Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4684

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
SHE 18/2016
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking Drank- en Horecawetvergunning en aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het redelijk is dat de burgemeester vindt dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2019/3039
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/2016

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 september 2018 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, de burgemeester

(gemachtigden: mr. B. Timmermans en M. Lammerschop).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2018 (het besluit) heeft de burgemeester verzoekers Drank- en Horecawetvergunning (DHW-vergunning) en aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten (aanwezigheidsvergunning) voor café [bedrijfsnaam] te [plaatsnaam] ingetrokken.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 september 2018. Verzoeker is samen met zijn gemachtigde naar de zitting gekomen. Voor de burgemeester zijn zijn gemachtigden naar de zitting gekomen.

Overwegingen

De feiten

1. Verzoeker is eigenaar/leidinggevende van café [bedrijfsnaam] aan de [adres] . Bij besluit van 10 april 2012 heeft de burgemeester verzoeker een DHW-vergunning gegeven. Bij besluit van 3 oktober 2016 heeft verzoeker van de burgemeester een aanwezigheidsvergunning gekregen.

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 1 mei 2018 (het strafvonnis) is verzoeker veroordeeld voor gewoontewitwassen en medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van € 676.101 aan onverklaarbaar vermogen. Verzoeker heeft daarvoor een gevangenisstraf van negen maanden gekregen. Ook werd € 39.864,– aan contant geld, € 92.530,86 aan banktegoeden en een effectendepot van € 546.310,16 verbeurd verklaard. Verzoeker heeft tegen het strafvonnis hoger beroep ingesteld.

De politie heeft op grond van het strafvonnis bij bestuurlijke rapportage van 25 mei 2018 de burgemeester geadviseerd verzoekers DHW- en aanwezigheidsvergunning in te trekken.

Bij brief van 3 juli 2018 heeft de burgemeester verzoeker op de hoogte gesteld van zijn voornemen om verzoekers DHW- en de aanwezigheidsvergunning in te trekken. Bij brief van 12 juli 2018 heeft verzoeker hierop zijn zienswijze gegeven.

Voor de overige feiten verwijst de voorzieningenrechter naar het procesverloop.

Het karakter van de procedure: een voorlopige voorziening

2.1.

Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort. Dat staat in artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht, ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daarvoor is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus redenen hebben die maken dat hij de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten en die een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op bezwaar). De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

2.2.

Als sprake is van onverwijlde spoed, zal de voorzieningenrechter kijken of een – zoals gezegd voorlopig – oordeel is te geven over de vraag of het besluit rechtmatig is. Vervolgens maakt de voorzieningenrechter aan de hand daarvan een belangenafweging, waarbij verschillende elementen worden betrokken, met name:

  • -

    in hoeverre duidelijk is dat (en in hoeverre valt te beoordelen of) aan het besluit een gebrek kleeft;

  • -

    in hoeverre dat gebrek naar verwachting te herstellen valt in de beslissing op bezwaar;

  • -

    of er een onomkeerbare situatie ontstaat als de gevraagde voorlopige voorziening wel of niet getroffen wordt;

  • -

    hoe groot de mate van spoedeisendheid is.

Bij zo'n belangenafweging moeten alle belangen pro en contra worden afgewogen; als de belangen aan de ene kant groot zijn, moeten de belangen aan de andere kant ook groot zijn om daar tegen op te kunnen wegen.

Onverwijlde spoed?

2. De voorzieningenrechter vindt het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval voldoende spoedeisend en zal dus beoordelen of het bestreden besluit rechtmatig is.

Beoordeling van het bestreden besluit aan de hand van de gronden

Over de DHW-vergunning

3. Verzoeker vindt, zoals hij zelf in de gronden zegt, dat er niets op hem is aan te merken. Ook heeft hij gewezen op een aantal (persoonlijke) omstandigheden en vindt hij dat sprake is van een fiscale kwestie die geen gevolgen kan hebben voor zijn DHW- en aanwezigheids-vergunning. Verder wijst verzoeker erop dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen het strafvonnis en vindt hij de bestuurlijke rapportage onjuist; hij is niet van slecht levensgedrag. Subsidiair vindt verzoeker dat het ten hoogste gaat om opbrengsten uit zijn panden. Dat heeft niet direct iets te maken met de exploitatie van het café. De burgemeester heeft tot slot niet vermeld welke feiten en omstandigheden hij buiten de strafzaak bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het besluit is daarom niet proportioneel.

