Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:5126

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-10-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
01/995039-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk bedrijfsongeval door palletlift.

Bewezenverklaard:

-aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon;

-overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 32, lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Opgelegd wordt een geldboete van EUR 75.000,-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHSE 2019/NaN
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/995039-17

Datum uitspraak: 15 oktober 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte 1]

Gevestigd te [adres] , [postcode] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 september 2018 en 1 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 maart 2018.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 25 november 2015 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of onzorgvuldig in haar bedrijf aan de [adres] een werknemer, genaamd [slachtoffer] (schoonmaak)werkzaamheden heeft laten verrichten aan/in/bij een goederenlift, -terwijl zij de risico's en de gevaren van die werkzaamheden niet of onvoldoende had geïnventariseerd en/of beoordeeld en/of geen, althans onvoldoende maatregelen had getroffen om die gevaren en/of die riscio's te voorkomen en/of te beperken en/of

-terwijl die werknemer en/of andere werknemers niet doeltreffend waren ingelicht over de met/in/bij die goederenlift te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken en/of -terwijl die goederenlift niet was uitgeschakeld en/of niet drukloos en/of spanningsloos was gemaakt en/of

-terwijl de lichtschermen, zijnde een veiligheidsmaatregel waarmee die goederenlift was voorzien, waren uitgeschakeld, ten gevolge waarvan aan haar, verdachtes schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] tussen de naar beneden komende lift en de vloer bekneld is geraakt, waardoor hij zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden;

2.

zij op of omstreeks 25 november 2015 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek,

als werkgever, al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of

nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende

bepalingen,

immers heeft zij al dan niet opzettelijk in strijd met -artikel 5 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastgelegd welke risico's de arbeid met een goederenlift voor de werknemers met zich meebracht, althans bevatte de risico-inventarisatie en -evaluatie voor die goederenlift geen beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere categorieën van werknemers en/of

-artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet er niet voor gezorgd dat de werknemers doeltreffend werden ingelicht over de met/in/bij die goederenlift te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken en/of

-artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet niet toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het eerste lid genoemde risico's met betrekking tot die goederenlift en/of

-artikel 7.3 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de goederenlift, zijnde een arbeidsmiddel dat op de arbeidsplaats ter beschikking van de werknemers werd gesteld, niet uitsluitend heeft gebruikt voor het doel, op de wijze en op de plaats waarvoor deze was ingericht en bestemd, om te voorkomen dat het gebruik van dat arbeidsmiddel gevaren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers opleverde, immers werd die goederenlift bij schoonmaak- en/of onderhoudswerkzaamheden in strijd met de gebruiksaanwijzing niet uitgeschakeld door middel van de hoofdschakelaar en/of

-artikel 7.4 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voornoemd arbeidsmiddel niet zodanig ingericht en/of niet zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet te worden getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, zoveel mogelijk was voorkomen, immers was die goederenlift tijdens schoonmaakwerkzaamheden niet uitgeschakeld en/of drukloos en/of spanningsloos gemaakt en/of -artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan die goederenlift uitgevoerd terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos gemaakt en/of -artikel 7.7 lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit er niet voor gezorgd dat de schermen of beveiligingsinrichtingen, waarmee die goederenlift was voorzien, niet op eenvoudige wijze konden worden genegeerd of buiten werking worden gesteld,

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs (t.a.v. feit 1 en feit 2).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van hetgeen onder 1 en 2 ten laste is gelegd. Kort samengevat is daartoe aangevoerd dat verdachte de risico’s van het werken met de liftinstallatie voldoende had geïnventariseerd, de werknemers van verdachte omtrent die risico’s deugdelijk werden geïnstrueerd, er voldoende toezicht op de werkzaamheden werd uitgeoefend en de betrokken werknemers niet wisten dat de lichtschermen door een blauwe kabel werden overbrugd en de inloopbeveiliging daardoor werd omzeild. Dit leidt ertoe dat verdachte niet kon weten en evenmin redelijkerwijs behoorde te weten dat door (deels) in strijd te handelen met artikel 5.1, artikel 8, eerste lid en artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en artikel 7.3, tweede lid, artikel 7.4, derde lid en artikel 7.5, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit), levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers zou ontstaan of te verwachten was. Ook heeft de verdediging bepleit dat geen causaal verband aanwezig is tussen het door verdachte (deels) niet naleven van deze regelgeving en het ongeval en dat uit de voornoemde omstandigheden niet kan worden afgeleid dat verdachte schuld kan worden verweten aan de dood van het slachtoffer.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen. 1

Een geschrift, inhoudende een opdrachtbevestiging [bedrijf 1] en [verdachte 1] betreffende het laten verrichten van werkzaamheden door oproepkracht [slachtoffer] d.d. 5 oktober 2015, bijlage 4, p. 67-69, voor zover inhoudende:

Hiermede geeft ondergetekende [verdachte 1] (..) opdracht aan: [bedrijf 1] (..). tot het verrichten van de volgende diensten: het verrichten van alle werkzaamheden verpakkingswerk bij inlener.

