Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4814

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
7104765 / 18-449
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak: werkgever verzoekt ontbinding arbeidsovereenkomst, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e (verwijtbaar handelen) en subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW (een verstoorde arbeidsverhouding). Na eerder, afgesloten, voorval is vertrouwen weg. Geen ernstig verwijtbaar handelen van werknemer.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: : 7104765

EJ nummer : 18-449

Beschikking van 17 september 2018

in de zaak van:

[B.] Reklame B.V.,

gevestigd te [plaats 1] ,

verzoekster, tevens verwerende partij in de zaak van de tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. E.J.M. Vannisselroy,

tegen:

[werknemer] ,

wonende te [plaats 2] ,

verweerder, tevens verzoekende partij in de zaak van de tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. E. Schouten.

Partijen worden hierna genoemd “ [de vennootschap] ” en “ [werknemer] ”.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het volgende.

  1. Het verzoekschrift met producties;

  2. het verweerschrift met producties;

  3. de brief van 27 augustus 2018 van mr. Vannisselroy met producties;

  4. het faxbericht van 28 augustus 2018 van mr. Van Alphen met producties;

  5. het faxbericht van 29 augustus 2018 van mr. Vannisselroy met producties;

  6. het faxbericht van 31 augustus 2018 van mr. Van Alphen met producties;

  7. De mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 3 september 2018,

waarvan door de griffier aantekeningen zijn opgemaakt, met daaraan gehecht de

pleitnota van mw. mr. I.A.W. Van den Broek, kantoorgenoot van mr.

Vannisselroy.

1.2.

Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten worden als vaststaand beschouwd, omdat deze door een van de partijen zijn gesteld en door de andere partij onvoldoende of niet zijn betwist of zijn erkend;

  1. [werknemer] is op 8 april 2013 bij [de vennootschap] in dienst getreden. Laatstelijk was hij werkzaam als verkoper/algemeen medewerker.

  2. De activiteiten van [de vennootschap] bestaan kort gezegd uit het maken van (licht)-reclames. In totaal zijn bij [de vennootschap] 18 personeelsleden werkzaam.

  3. De heer [B.] , directeur van de B.V., en [werknemer] hebben de afgelopen jaren nauw met elkaar samengewerkt en een goede band met elkaar opgebouwd.

  4. [werknemer] beschikt over een bedrijfsauto en een tankpas van de zaak.

  5. [werknemer] heeft vanaf 2015 de tankpas van de zaak (zonder toestemming van [de vennootschap] ) gebruikt voor de auto van zijn echtgenote.

  6. De heer [B.] heeft dit begin 2018 geconstateerd en [werknemer] hiermee geconfronteerd. [werknemer] heeft erkend de tankpas (zonder toestemming) te hebben gebruikt voor de auto van zijn echtgenote.

  7. De heer [B.] was in eerste instantie van plan om het dienstverband met [werknemer] te beëindigen, doch heeft er vervolgens voor gekozen om [werknemer] een tweede kans te geven.

  8. Na enige tijd heeft de heer [B.] moeten constateren dat er door het voorval met de tankpas toch onvoldoende vertrouwen aanwezig was om met [werknemer] verder samen te werken.

3 Het verzoek

3.1.

[de vennootschap] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden primair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e (verwijtbaar handelen van [werknemer] , zodanig dat van [de vennootschap] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren) en subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW (een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [de vennootschap] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren), zonder rekening te houden met de opzegtermijn van [werknemer] en zonder toekenning van een transitievergoeding.

3.2.

Ter onderbouwing van het bovenstaande heeft [de vennootschap] - verkort weergegeven - het volgende gesteld.

De heer [B.] heeft [werknemer] gedurende het dienstverband meerdere malen privé geholpen met zijn financiële problemen. [werknemer] zat in de buitengerechtelijke schuld-sanering. De heer [B.] heeft [werknemer] , na ontdekking van de tankpasfraude eind januari 2018, hiermee geconfronteerd en hem in eerste instantie een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Daarna heeft de heer [B.] besloten om [werknemer] toch nog een kans te geven, omdat hij in het laatste stadium van de schuldsanering zat en de heer [B.] het diens vrouw en kinderen niet wilde aandoen om nog meer problemen te krijgen. Partijen hadden elkaar namelijk een paar jaar eerder de hand gegeven en gezegd dat ze goed voor elkaar zouden zorgen. Op dat moment had de heer [B.] nog 100% de overtuiging dat het vertrouwen in [werknemer] weer terug zou komen. Nadat zes maanden waren verstreken heeft de heer [B.] geconstateerd dat het vertrouwen te ernstig was geschaad door de tankpasfraude en dat hij niet meer in staat was om nauw samen te werken met [werknemer] . Voor het geval er geen sprake zou zijn van verwijtbaar handelen door [werknemer] , is er in ieder geval sprake van een verstoorde arbeidsverhouding doordat [werknemer] het vertrouwen van de heer [B.] ernstig heeft geschonden.

