Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4728

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
01/994001-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van gelden die hij als bestuurslid van vier ANBI-stichtingen onder zich had en aan medeplegen van valsheid in geschrift.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op. Tevens wordt verdachte ontzet uit het recht om het beroep van bestuurder van stichtingen uit te oefenen voor de duur die de hoofdstraf met 2 jaar te boven gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/994001-16

Datum uitspraak: 28 september 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1949] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juni 2017, 5 december 2017, 29 augustus 2018, 30 augustus 2018 en 14 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 februari 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 7 maart 2008

tot en met 26 november 2013, althans op een of meer tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode vanaf de maand maart 2008 tot en met de maand november

2013 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Oosterhout en/of 's-Hertogenbosch,

althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk

= (een gedeelte van) een of meer (girale/giraal) bedrag(en) aan geld tot een

totaal bedrag van EURO 742.303,20 of daaromtrent, althans tot een totaalbedrag van EURO 708.908,23 of daaromtrent, althans een of meer

(girale/giraal) bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [stichting 1] (DOC-270 en AMB-0047, pagina 4) en/of

= (een gedeelte van) een of meer (girale/giraal) bedrag(en) aan geld tot een

totaal bedrag van EURO 587.369,78 of daaromtrent, althans tot een totaalbedrag van EURO 510.805,82 of daaromtrent, althans een of meer

(girale/giraal) bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [stichting 2] (DOC-0271 en AMB-0047, pagina 4) en/of

= (een gedeelte van) een of meer (girale/giraal) bedrag(en) aan geld tot een

totaal bedrag van EURO 765.650,15 of daaromtrent, althans tot een totaalbedrag van EURO 699.323,66 of daaromtrent, althans een of meer

(girale/giraal) bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [stichting 3] (DOC-0272 en AMB-0047, pagina 4) en/of

= (een gedeelte van) een of meer (girale/giraal) bedrag(en) aan geld tot een

totaal bedrag van EURO 135.140,51 of daaromtrent, althans tot een totaalbedrag van EURO 122.086,76 of daaromtrent, althans een of meer

(girale/giraal) bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [stichting 4] (DOC-0273 en AMB-0047, pagina 4),

in elk geval (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan een ander of

anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn medeverdachte(n),

welk(e) (girale/giraal) bedrag(en) aan geld hij, verdachte, (telkens) anders dan door misdrijf, te weten (telkens) als secretaris en/of penningmeester, althans als bestuurslid van die stichting(en), onder zich had, (telkens)

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand

januari 2008 tot en met de maand oktober 2012 in de gemeente

's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen,

5, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens)

afkomstig van [bedrijf verdachte] en gericht aan [stichting 5]

(DOC-0079 2/3, DOC-0089 2/3, DOC-0097 2/3, DOC-0106 2/3, DOC-0113

2/3) en/of 5, althans een of meer (aan die factu(u)(ren) ten grondslag

liggende) urenverantwoording(en) (DOC-0079b,DOC-0089b, DOC-0097b, DOC-0106b, DOC-0113b) en/of

5, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens)

afkomstig van [bedrijf verdachte] en gericht aan [stichting 3] (DOC-0081

2/3, DOC-0093 2/3, DOC-0102 2/3, DOC-0104 2/3, DOC-0114 2/3) en/of 2, althans

een (aan de factu(u)r(en) DOC-0081 2/3 en/of DOC-104 2/3 ten grondslag

liggende) urenverantwoording(en) (DOC-0081b en DOC-0104b) en/of

4, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens)

afkomstig van [bedrijf verdachte] en gericht aan [stichting 2]

(DOC-0083 2/3, DOC-0092 2/3, DOC-0095 2/3, DOC-0108 2/3) en/of 4, althans een

of meer (aan die factu(u)(ren) ten grondslag liggende) urenverantwoording(en)

(DOC-0083b, DOC-0092b, DOC-0095b, DOC-0108b) en/of

4, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens)

afkomstig van [bedrijf verdachte] en gericht aan [stichting 1] (DOC-0085

2/3, DOC-0087 2/3, DOC-0100 2/3, DOC-0110 2/3) en/of 4, althans een of meer

(aan die factu(u)(ren) ten grondslag liggende) urenverantwoording(en)