Naam personeelslid: Vanaf: t/m uren p/w

[slachtoffer] 28-09-2015 einde opdracht oproep

Artikel 3 DUUR OVEREENKOMST

1. De overeenkomst gaat in per 28-09-2015.

Een proces-verbaal van bevindingen uitlezen camerabeelden eerste etage en begane grond d.d. 23 april 2016, opgesteld door [verbalisant 1] , bijlage 30, p. 297-308, i.h.b. p. 299, 300 en 302, voor zover inhoudende:

[verbalisant 1] heeft op maandag 30 november 2015 het verkregen beeldmateriaal van zowel de eerste etage als begane grond van het ongeval op 25 november 2015 bekeken en in dit proces-verbaal vastgelegd. (..):

Tijd 12.02.49 uur start van bestand 12000007S.ssf;

Beeld maar geen beweging zichtbaar. Om 12.44 uur komt de lift van boven naar beneden met een pallet dozen. Onbekend is waarom er werd opgenomen. Er zou immers alleen opgenomen worden wanneer er beweging wordt waargenomen. (..).

Tijd 12.51 uur: man met lichtgrijze blouse neemt pompwagen pallets met lege dozen van de transportband. De lamp van de installatie is blauw (de rechtbank begrijpt: de lamp van de installatie straalt blauw uit, wanneer geen pallets worden gelost) en wanneer een pallet het lichtscherm passeert, knippert het oranje licht van het lichtscherm;

Tijd 12.54 uur: lampinstallatie wijzigt van blauw naar wit.

De chauffeur is bezig met lossen.

Tijd 12.59.54 uur: einde van bestand 12000007S.ssf.

Tijd 13.00.12 uur: start van bestand 13000007S.ssf.

Tijd 13.10 uur: chauffeur laat de roldeur dichtgaan en vertrekt. De lift wordt in de tussenliggende periode niet gebruikt. De lamp van de installatie is wit.

(..).

Tijd 14.58.03 uur: einde van bestand 14000007S.ssf;

(..).

Tijd 16.00.04 uur: start bestand 16000007S.ssf. Chauffeur is bezig met lossen. Hij lost behalve pallets met kratten nu ook stapels houten pallets. In de blauwe kratten liggen rode producten;

Tijd 16.28 uur: er komt een gekleed in blauwe spijkerbroek en blauwe trui, donker petje op, via de loopdeur naar binnen en opent de tweede roldeur van het laaddock. Ook deze man gaat een vrachtwagen lossen en gebruikt een elektrische pallet truck om blauwe kratten met rode producten erin te lossen. De twee mannen lossen gezamenlijk de vrachtwagen die als laatste arriveerde;

Tijd 16.37.49 uur: chauffeur die als eerste arriveerde is klaar en vertrekt. Andere chauffeur gaat verder met lossen;

Tijd 16.55 uur: de chauffeur gekleed in blauwe spijkerbroek en blauwe sweater is klaar met losse, sluit de roldeur en verlaat de ruimte via de loopdeur;

Al die tijd brandt de lamp van de liftinstallatie. De lift maakt geen beweging .

Tijd 16.58.10 uur: einde bestand 16000007S.ssf;

Tijd 17.02.51 uur: start bestand 17000007S.ssf;

Tijd 17.02.54 uur: verlichting in de ruimte is uit, achterin de ruimte, naast roldeur 10 brandt een lamp van de noodverlichting, en de lamp van de installatie brandt wit.

Daarna is er geen opname. Om 17.19 uur is er weer beeld.

(..).

Ik opende (..) de SSF-bestanden van DVR1 submap 20151125. (..). Tijdsaanduiding verspringt naar 17.32.01 uur. Op dat moment komt het slachtoffer van achter de lift gelopen en heeft in zijn linkerhand een blik en in zijn rechterhand een handveger. Hij zwaait daarbij een beetje met het blik;

Tijd 17.32.09 uur: het slachtoffer loopt vanaf de gele opzetplaats aan het begin van de baan de transportband op. Lamp van liftinstallatie is dan nog steeds wit.

Tijd 17.32.11 uur: het slachtoffer loopt door het lichtscherm en de oranje lamp van het lichtscherm gaat noch branden noch knipperen. De lamp van het lichtscherm blijft uit.

Tijd 17.32.13 uur: het slachtoffer stapt de liftschacht in en gelijktijdig zie ik boven in beeld het gele gedeelte van het liftplateau verschijnen en het liftplateau naar beneden komen. Lamp liftinstallatie is dan wit.

Tijd 17.32.16 uur: slachtoffer staat voorovergebogen in de liftschacht, dicht bij de plaats van de hoofdbesturingskast.

Tijd 17.32.18 uur: wordt het slachtoffer getroffen door het dalende liftplateau. De lift daalt tot tijd 17.32.22 uur en stopt, zover ik op de beelden kan zien, zonder gelijk te komen met de transportband.

