Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:496

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
17_1262
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft last onder dwangsom om de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (VS2013) na te leven en de afwijzing van het verzoek om toepassing van de hardheidclausule. De rechtbank gaat na of de last in stand kan blijven nu VS 2013 ingevolge artikel 9.2 van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant 2016 (Vnb2016) is ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat de Vnb2016 niet in strijd is met de Wet natuurbescherming (Wnb). Dat een inrichting over een geldige Wnb-vergunning beschikt, hoeft provinciale staten er niet van te weerhouden bij verordening op basis van artikel 2.4 van de Wnb verdergaande verplichtingen op te leggen. Niet bestreden is dat de opgenomen verplichtingen noodzakelijk zijn in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen. Het beroep op het overgangsrecht slaagt niet omdat het in het kader van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij ingediende bedrijfsontwikkelingsplan geen nieuwe aanvraag is. Dit plan kan wel aanleiding zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder dient de rentabiliteit van de op grond van de Vnb2016 noodzakelijke investeringen te betrekken bij de beoordeling. Verweerder dient ook te beoordelen of toepassing van de hardheidclausule een negatieve invloed heeft op de bescherming van Natura 2000-gebieden. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de last te herroepen en te gelasten artikel 1.4 van de Vnb2016 na te leven op straffe van een dwangsom ingaande vier maanden nadat een nieuw besluit is genomen op het bezwaar tegen de afwijzing het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/1262, SHE 18/175

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2018 in de zaken tussen

[Maatschap] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Oord),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigde: R. Bruggeman).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd van € 2.500,00 per week waarin wordt geconstateerd dat ter plaatse van de inrichting aan de [adres] artikel 3 van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 (VS2013) niet wordt nageleefd, met een maximum van € 25.000,00.

Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dat is geregistreerd onder zaaknummer SHE 17/1262.

Bij uitspraak van 6 juni 2017 (SHE 17/1304) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit 1 en het primaire besluit 1 tot de uitspraak op het beroep geschorst.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017. Namens eiseres is

[persoon] verschenen, alsmede de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 24 januari 2017 heeft verweerder het verzoek van eiseres om toepassing te geven aan de hardheidsclausule in artikel 9.1 van de VS2013 afgewezen (het primaire besluit 2).

Bij besluit van 29 augustus 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dat is geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/175.

De rechtbank heeft aangegeven geen nadere zitting noodzakelijk te achten. Partijen hebben niet aangegeven desondanks prijs te stellen op een tweede zitting. Daarop is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 24 maart 2010 heeft eiseres een bedrijfsontwikkelingsplan ingediend waarin wordt aangegeven dat de ontwikkeling betrekking heeft op de bouw van een nieuwe stal voor de een uitbreiding van de vleesvarkenstak, een nieuwe stal voor een uitbreiding met opfokhennen en een omschakeling van vleeskuikenouderdieren naar legkippen. Op 17 juni 2010 is een aanvraag voor een revisievergunning ingediend. Deze vergunning is op 4 april 2012 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden verleend. Varkensstal G (de nieuwe stal voor de uitbreiding van de vleesvarkenstak, is gebouwd volgens de verleende vergunning van 4 april 2012. Deze stal is gebouwd en in werking gebracht met het emissiearme stalsysteem BWL 2004.03.V2, dat een emissie van 1,0 kg NH3 per dierplaats met zich brengt. Ten behoeve van de inrichting is op 27 juni 2015 een Natuurbeschermingswetvergunning verleend. Deze staat gelijk aan een vergunning op basis van de op 1 januari 2017 in werking getreden Wet natuurbescherming (Wnb) die wet.

2. De relevante regelgeving is vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.

3.1

Op 1 januari 2017 is de VS2013 ingetrokken en is de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant 2016 (Vnb 2016) inwerking getreden.