(DOC-0085b, DOC-0087b, DOC-0100b, DOC-0110b),

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs

van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, althans heeft

vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn

medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de

waarheid -zakelijk weergegeven-

= in die factu(u)r(en) voornoemd (telkens) (een) hoger(e) honorarium/honoraria

vermeld, althans doen of laten vermelden dan waarop [bedrijf verdachte] ,

althans hij, verdachte in werkelijkheid recht had(den) en/of

= in die (aan die factu(u)r(en) voornoemd ten grondslag liggende)

urenverantwoording(en) voornoemd (telkens) meer uren vermeld en/of gedeclareerd, althans doen of laten vermelden en/of declareren dan in werkelijkheid door [bedrijf verdachte] , althans door hem, verdachte, werd(en) gemaakt en/of te declareren uren en/of vergoeding(en) vermeld, althans doen of laten vermelden, die in werkelijkheid niet aan de Stichting(en) voornoemd in rekening gebracht had(den) mogen worden, althans niet in rekening gebracht had(den) mogen worden tegen de/het gehanteerde tarief/tarieven en/of

= de te hoge tarieven en/of de teveel gedeclareerde uren (telkens) in die

factu(u)r(en) en/of in die (aan die factu(u)r(en) voornoemd ten grondslag

liggende) urenverantwoording(en) (telkens) versluierd, althans doen of laten

versluieren, door het weglaten, althans doen of laten weglaten van een

omschrijving van de werkzaamheden in die factu(u)r(en) en/of door het

hanteren, althans doen of laten hanteren van (een) vage omschrijving(en) in

die (aan die factu(u)r(en) voornoemd ten grondslag liggende)

urenverantwoording(en) en/of

= in die factu(u)r(en) voornoemd (telkens) de algemene en/of onduidelijke en/of vage termen: "voor verrichte werkzaamheden" over een bepaalde periode vermeld, althans doen of laten vermelden, waardoor werd verhuld en/of versluierd welke soort werkzaamheden en/of hoeveel werkzaamheden het betrof en/of tegen welk tarief de werkzaamheden werden verricht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Geldigheid dagvaarding.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat onduidelijk is wat verdachte onder feit 2 wordt verweten zodat de tenlastelegging op dat punt nietig is. In de tenlastelegging is niet omschreven waaruit de valsheid bestaat.

De rechtbank verwerpt dit verweer. In de tenlastegelegde periode heeft [bedrijf verdachte] 75 facturen gestuurd aan de stichtingen. Van deze 75 facturen staan 18 facturen op de tenlastelegging. De valsheid van de facturen is blijkens de tenlastelegging, gelezen in samenhang met het dossier, gelegen in het feit dat uit de facturen niet is op te maken op welke werkzaamheden de facturen zien. Het gaat om vaagheid van de vermelde werkzaamheden op de facturen, versluiering van het hoge honorarium en het ophogen van facturen. Tevens gaat het om de beschuldiging dat de telkens aan de desbetreffende factuur ten grondslag liggende urenverantwoording in strijd met de werkelijkheid, onjuist en/of vaag en versluierd zijn opgemaakt.

De raadsvrouw heeft een uitgebreid inhoudelijk verweer gevoerd waaruit zondermeer valt af te leiden dat de tenlastelegging voor de verdediging voldoende duidelijk was.

De bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging.

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Bronnen.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de volgende processtukken:

-het eindproces-verbaal met codenaam [onderzoeksnaam] van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Eindhoven, met dossiernummer: 52345 van 1 december 2015, met bijlagen;

-de stukken van de rechter-commissaris;

-het aanvullend proces-verbaal AMB 0047 met bijlagen 190116,

-de processen-verbaal AMB 0033a en 0034a en BOB 9;

-de processen-verbaal AMB 0049-0051 en 0052 met bijlagen, VOR 10-14 en

doc 0277-0283; en

-de op verzoek van de raadsvrouw toegevoegde stukken.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Het standpunt officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

feit 1

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van verduistering van geld van de stichtingen dat verdachte als secretaris/penningmeester onder zich had. Het gaat om de door [bedrijf verdachte] gefactureerde bedragen in de periode 7 maart 2008 tot 26 november 2013.

feit 2

De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van valsheid in geschrift van de facturen en urenverantwoordingen. Het verwijt houdt in dat de gefactureerde bedragen uitzonderlijk hoog zouden zijn binnen de goede doelenwereld, de facturen zouden te ongespecificeerd zijn. Deze kenmerken van de facturen en de mogelijkheid dat tegen het daarin gehanteerde tarief en ongespecificeerd volgens de ANBI regelgeving niet gedeclareerd mocht worden, maakt die declaraties nog niet vals. De uren zijn wel degelijk door verdachte ten behoeve van de stichtingen gemaakt; sterker nog: verdachte heeft meer uren gemaakt dan dat hij gedeclareerd heeft. Uit dit laatste volgt ook de weerlegging van de beschuldiging dat de declaraties voor met name de [stichting 5] uren zouden bevatten die niet gemaakt zouden zijn. Verdachte maakte voor de [stichting 4] uren minimaal ter waarde van € 5.000,- per kwartaal en dat declareerde hij dan ook. Dat zijn urenverantwoording daarmee niet correspondeerde komt slechts omdat verdachte een globaal vast bedrag had afgesproken met deze stichting.