Een geschrift, namelijk een werkinstructie goederenlift van [verdachte 1] versie 02, d.d. 17 oktober 2016, bijlage 77, p. 639-649, i.h.b. p. 641-642, voor zover inhoudende:

(..).

Om de machine te gebruiken moet je met een paar dingen rekening houden. Te allen tijde moet de pallet recht op het gele vlak komen te staan, anders gaat de machine niet in werking. Ook de witte lamp moet branden, anders staat de machine niet aan of niet automatisch. Dit geldt voor zowel beneden als boven. (..).

(..).

Als er een blauwe lamp brandt, dan gaat de machine niet werken. De invoer is dan alleen mogelijk op de andere verdieping. Dit geldt zowel voor beneden als boven. (..).

Een geschrift, namelijk een rapportage ongevalsonderzoek, d.d. 11 december 2015, opgesteld door [medewerker instituut] (Liftinstituut), bijlage 39, p. 336-354, i.h.b. p. 338, p. 342, p. 344-345, voor zover inhoudende:

(..). Het slachtoffer was op de begane grond de transportband voor de lift en de vloer van de liftschacht aan het schoonmaken. Hierbij is hij meermaals het lichtscherm gepasseerd. Echter heeft het lichtscherm de liftinstallatie niet uitgeschakeld. (..) Bij het betreden van de transportband die voor de liftschacht staat, heeft het slachtoffer vermoedelijk een sensor van de liftinstallatie geactiveerd en de lift in beweging gezet. Er zijn aanwijzingen dat het slachtoffer een telefoon met oordopjes bij zich had. De lift produceert niet veel geluid en het slachtoffer heeft deze, wanneer hij oortjes in had, niet aan horen komen (..).

De gevarenzone van de lift is op de begane grond fysiek afgeschermd met hekwerk van 2 meter hoog rondom de baan van de lift (..). Om goederen hierin/uit te kunnen transporteren is er een opening in het hekwerk. Deze opening is beveiligd via een lichtscherm (..). Via 2 fotocellen (..), waarvan de zender en ontvanger kruislings zijn gemonteerd, kunnen de lichtschermen tijdelijk worden overbrugd (muting). (..). Indien een persoon de lichtschermen passeert zal de lift uitgeschakeld worden via het noodstopcircuit. Op de camerabeelden is te zien dat het slachtoffer diverse keren de gevarenzone in en uit gaat. Conform de werking van het veiligheidssysteem zou de lift nu uitgeschakeld zijn. Echter bij de 3e betreding (opruimen afval) die op de camerabeelden is te zien, is de lift ineens in beweging gekomen en is het slachtoffer onder drager klem komen te zitten. (..).

De noodstop is zonder sleutel te ontgrendelen (foto 9, gele pijl) waardoor dit door anderen vrij te doen is. Aanvullend hierop moeten er nog wel handelingen verricht worden om de installatie in bedrijf te zetten (bedienen van knoppen, herstel lichtscherm, reset noodstop, starten installatie, foto 9 en 10, rode pijlen). Het passeren van de 2 lichtschermen geeft eenzelfde staat van de installatie als na bediening van de noodstop. Dit zou mogelijk kunnen verklaren dat de werknemer enkel via de lichtschermen de installatie heeft uitgeschakeld, en de uitschakeling met de hoofdschakelaar of een noodstopschakelaar achterwege heeft gelaten. Beide manieren van werken zijn een niet veilige werkmethode. Voordat er in een gevaarlijke zone wordt gewerkt moet zeker zijn gesteld dat de installatie uit is en blijft. Degene die de gevarenzone betreedt moet altijd de controle hierover hebben. Bijvoorbeeld via een lock-out/tag-out systeem, waarbij de hoofdschakelaar van de installatie door een slot vergrendeld is en blijft. De sleutel is in het bezit van diegene die de zone betreedt. Het veilig uitschakelen van de installatie is opgenomen door de fabrikant in zijn gebruikershandleiding (zie bijlage 2) en is tevens een wettelijk voorschrift (artikel 7.5, lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit).

Bij het onderzoeken van de besturingskast zijn twee blauwe draden aangetroffen die door de locatie in de kast opvallen ten opzichte van de andere bedrading (..). Relais K11 en K18 zorgen samen met relais K10, K12, K13, K17 dat, na passeren van de lichtschermen (in bijlage 1 rood omlijnd), de noodstopcircuits geactiveerd worden. Echter via deze twee blauwe draden worden deze relais (K10, K12, K13, en KI7) overbrugd (..) en worden de noodstopcircuits niet geactiveerd na passeren van de lichtschermen. Dit verklaart waarom de installatie in bedrijf kon komen, terwijl het slachtoffer al een aantal malen het lichtscherm gepasseerd was.

