Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4933

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
C/01/337510 / KG ZA 18/490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

vonnis, kort geding, geschil mbt ovk van opdracht

Vordering uit hoofde van een overeenkomst van opdracht waarvan het bestaan door gedaagde wordt betwist. Kribbenbijter-arrest.

Onvoldoende aannemelijk dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, dus vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/337510 / KG ZA 18/490

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Best,

eiseres,

advocaat mr. R.G.J.M. Onderdonck te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Oirschot,

gedaagde,

vertegenwoordigd door [naam directeur van gedaagde partij] .

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 september 2018 met acht producties

  • -

    de brief d.d. 10 september 2018 van de zijde van [gedaagde] met vijf producties

  • -

    de brief van 17 september 2018 van de zijde van [gedaagde] met producties 6a t/m e

  • -

    de brief van 20 september 2018 van de zijde van [eiseres] met producties 9 t/m 17 .

  • -

    de mondelinge behandeling die plaats vond op 21 september 2018

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] , alsmede de aanvulling daarop.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] vordert samengevat -:

1. [gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle bouwtekeningen, berekeningen, vergunningaanvragen (of kopieën daarvan) die betrekking hebben op het project te [adres] aan [eiseres] te verstrekken, op straffe van de in de dagvaarding genoemde dwangsom;

2. [gedaagde] te bevelen om op eerste verzoek van [eiseres] , maar uiterlijk 24 uur na betekening van dit vonnis, haar medewerking te verlenen aan de voortgang van het onder 1. genoemde project, door die zaken te verrichten die noodzakelijk zijn voor de voortgang van het bouwtraject en alles na te laten dat de voortgang van het bouwproject belemmert, op straffe van de in de dagvaarding genoemde dwangsom;

3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.2.

Aan haar vorderingen heeft [eiseres] – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

Tussen [gedaagde] en [eiseres] is tijdens een gesprek met [naam directeur van gedaagde partij] (hierna: [naam directeur van gedaagde partij] , directeur van [gedaagde] ) en [naam bestuurder eiseres] (hierna: [naam bestuurder eiseres] ) een overeenkomst tot stand gekomen waarbij [gedaagde] zich als opdrachtnemer heeft verbonden om voor [eiseres] als opdrachtgever (ontwerp- en bouw-) tekeningen te maken ten behoeve van door eiseres te bouwen woningen en appartementen op een stuk grond te Best waarvan [eiseres] eigenaresse is.

De heer [naam werknemer] (hierna: [naam werknemer] ), werkzaam bij [naam bedrijf] Bouwmanagement en Onderhoud (hierna; [naam bedrijf] ), was ook aanwezig bij het gesprek met [naam directeur van gedaagde partij] en [naam bestuurder eiseres] en zou op verzoek van [eiseres] contact onderhouden met de gemeente, de architect en de constructeur. Hij heeft in eerste instantie ook contact gelegd met [naam directeur van gedaagde partij] en de zaak inhoudelijk besproken.

[naam directeur van gedaagde partij] ziet thans ten onrechte [naam werknemer] als opdrachtgever en weigert afgifte van de door hem vervaardigde tekeningen aan [eiseres] . Ook weigert [gedaagde] te overleggen met [eiseres] over de voortgang van het project en frustreert zij de voortgang van de bouw doordat leveranciers van het benodigde staal en van de keukens en badkamers wachten op nadere specificaties van de architect. Om de voortgang van de werkzaamheden te waarborgen is het noodzakelijk dat [eiseres] op korte termijn de beschikking krijgt over de tekeningen en berekeningen van [gedaagde] .

Dat [eiseres] opdrachtgever is, blijkt uit de bij dagvaarding overgelegde tekeningen van [gedaagde] waarop de naam van [eiseres] als opdrachtgever staat vermeld. Ook op de stukken en tekeningen die bij de gemeente zijn ingediend voor het verkrijgen van een bouwvergunning staat de naam van [eiseres] als opdrachtgever. Voorts blijkt dit uit het feit dat [eiseres] de facturen altijd direct, dan wel indirect (via [naam werknemer] ) heeft betaald aan [gedaagde] .

2.3.

[gedaagde] voert verweer en heeft – zakelijk weergegeven het volgende gesteld.

Niet [eiseres] maar [naam bedrijf] is de opdrachtgever van [gedaagde] . [eiseres] is wel de eigenaar van de locatie waarop gebouwd gaat worden en het klopt dat [naam bestuurder eiseres] met [naam directeur van gedaagde partij] en [naam werknemer] de offerte van [gedaagde] voor het vervaardigen van de (bouw)tekeningen heeft besproken, maar na onderhandeling over de offerte heeft [naam bedrijf] (in de persoon van [naam werknemer] ) uiteindelijk de opdracht aan [gedaagde] verstrekt.