4. Uit artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, samen gelezen met artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW volgt dat verzoekers DHW-vergunning door de burgemeester wordt ingetrokken als verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

5. De voorzieningenrechter zal dus moeten beoordelen of de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Daarbij is het belangrijk te vermelden dat de voorzieningenrechter dit alleen terughoudend mag toetsen. Dat betekent dat zij alleen mag kijken of het standpunt van de burgemeester redelijk is. Hierover oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

6. De burgemeester heeft zijn standpunt dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is, gebaseerd op het strafvonnis. Hij heeft vooral de eigen verklaringen van verzoeker in dat vonnis, waaruit volgens de burgemeester blijkt dat verzoeker wist dat wat hij deed niet klopte en dat sprake was van een patroon van fout financieel gedrag, belangrijk gevonden. De voorzieningenrechter gelooft verzoekers antwoord op de zitting – de in het vonnis genoemde verklaringen zijn niet juist vermeld – overigens niet. Verzoeker heeft die stelling immers helemaal niet onderbouwd. Verder vindt de burgemeester ook belangrijk het aantal keren dat verzoeker strafbare feiten heeft begaan, dat verzoeker de strafbare feiten met anderen in zijn omgeving heeft begaan en heeft hij gekeken naar de – aanzienlijke – bedragen waarover het gaat.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zijn standpunt heeft mogen baseren op alleen het strafvonnis. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2456) waaruit volgt dat er geen beperkingen zijn gesteld aan de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Ook volgt uit die uitspraak dat het niet is vereist dat bij die beoordeling alleen feiten en omstandigheden die te maken hebben met de exploitatie van een café worden betrokken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013 (ECLI:RVS:2013:CA0629) volgt verder dat een strafrechtelijke veroordeling niet vereist is. In geval van verzoeker is zelfs wel sprake van een, weliswaar nog niet in rechte vaststaande, strafrechtelijke veroordeling.

8. Verzoeker vindt dat de burgemeester zijn standpunt niet mag baseren op een evident onjuist strafvonnis. In zo’n geval moet de burgemeester het pad verbreden, zoals verzoeker dat op de zitting noemde. Of dit nu juist is of niet, de voorzieningenrechter is van oordeel dat het strafvonnis niet evident – dus zonder enige twijfel – onjuist is. Verzoeker is het gewoon niet eens met de inhoud van het vonnis. Of hij daarin gelijk heeft, zal in het hoger beroep tegen het strafvonnis door het gerechtshof worden beoordeeld.

9. Ook vindt verzoeker dat de burgemeester bij het bepalen of verzoeker van slechts levensgedrag is, rekening had moeten houden met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft op de zitting gezegd dat de burgemeester ook moet kijken naar wie eiser is en hoe hij in het leven staat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester dat niet hoeven doen. Zoals de burgemeester op de zitting terecht heeft gezegd: “Ook aardige mensen kunnen dingen doen die niet mogen.” Dit betekent dat als iemand is veroordeeld voor gewoontewitwassen, positieve persoonskenmerken en persoonlijke omstandigheden er niet toe hoeven te leiden dat op grond daarvan moet worden gezegd dat die persoon niet meer in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

10. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het redelijk is dat de burgemeester vindt dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Daarom was de burgemeester verplicht de DHW-vergunning in te trekken. Voor een belangenafweging is gelet op deze dwingende formulering geen ruimte.

Over de aanwezigheidsvergunning

11. Uit artikel 30d, vierde lid, aanhef en onder a, samen gelezen met de artikelen 30f, eerste lid, aanhef en b en c, van de Wet op de kansspelen en artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Speelautomatenbesluit 2000 volgt dat verzoekers aanwezigheidsvergunning door de burgemeester wordt ingetrokken als verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

12. Het criterium voor het intrekken van de aanwezigheidsvergunning is hetzelfde als dat voor het intrekken van de DHW-vergunning – is verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag. Omdat bij rechtsoverweging 15 al is vastgesteld dat het redelijk is dat de burgemeester vindt dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is, was de burgemeester ook verplicht de aanwezigheidsvergunning in te trekken.

De conclusie en de proceskosten

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.