Omdat er sprake is van een relatief kleine onderneming is het niet mogelijk om binnen [de vennootschap] een andere passende functie voor [werknemer] te vinden.

[de vennootschap] is geen transitievergoeding aan [werknemer] verschuldigd, omdat er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen dan wel een verstoorde arbeidsverhouding door verwijtbaar handelen van [werknemer] . Voor het geval [werknemer] wel een transitievergoeding toe-komt bedraagt deze € 3.912,33 bruto.

4 Het verweer en de tegenverzoeken

4.1.

[werknemer] voert - verkort weergegeven - het volgende aan.

[werknemer] heeft vele jaren naar volle tevredenheid van [de vennootschap] gefunctioneerd. [werknemer] zat in financieel moeilijke omstandigheden en heeft een schuldbemiddelingstraject gevolgd. Onder deze omstandigheden heeft hij de tankpas van de zaak wel eens gebruikt voor zijn vrouw voor een bedrag van ongeveer € 20,00. [werknemer] realiseert zich achteraf dat hij hiervoor bij [de vennootschap] had moeten aankloppen.

Toen de heer [B.] [werknemer] hiermee had geconfronteerd in april 2018 had [werknemer] meteen spijt betuigd en aangegeven dat hij na het schuldsaneringstraject op zoek zou gaan naar een andere baan. Enkele weken later heeft de heer [B.] [werknemer] uitgenodigd voor een lunch en [werknemer] gevraagd of hij niet toch wilde blijven. [werknemer] is hier uiteindelijk mee akkoord gegaan. Tevens vroeg de heer [B.] of [werknemer] directeur wilde worden van een nog op te richten werkmaatschappij. [werknemer] ontving van de heer [B.] een persoonlijk benzinepas ter waarde van € 500,00, doch deze heeft [werknemer] aan de heer [B.] terug gegeven. De heer [B.] heeft met [werknemer] vervolgens een verbeterd salaris afge-sproken, dat zou ingaan na beëindigen van de schuldsanering.

De houding van de heer [B.] veranderde nadat [werknemer] met hem op 31 mei 2018 een gesprek had gehad over een website van het Moderne Ambacht. Op 6 juli jl. heeft de heer [B.] van de ene op de andere dag aangegeven dat het beter zou zijn voor [werknemer] om op zoek te gaan naar een andere baan.

Na terugkomst van zijn vakantie ontving [werknemer] een beëindigingsvoorstel. Het gebrek aan vertrouwen moet volgens [werknemer] zijn ontstaan in de periode tussen de salarisaanpassing en het ontslagbesluit, maar op basis waarvan is een raadsel voor [werknemer] . Dit terwijl de gang van zaken vanaf de dag dat hij met de heer [B.] had geluncht juist getuigt van vertrouwen in een voortzetting van de arbeidsrelatie tussen beiden. De heer [B.] had na het tankpasincident aangegeven dat hij zich er overheen had gezet en dat hij [werknemer] had vergeven. Voor zover er al sprake zou zijn geweest van verwijtbaar handelen is dit door deze opstelling van kleur verschoten en is hier geen sprake meer van. Er is sprake van een geconstrueerde ontslagreden.

[werknemer] stelt dat de vertrouwensband tussen partijen door toedoen van [de vennootschap] is geschaad. De heer [B.] heeft aan de grote klok gehangen dat [werknemer] in financiële problemen zat, zowel binnen het bedrijf als daarbuiten. Indien de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt stelt [werknemer] , naast een transitievergoeding van € 7.425,00, ook recht te hebben op een billijke vergoeding van 6 maandsalarissen inclusief vakantietoeslag ad € 24.300,00, omdat [de vennootschap] ernstig verwijtbaar heeft gehan-deld.

