Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:471

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
17_2704
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nederlanderschap, naturalisatieverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2704

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.M. Langenberg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 17 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2017, waar het beroep gevoegd is behandeld met het beroep met nummer SHE 17/2384 van [naam] , de broer van eiseres. Eiseres is naar de zitting gekomen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. Daarom wordt in beide zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

Achtergrond

1.1

Eiseres is op 12-jarige leeftijd, in [geboortemaand] 1999, met haar ouders en haar broer naar Nederland gekomen. Haar ouders hebben vervolgens asiel aangevraagd, mede namens eiseres en haar broer. De ouders hebben aan hun asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij etnische Armenen uit Azerbeidzjan zijn en de Azerbeidzjaanse nationaliteit hebben.

1.2

De (toenmalige) minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna verder te noemen: de minister) heeft de asielaanvraag afgewezen in verband met de uitkomsten van een taalanalyse. Die analyse heeft uitgewezen dat de ouders van eiseres eenduidig niet zijn te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Azerbeidzjan. De minister heeft hieraan de conclusie verbonden, voor zover thans van belang, dat de door de ouders gestelde identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig is. In haar uitspraak van 10 juli 2006 (met kenmerken: AWB-nummers 05/55931, 05/55933 en 05/55929) heeft de rechtbank Den Haag (nevenzittingsplaats Arnhem) geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Bij uitspraak van 1 december 2006 (met kenmerk: 200605796/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van 10 juli 2006 bevestigd.

1.3

In de Basisregistratie Personen (BRP) is vermeld dat eiseres de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezit. Die inschrijving is gebaseerd op een destijds onder ede afgelegde verklaring van de ouders van eiseres dat zij de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezit. Aan deze inschrijving ligt geen brondocument ten grondslag, zoals een geboorteakte of een paspoort.

Wettelijk kader

2.1

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

2.2

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker om naturalisatie een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen. Met ingang van 26 oktober 2015 hanteert (de rechtsvoorganger van) verweerder het beleid dat etnische Armenen uit Azerbeidzjan die om naturalisatie verzoeken van deze verplichting zijn vrijgesteld (hierna: het vrijstellingsbeleid).

Het standpunt van verweerder

3. Verweerder heeft het naturalisatieverzoek afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie. Eiseres heeft geen gelegaliseerde geboorteakte en geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overgelegd. Hierdoor kan haar identiteit en nationaliteit niet worden vastgesteld. Eiseres kan geen beroep doen op het vrijstellingsbeleid, omdat zij geen etnisch Armeense uit Azerbeidzjan is. Dit is in de asielprocedure komen vast te staan. Dat in de BRP is vermeld dat eiseres de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezit, maakt dit niet anders. Deze vermelding is namelijk niet gebaseerd op enig brondocument, maar uitsluitend op verklaringen van de ouders van eiseres, aldus verweerder.

Het beroep van eiseres

4. Eiseres is van mening dat het vrijstellingsbeleid op haar van toepassing is. In de BRP is vermeld dat eiseres de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezit. Volgens jurisprudentie van de Afdeling kan het bewijs dat eenmaal in de BRP opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de BRP geregistreerde gegevens zal, gelet op het systeem van de Wet basisregistratie personen (Wbrp), onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn. Hiervan is in dit geval geen sprake. Verweerder had bij de beoordeling van het naturalisatieverzoek daarom als uitgangpunt moeten nemen dat eiseres de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft. Verweerder had haar dus vanwege haar etnische afkomst moeten vrijstellen van de verplichting om een gelegaliseerde geboorteakte uit Azerbeidzjan en een geldig Azerbeidzjaans paspoort te overleggen. Nu verweerder dit heeft verzuimd, komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking, aldus eiseres.

Beoordeling van het beroep

5.1

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat juist in het kader van de procedure over verlening van het Nederlanderschap de identiteit van de verzoeker het voorwerp van onderzoek dient te zijn, omdat het verlenen van het Nederlanderschap, vanwege de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is. Verweerder is bevoegd op de daartoe geëigende wijze bewijs van de gestelde identiteit te verlangen (ECLI:NL:RVS:2017:3103).

5.2

In de (mede namens eiseres gevoerde) asielprocedure is komen vast te staan dat niet geloofwaardig is dat eiseres een etnisch Armeense uit Azerbeidzjan is. Eiseres kan dus voor haar naturalisatieverzoek geen rechten ontlenen aan het vrijstellingsbeleid. Verweerder is terecht tot die conclusie gekomen. Dat in de BRP is vermeld dat eiseres de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezit, kan niet tot een ander oordeel leiden. Die vermelding is niet gebaseerd op een brondocument, maar uitsluitend op de destijds onder ede afgelegde verklaring van de ouders van eiseres. Zoals verweerder terecht heeft gesteld onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3991), is een inschrijving in de BRP op basis van een verklaring onder ede niet voldoende om in het kader van een naturalisatieprocedure de identiteit aan te tonen. Een dergelijke verklaring kan niet op één lijn worden gesteld met een gelegaliseerde buitenlandse akte van de burgerlijke stand. De verwijzing naar Afdelingsuitspraken over zaken waarin aan de orde was onder welke voorwaarden eenmaal in de BRP geregistreerde gegevens kunnen worden gewijzigd, kan eiseres dus niet baten.

5.3

Nu vast staat dat eiseres geen beroep kan doen op het vrijstellingsbeleid en eiseres niet de voor de beoordeling van het naturalisatieverzoek verlangde documenten heeft overgelegd, heeft te gelden dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie. Verweerder heeft het naturalisatieverzoek dus terecht afgewezen.

5.4

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Dworakowski - Kelders, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.