende.

Vast is komen staan dat de vanginrichting van de lift niet meer kon functioneren aangezien het drukverenpakket van beide zich aan de onderkant van de liftkooi bevindende vanghuizen (met een snijbrander) waren doorgebrand. Daardoor kon een onverhoopte valbeweging van de liftkooi door de vanginrichting niet meer (automatisch) worden omgezet in een remwerking van de remblokken.

Daarmee waren de persoonlijke valbeveiligingsmiddelen de enige middelen die bij het bezwijken van de takelconstructie [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] konden redden van een val van grote hoogte. Het continu dragen van die valbeveiliging was daarom juist zo belangrijk en wezenlijk voor een afdoende bescherming tegen valgevaar.

Hoewel, zoals de verdediging heeft opgemerkt, uit het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wel (meermaals) zijn gewezen op het feit dat zij hun persoonlijke valbeveiliging dienden te dragen als zij op de liftkooi werkzaamheden verrichten, maakt dit niet dat verdachte niet kan worden verweten dat zij haar werknemers zonder valbeveiliging werkzaamheden heeft laten verrichten. Gebleken is immers dat het niet mogelijk was om voortdurend tijdens het werk en tijdens het hijsen en laten zakken van de liftkooi ‘aangelijnd’ te zijn, nu de lijnen waaraan zij vast zaten, bevestigd moesten worden aan de liftgeleiders die zij nu juist moesten demonteren, en deze lijnen te kort waren om – terwijl de werknemers aangelijnd zouden zijn – de liftkooi naar boven te hijsen of een verdieping te laten zakken. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte ook het onder het tweede tenlastegelegde streepje vermelde feit kan worden verweten, namelijk het laten verrichten van werkzaamheden zonder de werknemers daarbij voortdurend een persoonlijke valbescherming te laten dragen.

Sterker nog: aan de werkmethode was inherent dat op bepaalde momenten de “aanlijning” werd losgemaakt om de liftkooi met daarop de werknemers (bijvoorbeeld voor een pauze of om naar een volgende verdieping te gaan) te hijsen of neer te laten. Op die momenten was er geen veiligheidszekerheid voor het geval dat de takelconstructie – om wat voor reden dan ook – zou bezwijken.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ervan uit is gegaan dat de vanginrichting van de lift als veiligheidsvoorziening naar behoren zou functioneren. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid verdachte niet disculpeert, aangezien verdachte ten behoeve van die veiligheidsvoorziening voorafgaand aan het gebruikmaken van dat middel niet ook heeft gecontroleerd of die vanginrichting naar behoren werkte, terwijl zij wist dat er in het [gebouw] op het terrein van de TU Eindhoven sloopwerkzaamheden werden verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de op haar rustende zorgplichten uit hoofde van de Arbowet en het Arbobesluit, bestaande uit het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die onvoldoende waren geïnstrueerd en onvoldoende vaardigheden en/of deskundigheid hadden en niet voortdurend een valbeveiliging droegen, laten verrichten van de hierboven genoemde werkzaamheden zonder voortdurend toezicht te houden niet nageleefd.

Daardoor heeft zij de kans dat een werknemer bij zijn werkzaamheden zou overlijden in zodanige mate verhoogd dat de dood van het [slachtoffer 1] en het door [slachtoffer 2] opgelopen zwaar lichamelijk letsel redelijkerwijs aan verdachte kunnen worden toegerekend. Dat [slachtoffer 1] geen sloopwerkzaamheden verrichtte, maar zich enkel bezighield met het aanpakken en wegleggen van stukken ijzer, maakt niet dat het achterwege laten van veiligheidsmaatregelen ten aanzien van hem niet risicoverhogend heeft gewerkt. [slachtoffer 1] werd net als [slachtoffer 2] opgedragen om zich op grote hoogte op de liftkooi te begeven en werd zodoende aan dezelfde risico’s en gevaren blootgesteld als zijn collega [slachtoffer 2] . Uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de ruime ervaring van [slachtoffer 2] met het bedienen van takels maakte dat het achterwege laten van veiligheidsmaatregelen ten aanzien van hem niet risicoverhogend heeft gewerkt. Daarbij betrekt de rechtbank – zoals reeds overwogen – het feit dat de ervaring van [slachtoffer 2] betrekking had op het werken met kettingtakels en niet op elektrische takels. Uit de eerdere ervaring van [slachtoffer 2] met het bedienen van kettingtakels volgt niet dat hij ook ervaren was met het bedienen van elektrische takels. Voorts brengt de combinatie van twee werknemers, waarvan één ervaren, maar analfabete werknemer, en een andere, volstrekt onervaren werknemer, naar het oordeel van de rechtbank mee dat op verdachte als feitelijk werkgever een meer dan gemiddelde zorgplicht rustte ten aanzien van de [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte is in de naleving van die zorgplicht duidelijk tekortgeschoten, waardoor het noodlottige ongeval zich uiteindelijk heeft kunnen voordoen.

