Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:487

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
01/865120-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zonder redelijke aanleiding op de openbare weg het slachtoffer tweemaal gestoken met een mes. Bewezenverklaring van poging tot doodslag. Verdachte is geheel ontoerekeningsvatbaar en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De officier van justitie heeft, conform het advies van de deskundigen, een maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis van 1 jaar geëist. De rechtbank legt een tbs met dwangverpleging op. De rechtbank is van oordeel dat een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en een daarop volgende (nu onzekere) machtiging of zorgmachtiging, onvoldoende beveiliging en nazorg biedt gelet op de ernstige problematiek van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865120-17
Parketnummer vordering: 01/153990-17

Datum uitspraak: 02 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 december 2017.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 06 oktober 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk van het leven te beroven, met een mes die [slachtoffer] in/tegen de hals/nek en/of okselstreek heeft gestoken en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 oktober 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met een mes die [slachtoffer] in de hals/nek en/of okselstreek heeft gestoken en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 oktober 2017 te Eindhoven

[slachtoffer] heeft mishandeld door met een mes die [slachtoffer] in/tegen de hals/nek en/of okselstreek te steken en/of te slaan;

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/153990-17 is aangebracht bij vordering van 29 november 2017. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te

‘s-Hertogenbosch d.d. 15 september 2017. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrij te spreken.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met opzet heeft gehandeld, omdat elk inzicht in de draagwijdte van zijn handelen zou hebben ontbroken.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzet had op het dodelijk verwonden van het slachtoffer dan wel om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, omdat niet zou kunnen worden vastgesteld dat de verwondingen van het slachtoffer zich bevinden op of dichtbij vitale plaatsen van het lichaam en ook niet dat deze zijn toegebracht door middel van het steken met een mes.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Feitelijke toedracht

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 6 oktober 2017 omstreeks 13.30 uur samen met zijn vriendin op de Rechtestraat te Eindhoven liep. Voor hem liep een Somalische man met een groene bigshopper die de hele tijd in plassen trapte. Hij spetterde aangever en diverse voorbijgangers expres nat. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij tegen de man zei dat hij moest stoppen. De man reageerde hier boos op en begon te schreeuwen. [slachtoffer] heeft verklaard dat de man dreigend voor hem stond en dat de man op dreigende toon naar hem riep “kom maar op, wat wil je nu doen” of woorden van die strekking. Aangever is naar [restaurant] gelopen waar hij werkt. [slachtoffer] heeft verklaard dat de man hem achtervolgde en ter hoogte van de voordeur de confrontatie opzocht. Hij ging voor [slachtoffer] staan en riep op dreigende toon naar hem: “wat moet je nou, wat ga je doen mattie” of woorden van die strekking. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij de man naar achteren heeft geduwd, waarna de man zijn jas uittrok en met hem wilde vechten. De man kwam op [slachtoffer] af en viel hem aan. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij voelde dat hij hard werd geslagen. [slachtoffer] verweerde zich door terug te slaan. De collega’s van [slachtoffer] , waaronder [getuige] , kwamen ertussen. Zijn collega zag dat [slachtoffer] bloedde ter hoogte van zijn oksel en in zijn achterhoofd. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat de juiste man door de politie is aangehouden en dat hij dit weet, omdat hij de aanhouding heeft gezien.2

[slachtoffer] is onderzocht in het Maxima Medisch Centrum te Veldhoven. De arts

[arts] heeft op het aanvraagformulier medische informatie vermeld dat [slachtoffer] twee oppervlakkige steekwonden heeft: links net onder de oksel en in de nek net naast de nekwervels, beide van 1 cm.3

Een kok van [restaurant] , [getuige] , heeft verklaard dat hij omstreeks 13.30 uur een hoop rumoer op straat hoorde en dat hij zag dat een collega aan het vechten was met een donkere man. [getuige] heeft verklaard dat hij naar buiten is gerend, dat hij zag dat de donkere man slaande/stekende bewegingen maakte en dat hij een aardappelschilmesje in zijn hand had. [getuige] zag dat zijn collega probeerde zich te verdedigen en de man van zich wegduwde, waardoor de man op de grond viel. [getuige] heeft verklaard dat het aardappelschilmesje op de grond viel, dat de man op stond en het mesje van de grond pakte. De man was nog steeds erg boos en hij stelde zich agressief op. [getuige] heeft verder verklaard dat hij de man meerdere keren heeft gevraagd om weg te gaan.4

[verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd dat omstreeks 13.40 uur een melding van een steekpartij werd ontvangen. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij een Somalische man zag lopen die geheel voldeed aan het opgegeven signalement en dat hij zag dat de man bloed aan zijn hand had. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij een veiligheidsfouillering heeft toegepast en dat hij in de broekzak van verdachte een aardappelschilmes aantrof. [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd dat zij zagen dat op het mes een veeg bloed zat.5

De rechtbank is op basis van deze bewijsmiddelen van oordeel dat de verwondingen van aangever [slachtoffer] door verdachte zijn toegebracht door middel van het steken met een mes. De rechtbank verwerpt het verweer dat onduidelijk is hoe het letsel tot stand is gekomen.