De verdediging heeft voorts ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat sprake is van een dubbele vervolging nu zowel [bedrijf verdachte] , zijnde de eenmans-BV van verdachte, alsook [verdachte] in persoon als verdachte zijn aangemerkt voor dit feit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht gelet op de bewijsmiddelen opgenomen in de bijlage bewezen dat verdachte als secretaris/penningmeester van de stichtingen zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van geldbedragen van de vier stichtingen (feit 1). Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte facturen en de aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen valselijk heeft opgemaakt (feit 2). Deze conclusies zijn gebaseerd op het navolgende.

bewijsoverwegingen

Uit het dossier blijkt het volgende:

Verdachte is door [medeverdachte] eind 1997 gevraagd om als secretaris/penningmeester te komen werken bij de [stichting 1] en [stichting 2] . Later werd hij ook secretaris/penningmeester van de nieuw opgerichte [stichting 3] en [stichting 5] . [medeverdachte] , werkzaam als partner bij [bedrijf 6] , was voorzitter van deze vier stichtingen.

In september 2000 heeft verdachte [bedrijf verdachte] opgericht (hierna: [bedrijf verdachte] ). De vier stichtingen waren de enige klanten.

De uren die verdachte werkte bij deze stichtingen werden door [bedrijf verdachte] gedeclareerd. Verdachte mocht van [medeverdachte] zijn werk tegen commercieel tarief declareren.

In de periode van januari 2008 tot en met oktober 2012 werden door [bedrijf verdachte] 75 facturen gedeclareerd aan de stichtingen met een totaalbedrag van € 2.041.128. Op de facturen staat steeds een algemene omschrijving “voor verrichte werkzaamheden”. Verdachte maakte deze facturen op. In de administratie van [bedrijf verdachte] was wel een urenverantwoording, echter deze diende enkel en alleen om de facturen op te maken. Deze urenverantwoordingen waren niet gespecificeerd.

Als secretaris/penningmeester controleerde verdachte de projecten van de stichtingen. Hij controleerde echter niet de door [bedrijf 6] opgemaakte facturen voor de door [medeverdachte] ten behoeve van de stichtingen gemaakte uren. Verdachte heeft daarover verklaard: “controle zou de onderlinge chemie beschadigen”. Ook de facturen van verdachtes eigen eenmans-BV werden niet gecontroleerd. De hoogste kostenposten van de stichtingen, te weten de facturen van [bedrijf 6] en van [bedrijf verdachte] , werden derhalve niet gecontroleerd.

De rechtbank zal eerst feit 2 bespreken, en daarna feit 1.

feit 2

Uit de urenverantwoordingen van verdachte in de periode 2008 tot en met 2012 valt niet op te maken wat voor werkzaamheden verdachte heeft verricht. In de urenverantwoording zijn vage omschrijvingen gebruikt. Door deze vage omschrijvingen is niet te controleren of hij die uren wel voor de (betreffende) stichting heeft gewerkt en ook niet onder welke noemer die gewerkte uren vielen of zouden behoren te vallen.

Uit de facturen, opgemaakt aan de hand van de vage urenverantwoordingen, is dit evenmin af te leiden, nu daarop enkel werd vermeld “voor onze werkzaamheden in de periode”, en soortgelijke omschrijvingen.

De facturen hebben een bewijsbestemming. Het totaal van de gefactureerde bedragen vormt de omzet, en aldus zijn de facturen de bron daarvoor. De urenverantwoording heeft een bewijsbestemming als bron voor de facturen.

Verdachte heeft de urenverantwoordingen en de aan de hand daarvan opgemaakte facturen in deze vorm opgemaakt dan wel onder zijn verantwoordelijkheid en met zijn goedkeuring doen opmaken, en ze daarmee opzettelijk vaag gehouden. Hij heeft daarover verklaard dat er nooit een specificatie met de facturen werd meegezonden naar de stichtingen. Er was volgens hem geen noodzaak voor een gespecificeerde vastlegging, er was vanuit de stichtingen ook nooit naar gevraagd.