Gelet op de hiervoor reeds uiteengezette feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de dood van het [slachtoffer 1] en het zwaar lichamelijk letsel van het [slachtoffer 2] aan de schuld van verdachte zijn te wijten.

Verdachte was op de hoogte van de gevaren die waren verbonden aan de sloopwerkzaamheden in de liftschacht en had maatregelen moeten en kunnen treffen om zoveel mogelijk te voorkomen dat die risico’s en gevaren zich zouden verwezenlijken. Verdachte is in ernstige mate tekort geschoten in de naleving van de op haar ingevolge de Arbowet en het Arbobesluit rustende zorgplichten.

Dat sprake is geweest van zeer onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig handelen, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door op een dergelijke wijze om te gaan met de veiligheid van haar werknemers, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld. Daarmee acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

T.a.v. feit 1:

Zij op 4 september 2015 in de gemeente Eindhoven aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam, onzorgvuldig en nalatig werknemers arbeid heeft laten verrichten in het [gebouw] op het terrein van de TU aldaar,

door bij sloopwerkzaamheden in een liftschacht de werknemers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ,

- die werkzaamheden te laten verrichten zonder voortdurend een valbeveiliging te laten dragen en

- die werkzaamheden te laten verrichten zonder voortdurend toezicht en

- die werkzaamheden te laten verrichten, terwijl zij daarvoor onvoldoende waren geïnstrueerd, en onvoldoende vaardigheden en deskundigheid hadden.

waardoor het aan haar schuld te wijten is dat de liftcabine met daarop die werknemers naar beneden is gestort waardoor [slachtoffer 1] zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (te weten onder meer een dwarslaesie, een verbrijzelde arm, beenbreuken, een schouderbreuk en een klaplong) heeft bekomen;

T.a.v. feit 2:

Zij op 4 september 2015 in de gemeente Eindhoven, in het [gebouw] , op het terrein van de TU aldaar als werkgever, bij sloopwerkzaamheden in een liftschacht, opzettelijk, handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen, door in strijd met artikel:

- 3, eerste lid sub c van de Arbeidsomstandighedenwet niet te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en daarbij in acht te nemen dat de werkmethoden en de bij de arbeid gebruikte arbeidsmiddelen, zoveel als redelijkerwijs kon worden gevergd, aan de persoonlijke eigenschappen van de werknemers werden aangepast, aangezien werknemer [slachtoffer 2] de handleiding van de Hit-Trac niet kon lezen en werknemer [slachtoffer 1] geen ervaring had met het slopen van de liften en gebruiken van een elektrische kabellier en

- 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico’s de arbeid met betrekking tot sloop in een liftschacht met zich brengt en

- 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet er niet voor te zorgen dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s en de maatregelen die erop gericht waren deze risico’s te beperken en

- 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet de arbeidsmiddelen niet toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het beperken van de in het eerste lid genoemde risico’s alsmede op het juist gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen,

terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ontstond of te verwachten was;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

T.a.v. feit 1, feit 2:

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een geldboete van € 150.000,-- wordt opgelegd. Bij het bepalen van zijn eis heeft de officier van justitie in het bijzonder rekening gehouden met de volgende omstandigheden:

- dat verdachte zich met betrekking tot het werken met en rondom de sloop van de lift in het [gebouw] van de TU Eindhoven op alle fronten onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de risico’s van de gehanteerde werkwijze ter plaatse;

- dat de reguliere boetecategorieën voor overtreding van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht in het onderhavige geval geen passende bestraffing toelaten en het boetemaximum voor overtreding van de voornoemde artikelen door rechtspersonen € 810.000,-- bedraagt;