[werknemer] verzoekt daarnaast de veroordeling van [de vennootschap] tot betaling van het achterstallig loon over de periode mei tot en met augustus 2018 ad € 7.663,98 bruto inclusief vakantietoeslag ad 8%, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en voorzien van een bruto/netto-specificatie, nu partijen met ingang van 1 mei 2018 een hoger brutosalaris van € 3.750,00 per maand zijn overeengekomen. [werknemer] vordert eveneens vanaf september 2018 dit hogere bruto maandsalaris, voorzien van een bruto/netto-specificatie, te vermeerderen met emolumenten, tot de dag waarop de arbeids-overeenkomst tussen partijen is geëindigd. [werknemer] vordert verder de betaling van 720 gewerkte overuren, omdat hij gemiddeld 4 overuren per week heeft gemaakt en [de vennootschap] op grond van de cao verplicht is deze overuren te betalen.

5 De beoordeling in het verzoek van [de vennootschap]

5.1.

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Het onderhavige verzoek houdt geen verband met het bestaan van een opzegverbod wegens ziekte, zoals bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW.

5.2.

[de vennootschap] voert primair aan dat de redelijke grond gelegen is in artikel 7:669 lid 3, sub e (verwijtbaar handelen), zodat van haar niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te laten voortduren.

Uit artikel 7:671b juncto 7:669 lid 1 en lid 3 sub e BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [de vennootschap] stelt dat er sprake is van dergelijk verwijtbaar handelen, omdat [werknemer] vanaf 2015 de tankpas van de zaak zonder haar toestemming heeft gebruikt om de auto van zijn echtgenote mee te tanken. Overwogen wordt dat uit de stellingen van [de vennootschap] blijkt dat zij, ondanks de ontdekking van het privégebruik door [werknemer] van de tankpas van de zaak, toch verder wilde met [werknemer] . De heer Brouwer heeft [werknemer] een tweede kans gegeven. Daarbij is de kwestie afgesloten, zonder een voorbehoud te maken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [B.] ook verklaard dat hij er 100% van overtuigd was dat het vertrouwen in een goede samenwerking met [werknemer] terug zou komen. Er is in de periode na het voorval met de tankpas zelfs een forse salarisverhoging overeengekomen voor [werknemer] . Volgens de heer [B.] hebben zich ook geen nieuwe problemen met [werknemer] voorgedaan, maar kwam het vertrouwen toch niet meer volledig terug. De kantonrechter is van oordeel dat het onder deze omstandigheden - het voorval was uitdrukkelijk en zonder voorbehoud afgesloten en er was zelfs een salarisverhoging overeengekomen - in strijd is met de eisen van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) om alsnog op deze grond om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken. Het op artikel 7:669 lid 3 sub e BW gegronde verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

5.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de naar voren gebrachte feiten en omstandigheden wel een redelijke grond op voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Hierbij is van belang dat [werknemer] ter mondelinge behandeling ook heeft aangegeven dat het vertrouwen weg is en hij zichzelf niet meer bij [de vennootschap] ziet werken, indien de kantonrechter het ontbindingsverzoek zou afwijzen. Gelet op de wederzijds door partijen als verstoord ervaren arbeidsrelatie is de kantonrechter verder van oordeel dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet in de rede ligt. De kantonrechter zal het verzoek tot ontbinding van de arbeids-overeenkomst dan ook toewijzen.

5.4.

De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden tegen 1 november 2018. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst - gelet op de opzegtermijn - bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure en met een minimum van een maand. Het verzoek van [de vennootschap] om geen rekening te houden met de geldende opzegtermijn van twee maanden wordt afgewezen, omdat - zoals hiervóór is overwogen - zij zich er thans niet meer op kan beroepen dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [werknemer] (artikel 7:671b lid 8 sub b BW).

6 De beoordeling in de tegenverzoeken van [werknemer]

Transitievergoeding

6.1.

Nu er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen maakt [werknemer] aanspraak op een transitievergoeding, zoals door hem ook is verzocht. De hoogte van de transitievergoeding hangt mede af van het bruto maandsalaris. Zoals hierna onder 6.3. wordt overwogen bedraagt het bruto maandsalaris van [werknemer] laatstelijk € 3.750,00, zodat [de vennootschap] aan transitievergoeding een bedrag van € 7.425,00 verschuldigd is aan [werknemer] . Dit bedrag zal worden toegewezen.