Verdachte had er belang bij dat de facturen en urenverantwoording geen duidelijkheid verschaften. Door deze vage omschrijving werd verhuld welke werkzaamheden werden verricht, of die werkzaamheden wel gedeclareerd mochten worden en of het door [bedrijf verdachte] voor de gestelde werkzaamheden gehanteerde tarief passend was. Er was derhalve geen controle mogelijk over de uren:

- De belastingdienst kon niet controleren of werd voldaan aan de voorwaarden van de ANBI-status van de stichtingen.

- De stichtingen konden niet controleren of de uren daadwerkelijk waren besteed aan de stichtingen en evenmin waaraan deze concreet waren besteed.

De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat is verklaard dat in verband met de tussen verdachte en de voorzitter van de stichtingen, [medeverdachte] , geldende vertrouwensband de facturen niet werden gecontroleerd.

Artikel 41a lid 1 sub 1 van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 vermeldt dat

“de betreffende ANBI-voorwaarde inhoudt dat de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat daaruit duidelijk blijkt van de aard en de omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de instelling, dat het beleid bepaalt, toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden.”

De toelichting van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001vermeldt:

“Het doel van de regeling moet echter altijd in het oog worden gehouden: het waarborgen dat de door de instelling bijeengebrachte middelen daadwerkelijk en controleerbaar ten behoeve van de -het algemeen nut betreffende- doelstelling worden ingezet”.

Valselijk opmaken in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

De Hoge Raad heeft in het arrest ECLI:NL:HR:2008:BB6354 het navolgende beslist:

“Uit deze bewijsmiddelen volgt dat [bedrijf A] wat betreft de aan de daarin genoemde afnemers geleverde producten op de in verband daarmee opgemaakte facturen verhulde wat in werkelijkheid werd geleverd, zulks door in plaats van de naam van de geleverde producten een algemene omschrijving daarvan op die facturen te vermelden, terwijl de verdachte daaraan feitelijk leiding gaf. Nu, naar uit de bewijsmiddelen moet worden afgeleid, dit verhullen geschiedde met het opzet om de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving inzake de diergeneesmiddelenvoorziening te ontgaan, moet dit verhullen in een geval als het onderhavige, gelet op de in deze wetgeving neergelegde regels over registratie en controle van diergeneesmiddelen, worden aangemerkt als het valselijk opmaken in de zin van art. 225 Sr.”

Ten aanzien van de facturen van [bedrijf verdachte] aan de stichtingen:

Op de facturen is steeds vermeld “voor onze werkzaamheden in de periode”.

Door deze vage omschrijving werd verhuld welke werkzaamheden werden verricht. Ook op de aan de facturen ten grondslag liggende urenverantwoording is niet omschreven welke werkzaamheden werden verricht.

Nu dit verhullen geschiedde met het opzet om de toepassing van de ANBI-regelgeving te ontgaan moet dit verhullen in een geval als het onderhavige, gelet op de in deze wetgeving neergelegde regels over registratie en controle, worden aangemerkt als het valselijk opmaken in de zin van art. 225 Sr.

Verdachte heeft derhalve de facturen valselijk opgemaakt.

Het verweer van de raadsvrouw inhoudende dat de facturen niet valselijk zijn opgemaakt door het enkele gegeven dat de omschrijvingen op de facturen summier zijn, wordt door de rechtbank dan ook verworpen.

Ten aanzien van de facturen die zijn opgemaakt voor de [stichting 4] heeft verdachte verklaard dat hij deze ophoogde tot een bedrag van € 5.000,= per kwartaal in de gevallen dat de door hem geschreven uren tot een lager bedrag zouden leiden.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat naast de vaagheid van de facturen deze facturen ook inhoudelijk vals zijn, nu aan een deel van de gedeclareerde uren geen geboekstaafde werkzaamheden ten grondslag liggen. Waar verdachte de functie van secretaris/ penningmeester vervulde binnen de stichtingen en daarmee bij uitstek op dit gebied zijn verantwoordelijkheden had, houdt de rechtbank het ervoor dat tegenover de aldus opgehoogde facturen geen (declarabele) werkzaamheden zijn verricht. De stelling van verdachte dat hij hierover met anderen, waaronder [medeverdachte] , afspraken had gemaakt maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat zo’n afspraak de valsheid van het in rekening brengen van niet gewerkte, althans kennelijk niet declarabel gewerkte, uren niet opheft, wordt het bestaan van dergelijke afspraken niet bevestigd door enige vastlegging hiervan noch door enig ander bewijsmiddel in het dossier en zijn deze ook overigens niet aannemelijk geworden. De rechtbank wijst dit verweer daarom af.