Het proces-verbaal van onnatuurlijke dood d.d. 26 november 2015, opgesteld door [verbalisant 2] , bijlage 76, p. 636-638, voor zover inhoudende:

Op 26 november 2015, omstreeks 00.37 uur werd door de gemeentelijk lijkschouwer,

T. Gieling de eerste schouw ter plaatse verricht. Voor een vervolgonderzoek werd het slachtoffer, onder mijn begeleiding overgebracht naar het mortuarium van het St. Annaziekenhuis te Geldrop waar de schouw omstreeks 02.10 uur verder werd uitgevoerd. Dr. Gieling heeft vastgesteld dat het slachtoffer moet zijn overleden door inwendige kneuzingen en kwetsuren als gevolg door samenpersing van het lichaam door de palletlift bij het bedrijf [verdachte 1] in Beek en Donk. (..).

Het proces-verbaal verhoor van de gewezen verdachte [verdachte 2] d.d. 16 februari 2016, bijlage 24, p. 256-261, i.h.b. p. 257 en 258, voor zover inhoudende:

[betrokkene 1] en ik waren de leidinggevenden van [slachtoffer] . (..) Hij moest ook de goederenlift schoonmaken. (..). De instructies voor het schoonmaken van de goederenliften bestonden eruit dat ze de machine schoon moesten maken en dat ze de machine uit moesten schakelen met (..) de stopknop en de noodstop in moesten drukken. (..) De stopknop zit in de bedieningskast. (..). Er is niet gezegd dat de hoofdschakelaar uitgezet moest worden. (..) [betrokkene 2] werkt veel met de liftinstallatie, zowel boven als beneden. (..). [betrokkene 2] stuurt indirect de mensen aan op de vloer en houdt toezicht op dat men de werkzaamheden goed uitvoert. (..). Aan het einde van de werkdag bleef de machine stand-by staan. (..). Ik heb zo afgesproken met [betrokkene 2] dat als er een storing was dat [betrokkene 2] indien nodig het kabeltje kon gebruiken. (…) Als het draadje aangesloten werd was de storing opgeheven en konden we verder. (…) Ik weet niet of het draadje na het oplossen van de storing weer werd losgemaakt. Dat heb ik wel tegen [betrokkene 2] gezegd, maar dat heb ik niet gecontroleerd.

Het proces-verbaal verhoor van getuige [betrokkene 1] d.d. 25 februari 2016, bijlage 25, p. 262-266, i.h.b. p. 265, voor zover inhoudende:

[verdachte 2] en ik hebben [betrokkene 2] uitgelegd hoe de liftinstallatie moet worden schoongemaakt. Er is toen ook aan [betrokkene 2] uitgelegd hoe de liftinstallatie veilig moet worden gesteld, namelijk door het tegelijk indrukken van de noodknop en de stopknop. Ik denk dat [betrokkene 2] die instructies aan

[slachtoffer] heeft gegeven, maar dat weet ik niet zeker. De hoofdschakelaar werd voor de schoonmaak niet uitgezet. (..).

Het proces-verbaal van getuige [betrokkene 2] d.d. 22 januari 2016, bijlage 17, p. 210-216, i.h.b. p. 214, voor zover inhoudende:

De monteur van [bedrijf 2] heeft een blauwe kabel aangebracht in de bedieningskast om de storing op te heffen. Daarna waren er geen storingen meer aan de lichtschermen. (..). Ik heb die draden zelf in de kast zien liggen. (..). De draden waren niet altijd aangesloten. Ze werden aangesloten op het moment dat de spullen niet naar boven konden. Ik heb de draden zelf aangesloten en losgekoppeld. [verdachte 2] en [betrokkene 1] wisten ervan. (..).

Het proces-verbaal verhoor van de gewezen verdachte [betrokkene 2] d.d. 13 mei 2016, bijlage 28, p. 279-282, i.h.b. p. 280 en 281, voor zover inhoudende:

(..).

Verbalisant: heeft u [slachtoffer] , het slachtoffer, uitgelegd hoe hij de liftinstallatie moest schoonmaken?

Antwoord: nee, dat is de taak van mijn bazen. Die vertellen wat zij schoon moeten maken. Ik hoop dat [verdachte 2] of [betrokkene 1] die instructie heeft gegeven. Ik geef alleen de bedienings-instructies van de lift. Ik heb het slachtoffer ook geen bedieningsinstructies gegeven. (..).

Ik sloot de draden alleen aan wanneer er een storing was. Ik haalde ze daarna weer los. Ik gebruikte een schroevendraaiertje voor het loshalen van de draden. Die pakte ik uit de rode gereedschapskar die bij [verdachte 2] en [betrokkene 1] staat. Ik vroeg toestemming aan [verdachte 2] om de draadjes aan te sluiten. Ik kreeg dan toestemming van hem. Ik heb een keer of vier toestemming gevraagd.

Het proces-verbaal van verhoor [betrokkene 3] d.d. 11 januari 2017, bijlage 29, p. 283-292, i.h.b. p. 285-287, voor zover inhoudende:

(..). De veiligheidsvoorzieningen van de lift zijn enkel bij de oplevering getest. (..). Naast de hoofdbedieningskast van de lift hing de sleutel van die kast. (..). De verplichting uit het installatieprotocol van de goederenliftinstallatie om tijdens onderhoud, schoonmaak en afstellen de hoofdschakelaars van de machine uit te zetten en met een hangslot te vergrendelen was niet als verplichting aan de schoonmakers opgelegd (..).

