Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4787

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
18_28
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling op grond van de Wajong 2015. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiseres over arbeidsvermogen beschikt, zodat vanaf 1 januari 2018 de hoogte van de Wajong-uitkering wordt aangepast naar 70% van het minimumloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/28

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Akdeniz),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. C.L. Schuren).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2017 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres arbeidsvermogen heeft en dat haar uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

Bij besluit van 22 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres, geboren op [geboortedag] 1974, is met ingang van 10 januari 1992 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij de inwerkingtreding van de Wajong is deze uitkering omgezet naar een Wajong-uitkering.

2. In het kader van de Wajong, zoals die is gewijzigd per 1 januari 2015 met de invoering van de Participatiewet, is het arbeidsvermogen van eiseres beoordeeld. Deze beoordeling heeft geleid tot het primaire besluit.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat eiseres arbeidsvermogen heeft, zodat vanaf 1 januari 2018 de hoogte van de Wajong-uitkering wordt aangepast naar 70% van het (wettelijk) minimumloon.

4. Eiseres is het niet eens met het besluit. Zij stelt zich op het standpunt dat zij vanwege chronische pijnklachten aan haar gewrichten niet in staat is om vier uur per dag, dan wel één uur aaneengesloten, te werken. De verzekeringsarts heeft zijn oordeel gebaseerd op het feit dat eiseres thuis weleens kookt en de was sorteert en vouwt. Deze werkzaamheden gaan volgens eiseres echter gepaard met veel pijnklachten en eiseres is bovendien niet in staat om deze werkzaamheden volledig uit te voeren. Vanwege haar heupklachten kan eiseres niet normaal zitten. Zij moet schuin zitten om te voorkomen dat de pijnklachten erger worden. Eiseres kan niet lang staan, lopen of zitten en daarom moet zij vaak liggen. De pijnmedicatie die eiseres gebruikt, zorgt voor een verminderde concentratie. Verder stelt eiseres dat bij haar geen basale werknemersvaardigheden kunnen worden verondersteld en dat zij niet in staat is om de voor haar geselecteerde taak te verrichten.

5. Het wettelijk kader luidt als volgt.

6. Ingevolge artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong, zoals deze wet luidt met ingang van

1. januari 2015, stelt verweerder vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a van de Wajong, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet.

7. In artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt.

8. In artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Participatiewet is bepaald dat in artikel 3:8, eerste lid, ‘75%’ wordt vervangen door: ‘70%’. Artikel III, onder N, van de Invoeringswet Participatiewet treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.

9. Ingevolge artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong bedraagt in afwijking van artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong, de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, 75% van de grondslag, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

10. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt onder duurzaam verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. In het derde lid is bepaald dat de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, geacht wordt op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot participatie te hebben.

11. In artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) is bepaald dat betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong heeft indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

12. Verweerder heeft ten behoeve van de beoordeling van het arbeidsvermogen de methode sociaal-medische beoordeling van arbeidsvermogen (SMBA) ontwikkeld, waarmee het arbeidsvermogen van de betrokkene kan worden geanalyseerd. Voor het toepassen van de methode SMBA heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium) vastgesteld. In het Compendium is de toelichting op de vier in artikel 1a, aanhef en eerste lid, van het Schattingsbesluit genoemde voorwaarden en de wijze waarop verweerder deze voorwaarden toetst, in aparte hoofdstukken uitgewerkt.

13. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraken van 5 april 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1018) en van 28 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1953), geoordeeld dat aan verweerder niet de mogelijkheid kan worden ontzegd ter uitvoering van zijn wettelijke taak een ondersteunend systeem en methode vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. Het is vervolgens aan de bestuursrechter de vraag te beantwoorden of verweerder met toepassing van de methode SMBA, de daarbij ondersteunende systemen en de in het Compendium opgenomen werkinstructie in de voorliggende zaak voldoende invulling heeft gegeven aan artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of de gehanteerde werkwijze heeft gevoerd tot een resultaat dat de toetsing aan de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb kan doorstaan.

14. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

15. De rechtbank acht verweerders onderzoek voldoende zorgvuldig. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en informatie opgevraagd bij de huisarts. De brief van de huisarts van 21 februari 2017 is bij de beoordeling betrokken. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B) eveneens het dossier bestudeerd en de hoorzitting bijgewoond. Ook heeft de verzekeringsarts B&B kennis genomen van de door eiseres overgelegde journaalregels van de huisarts over de periode van 18 mei 2017 tot en met 31 oktober 2017 en het verslag van de radioloog van 6 juli 2017.

De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de verzekeringsarts B&B aanvullend onderzoek had moeten verrichten. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat zijn rapport inconsistenties bevat of dat dit onvoldoende is gemotiveerd.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de voor eiseres vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 16 maart 2017 en 8 november 2017. Verweerder is ermee bekend dat bij eiseres sprake is van lichamelijke klachten als gevolg van een aangeboren heupafwijking, gewrichtsklachten, klachten aan de rechterhand en -arm en duizeligheidsklachten. De verzekeringsarts B&B heeft voldoende inzichtelijk uiteengezet welke (te objectiveren) beperkingen hieruit voortvloeien. Vanwege chronische pijnklachten bij de heup en lichte problemen van de rechtervoet en -knie is eiseres beperkt geacht ten aanzien van langdurig lopen en staan (maximaal 15 minuten aaneengesloten). De duur van aaneengesloten zitten is door de bestaande afwijkingen niet ingeperkt, maar eiseres moet wel de mogelijkheid hebben om te kunnen verzitten en kort te vertreden. Daarbij heeft de verzekeringsarts B&B toegelicht dat eiseres weliswaar stelt dat sprake is van artrose, maar dat uit de medische informatie (scintigrafie) volgt dat sprake is van enkele geringe, waarschijnlijk degeneratieve, veranderingen van de rechtervoetwortel, de rechterknie en de ac-gewrichten. Verder heeft de verzekeringsarts B&B eiseres beperkt geacht ten aanzien van het tillen van zware voorwerpen en kan zij vanwege duizeligheidsklachten niet op gevaarlijke plaatsen werken.

17. Naar aanleiding van het ingediende beroep is de verzekeringsarts B&B in een aanvullend rapport van 19 april 2018 nader ingegaan op de klachten die eiseres ondervindt als gevolg van fibromyalgie en een carpaal tunnelsyndroom. De verzekeringsarts B&B heeft toegelicht dat bij fibromyalgie beperkingen worden aangenomen voor zwaar fysiek werk. Aangezien eiseres al beperkt is geacht voor zwaar fysiek werk in verband met haar heupaandoening, leidt de fibromyalgie niet tot het aannemen van zwaardere beperkingen dan al werden aangenomen. Ten aanzien van de klachten aan de rechterhand en -arm heeft de verzekeringsarts B&B opgemerkt dat uit de informatie van de huisarts niet naar voren komt dat sinds 2008 nog sprake is van het carpaal tunnelsyndroom. Uit het dagverhaal, waarin activiteiten worden genoemd als aankleden, stofzuigen, ramen lappen en eten koken (wel ook met hulp en verdeeld over de dagen) blijkt dat eiseres haar handen kan gebruiken. Wel heeft eiseres nog pijn in enkele kleine vingergewrichten, zodat zij ook voor wat betreft de handen is aangewezen op niet te zwaar fysiek werk. Dit leidt volgens de verzekeringsarts B&B echter niet tot het aannemen van meer beperkingen dan al waren aangenomen. De rechtbank heeft geen reden aan deze conclusies te twijfelen. Daarbij acht zij van belang dat door eiseres geen nieuwe medische informatie naar voren is gebracht die haar stellingen kan onderbouwen.

De criteria onder c en d van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit

18. Ten aanzien van de vraag of het voor eiseres niet mogelijk is ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn en ten minste één uur per dag aaneengesloten te werken overweegt de rechtbank als volgt.