Billijke vergoeding

6.2.

Het verzoek tot toekennen van een billijke vergoeding aan [werknemer] wordt afgewezen, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [de vennootschap] . De verstoring in de arbeidsverhouding is aangevangen met het voorval met de zakelijke tankpas van [werknemer] . [werknemer] heeft erkend dat hij dit niet had mogen doen en dat hij daarmee laakbaar heeft gehandeld. Hoewel de handelwijze van [de vennootschap] nadien niet consequent is geweest en daarmee ook heeft bijgedragen aan de verstoring van de relatie, kan niet worden geconcludeerd dat [de vennootschap] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

Loonvordering

6.3.

Partijen zijn het er over eens dat zij een hoger salaris van € 3.750,00 bruto per maand zijn overeengekomen. Partijen verschillen echter van mening over de overeengekomen ingangsdatum van deze verhoging. Volgens [werknemer] is de afspraak dat hij salarisverhoging zou krijgen op het moment dat het schuldbemiddelingstraject zou worden beëindigd. Nu het schuldbemiddelingstraject liep tot en met april 2018 is het nieuwe salaris ingegaan per mei 2018, aldus [werknemer] . [de vennootschap] stelt zich op het standpunt dat de salarisverhoging is overeengekomen met ingang van de dag waarop zou worden bevestigd dat het schuldbemiddelingstraject volledig was afgewikkeld, zijnde - volgens haar - op 3 september 2018.

De kantonrechter is van oordeel dat [de vennootschap] het nieuwe salaris dient te betalen met ingang van 4 juli 2018. Uit de brief van mw. [M.] van Kredietbeheer van die datum blijkt dat de looptijd van de schuldbemiddeling weliswaar tot en met april 2018 was, doch dat er nog een hercontrole heeft plaatsgevonden “en dat uw schuldbemiddeling hiermee beëindigd wordt” (productie 6 bij het verweerschrift). Uit het e-mailbericht van de heer [B.] aan [werknemer] van 22 mei 2018 volgt dat [werknemer] het nieuwe contract (en dus het nieuwe salaris) krijgt op het moment dat er een bevestiging is gekomen van de Kredietbank (productie 5 bij het verweerschrift). Deze bevestiging van de Kredietbank is bij brief van 4 juli 2018 aan [werknemer] verstrekt, waarna [werknemer] deze brief aan [de vennootschap] heeft doen toekomen.

Uit de brief van mw. [A.] , medewerker schulddienstverlening Afdeling Mens en Omgeving, van het College van B&W van 25 juli 2018 blijkt ook dat de schuldbemid-deling is beëindigd, doch dat het budgetbeheer eerst wordt beëindigd per 1 september 2018 (productie 11 bij het faxbericht van 31 augustus 2018 van mr. Van Alphen).

Voor zover [de vennootschap] tevens beoogt te betogen dat ook een bevestiging van het budgetbeheer moest worden ontvangen alvorens de salarisverhoging zou ingaan, wordt overwogen dat uit de stukken blijkt het budgetbeheer slechts ter sprake gekomen is ter beantwoording van de vraag op welke bankrekening - die van [werknemer] of die van de Kredietbank - het nieuwe salaris moest worden gestort (zie onder meer de e-mail van [S.] Accounting van 10 april 2018). Voor zover [de vennootschap] zich in dit verband beroept op de e-mail van [S.] Accounting van 24 mei 2018 wordt overwogen dat de bevindingen van de accountant de afspraken tussen partijen onverlet laten en dat bovendien in dat bericht niet over een absolute belemmering wordt gesproken om het salaris met terugwerkende kracht aan te passen.

De kantonrechter wijst een bedrag van € 3.750,00 bruto per maand aan salaris toe met ingang van 4 juli 2018 tot aan heden, onder aftrek van de reeds betaalde bedragen aan salaris over de periode vanaf 4 juli 2018. De verzochte bruto/netto-specificaties zijn eveneens toewijsbaar.

Het verzoek tot veroordeling in de betaling van het salaris vanaf heden wordt afgewezen, omdat dit salaris thans nog niet verschuldigd is en ook nog niet vaststaat dat dit salaris verschuldigd wordt.

Wettelijke rente en wettelijke verhoging

6.4.