3.2

De last in het primaire besluit 1 gelast eiseres uitdrukkelijk om artikel 3 van de VS2013 na te leven op straffe van een dwangsom. De rechtbank is eerst zelf nagegaan of het primaire besluit 1 wel in stand kan blijven als de onderliggende VS2013 is ingetrokken ingevolge artikel 9.2 van de Vnb2016. In het bestreden besluit 1 wordt dit weliswaar onderkend, maar wordt aangegeven dat de Vnb2016 gelijkluidende bepalingen bevat en dat verweerder nog steeds bevoegd is om op te treden. De vraag of verweerder bevoegd is om op te treden, zal de rechtbank hierna behandelen. De rechtbank stelt wel vast dat de VS2013 en de Vnb2016 inhoudelijk niet van elkaar verschillen. Dat neemt niet weg dat het op de weg van verweerder had gelegen om in het bestreden besluit 1 duidelijker aan te geven wat eiseres moet doen om te voorkomen dat zij een last onder dwangsom verbeurt, zeker gelet op de formulering van de last en de expliciete verwijzing naar artikel 3 van de VS2013. Dat heeft verweerder in het bestreden besluit 1 ten onrechte nagelaten.

4.1

Eiseres heeft aangevoerd dat het te ver gaat om aanvullende eisen op te leggen aan een inrichting die al beschikt over een geldige vergunning op basis van de Wnb. De rechtbank verstaat deze beroepsgrond aldus dat eiseres stelt dat de Vnb2016 in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten.

4.2

Bijlage 2 onder D3 bij de Vnb2016 verlangt voor deze stal een reductiepercentage van 85% ammoniak, wat neerkomt op een maximale emissie van 0,38 kg NH3 per dierplaats. Volgens verweerder is er aldus sprake van een overschrijding van de toegestane uitstoot van meer dan 5% en van een categorie 1-overtreding. Salderen met de stallen A, D en E kan hier volgens verweerder niets aan veranderen, omdat deze stallen bestaande stallen zijn. Ook het oprichten van stal F, die nog niet gebouwd is, kan geen soelaas bieden, zodat de overtreding volgens verweerder uitsluitend kan worden beëindigd door het aanpassen van stal G.

4.3

De wettelijke basis voor de Vnb2016 is gelegen in artikel 2.4, derde lid, van de Wnb. Ingevolge dit artikel hebben provinciale staten de bevoegdheid bij verordening regels te stellen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, ten aanzien van categorieën van handelingen. Deze regels kunnen verplichtingen bevatten om preventieve maatregelen te treffen of de verplichting bepaalde handelingen volgens voorschriften uit te voeren of niet uit te voeren. Artikel 19kp van de Natuurbeschermingswet 1998 bevatte tot 1 januari 2017 een soortgelijke bevoegdheid.

4.4

Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. Dit betekent echter niet dat dat het besluit in het geheel niet kan worden getoetst. Artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb staat niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing. Deze exceptieve toetsing houdt in dat aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen.

4.5

De rechtbank stelt vast dat de Vnb2016 niet in strijd is met de Wnb. De enkele omstandigheid dat een inrichting al over een geldige Wnb-vergunning beschikt, hoeft provinciale staten evenmin ervan te weerhouden bij verordening op basis van artikel 2.4 van de Wnb verdergaande verplichtingen op te leggen. Eiseres heeft niet bestreden dat de opgenomen verplichtingen noodzakelijk zijn in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Eiseres heeft evenmin met zoveel woorden een algemeen rechtsbeginsel genoemd waarmee de Vnb2016 in strijd zou zijn. Deze beroepsgrond faalt.

5.1

Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat het beroep op het overgangsrecht niet slaagt omdat stal G als nieuwe stal kwalificeert. Eiseres geeft aan dat sprake is geweest van een melding als bedoeld in artikel 22 van de VS2013. Op 24 maart 2010 is bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden een bedrijfsontwikkelingsplan ingediend dat als melding krachtens het inmiddels vervallen Besluit landbouw milieubeheer aangemerkt moet worden.