[naam werknemer] is niet alleen degene die contact onderhoudt met de gemeente, de architect en de constructeur over het project, zoals [eiseres] stelt, maar [naam werknemer] is degene die het hele project zou leiden. Dat blijkt uit het feit dat [naam werknemer] (voor [naam bedrijf] ) ten behoeve van het project opdracht heeft gegeven voor het schrijven van een ruimtelijke onderbouwing, fauna onderzoeken en risico-inventarisaties heeft laten doen, en diverse geluidsonderzoeken heeft laten uitvoeren, etc.

Zo is ook de hier in het geding zijnde overeenkomst (van opdracht) tot stand gekomen tussen [naam bedrijf] en [gedaagde] , en niet tussen [eiseres] en [gedaagde] . [naam werknemer] en [gedaagde] hebben in dit kader een offerte van 14 november 2016 ondertekend (zie productie 2).

[gedaagde] heeft ook altijd gefactureerd aan [naam bedrijf] . Verder is er een aanvullende overeenkomst tussen [gedaagde] en [naam bedrijf] (productie 3) waarin is afgesproken dat [naam bedrijf] de eigenaar is van alle tekeningen, schetsen, schriftelijke stukken, software etc. en dat het [gedaagde] niet is toegestaan deze tekeningen zonder toestemming van [naam bedrijf] te gebruiken of te verstrekken aan derden. In dit geval heeft [naam bedrijf] geen toestemming verleend de tekeningen aan [eiseres] te verstrekken, dus zou [gedaagde] in strijd handelen met de overeenkomst als hij aan de vorderingen van [eiseres] zou voldoen.

2.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het spoedeisend belang aan de zijde van [eiseres] vloeit genoegzaam voort uit de aard van de vordering en is door [gedaagde] overigens ook niet betwist.

3.2.

[gedaagde] heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen het feit dat [eiseres] de producties 9 t/m 17 pas op 20 september 2018, één dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting, heeft ingediend.

Volgens artikel 6.2 van het Procesreglement kort geding handel/familie dienen stukken waarop een partij zich ter zitting wenst te beroepen minimaal 24 uur voor de mondelinge behandeling ter zitting te worden ingediend. Niet gebleken is dat [eiseres] deze termijn niet in acht heeft genomen. Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting een aanvullende pleitnotitie voorgedragen waarbij zij in is gegaan op de inhoud van de door [eiseres] ingediende producties 9 t/m 17, zodat [gedaagde] geacht wordt niet in haar procesbelangen te zijn geschaad. Ook de producties 9 t/m 17 worden door de voorzieningenrechter geaccepteerd.

3.3.

Inhoudelijk staat in deze kort gedingprocedure de vraag centraal of er tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst (van opdracht) bestaat op basis waarvan [eiseres] de door haar ingediende vorderingen kan doen gelden.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en stelt dat zij met [naam bedrijf] een overeenkomst van opdracht heeft.

3.4.

Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden. De omstandigheid dat de ander wist dat degene met wie hij handelde dit deed ten behoeve van een opdrachtgever, sluit een bevestigend antwoord op die vraag niet uit (zie: HR 11 maart 1977, NJ 1977/521, Kribbenbijter).

3.5.

De kort gedingprocedure biedt in beginsel geen gelegenheid voor een uitgebreid onderzoek naar alle feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter gaat uit van hetgeen op basis van de stukken en van het verhandelde ter zitting als vaststaand kan worden aangenomen.

Tussen partijen bestaat geen schriftelijke overeenkomst van opdracht.

Beide partijen stellen dat er tijdens een gesprek dat eind oktober 2016 plaats vond ten kantore van [gedaagde] , afspraken zijn gemaakt. Bij het gesprek waren aanwezig [naam bestuurder eiseres] , [naam werknemer] en [naam directeur van gedaagde partij] . In het gesprek is de offerte van [gedaagde] met betrekking tot het woningbouwproject op het stuk grond van [eiseres] aan de [adres] besproken.

Gelet op bovengenoemd arrest van de Hoge Raad dient het antwoord op de vraag welke partijen met elkaar een overeenkomst zijn aangegaan te worden gevonden in de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer en betekent de omstandigheid dat [gedaagde] wist dat [naam werknemer] ( [naam bedrijf] ) handelde ten behoeve van [eiseres] , niet persé dat [gedaagde] er niet van uit mocht gaan dat [naam bedrijf] de wederpartij bij de overeenkomst was. In dit verband kan de vraag of de door [eiseres] ondertekende machtiging ten behoeve van [naam werknemer] en [naam bedrijf] om op te treden namens [eiseres] (door [gedaagde] overgelegd als productie 1), bekend was aan [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van opdracht, dan ook in het midden blijven.

Volgens [eiseres] was tijdens het gesprek in oktober 2016 duidelijk dat zij de opdrachtgever van [gedaagde] was.

[gedaagde] stelt juist dat [naam bestuurder eiseres] tijdens dit gesprek heeft aangegeven dat [naam bedrijf] de opdrachtgever was.

3.6.

Bij de mondelinge behandeling ter zitting in dit kort geding waren, behalve partijen met hun advocaat, tevens aanwezig [naam bestuurder eiseres] (aan de zijde van [eiseres] ) en [naam werknemer] (aan de zijde van [gedaagde] ).