Opzet

Voor een bewezenverklaring dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte de steekwonden opzettelijk heeft toegebracht. De rechtbank zal in dit verband de verweren van de raadsman, die ertoe strekken dat dit opzet ontbreekt, bespreken.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat het opzet ontbreekt, omdat elk inzicht van verdachte in de draagwijdte van zijn handelen zou ontbreken. De raadsman heeft daarbij gewezen op een passage uit het door W.H. Braam omtrent de geestvermogens van verdachte opgemaakte psychiatrische rapport: “Duidelijk is in ieder geval wel dat zijn denken, handelen, willen en emoties zeer waarschijnlijk volledig werden bepaald/beïnvloed door het paranoïde psychotische toestandsbeeld en dat zijn gedrag daardoor volledig werd bepaald. Er was geen realiteitstoetsing meer mogelijk en betrokkene handelde dan ook volledig vanuit het (paranoïde psychotische) toestandsbeeld waarin hij zich bevond ten tijde van het tenlastegelegde”.

De rechtbank overweegt dat een ernstige geestelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat, indien bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake. Dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar wordt beschouwd sluit evenmin uit dat sprake is geweest van opzettelijk handelen.

De verklaring van aangever [slachtoffer] over de gedragingen en uitlatingen van verdachte duiden naar het oordeel van de rechtbank op een doelbewust handelen. Zo heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte de confrontatie opzocht en op dreigende toon naar hem riep: “wat moet je nou, wat ga je doen mattie” of woorden van die strekking.6 De verklaring van [slachtoffer] wordt op dat punt ondersteund door de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie. Verdachte heeft verklaard dat hij boos werd, omdat aangever tegen hem zou hebben gezegd “zwerver/schooier”. Op de vraag van de verbalisant wat er daarna gebeurde, heeft verdachte geantwoord “de inner beast released himself”. Verdachte heeft verder verklaard dat hij in zijn hoofd daar buiten staat, alsof hij het niet doet, maar dat zijn eigen lijf het doet en hij zich daarvan bewust is.7

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte weliswaar heeft plaatsgevonden in de context van zijn stoornis en werd gestuurd door zijn psychose, maar dat niet gezegd kan worden dat elk inzicht in de draagwijdte van zijn handelen ontbreekt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzet had op het dodelijk verwonden van het slachtoffer dan wel om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, ook niet indien wordt vastgesteld dat de bij aangever geconstateerde verwondingen zijn toegebracht door middel van het steken met een mes.

De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat zij acht komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer] heeft verwond door middel van het steken met een mes. De rechtbank acht relevant dat dit steken plaatsvond gedurende een confrontatie tussen beiden. Verdachte was boos en heeft [slachtoffer] in die woede tweemaal met een mes gestoken, net onder zijn oksel en in zijn nek. [slachtoffer] heeft zich tegen het steken geprobeerd te verdedigen. Aldus is komen vast te staan dat het steken door verdachte heeft plaatsgevonden onder dynamische omstandigheden. Het onder deze omstandigheden met een mes steken van een zich verdedigend en dus bewegend persoon op precaire locaties van het lichaam roept naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijk risico op de dood van die persoon in het leven, te meer nu zich aan de zijkant van de nek richting de hals vitale slagaders bevinden, zich in de oksel eveneens een slagader bevindt en zich in de hals dichtbij de nek meerdere oppervlakkige bloedvaten en organen bevinden waaruit ernstige en potentieel fatale bloedingen kunnen optreden na perforatie. Gelet op die ervaringsregels mag de wetenschap van deze aanmerkelijke kans bij de verdachte worden verondersteld. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] ten gevolge van zijn handelwijze zou komen te overlijden. Dat dit gevolg niet is ingetreden is te wijten aan het handelen van [getuige] die tussenbeide is gekomen en verdachte heeft verzocht weg te gaan, alsook de toevalligheid van de plaats van de verwondingen. De gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer dat het – behoudens contra-indicaties waarvan niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de dood tot gevolg zou hebben, bewust heeft aanvaard. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(primair)

op 06 oktober 2017 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes die [slachtoffer] in de nek en okselstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Over de persoon van verdachte zijn twee gedragsdeskundige rapportages opgemaakt. Zowel de psychiater als de psycholoog komen tot de conclusie dat verdachte ten aanzien van het strafbare feit volledig ontoerekeningsvatbaar is.