5.2

Verweerder stelt hierover dat vergunningaanvragen die bij het openbaar worden van de eerste versie van de Verordening op 25 mei 2010 in procedure waren, zijn uitgezonderd van de nieuwe eisen. In het onderhavige geval is de aanvraag om revisievergunning ingediend op 17 juni 2010. Stal G wordt in dit plan reeds genoemd als een nieuw te realiseren stal voor vleesvarkens. Gezien het tijdstip van indiening van de aanvraag had wel rekening gehouden kunnen worden met de eisen uit de Verordening stikstof. De stelling dat de eerste versie van het bedrijfsontwikkelingsplan, dat is ingediend op 24 maart 2010, dient te worden beschouwd als melding, is niet onderbouwd.

5.3

Artikel 22 van de VS2013 (thans artikel 9.4 van de Vnb2016) bevat een limitatieve opsomming van uitzonderingen voor reeds gerealiseerde nieuwe stallen. Vast staat dat er geen aanvraag voor een revisievergunning of bouwvergunning was ingediend. De inrichting beschikte al over een Natuurbeschermingswetvergunning die toereikend was voor de gevolgen van de inrichting op de betrokken Natura 2000-gebieden. Gesteld noch gebleken is dat in deze vergunning stal G expliciet wordt genoemd. Stal G wordt wel genoemd in het bedrijfsontwikkelingsplan dat voor 25 mei 2010 is ingediend bij het bevoegd gezag. Dit is echter geen melding in de zin van het Besluit landbouw milieubeheer. Dat kan ook niet, omdat de inrichting van eiseres op dat moment niet viel onder de werkingssfeer van het Besluit landbouw milieubeheer omdat er meer dan 50 mestvarkenseenheden werden gehouden. Het bedrijfsontwikkelingsplan is wel een stap op weg naar de indiening van een nieuwe aanvraag. Maar het is geen nieuwe aanvraag en reeds daarom komt eiseres geen beroep op het overgangsrecht toe. Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Eiseres voert aan dat verweerder niet is ingegaan op haar bezwaargrond dat verweerder niet consequent is in het wijzen van de aanvragers van een Nbw-vergunning aan het mogelijk niet voldoen aan de VS2013. Eiseres is hier niet actief op gewezen terwijl dat bij derden wel gebeurde. Verweerder heeft in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld.

6.2

Verweerder stelt in het verweerschrift dat het aan de ondernemers is (en blijft) om te onderzoeken welke regels van toepassing zijn op een beoogde situatie. Het streefreductiepercentage van 85% wordt al vanaf het eerste begin in 2010 genoemd. Stal G is in 2012 gerealiseerd. Alle grote (agrarische) adviesbureaus zijn vanaf het begin geïnformeerd over de gevolgen van de VS2013.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet op deze bezwaargrond heeft gereageerd in het bestreden besluit. Het bestreden besluit is aldus onvoldoende zorgvuldig voorbereid en genomen in strijd met artikel 7:11 van de Awb.

6.4

In het verweerschrift heeft verweerder de bezwaargrond van eiseres voldoende weerlegd. Eiseres heeft haar aanvraag voor een revisievergunning destijds ingediend met behulp van een adviesbureau dat ook door verweerder is geïnformeerd. Verweerder leidt dit af uit de omstandigheid dat door hetzelfde adviesbureau meldingen zijn ingediend ten behoeve van een beroep op het overgangsrecht. De rechtbank ziet hierin wel een voldoende motivering.

7.1

Eiseres voert aan dat verweerder de beslissing op het bezwaarschrift tegen de afwijzing van het beroep op de hardheidsclausule (het bestreden besluit 2) had moeten afwachten.