Naar aanleiding van het verzoek van mr. Onderdonck om [naam bestuurder eiseres] als informant te horen hebben partijen er, in het kader van hoor en wederhoor, mee ingestemd dat, naast [naam bestuurder eiseres] , ook [naam werknemer] als informant gehoord zou worden.

[naam bestuurder eiseres] en [naam werknemer] hebben vervolgens ter zitting beide nader verklaard over de gang van zaken tijdens het gesprek dat eind oktober 2016 plaats vond.

3.7.

[eiseres] is er niet in geslaagd om de stelling dat er daadwerkelijk een overeenkomst van opdracht tussen haar en [gedaagde] bestaat, voldoende aannemelijk te maken.

Relevante omstandigheden zijn:

- het feit dat een schriftelijke overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] ontbreekt, terwijl [gedaagde] een door [naam directeur van gedaagde partij] en [naam werknemer] ondertekende offerte van 14 november 2016 heeft overgelegd (productie 2) betreffende het woningbouwplan aan de [adres] (hierna: het project). Niet weersproken is de stelling van [naam directeur van gedaagde partij] dat deze offerte de basis heeft gevormd van de werkzaamheden van [gedaagde] ten behoeve van het project;

- de verklaring ter zitting van zowel [naam werknemer] als [naam directeur van gedaagde partij] , twee van de drie aanwezige heren bij het gesprek eind oktober 2016 betreffende de offerte, dat klip en klaar was dat [naam werknemer] de opdrachtgever van [gedaagde] was;

- de door [gedaagde] in het kader van het project gemaakte bouwtekeningen, berekeningen en vergunningaanvragen zijn door haar (kennelijk enkel) aan [naam bedrijf] ter beschikking gesteld;

- de onweersproken stelling van [gedaagde] dat zij van meet af aan (begin 2017) gefactureerd heeft aan [naam bedrijf] en dat [naam bedrijf] de facturen telkens aan haar heeft voldaan.

Op basis van bovenstaande omstandigheden is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde] er van mocht uit gaan dat er een overeenkomst van opdracht bestond tussen haar en [naam bedrijf] .

3.8.

[naam bestuurder eiseres] heeft ter zitting verklaard dat hij degene was die met [naam directeur van gedaagde partij] heeft onderhandeld over de prijs in de offerte, maar daaruit volgt niet dat hij [naam directeur van gedaagde partij] had moeten begrijpen dat [eiseres] zijn opdrachtgever was.

Evenmin is doorslaggevend dat bij sommige tekeningen de naam van [eiseres] vermeld is als opdrachtgever. [gedaagde] heeft hieromtrent voldoende aannemelijk gemaakt dat het in de bouwwereld geen uitzonderlijke gang van zaken is om de naam van de toekomstige eigenaar van het te bouwen project te vermelden op de tekeningen.

3.9.

Het verweer van [gedaagde] dat [naam bedrijf] haar opdrachtgever is, is voorts niet onaannemelijk tegen de achtergrond van de onweersproken stelling van [naam directeur van gedaagde partij] dat het de bedoeling van de bij de overeenkomst betrokken partijen en van [eiseres] was dat [naam bedrijf] de volledige verantwoordelijkheid (en aansprakelijkheid) als ontwikkelaar van het project zou dragen, en dat zij het project vervolgens als aannemer zou gaan bouwen.

[naam werknemer] heeft hierover ter zitting nog opgemerkt dat [naam bedrijf] als projectontwikkelaar aansprakelijk was/is en dat daarom ook alle onderzoeken zoals geluids- en bodemonderzoeken in opdracht van [naam bedrijf] zijn uitgevoerd. Ook deze stelling is niet weersproken door [eiseres] .

3.10.

Blijkens het door [gedaagde] als productie 5 overgelegde e-mailbericht van 7 juni 2018 van [naam werknemer] aan [naam directeur van gedaagde partij] is er sprake van een conflict tussen [naam bedrijf] en [eiseres] , en heeft [naam werknemer] in dat kader aan [gedaagde] kenbaar gemaakt geen toestemming te geven voor het ter beschikking stellen aan derden van tekeningen/berekeningen en kopieën en bestanden.

Nu het bestaan van een overeenkomst van opdracht tussen [eiseres] en [gedaagde] niet aannemelijk is moet [eiseres] beschouwd worden als een derde partij en kan zij dus jegens [gedaagde] geen rechten doen gelden op de (bouw)tekeningen, de berekeningen en vergunningaanvragen betrekking hebbende op het project. De vordering onder 1. wordt dan ook afgewezen.

3.11.

Ook het gevorderde onder 2. wordt afgewezen nu niet aangenomen wordt dat er tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst bestaat op basis waarvan [eiseres] kan vorderen dat [gedaagde] werkzaamheden verricht.

3.12.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

€ 626,- aan griffierechten.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 626,-,

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2018.