Medeplegen:

Heeft verdachte feit 2 tezamen en in vereniging met [bedrijf verdachte] gepleegd?

De rechtbank meent dat hiervan geen sprake is en overweegt hiertoe het volgende.

[bedrijf verdachte] is een eenmans-BV. Verdachte is daarin directeur- enig aandeelhouder en enig werknemer. De natuurlijke persoon [verdachte] is juridisch te onderscheiden van zijn BV. In beginsel zou [verdachte] in persoon bewust en nauw kunnen samenwerken met zijn BV. Nu het hier evenwel een eenmans-BV is zou dit feitelijk inhouden dat hij in persoon bewust en nauw samenwerkt met zichzelf, zij het in een andere hoedanigheid. Aangezien alle handelingen in verband met het ten laste gelegde van zowel [verdachte] in persoon als van [verdachte] werkzaam ten behoeve van de BV feitelijk geheel samenvallen, kan naar het oordeel van de rechtbank in zo’n constellatie geen sprake zijn van een bewuste en nauwe samenwerking als hier aan de orde, en daarmee van het medeplegen tussen die twee.

Dit laat onverlet, dat in beginsel zowel [verdachte] als [bedrijf verdachte] als eigenstandige entiteit met een eigen strafrechtelijke aansprakelijkheid, als daders kunnen worden geduid.

Dubbele vervolging?

Ten aanzien van het verweer van dubbele vervolging nu naast verdachte ook de rechtspersoon als verdachte is aangemerkt overweegt de rechtbank het volgende:

De rechtbank geeft zich er rekenschap van dat met de simultane vervolging van de directeur/enig aandeelhouder van een éénpersoonsvennootschap en die rechtspersoon zelf, sprake is van een gecumuleerde vervolging, welke – ofschoon wettelijk toegelaten – toch onredelijk kan zijn, nu dit ertoe kan leiden dat de directeur/ enig aandeelhouder feitelijk twee maal in zijn vermogen wordt getroffen.

De rechtbank komt in het voorliggende geval niet tot het oordeel dat officier van justitie op dit punt niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de vervolging van [verdachte] .

De rechtbank zal wel om voornoemde reden extra behoedzaamheid betrachten bij het oordeel omtrent een passende straftoemeting.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit het voorbereidend onderzoek is naar voren gekomen dat [verdachte] de ten laste gelegde en bewezen verklaarde gedragingen van de rechtspersoon daadwerkelijk bewust heeft bevorderd, en dat de rechtspersoon is opgericht teneinde daarin uitbetalingen van de frauduleuze declaraties te laten vallen.

feit 1

Onder feit 1 wordt verdachte verweten dat hij als lid van het bestuur van de stichtingen beslissingen heeft genomen over de besteding van het geld van de stichtingen en goedkeuring heeft gegeven aan de facturen waardoor werd betaald voor activiteiten die niet betaald hadden mogen worden. Verdachte heeft de aldus verkregen gelden wederrechtelijk ontvangen.

Verdachte had als secretaris/penningmeester rechtmatig toegang tot het geld van de stichtingen.

Er vond geen controle plaats op de uitgaven van de stichtingen.

Door de vage facturen en de daaraan ten grondslag liggende urenverantwoording kon niet worden gecontroleerd welke werkzaamheden waren verricht voor de stichtingen, en evenmin op welke (voorgenomen) bestedingen deze kosten betrekking hadden. Er vond geen feitelijke controle plaats op de uitgaven van de bestuursleden vanwege hun onderlinge vertrouwensband.

Er werd ook niet gecontroleerd of sprake was van een redelijke verhouding tussen de kosten van de stichtingen en de bestedingen, terwijl dit een uitermate belangrijk gegeven is voor het behoud van de ANBI-status, gelet op de ANBI-regelgeving.

Vast staat dat, zowel bezien per jaar afzonderlijk als ook over de jaren bijeengenomen (zeer) hoge kosten zijn gemaakt, gerelateerd aan de bestedingen.

De rechtbank volgt niet het standpunt van de verdediging dat niet kan worden geconcludeerd dat deze kosten dermate hoog waren dat van een redelijke verhouding geen sprake was.