Op het bedrijf lagen in de rode gereedschapskar bij de teamleiders wel sloten om de hoofdschakelaar te vergrendelen. Wij hebben gekozen voor sensoren in plaats van sleutels. Alle deuren zijn met een sensor beveiligd. Zodra een deur geopend wordt, dan stopt de machine. Het was niet nodig om een sleutelbeheerder aan te stellen of een sleutelplan te maken. (..). De brief van [bedrijf 2] over het omzeilen van veiligheidsmaatregelen door onze medewerker d.d. 2 sept 2014 ken ik. (..). Ik vermoed dat de twee blauwe elektradraden in de hoofdbedieningskast van de liftinstallatie zijn aangebracht door [bedrijf 2] (..), misschien omdat zij de storing niet konden oplossen. Ik denk dat een monteur dit tijdelijk heeft overbrugd. (..). Voor het ongeluk wist ik niet dat deze draden er hingen. (..). De teamleiders wisten er blijkbaar van. (..).

Het proces-verbaal ter terechtzitting van 17 september 2018, onder meer inhoudende de verklaring van verdachte, voor zover inhoudende:

Voor het ongeval werd de lift aan het einde van de werkdag niet uitgezet. (..). De goederenlift werkt volautomatisch (..). In de schriftelijke risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) is de beschrijving van de goederenliftinstallatie niet apart opgenomen. (..). Dit is van geen enkele machine in ons bedrijf het geval. (..).

Bewijsoverwegingen van de rechtbank.

De naleving van de op verdachte rustende zorgplichten uit hoofde van artikel 5, eerste lid, artikel 8, eerste en vierde lid, Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7.3, tweede lid, artikel 7.4, derde lid, artikel 7.5, tweede lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Verdachte is gebonden aan de veiligheidsvoorschriften, zoals die onder meer voortvloeien uit de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). De rechtbank stelt vast dat op de plaats van het ongeval, een goederenliftinstallatie, sprake was van een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder g van de Arbowet. Het slachtoffer was uit hoofde van een inleenovereenkomst op oproepbasis werkzaam voor verdachte, zodat sprake was van een werkgever-werknemer relatie in de zin van artikel 1, derde lid, onder a en b van de Arbowet.

In de Arbowet is verankerd dat werknemers recht hebben op een veilige en gezonde werkplek. De primaire verantwoordelijkheid voor het inrichten van een dergelijke werkplek rust op de feitelijke werkgever, die verplicht is een arbobeleid te voeren dat gericht is op de bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers.

Anders dan verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte als werkgever verplicht was in de schriftelijke risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) specifiek aandacht te besteden aan de goederenliftinstallatie op de vestiging [adres] te Beek en Donk. Het betreft immers een installatie van substantiële omvang, terwijl bij het gebruik ervan aanzienlijke risico’s voor de veiligheid van het personeel kunnen ontstaan. De gebruikershandleiding van de installatie maakt dit laatste voldoende duidelijk. Met algemene aanwijzingen over machinegebruik had verdachte daarom niet mogen volstaan. Door dit na te laten heeft zij in strijd gehandeld met de op haar uit hoofde van artikel 5 lid 1 van de Arbowet rustende zorgplicht.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat op de vestiging [adres] te Beek en Donk een goede voorlichting over de veiligheidsrisico’s van de goederenlift heeft plaatsgevonden. De teamleiders [verdachte 2] en [betrokkene 1] hebben verklaard dat [betrokkene 2] verantwoordelijk was voor het geven van instructies over het schoonmaken van de goederenlift aan werknemers.

[betrokkene 2] heeft echter verklaard dat de teamleiders getuige [verdachte 2] en getuige [betrokkene 1] de werknemers instrueerden over het schoonmaken van de goederenlift en dat zijn eigen taak beperkt was tot het geven van bedieningsinstructies. De vertegenwoordiger van [verdachte 1] [betrokkene 3] , heeft verklaard dat werknemers niet werden verplicht om tijdens onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden de hoofdschakelaars van de machine uit te zetten. Ook getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat de goederenlift voorafgaand aan schoonmaakwerkzaamheden niet werd uitgezet.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat aan het slachtoffer niet was medegedeeld dat de goederenlift voorafgaand aan het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden moest worden uitgeschakeld. De rechtbank kent, gelet op het voorgaande, weinig gewicht toe aan de verklaringen van de door de rechter-commissaris gehoorde getuige [getuige 4] en getuige [getuige 5] die – naar de kern bezien – hebben verklaard dat het slachtoffer wel degelijk van getuige [verdachte 2] en/of getuige [betrokkene 2] schoonmaakinstructies had gekregen.

Het voorgaande brengt mee dat verdachte de op haar uit hoofde van artikel 8, eerste en vierde lid, Arbowet en artikel 7.3, tweede lid, artikel 7.4, derde lid, artikel 7.5, tweede lid van het Arbobesluit rustende zorgplichten heeft geschonden.