- dat de reguliere boetecategorie voor overtreding van artikel 32 arbeidsomstandighedenwet in het onderhavige geval geen passende bestraffing toelaat en het boetemaximum voor overtreding van voornoemd artikel door rechtspersonen € 810.000,-- bedraagt.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit en geen strafmaatverweren gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat zij zich niet heeft gehouden aan de in de Arbowet en in het Arbobesluit opgenomen bepalingen en voorschriften omtrent de veiligheid van werknemers en dat zij schuld heeft aan het overlijden en aan het zwaar lichamelijk letsel van twee van haar werknemers. Verdachte droeg als werkgever de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van haar werknemers op de werkplaats en was uit dien hoofde verplicht om passende en adequate maatregelen te treffen met het oog op de op de arbeidslocatie aanwezige gevaren. Dit heeft verdachte nagelaten.

Verdachte heeft zich op alle fronten onvoldoende rekenschap gegeven van de veiligheidsrisico’s die aan het verrichten van sloopwerkzaamheden aan de liftschacht waren verbonden.

Zij heeft de slachtoffers op tenminste tien verdiepingen hoog laten werken in een liftschacht staande op een liftkooi, terwijl zij niet op een deugdelijke wijze waren voorgelicht en geïnstrueerd over de risico’s en gevaren die verbonden waren aan de sloopwerkzaamheden en de te nemen veiligheidsmaatregelen om die risico’s en gevaren te beperken.

Zij heeft nagelaten te controleren of de remwerking van de vanginrichting van de liftkooi werkte en daardoor niet bemerkt dat de drukveren van de vanginrichting met een snijbrander

waren doorgebrand, waardoor de vangremmen niet werkten. Nadat zij enkele minuten onaangelijnd waren geweest tijdens een rookpauze, het [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weer terug op de liftkooi aan het werk waren en de lift op gegeven moment weer naar beneden werd gelaten, is de liftkooi in een nagenoeg vrije val geraakt en op de bodem van de liftschacht gestort. Ten gevolge hiervan is het [slachtoffer 1] onder meer aan ernstig hoofdletsel ter plekke overleden. Het [slachtoffer 2] heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een klaplong, gebroken ribben, een dwarslaesie en diverse gebroken ledematen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank beseft dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, het leed van de nabestaanden van het [slachtoffer 1] en het leed van het [slachtoffer 2] en diens naasten, niet ongedaan zal kunnen maken. Niettemin zal de rechtbank deze tragische gevolgen bij de strafoplegging betrekken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de reguliere boetecategorieën voor overtreding van artikel 32 Arbowet en artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht in het onderhavige geval geen mogelijkheid om tot een passende bestraffing te komen. De rechtbank overweegt dat bij oplegging van een geldboete aan een rechtspersoon in het bijzonder van belang is dat door oplegging daarvan werkelijk een afschrikwekkend effect wordt bereikt. Om die reden zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 23, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht, op grond waarvan aan rechtspersonen een geldboete kan worden opgelegd ter hoogte van de naast hogere boetecategorie.

Gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafvordering houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met een aan verdachte op 1 februari 2016 opgelegde strafbeschikking wegens – kort gezegd – overtreding van de Wet wegvervoer goederen, waarbij een geheel onvoorwaardelijke geldboete van € 4.100,-- is opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een geldboete van € 100.000,--, waarvan € 20.000,-- voorwaardelijk, passend en geboden. Het voorwaardelijk opgelegde strafdeel dient als stok achter de deur en ter aansporing om de veiligheid op de werkvloer tot de hoogste prioriteit binnen het bedrijf van verdachte te maken.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank – mede gelet op de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en gelet op het feit dat de rechtbank een aantal onderdelen van het onder 2 tenlastegelegde feit niet bewezen acht – van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

Wetboek van Strafrecht, art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 57, 63, 307, 308.

Arbeidsomstandighedenwet, art. 32.

Wet economische delicten, art. 1, 2 en 6.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon,

en

aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, begaan door een rechtspersoon.

T.a.v. feit 2:

Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 32, lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Geldboete van EUR 100.000,00 waarvan EUR 20.000,00 voorwaardelijk met een

proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. L. Soeteman en mr. P.T. Heblij, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Klaar, griffier,

en is uitgesproken op 30 oktober 2018.