7.2

Verweerder stelt hierover dat hij weliswaar bereid is af te wachten maar niet dat ook de uitkomst van inzet van rechtsmiddelen zou moeten worden afgewacht. Een per definitie afwachtende houding van het bevoegd gezag bij de inzet van alle denkbare rechtsmiddelen roept geen beeld op van slagvaardigheid.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op zich terecht bij het nemen van het bestreden besluit 1 kon volstaan met verwijzing naar het primaire besluit 2 en het bestreden besluit 2 niet hoefde af te wachten. Dat neemt niet weg dat het uiteenlopen van de beide procedures onvoorziene gevolgen kan hebben. Maar dit is geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit 1. Deze beroepsgrond faalt.

8.1

Eiseres heeft in het beroep tegen het bestreden besluit 2 aangegeven dat de bijzondere omstandigheid die aanleiding had moeten geven voor toepassing aan de hardheidsclausule is gelegen in de indiening van het bedrijfsontwikkelingsplan. Verweerder heeft het indienen van het bedrijfsontwikkelingsplan echter alleen beoordeeld in kader van een beroep op het overgangsrecht.

8.2

Verweerder heeft in het bestreden besluit (met verwijzing naar het advies van de Hoor- en adviescommissie) overwogen dat de omstandigheden dat eiseres te goeder trouw heeft gehandeld en niet is geïnformeerd zoals andere agrariërs in 2010, reeds zijn behandeld in de handhavingsprocedure. Verweerder is van mening dat de status van het bedrijfsontwikkelingsplan slechts relevant is in verband met het beroep op het overgangsrecht, niet in verband met het beroep op de hardheidsclausule.

8.3

Op basis van de stukken (waaronder het bedrijfsontwikkelingsplan en de correspondentie met het bevoegd gezag) stelt de rechtbank vast dat het bedrijfsontwikkelingsplan is bedoeld om inzicht te geven hoe kan worden voldaan aan het toenmalige Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting). In het plan wordt de op dat moment geldende vergunningssituatie geschetst. Tevens wordt als nieuwe ontwikkeling onder meer de bouw van een nieuwe vleesvarkensstal genoemd met een verdergaande emissiebeperking dan was voorgeschreven op basis van het Besluit huisvesting. Hierbij is ook de RAV-code van de nieuwe vleesvarkensstal genoemd. Het betreffende bedrijfsontwikkelingsplan is overigens niet goedgekeurd door het college van burgemeester en wethouders omdat de totale ammoniakemissie na de beschreven ontwikkeling nog steeds hoger zou zijn dan was toegestaan op basis van het Besluit huisvesting. Eiseres is de gelegenheid geboden om het plan aan te passen. Uiteindelijk is in de revisievergunning een lager aantal vleesvarkens vergund in stal G dan is beschreven in het eerste bedrijfsontwikkelingsplan.

8.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit 2 de verwijzing naar het bedrijfsontwikkelingsplan te beperkt heeft opgevat. Verweerder heeft namelijk niet beoordeeld of de omstandigheid dat voor 25 mei 2010 geen aanvraag is ingediend zoals genoemd in artikel 9.4 van de Vnb2016 maar wel een document waarin een specifieke ontwikkeling wordt beschreven, aanleiding kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule wegens een onbillijkheid van overwegende aard. Het bestreden besluit 2 is onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

9.1

Eiseres stelt ook dat niet is aangetoond dat het toepassing geven aan de hardheidsclausule negatieve invloed heeft op het streven naar de bescherming van Natura 2000-gebieden.

9.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gesteld dat sprake is van een negatieve invloed op het streven naar de bescherming van Natura 2000- gebieden indien toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule. Het moet er voor worden gehouden dat dit nog niet aan de orde is gekomen omdat verweerder geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Dan rust op verweerder ook geen onderzoeksplicht. Deze beroepsgrond faalt.

10.1

Eiseres stelt dat de bedrijfsvoering van haar inrichting, met de noodzakelijke investeringen om te voldoen aan de Vnb2016, niet langer rendabel is. Zij heeft dit onderbouwd met een verklaring van de heer [persoon] .