Op 8 december 2017 heeft de psychiater W.H. Braam een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Bij onderzochte is sprake van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis met sterke aanwijzingen voor schizofrenie. Tevens is er sprake van een stoornis in gebruik van een opioïde (ernstig), cocaïne (ernstig), cannabis (matig), alcohol (matig) en een hypnoticum of anxiolyticum (matig). Dit was ook aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde.

Voor het tenlastegelegde had hij 4 weken lang zijn depotmedicatie gemist, omdat hij de afspraken met de GGzE niet nagekomen was. Hij bemerkte zelf ook dat hij toenemend psychotisch aan het worden was, zich uitend in uitgebreide paranoïde wanen en hallucinaties, veelal met een bizarre inhoud. Ook gebruikte hij in de weken voor het tenlastegelegde dagelijks (forse hoeveelheden) heroïne, cocaïne en regelmatig alcohol en cannabis. Ook had hij (al langere tijd) geen vaste woon- of verblijfplaats. Doordat hij in plassen stapte/danste werd het slachtoffer nat en sprak hem hierop aan. Betrokkene was echter floride paranoïde psychotisch op dat moment en voelde zich door het slachtoffer ernstig aangevallen, waardoor hij het slachtoffer volgde. Even later volgde een worsteling, waarbij betrokkene het slachtoffer verwond heeft met een mes. Betrokkene heeft volledig gehandeld vanuit zijn sterk achterdochtige belevingswereld en geeft aan zich verdedigd te hebben tegen zijn ‘aanvaller’. Zijn middelengebruik is met name te plaatsen als vorm van zelfmedicatie en deel van zijn afhankelijkheid. Geadviseerd wordt derhalve het tenlastegelegde, mits bewezen, betrokkene in het geheel niet toe rekenen.

Op 14 december 2017 heeft de psycholoog M.J.H. Legra, onder supervisie van drs. B.Y. van Toorn, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de vorm van een psychotisch toestandsbeeld, mogelijk als gevolg van een zich ontwikkelend schizofreen proces, en van een stoornis in middelengebruik (alcohol, cocaïne en heroïne). Genoemde problematiek was ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde, waarbij betrokkene floride psychotisch was. De problematiek beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde.

Op het moment van het tenlastegelegde is door de psychose het contact met de realiteit volledig verbroken waardoor de gebeurtenissen als overweldigend en dreigend worden ervaren. Hierdoor gelooft betrokkene dat hij opzettelijk in de val wordt gelokt en dat hem wat aangedaan wordt. Door de auditieve hallucinaties (stemmen) wordt hij op het verkeerde spoor gezet. Door de invloed van de middelen is zijn belevingswereld nog verwarder en heeft hij sterk verminderde remmingen. Als aangever hem, in zijn beleving, brandende vloeistof in het gezicht gooit (wat mogelijk een tactiele hallucinatie is) heeft betrokkene naar eigen zeggen het gevoel dat hij niet anders kan dan zichzelf beschermen en gaat hij over tot het tenlastegelegde. Er wordt geadviseerd betrokkene het tenlastegelegde in het geheel niet toe te rekenen.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over. Verdachte is daarom niet strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 1 jaar.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar eis rekening gehouden met de adviezen van de gedragsdeskundigen.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

De raadsman heeft verzocht de vordering na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zonder redelijke aanleiding, op de openbare weg, fors geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Verdachte heeft het slachtoffer tweemaal gestoken met een mes en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen. Een dergelijk delict leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers en slachtoffers van dit soort ernstige feiten hebben daar vaak nog jarenlang last van, waarbij de herinnering eraan hen hindert in hun dagelijks bestaan. Het enkele feit dat het slachtoffer uiteindelijk verwondingen van relatief geringe ernst heeft opgelopen, doet daaraan niet af.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheden dat verdachte blijkens zijn strafblad eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten en het onderhavige feit heeft gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling voor een mishandeling. Daaruit blijkt dat er sprake is van een recidiverisico.

De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen onder het kopje “de strafbaarheid van verdachte”. De rechtbank heeft in dat kader geoordeeld dat verdachte ten aanzien van het feit volledig ontoerekeningsvatbaar is en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dat oordeel brengt met zich mee dat enkel een strafrechtelijke maatregel kan worden opgelegd. Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren in hun gedragsdeskundige rapportages om verdachte te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis.

Het rapport van psychiater W.H. Braam houdt verder onder meer het volgende in:

Er is zonder (in eerste instantie) een klinische behandeling sprake van een hoog recidiverisico. Betrokkene heeft geen huisvesting, nauwelijks tot geen persoonlijke steun, geen daginvulling en bovendien nog een sterke zucht naar verslavende middelen die, onbehandeld, het risico op een recidive psychose en (dus) op een recidivedelict doen toenemen.