Voor zover de verdediging hiermee beoogt te stellen dat door meerjarenplannen de kosten betrekking kunnen hebben op toekomstige bestedingen merkt de rechtbank op dat – nog los van het feit dat die toerekening niet kan worden vastgesteld en gecontroleerd door het ontbreken van voldoende vastleggingen daarvan – uit de tot het dossier behorende beleidsplannen – voor zover al aanwezig - niet kan worden afgeleid op welke toekomstige bestedingen deze kosten dan betrekking hebben gehad en in welke mate, terwijl zulks evenmin kan worden ontwaard in de urenverantwoordingen.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van verduistering voor zover de gedeclareerde bedragen uitgaan boven hetgeen als een passende beloning voor de door verdachte verrichte werkzaamheden kan worden aangemerkt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de bestuurswerkzaamheden van zeer beperkte omvang waren, en alleen aan de orde op de momenten dat tijdens vergaderingen de uiteindelijke beslissingen met betrekking tot projecten, nadat deze waren toegelicht, werden genomen. Een kwestie van minuten, volgens verdachte, waarvoor niet werd gedeclareerd. Aldus zijn zowel de voorbereidende werkzaamheden van de bestuursleden voorafgaand aan de bestuursvergaderingen alsook de besprekingen tijdens de vergaderingen, voorafgaand aan het moment van het nemen van bestuursbesluiten ter zake, buiten het begrip bestuurswerkzaamheden gehouden. Blijkens de notulen van de vergaderingen die zich in het dossier bevinden, werden evenwel tijdens de vergaderingen alleen maar bestuurshandelingen, werkzaamheden die kenmerkend zijn als handelingen van het bestuur, verricht. Hiermee is verdachtes verklaring over wat naar zijn inzicht onder bestuursvergaderingen moet worden verstaan in strijd met de vastgestelde notulen. Nog afgezien van de omstandigheid dat, zoals hiervoor aangegeven, de betreffende vergaderingen in hun geheel zijn geboekstaafd als bestuursvergaderingen, en niet enkel de beslismomenten daarin, is de rechtbank van oordeel dat verdachte hiermee een te beperkt begrip van de term bestuurswerkzaamheden hanteert. Naar oordeel van de rechtbank valt niet alleen de uiteindelijke beslissing maar ook het zich voorbereiden en het zich (doen) informeren om tot een dergelijke beslissing te komen onder het begrip ‘bestuurswerkzaamheden’.

Voor bestuurswerkzaamheden kunnen slechts onkostenvergoedingen en niet-bovenmatige vacatiegelden in rekening worden gebracht, gelet op de ANBI regelgeving. Vast staat dat de gedeclareerde bedragen daar ruimschoots boven uitstegen, nu het uurtarief van verdachte in de jaren 2008-2012 opliep tot ongeveer € 180, terwijl bovendien zoals hiervoor vastgesteld declaraties werden opgehoogd zonder dat daar geboekstaafde uren aan ten grondslag lagen, indien declaraties anders beneden een bepaald bedrag zouden uitkomen.

Het voorgaande bijeengenomen leidt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van een wederrechtelijke toe-eigening van geldbedragen die verdachte als penningmeester/secretaris onder zich had, en daarmee verduistering.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op tijdstippen in de periode vanaf 7 maart 2008 tot en met 26 november 2013, in de gemeente ’s-Hertogenbosch telkens opzettelijk

= girale bedragen aan geld toebehorende aan [stichting 1] , DOC-270 en AMB-0047, pagina 4, en

= girale bedragen aan geld toebehorende aan [stichting 2] , DOC-0271 en AMB-0047, pagina 4, en

= girale bedragen aan geld toebehorende aan [stichting 3] , DOC-0272 en AMB-0047, pagina 4, en

= girale bedragen aan geld toebehorende aan [stichting 4] , DOC-0273 en AMB-0047, pagina 4,

welke girale bedragen aan geld hij, verdachte, telkens anders dan door misdrijf, te weten telkens als secretaris en/of penningmeester van die stichtingen, onder zich had, telkens

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2. in de periode van de maand januari 2008 tot en met de maand oktober 2012 in de gemeente

's-Hertogenbosch,

5 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf verdachte] en gericht aan [stichting 5] , DOC-0079 2/3, DOC-0089 2/3, DOC-0097 2/3, DOC-0106 2/3, DOC-0113 2/3 en 5 aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen, DOC-0079b,DOC-0089b, DOC-0097b, DOC-0106b, DOC-0113b en

5 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf verdachte] en gericht aan [stichting 3] , DOC-00812/3, DOC-0093 2/3, DOC-0102 2/3, DOC-0104 2/3, DOC-0114 2/3 en 2, aan de facturen DOC-0081 2/3 en DOC-104 2/3 ten grondslag

liggende urenverantwoordingen, DOC-0081b en DOC-0104b en

4 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf verdachte] en gericht aan [stichting 2] , DOC-0083 2/3, DOC-0092 2/3, DOC-0095 2/3, DOC-0108 2/3 en 4 aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen, DOC-0083b, DOC-0092b, DOC-0095b, DOC-0108b, en