10.2

Verweerder heeft aangegeven dat de enkele omstandigheid dat investeringen moeten worden gedaan om aan de Vnb2016 te voldoen op zichzelf niet met zich brengt dat toepassing zou moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule. Dat geldt immers voor iedereen.

10.3

De rechtbank kan zich in deze motivering vinden. Echter, wat onduidelijk blijft is of toepassing aan de hardheidsclausule kan worden gegeven indien een ondernemer zodanige investeringen moet plegen dat zijn bedrijfsvoering volstrekt onrendabel wordt en hij failliet gaat. Daarmee is de rendabiliteit van de investeringen wel degelijk een omstandigheid die bij de beoordeling van het beroep op de hardheidsclausule moet worden betrokken. In het bestreden besluit is dit onvoldoende duidelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

11. Gelet op het bovenstaande zijn de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om beide bestreden besluiten te vernietigen.

12.1

Met betrekking tot het bestreden besluit 1 ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, het primaire besluit 1 te herroepen en eiseres een nieuwe last op te leggen. De rechtbank zal eiseres gelasten om artikel 1.4 van de Vnb2016 na te leven op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per week met een maximum van € 25.000,00. De rechtbank zal hieraan een begunstigingstermijn verbinden van vier maanden. Deze termijn is door eiseres op zitting genoemd en is voldoende om de benodigde voorzieningen te treffen.

12.2

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar tegen de afwijzing van het beroep op de hardheidsclausule met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Hierbij zal verweerder moeten beoordelen of de beschreven ontwikkeling in het bedrijfsontwikkelingsplan geheel of overwegend overeenkomt met de situatie die is aangevraagd op 17 juni 2010. Verder zal verweerder moeten bezien of dit zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Verder zal verweerder in het nieuwe besluit moeten beoordelen of de van eiseres gevergde investeringen kunnen leiden tot een zodanig onrendabele bedrijfsvoering dat deze niet van eiseres kunnen worden verlangd en daarmee kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Gesteld dat deze omstandigheden (zowel afzonderlijk als tezamen bezien) leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, zal verweerder moeten beoordelen of toepassing van de hardheidsclausule een negatieve invloed heeft op het streven naar de bescherming van Natura 2000-gebieden. Van eiseres kan niet worden gevergd dat hij investeringen moet plegen als de uitkomst van de nieuwe beoordeling van verweerder ongewis is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de begunstigingstermijn pas gaat lopen nadat verweerder een nieuw besluit heeft genomen op het bezwaar tegen de afwijzing van het beroep op de hardheidsclausule.

13. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond is verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt. In de zaak

SHE 18/175 was nog geen griffierecht geheven.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,00 (1 punt voor het beroepschrift tegen bestreden besluit 1, 1 punt voor het beroepschrift tegen bestreden besluit 2 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,00 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenveroordeling in verband met het herroepen van het primaire besluit 1, omdat eiseres in deze uitspraak inhoudelijk dezelfde last krijgt opgelegd.Beslissing

De rechtbank

 verklaart de beroepen gegrond;

 vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2;

 herroept het primaire besluit 1;

 bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar tegen het primaire besluit 2 moet nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

 gelast eiseres om artikel 1.4 van de Vnb2016 na te leven op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per week met een maximum van € 25.000,00, met ingang van de dag na het verstrijken van een termijn van vier maanden nadat verweerder een nieuw besluit heeft genomen op het bezwaarschrift tegen het primaire besluit 2;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,00 aan eiseres te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.503,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013.