Geadviseerd wordt een (aanvankelijk) klinisch behandeltraject met een voldoende beveiligingsniveau (een FPA of FPK) binnen een gedwongen kader, waar verdere behandeling van zijn psychose en verslavingsproblematiek plaats kan vinden en huisvesting geregeld kan worden waarna hij opnieuw behandeld kan worden binnen een FACT-team. Geadviseerd wordt een behandeling binnen het kader van artikel 37. Aansluitend kan een behandeling het beste plaatsvinden binnen het kader van de Wet BOPZ (Rechterlijke Machtiging).

Het rapport van psycholoog M.J.H. Legra, onder supervisie van drs. B.Y. van Toorn, houdt verder onder meer het volgende in:

Het risico op een recidief wordt door de veelheid aan risicofactoren en zeer beperkte aanwezigheid van beschermende factoren op klinische basis als verhoogd ingeschat. Door de beperkingen van dit onderzoek is de risicotaxatie onvolledig en zou de kans op recidive in werkelijkheid hoger kunnen liggen. Zorgelijk is het ontbreken van een steunsysteem en het ontbreken van primaire levensbehoeften zoals een woning, veiligheid en een zinvolle dagbesteding.

Om de kans op een recidief te verkleinen wordt geadviseerd betrokkene binnen een klinische setting te behandelen voor zijn psychoses en zijn stoornissen in middelengebruik. Gezien de geringe motivatie voor het laatste moet veel aandacht besteed worden aan uitleg en motivering tot abstinentie. Verder is het van belang dat geïnvesteerd wordt in een betere leefsituatie in de vorm van woonruimte, dagbesteding en op orde houden van zijn financiën. Ingeschat wordt dat betrokkene hier blijvend hulp bij nodig zal hebben. Een plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek met toepassing van artikel 37 Sr wordt geadviseerd.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over met uitzondering van de door de gedragsdeskundigen geadviseerde plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

Uit de adviezen van voornoemde psychiater en psycholoog blijkt dat zij een langdurig behandeltraject dat de termijn van één jaar ruim overstijgt noodzakelijk vinden. Psycholoog M.J.H. Legra spreekt over “een langdurige klinische opname en aansluitend een gefaseerde terugkeer in de maatschappij”. Psychiater W.H. Braam noemt de noodzaak van een vangnet na afloop van de behandeling binnen art. 37 Sr in de vorm van een rechterlijke machtiging of een zorgmachtiging. De rechtbank is van oordeel dat een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en een daarop volgende (nu onzekere) rechterlijke machtiging of zorgmachtiging onvoldoende beveiliging en nazorg biedt gelet op de ernstige problematiek van verdachte. De rechtbank heeft daarbij gelet op de ernst van de stoornis van verdachte, zijn middelenproblematiek en het hoge recidivegevaar, de omstandigheid dat verdachte niet medicatietrouw is en de omstandigheid dat verdachte onvoldoende gemotiveerd is een lang behandelingstraject te volgen – verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een gevangenisstraf verkiest boven een langdurige behandeling.

De rechtbank overweegt verder dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het hierna te kwalificeren feit betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en het misdrijf is gericht tegen of veroorzaakt gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal verder bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

De rechtbank zal door te kiezen voor een andere modaliteit een zwaardere maatregel opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde maatregel. De rechtbank heeft hiervoor uitgelegd hoe zij tot dat oordeel is gekomen.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/153990-17.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen, omdat verdachte blijkens de hiervoor vermelde rapporten van de gedragsdeskundigen volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het strafbare feit op grond waarvan de officier van justitie de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft ingediend.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 37a, 37b, 45, 63, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het tenlastegelegde onder primair bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder primair meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op misdrijf:

(primair)poging tot doodslag

Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Legt op de volgende maatregel.

(primair)

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging

Beslissing na voorwaardelijke veroordelingAfwijzing van de vordering met parketnummer 01/865120-17 van de officier van justitie d.d. 29 november 2017.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. R.T.J. van Dartel, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 2 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Districtsrecherche Eindhoven, genummerd 2017206755, aantal pagina’s: 57. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Aangifte [slachtoffer] , dossierpagina 34 en verklaring [slachtoffer] , dossierpagina 37

3 Aanvraagformulier medische informatie, dossierpagina 42

4 Verklaring [getuige] , dossierpagina 54

5 Relaas [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , dossierpagina 52

6 Verklaring [slachtoffer] , dossierpagina 37

7 Verklaring verdachte, dossierpagina 29