4 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf verdachte] en gericht aan [stichting 1] , DOC-0085 2/3, DOC-0087 2/3, DOC-0100 2/3, DOC-0110 2/3 en 4 aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen, DOC-0085b, DOC-0087b, DOC-0100b, DOC-0110b,

telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en

onvervalst te gebruiken, immers heeft hij, verdachte toen aldaar telkens valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

= in die facturen voornoemd telkens een hoger honorarium vermeld dan waarop [bedrijf verdachte] in werkelijkheid recht had, en

= in die aan die facturen voornoemd, ten grondslag liggende urenverantwoordingen voornoemd telkens meer uren vermeld en gedeclareerd dan in werkelijkheid door [bedrijf verdachte] werden gemaakt en

= de te hoge tarieven en/of de teveel gedeclareerde uren telkens in die facturen en/of in die aan die facturen voornoemd ten grondslag liggende urenverantwoordingen telkens versluierd, door het weglaten, van een omschrijving van de werkzaamheden in die facturen en door het hanteren van een vage omschrijving in die aan die facturen voornoemd ten grondslag liggende urenverantwoordingen en

= in die facturen voornoemd telkens de algemene termen: "voor verrichte werkzaamheden" over een bepaalde periode vermeld, waardoor werd verhuld welke soort werkzaamheden en hoeveel werkzaamheden het betrof en tegen welk tarief de werkzaamheden werden verricht;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert voor de feiten een gevangenisstraf van 2 jaar en ontzetting uit het recht om het beroep van bestuurder van stichtingen uit te oefenen voor de duur die de hoofdstraf met 3 jaar te boven gaat.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie heeft in de ontnemingszaak gevorderd de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 756.033,-- toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt bij de strafmaat rekening te houden met de lange termijn die is verstreken sinds de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek.

Het onderzoek is aangevangen in 2013. Uit het verzoekschrift in de civiele procedure

d.d. 28 november 2013 volgt dat het Openbaar Ministerie toen al een verdenking koesterde jegens verdachte wegens het onttrekken van aanzienlijke bedragen aan het vermogen van de ANBI-stichtingen en het genieten van persoonlijk gewin. Uit dat verzoekschrift volgt dat toen al een strafrechtelijk onderzoek was gestart. Dat is thans bijna 5 jaar geleden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan

  • -

    verduistering van gelden die hij als bestuurslid van de vier ANBI-stichtingen onder zich had;

  • -

    medeplegen van valsheid in geschrift door het opmaken van een groot aantal valse facturen en de aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen door daarop geen beschrijving te geven van de verrichte werkzaamheden.

De rechtbank acht dit ernstige feiten.

Verdachte was secretaris/penningmeester van vier goede-doelenstichtingen. Van de 24 miljoen euro die in de periode tussen 2008 en 2012 door de stichtingen is besteed, ging de helft op aan kosten. Zo werd in die periode 6,5 miljoen euro betaald aan [bedrijf 6] voor de door [medeverdachte] gedeclareerde uren. Welke werkzaamheden van medeverdachte daar tegenover staan, valt niet op te maken aan de facturen en urenverantwoordingen van medeverdachte aangezien daar vage algemene omschrijvingen op staan vermeld. Verdachte heeft als secretaris/penningmeester de facturen goedgekeurd, zonder te controleren of deze rekeningen juist waren en welke werkzaamheden waren verricht. [bedrijf verdachte] ontving als gevolg van de door verdachte gedeclareerde uren in die periode een bedrag van € 2.041.128.

Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit winstbejag en heeft zich in zoverre weinig aangetrokken van de belangen van de goede doelen. Hij heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen van de twee vermogende personen die hun vermogen toevertrouwden aan de stichtingen met de bedoeling het vermogen ten goede te laten komen aan goede doelen. Verdachte is door [medeverdachte] gevraagd om als medebestuurder werkzaamheden als secretaris en penningmeester te verrichten voor de stichtingen, maar verdachte heeft zich bij het vervullen van zijn bestuurderstaken, gelet op de uit zijn taakstelling voortvloeiende controletaken, op in ieder geval financieel gebied verregaand onvoldoende kritisch opgesteld. Door het feitelijk ontbreken van een (effectieve) interne controle op de uitgaven door de bestuurders van de stichtingen, en de toetsing daarvan door onafhankelijke externe deskundigen, is jarenlang aanzienlijk teveel in rekening gebracht door zowel hemzelf middels [bedrijf verdachte] als door [medeverdachte] .