De naleving van de verdachte uit hoofde van artikel 7.7., vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit rustende zorgplicht.

In de rapportage ongevalsonderzoek van het Liftinstituut wordt vastgesteld dat in de besturingskast van de goederenliftinstallatie twee blauwe draden waren aangebracht, waarmee de noodstopcircuits van de goederenlift buiten werking konden worden gesteld

en de beveiliging van de lichtschermen omzeild kon worden. De vertegenwoordiger van [verdachte 1] [betrokkene 3] , heeft tegenover de arbeidsinspecteurs en ter terechtzitting verklaard dat hij vòòr het ongeval niet op de hoogte was van de overbruggingsbedrading.

Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het bestaan en de toepassing van de overbruggingsbedrading aan verdachte kan worden toegerekend. Getuige [verdachte 2] heeft verklaard dat hij door getuige [betrokkene 2] op de hoogte was gesteld van de door [bedrijf 2] aangebrachte overbruggingsbedrading en dat hij met getuige [betrokkene 2] had afgesproken dat hij de kabel mocht aansluiten als de lichtschermen een storing zouden opleveren. Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij voor het loshalen van de overbruggingsbedrading telkens toestemming vroeg aan getuige [verdachte 2] en dat hij daarvoor gereedschap gebruikte uit de gereedschapskar van getuige [verdachte 2] en getuige [betrokkene 1] .

Dat getuige [verdachte 2] en getuige [betrokkene 2] niet wisten dat door het aansluiten van de overbruggingsbedrading de inloopbeveiliging van de lichtschermen werd omzeild, maakt niet dat verdachte daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Gelet op hetgeen hierboven is uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat het aanbrengen van de overbruggingsbedrading door de medewerker van [bedrijf 2] in de normale bedrijfsvoering van verdachte paste, verdachte dienstig is geweest doordat werd voorkomen dat de productielijn onderbroken zou worden door storingen en verdachte erover beschikte en stilzwijgend heeft aanvaard dat de inloopbeveiliging van de goederenlift door het aanbrengen van de overbruggingsbedrading werd omzeild. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door te dulden dat voornoemde overbruggingsbedrading werd aangebracht, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers, zoals het slachtoffer [slachtoffer] , te verwachten was.

De rechtbank heeft op basis van de beschrijving van de camerabeelden van de eerste etage en de begane grond voorts moeten constateren dat de overbruggingsbedrading op de dag van het ongeval vele uren aangesloten is geweest, terwijl de lift niet werd gebruikt voor het vervoer van goederen. Dat uit de beelden is gebleken dat de lamp op twee tijdstippen wit bleef uitstralen, terwijl op die momenten geen goederen door de lift werden vervoerd, laat zich niet rijmen met de uitlatingen van getuige [betrokkene 2] dat deze bedrading alleen bij storingen tijdelijk werd gebruikt. De rechtbank kan niet precies vaststellen of de overbruggingsbedrading in de uren voorafgaand aan het ongeval permanent aangesloten is geweest, maar stelt in elk geval vast dat de lamp van de lift op twee tijdstippen in de uren voorafgaand aan het ongeval wit uitstraalde, terwijl de lift op dat moment niet voor het vervoer van goederen werd gebruikt. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de overbruggingsbedrading in de uren voorafgaand aan het ongeval op tenminste twee tijdstippen onafgebroken aangesloten is geweest. Vast staat voorts, blijkens de bevindingen onmiddellijk na de ontdekking van het ongeval, dat de overbruggingsbedrading ten tijde van het ongeval was aangesloten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door toe te staan dat ten aanzien van het oplossen van storingen de hiervoor beschreven handelswijze werd gevolgd, de verantwoordelijkheid voor het in- en uitschakelen van de inloopbeveiliging van de goederenlift in feite geheel bij haar werknemers heeft neergelegd. De gevolgde werkwijze kwam er immers op neer dat de veiligheid tijdens de onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden aan de goederenlift volledig afhankelijk werd gemaakt van de oplettendheid en voorzichtigheid van de werknemers. Van hen werd in feite verlangd dat zij, alvorens onderhoud- en schoonmaakwerkzaamheden te verrichten, controleerden of de inloopbeveiliging van de goederenlift wel functioneerde, zo nodig de overbruggingsbedrading moesten verwijderen en de hoofdschakelaar van de machine moesten uitzetten. Zoals hiervoor reeds overwogen werden werknemers daarover niet op deugdelijke wijze geïnstrueerd.

De onderhavige zorgplicht van de werkgever strekt ertoe werknemers zoveel mogelijk te vrijwaren van op de arbeidsplaats aanwezige risico’s, zoals in dit geval het gevaar om door een gedeactiveerde inloopbeveiliging bekneld te raken tussen het liftplateau en de naar beneden komende goederenlift. Deze zorgplicht houdt mede in dat de werkgever zijn werknemers tegen eigen fouten of onvoorzichtigheden moet beschermen.