19. De verzekeringsarts B&B heeft geconcludeerd dat het voor eiseres medisch gezien mogelijk is om ten minste een uur per dag aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn. Daarbij heeft hij benadrukt dat het werk in fysiek opzicht niet te zwaar mag zijn en in hoofdzaak zittend moet kunnen worden uitgevoerd en dat bovendien rekening gehouden moet worden met het feit dat eiseres met een kruk loopt.

20. De rechtbank heeft geen reden om aan de conclusie van de verzekeringsarts B&B te twijfelen. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij op energetisch gebied (meer) beperkt is.

21. De rechtbank concludeert dat eiseres voldoet aan de criteria onder c en d van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit.

Het criterium onder b van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit

22. Ten aanzien van de vraag of eiseres beschikt over basale werknemersvaardigheden overweegt de rechtbank als volgt.

23. Of iemand over basale werknemersvaardigheden beschikt, beoordeelt verweerder aan de hand van zijn beleid dat is neergelegd in het hiervoor genoemde Compendium. Gelet op dit beleid worden onder basale werknemersvaardigheden verstaan: het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies van de werkgever en het nakomen van afspraken.

24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres niet beschikt over deze vaardigheden. Eiseres heeft aangegeven dat zij moeite heeft om afspraken te onthouden. Als ze geen agenda zou gebruiken, zouden veel afspraken vergeten worden. De verzekeringsarts B&B heeft geconstateerd dat tijdens de hoorzitting niet is gebleken van concentratie- of geheugenstoornissen. Dat past volgens deze arts ook niet bij de gebruikte medicatie en de duur van het gebruik. De verzekeringsarts B&B acht eiseres in staat tot doelmatig en zelfstandig handelen, het nemen van initiatief en het doorgaan tot een doel bereikt is. De arbeidsdeskundige B&B komt op grond van de standpunten van de verzekeringsarts B&B tot de conclusie dat eiseres beschikt over basale werknemersvaardigheden. Hij wijst erop dat de verzekeringsarts B&B in het rapport van 8 november 2017 heeft geoordeeld dat geen sprake is van cognitief disfunctioneren. Eiseres heeft voorts zelfstandig voor haar gezin en haar huishouden gezorgd en is actief betrokken geweest bij activiteiten op de school van haar kinderen. Daarmee heeft zij, volgens de arbeidsdeskundige B&B, laten zien dat zij instructies kan begrijpen, onthouden en uitvoeren en afspraken kan nakomen.

25. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om de standpunten van de verzekeringsarts B&B en de arbeidsdeskundige B&B voor onjuist te houden.

Het criterium onder a van artikel 1a, eerste lid van het Schattingsbesluit

26. Met betrekking tot de vraag of het voor eiseres mogelijk is een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie overweegt de rechtbank als volgt.

27. Om te voldoen aan het criterium onder a, is het voldoende dat verweerder één taak weet aan te wijzen die eiseres kan uitvoeren. De arbeidsdeskundige B&B acht eiseres in staat de taak ‘sorteren van post’ (1501) te verrichten. Het gaat om fysiek licht werk. Het is overwegend zittend werk waarbij voldoende gelegenheid is om even te staan of te lopen.

28. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige B&B op inzichtelijke en afdoende wijze onderbouwd dat eiseres, met inachtneming van haar beperkingen, in staat is deze taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden eiseres voor deze taak niet geschikt te achten. Dat eiseres elk half uur even moet kunnen gaan liggen, is op geen enkele wijze (medisch) onderbouwd.

29. Uit voorgaande overwegingen volgt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres over arbeidsvermogen beschikt. Dat betekent dat de Wajong-uitkering van eiseres per 1 januari 2018 wordt aangepast naar 70% van het (wettelijk) minimumloon.

30. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, voorzitter, en mr. L. Soeteman en mr. L.J.M. Timmermans, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Meulemans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.