Omdat er tussen partijen onduidelijkheid bestond over de exacte ingangsdatum van de salarisverhoging is voor [de vennootschap] eerst vandaag duidelijk geworden dat zij dit salaris vanaf 4 juli 2018 verschuldigd is, zodat de kantonrechter de wettelijke rente en wettelijke verhoging tot heden afwijst en vanaf heden toewijst.

Bruto/netto-specificaties

6.5.

Het verzoek tot het verstrekken van bruto/netto-specificaties over de maanden juli en augustus 2018 is toewijsbaar.

Uitbetaling overuren

6.6.

Ten aanzien van het verzoek tot betaling van 720 overuren overweegt de kantonrechter als volgt. [werknemer] stelt hij gemiddeld 4 overuren per week heeft gewerkt. [werknemer] verzoekt tot betaling van de overuren die gemaakt zijn op dinsdag en vrijdag over de jaren 2014 tot en met 2018. Volgens [werknemer] diende hij die dagen tot 12.30 uur te werken, doch werkte hij feitelijk tot 14.30 uur op kantoor. [werknemer] heeft een overzicht overgelegd van het aantal uren dat hij in 2017 en 2018 heeft overgewerkt. Daarnaast heeft hij een e-mailbericht overgelegd van 21 juli 2017, waaruit volgens hem blijkt dat hij langer dan de overeengekomen werktijd heeft gewerkt. [de vennootschap] heeft gemotiveerd betwist dat [werknemer] deze overuren heeft gemaakt en zij stelt dat er door haar ook niet is gevraagd aan [werknemer] om overuren te maken, zodat er geen sprake is van verplicht overwerk. [de vennootschap] stelt zich daarnaast op het standpunt dat [werknemer] ruimschoots voor eventueel gemaakte overuren is gecompenseerd.

Nog los van de vraag of [werknemer] recht heeft op betaling van de door hem gestelde overuren, is de kantonrechter van oordeel dat [werknemer] dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. [werknemer] heeft overzichten overgelegd over 2017 en 2018, doch deze zien niet op een totaal van 720 overuren. Daarnaast blijkt uit het overgelegde (onleesbare) e-mailbericht niet dat [werknemer] ook daadwerkelijk de gestelde uren heeft overgewerkt. Een dergelijk e-mailbericht kan volgens [de vennootschap] ook thuis vanuit de laptop door [werknemer] zijn verstuurd. [werknemer] heeft geen andere stukken overgelegd waaruit voldoende vast is komen te staan dat hij de betreffende overuren heeft gemaakt. [werknemer] heeft onvoldoende aangedragen om tot bewijslevering over te gaan. Het verzoek tot betaling van 720 overuren wordt dan ook afgewezen.

7 In het verzoek van [de vennootschap] en in de tegenverzoeken van [werknemer]

7.1.

Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.2.

De kantonrechter zal [de vennootschap] op grond van artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid stellen haar verzoek in te trekken binnen veertien dagen na heden.

8 De beslissing

De kantonrechter:

als [de vennootschap] haar verzoek niet binnen veertien dagen na heden intrekt :

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2018;

veroordeelt [de vennootschap] tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding van € 7.425,00 bruto;

veroordeelt [de vennootschap] tot betaling van het bruto maandsalaris van € 3.750,00 vermeerderd met de vakantietoeslag vanaf 4 juli 2018 tot heden, onder verstrekking van bruto/netto-specificaties, onder aftrek van de reeds door [de vennootschap] betaalde bedragen aan salaris over de periode vanaf 4 juli 2018 tot heden en te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging vanaf heden tot aan de dag der voldoening;

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

als [de vennootschap] haar verzoek binnen veertien dagen na heden intrekt :

veroordeelt [de vennootschap] tot betaling van het bruto maandsalaris van € 3.750,00 vermeerderd met de vakantietoeslag vanaf 4 juli 2018 tot heden, onder verstrekking van bruto/netto-specificaties, onder aftrek van de reeds door [de vennootschap] betaalde bedragen aan salaris over de periode vanaf 4 juli 2018 tot heden en te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging vanaf heden tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [de vennootschap] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [werknemer] tot op heden begroot op € 400,00 salaris gemachtigde;

verklaart deze beschikking, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voor-raad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. J.J. Janssen, kantonrechter, en op 17 september

2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.