De rechtbank stelt vast dat de werkgever kennelijk bewust niet gekozen heeft voor het implementeren van de veiligheidsmaatregelen die in het installatieprotocol van de goederenlift waren opgenomen, waaronder de verplichting om tijdens onderhoud en schoonmaak de hoofschakelaars van de machine uit te zetten en te vergrendelen met een uniek hangslot en een bevoegd persoon aan te wijzen die de sleutels van de hekwerken rondom de goederenliftinstallatie beheert. De vertegenwoordiger van verdachte heeft tegenover de arbeidsinspectie verklaard dat hij na het ongeval een bedrijf heeft ingeschakeld om de veiligheidsmaatregelen uit het installatieprotocol te implementeren.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door haar werknemer schoonmaakwerkzaamheden te laten verrichten aan een goederenlift waarvan de inloopbeveiliging was uitgeschakeld, terwijl die werknemer niet was geïnstrueerd

over de wijze waarop de inloopbeveiliging kon worden ingeschakeld en de wijze waarop de hoofdschakelaar van de goederenlift kon worden uitgeschakeld, de voor haar geldende verplichting om zorg te dragen voor een zo veilig mogelijke werkomgeving grovelijk heeft geschonden.

De rechtbank overweegt dat verdachte bewust en daarmee opzettelijk heeft nagelaten de veiligheidsrisico’s die aan het gebruik van de goederenlift zijn verbonden op te nemen in een schriftelijke RI&E en tevens bewust en daarmee opzettelijk in strijd met

artikel 8, eerste en vierde lid, Arbowet en artikel 7.3, tweede lid, artikel 7.4, derde lid, artikel 7.5, tweede lid van het Arbobesluit ontoereikende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, terwijl zij wist dat daardoor levensgevaar ontstond en ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemer ontstond of te verwachten was. Daarmee acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde in de opzettelijke variant bewezen.

De beoordeling van schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het niet naleven door verdachte van de op haar rustende zorgplichten uit hoofde van de Arbowet en het Arbobesluit de kans dat een werknemer zou komen te overlijden in zodanige mate verhoogd dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer] redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend.

Dat het slachtoffer – in strijd met de bij verdachte geldende werkvoorschriften – oordopjes droeg toen hij de goederenlift in liep, maakt dit niet anders.

Gelet op de hiervoor reeds uiteengezette feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer] aan de schuld van verdachte is te wijten. Verdachte was op de hoogte van de gevaren die waren verbonden aan het uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden bij de goederenlift en had voldoende maatregelen moeten en kunnen treffen om zoveel mogelijk te voorkomen dat die gevaren zich zouden verwezenlijken. Verdachte is in ernstige mate tekort geschoten in de naleving van de op haar ingevolge de Arbowet en het Arbobesluit rustende zorgplichten. Dat sprake is geweest van zeer onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig handelen, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door op een dergelijke wijze om te gaan met de veiligheid van haar werknemers, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarmee acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

T.a.v. feit 1:

Op 25 november 2015 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, aanmerkelijk onzorgvuldig in haar bedrijf aan de [adres] een werknemer, genaamd [slachtoffer] (schoonmaak)werkzaamheden heeft laten verrichten in een goederenlift,

- terwijl zij de risico’s en de gevaren van die werkzaamheden niet of onvoldoende had geïnventariseerd en beoordeeld en onvoldoende maatregelen had getroffen om die gevaren en risico’s te beperken en

- terwijl die werknemer en andere werknemers niet doeltreffend waren ingelicht over de in die goederenlift te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico’s te voorkomen of te beperken en

- terwijl die goederenlift niet was uitgeschakeld en niet spanningsloos was gemaakt en

- terwijl de lichtschermen, zijnde een veiligheidsmaatregel waarmee die goederenlift was voorzien, waren uitgeschakeld, ten gevolge waarvan aan haar, verdachte schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] tussen de naar beneden komende lift en de vloer bekneld is geraakt, waardoor hij zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden.

T.a.v. feit 2:

Op 25 november 2015 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, als werkgever, opzettelijk handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen, immers heeft zij opzettelijk in strijd met

-artikel 5 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastgelegd welke risico's de arbeid met een goederenlift voor de werknemers met zich meebracht, en

-artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet er niet voor gezorgd dat de werknemers doeltreffend werden ingelicht over de bij die goederenlift te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken en

-artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet niet toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het eerste lid genoemde risico's met betrekking tot die goederenlift en

-artikel 7.3 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de goederenlift, zijnde een arbeidsmiddel dat op de arbeidsplaats ter beschikking van de werknemers werd gesteld,

niet uitsluitend heeft gebruikt voor het doel, op de wijze en op de plaats waarvoor deze was ingericht en bestemd, om te voorkomen dat het gebruik van dat arbeidsmiddel gevaren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers opleverde, immers werd die goederenlift bij schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden in strijd met de gebruiksaanwijzing niet uitgeschakeld door middel van de hoofdschakelaar en