De omvang van de uit verdachtes gedragingen voortvloeiende wederrechtelijke toe-eigening, mede van belang voor de straftoemeting, is door het ontbreken van behoorlijke vastleggingen, door toedoen van verdachte, slechts bij benadering vast te stellen. De rechtbank zal, uitgaand van het gegeven dat het uurtarief van verdachte in de periode 2008-2012 is opgelopen tot ongeveer € 180, dat scouts een uurtarief van ongeveer € 80 hadden, dat vele uren zijn gedeclareerd die slechts een onkostenvergoeding mochten zijn, en eventuele (veel lagere) vacatiegelden, de omstandigheid dat ook uren zijn gedeclareerd waarvan vaststaat dat daartegenover geen geboekstaafde uren zijn gewerkt, in dit kader naar redelijkheid en billijkheid uitgaan van een uurtarief van maximaal € 100 als redelijke vergoeding kunnen worden aangemerkt, waardoor grosso modo € 80 per uur meer in rekening is gebracht dan hetgeen als redelijk kan worden aangemerkt. De rechtbank streept hierbij het gegeven dat in de eerste jaren minder dan € 180 per uur werd gedeclareerd weg tegen de omstandigheid dat voor bestuurswerkzaamheden geen salaris mocht worden gedeclareerd.

Het voorgaande houdt in dat in verband met het verkrijgen van een richtsnoer voor de straftoemeting, de rechtbank ervan zal uitgaan dat bij ongeveer 44 % van de door verdachte gedeclareerde bedragen sprake was van een wederrechtelijke toe-eigening en dus verduistering.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid

dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte in verband met de door hem gepleegde strafbare feiten door de civiele rechter is ontslagen als bestuurslid van de stichtingen. Tenslotte houdt de rechtbank rekening met het veroordelend vonnis dat in de zaak tegen de vennootschap [bedrijf verdachte] , waarvan verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode bestuurder en enig aandeelhouder was, heden is uitgesproken en waarbij een geldboete is opgelegd.

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de lange termijn tussen de aanvang van het onderzoek en het vonnis. De vervolgingstermijn is aangevangen in juni 2014 en de datum van het vonnis is 28 september 2018, derhalve is ruim 4 jaar verstreken sinds de aanvang van de termijn en het vonnis. In 2014 en 2015 is verdachte meerdere malen gehoord. Ook [medeverdachte] en een groot aantal getuigen zijn in die periode gehoord. Het eind-proces-verbaal van de FIOD dateert van 1 december 2015. Vervolgens werden op verzoek van de verdediging diverse getuigen gehoord bij de rechter-commissaris. Deze getuigenverhoren zijn in oktober 2016 afgerond. De zaak stond aanvankelijk op de zitting van 28 juni 2017 gepland. Het betrof een regiezitting. Door de wisseling van de raadsman van verdachte werd de regiezitting tot december 2017 aangehouden. Op 29 augustus 2018 stond de zaak voor het eerst inhoudelijk op zitting.

De rechtbank is gelet op de voortgang van de zaak van oordeel dat de termijn die is verstreken van aanvang van de zaak en de uiteindelijke afdoening van de zaak weliswaar lang is, echter niet zodanig lang dat deze termijn zou moeten leiden tot matiging van de straf.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank komt alles overziende wel tot een lagere straf dan de officier heeft gevorderd, en zal tevens een deel voorwaardelijk op leggen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat voor het bewezene een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met

een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is.

Nu verdachte de feiten heeft gepleegd ten tijde van de uitoefening van zijn beroep, acht de rechtbank daarnaast een bijkomende straf van ontzetting uit het beroep van bestuurder van stichtingen voor de duur die de hoofdstraf van 2 jaar te boven gaat op zijn plaats.

De officier van justitie had een ontzetting geëist voor de duur van 3 jaar. De rechtbank acht echter gelet op de ondergeschikte rol van verdachte aan [medeverdachte] en de hoge leeftijd van verdachte een matiging op zijn plaats.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 28, 31, 57, 225 en 321.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:verduistering, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en bijkomende straf:

Ten aanzien van de feiten 1 en feit 2:gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met

een proeftijd van 2 jaren;

Ten aanzien van de feiten 1 en feit 2:ontzetting bepaalde beroepen uit te oefenen voor de duur van 1 jaar,

te weten ontzetting uit het recht om het beroep van bestuurder van stichtingen uit te oefenen voor de duur die de hoofdstraf met 2 jaar te boven gaat.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. E.M. Vermeulen en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,

en is uitgesproken op 28 september 2018.

Mr. W.F. Koolen is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.