Artikel 1 Begripsbepalingen

2. Waar in deze verordening gesproken wordt over een nieuwe stal, wordt daaronder verstaan:

a. een opgericht of gerenoveerd dierenverblijf,

• 1º. waarvoor op of na 25 mei 2010 een omgevingsvergunning onderdeel bouwen vereist is en door de oprichting of renovatie een wijziging plaatsvindt van het huisvestingssysteem uit de dan geldende Rav-lijst; of

• 2º. waarbij sprake is van het aanleggen, aankoppelen of installeren van een of meer van de in de bijlage 1 opgenomen lijst met systemen voorzover het aankoppelen of installeren van deze systemen betrekking heeft op de emissiereductie van stikstof;

• b. een nieuw opgericht verplaatsbaar dierenverblijf, of

• c. een gebouw dat in de beoogde situatie als dierenverblijf wordt ingericht.

Artikel 22 Reeds gerealiseerde nieuwe stallen

1. Voor nieuwe stallen waarvoor op 25 mei 2010 reeds een melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan, een aanvraag voor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, de Woningwet, dan wel de Natuurbeschermingswet 1998 in behandeling is genomen, treedt de technische uitvoering volgens die vergunningaanvraag of melding, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in bijlage 2 .

2. Onverminderd het eerste lid treedt de technische uitvoering volgens de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in bijlage 2.

3. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, is ingetrokken;

b. de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, een algehele weigering inhoudt, of;

c. het bevoegde gezag heeft medegedeeld dat het Besluit landbouw milieubeheer niet op de inrichting van toepassing is.

Artikel 27 Overgangsrecht meldingen

Op meldingen en salderingsverzoeken die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft artikel 1, onder i en bijlage 1 van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant zoals die luidde op het tijdstip van indiening van die melding zijn gelding behouden.

Verordening natuurbescherming Noord-Brabant

Artikel 1.4 Zorgplicht voor de ondernemer

1. Onverminderd artikel 1.11 van de wet, draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de drijver van de betrokken inrichting, er zorg voor dat bij het realiseren van een of meer nieuwe stallen deze voldoen aan de vereisten opgenomen in bijlage 2, behorende bij deze verordening, zoals deze geldt op het moment dat de daarvoor vereiste:

a. aanvraag om een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de wet is ingediend;

b. melding ingevolge artikel 2.7, eerste lid van de Regeling natuurbescherming is gedaan;

c. aanvraag om een vergunning ingevolge de Wabo of een ingevolge de Wabo vastgestelde algemene maatregel van bestuur is ingediend, waarvoor op grond van artikel 2.27 van de Wabo een verklaring van geen bedenkingen is vereist; of,

d.indien de onderdelen a tot en met c niet van toepassing zijn:

1°. een aanvraag om een vergunning ingevolge de Wabo is ingediend;

2°. een melding ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan.

Artikel 9.1 Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mits dit geen negatieve invloed heeft op het streven naar de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten of houtopstanden.

Artikel 9.2 Intrekking

De Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013, de Verordening vrijstellingen ex artikel 65 Flora- en faunawet 2007 van de provincie Noord-Brabant en de Verordening ophokplicht duiven Noord-Brabant 2005 worden ingetrokken

Artikel 9.3 Overgangsrecht reeds gerealiseerde nieuwe stallen

1. Voor nieuwe stallen waarvoor op 25 mei 2010 reeds een melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan, een aanvraag voor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, de Woningwet, dan wel de Natuurbeschermingswet 1998 in behandeling is genomen, treedt de technische uitvoering volgens die vergunningaanvraag of melding, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in bijlage 2, behorende bij deze verordening.

2.Onverminderd het eerste lid, treedt de technische uitvoering volgens de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in bijlage 2, behorende bij deze verordening.

3.Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a.de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, is ingetrokken;

b.de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, een algehele weigering inhoudt; of,

c. het bevoegde gezag heeft medegedeeld dat het Besluit landbouw milieubeheer niet op de inrichting van toepassing is.

Artikel 9.4 Overgangsrecht meldingen

Op meldingen en salderingsverzoeken die zijn ingediend voor 29 maart 2013, blijft artikel 1, onder i, en bijlage 1, behorende bij de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant, zoals die luidde op het tijdstip van indiening van die melding, zijn gelding behouden.