-artikel 7.4 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voornoemd arbeidsmiddel niet zodanig ingericht en niet zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet te worden getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, zoveel mogelijk was voorkomen, immers was die goederenlift tijdens schoonmaakwerkzaamheden niet uitgeschakeld en spanningsloos gemaakt en

-artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan die goederenlift uitgevoerd terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en spanningsloos gemaakt en

-artikel 7.7 lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit er niet voor gezorgd dat de schermen of beveiligingsinrichtingen, waarmee die goederenlift was voorzien, niet op eenvoudige wijze konden worden genegeerd of buiten werking worden gesteld,

terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

T.a.v. feit 1 en feit 2:

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een geldboete van € 125.000,-- wordt opgelegd. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie in het bijzonder rekening gehouden met de volgende omstandigheden:

- dat verdachte zich met betrekking tot het werken met en rondom de liftinstallatie op alle fronten onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de risico’s ter plaatse;

- dat de reguliere boetecategorie voor overtreding van artikel 307 van het Wetboek van het Strafrecht in het onderhavige geval geen passende bestraffing toelaat en het boetemaximum voor overtreding van voornoemd artikel door rechtspersonen € 81.000,-- bedraagt;

- dat de reguliere boetecategorie voor overtreding van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet in het onderhavige geval geen passende bestraffing toelaat en het boetemaximum voor overtreding van voornoemd artikel door rechtspersonen € 810.000,-- bedraagt.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit. Voor zover de rechtbank toch tot een bewezenverklaring en een veroordeling komt, heeft de verdediging verzocht om bij de strafoplegging onder meer rekening te houden met de veiligheidsmaatregelen die verdachte na het ongeval heeft doorgevoerd en het feit dat verdachte – onder meer door een financiële bijdrage te leveren aan het studiefonds van de minderjarige dochter van het slachtoffer – zich heeft ontfermd over de nabestaanden van het slachtoffer.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat zij zich niet heeft gehouden aan de in de Arbowet en in het Arbobesluit opgenomen bepalingen en voorschriften omtrent de veiligheid van werknemers en dat zij schuld heeft aan het overlijden van haar werknemer

[slachtoffer] . Verdachte droeg als werkgever de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van haar werknemers op de werkplaats en was uit dien hoofde verplicht om passende en adequate maatregelen te treffen tegen de op de arbeidslocatie aanwezige gevaren. Dit heeft verdachte nagelaten. Verdachte heeft zich op alle fronten onvoldoende rekenschap gegeven van de veiligheidsrisico’s die aan het verrichten van onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden bij de goederenlift waren verbonden.

Zij heeft het slachtoffer laten werken bij een goederenlift waarvan de inloopbeveiliging was uitgeschakeld, terwijl het slachtoffer niet was geïnstrueerd om de hoofdschakelaar van de goederenliftinstallatie uit te zetten. Onder deze werkzaamheden is het slachtoffer, nadat hij de goederenlift was ingelopen om de kettingbanen schoon te maken, verpletterd door de naar beneden komende goederenlift. Het slachtoffer heeft de goederenlift niet aan zien komen. Het slachtoffer is bekneld geraakt in de ruimte tussen het liftplateau en de goederenlift. Dit betrof een nauwe ruimte van amper 30 centimeter hoog. Het slachtoffer is op gruwelijke wijze ter plekke overleden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank beseft dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, het leed van de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] niet ongedaan zal kunnen maken. Niettemin zal de rechtbank deze tragische gevolgen bij de strafoplegging betrekken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de reguliere boetecategorieën voor overtreding van artikel 32 Arbowet en artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht in het onderhavige geval geen mogelijkheid om tot een passende bestraffing te komen. De rechtbank overweegt dat bij oplegging van een geldboete aan een rechtspersoon in het bijzonder van belang is dat door oplegging daarvan werkelijk een afschrikwekkend effect wordt bereikt. Om die reden zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 23, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht, op grond waarvan aan rechtspersonen een geldboete kan worden opgelegd ter hoogte van de naast hogere boetecategorie.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging geen rekening kunnen houden met de bedrijfseconomische omstandigheden, omdat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niets bekend is geworden over de omzet- en winstgegevens van verdachte. Wel heeft verdachte ter terechtzitting aangegeven dat het financieel goed gaat met de onderneming.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete van € 75.000,-- passend en geboden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Hierbij is in aanmerking genomen dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, ten aanzien van feit 1 niet bewezen acht dat verdachte zeer onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig is geweest.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op:

Artikel 23, 24c, 51, 57, 307 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

T.a.v. feit 2:

Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 32 , lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:Geldboete van EUR 75.000,00.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. M. de Vries, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Klaar, griffier,

en is uitgesproken op 15 oktober 2018.

1 Een zaaksdossier van de Inspectie SZW, genummerd 411502100, aantal pagina’s: 1 tot en met 649. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier, tenzij anders vermeld. Een proces-verbaal van het kabinet rechter-commissaris inhoudende de verhoren van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] en [getuige 5] , d.d. 13 december 2017.