Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:461

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
01/880565-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met twee anderen een woningoverval gepleegd, waarbij langdurig grof geweld tegen het slachtoffers is gebruikt. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar. Aan de benadeelde partijen wordt onder meer een immateriële schadevergoeding toegekend van € 4.500,-- respectievelijk € € 2.700,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880565-16

Datum uitspraak: 02 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 12 april 2017, 4 juli 2017, 22 september 2017, 8 december 2017 en 19 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 maart 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 mei 2009 te Schaijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) dan verdachte, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere telefoons en/of een camera en/of één of meerdere computers/laptops, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

hij op of omstreeks 12 mei 2009 te Schaijk, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) dan verdachte met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van één of meerdere telefoons en/of een camera en/of één of meerdere computers/laptops, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s), één of meer vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gehouden en/of op het hoofd gedrukt van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] naar de grond heeft/hebben gebracht en/of (vervolgens) vastgebonden en/of geslagen en/of getrapt en/of (vervolgens/daarbij) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (dreigend) de woorden heeft/hebben toegevoegd : "geld, geld, er moet geld liggen" en/of "ik ga je vermoorden"

2.

hij op of omstreeks 12 mei 2009 te Schaijk, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het onderdaagn avn (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebben verdachte één of meermalen zijn penis en/of één of meer vingers en/of één of meer dildo's en/of vibrators in de mond en/of anus en/of vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] naar de grond heeft gebracht en/of geduwd en/of heeft vastgebonden en/of heeft geslagen en/of geschopt;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft verkracht. De officier van justitie hecht veel waarde aan de in zijn ogen geloofwaardige en betrouwbare verklaringen van de [getuige 1] en [getuige 2] en het gegeven dat dactyloscopische sporen van verdachte zijn aangetroffen op de bij de overval gebruikte dreigbrief, die later in het chalet van het slachtoffer is achtergebleven. Medeplegen acht de officier van justitie niet bewezen, zodat de verkrachting van het slachtoffer alleen voor rekening van verdachte komt.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit. Door de verdediging is bepleit dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte in de woonkamer van het chalet van het slachtoffer is geweest, zodat hij geen aandeel kan hebben gehad in de ten laste gelegde verkrachting.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met twee anderen de diefstal met geweld op de slachtoffers heeft gepleegd, maar dat hij het chalet niet heeft betreden. Hij was de derde dader die buiten het chalet stond en die instructies gaf aan de twee daders die het chalet waren binnengegaan, zoals de aangevers hebben verklaard.

Deze verklaring van verdachte wordt tegengesproken door de [getuige 1] en [getuige 2] die beiden hebben verklaard dat verdachte hen heeft verteld dat hij in het chalet is geweest. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat hij aangeefster met een kunstpenis heeft verkracht. Ook een andere verdachte in deze zaak, [betrokkene] , heeft verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat hij het vrouwelijke slachtoffer heeft verkracht. [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte haar heeft verteld dat [betrokkene] aangeefster met de kunstpenis heeft verkracht.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 aan hem ten laste gelegde verkrachting. De rechtbank overweegt in dit kader dat zowel [getuige 1] als [betrokkene] een motief kunnen hebben bij hun belastende verklaring tegen verdachte. [betrokkene] is immers door verdachte in diens verhoor bij de politie en in diens gesprekken met [getuige 2] aangewezen als de verkrachter. [getuige 1] had met verdachte een hoogoplopend conflict over een schuld van enkele duizenden euro’s. Voor de rechtbank staat vast dat verdachte bij de overval aanwezig is geweest. In het procesdossier zijn echter, geen bewijsmiddelen dat verdachte in de woning is geweest, zodat de rechtbank uitgaat van zijn verklaring dat hij de derde overvaller is die buiten stond, en niet één van de twee overvallers was die binnen zijn geweest. Het onder 2 ten laste gelegde is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijs ten aanzien van feit 1.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft geen ter zake dienend (bewijs-)verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank bezigt het navolgende voor het bewijs in deze zaak.

Verdachte heeft verklaard dat hij twee weken voor 12 mei 2009, bij een bezoek aan de hem bekende [getuige 1] in de gevangenis, een tip heeft gekregen van een vrouw van wie hij de naam niet wil noemen dat in het chalet op het adres [adres 2] te Schaijk bij een vrouw genaamd [slachtoffer 1] veel geld te halen zou zijn. Eén week voor 12 mei 2009 is hij samen met deze tip geefster naar het betreffende chalet gegaan om de buurt te verkennen. Hij heeft de tip met twee mededaders, waaronder [medeverdachte] , besproken en zij hebben toen besloten om de overval op 12 mei 2009 plaats te laten vinden. Het plan voor het plegen van de overval was grotendeels afkomstig van verdachte. Op 12 mei 2009 heeft hij [medeverdachte] en de andere mededader opgehaald. Hij heeft hiervoor een auto geleend van een vriend van hem. Verdachte heeft voordat hij de mededaders heeft opgehaald een dreigbrief geschreven die tijdens de overval aan het slachtoffer moest worden getoond. Hij heeft een nepvuurwapen (balletjespistool) meegenomen en heeft de andere dader gevraagd of ook hij zijn vuurwapen (een zwart luchtdrukpistool) mee wilde nemen.2

Verdachte en de twee mededaders hebben in de auto de uitvoering van de overval nog een keer doorgesproken. Verdachte heeft het nepvuurwapen en de dreigbrief aan [medeverdachte] gegeven. De mededaders hebben de dreigbrief getoond. [medeverdachte] en de andere dader zijn de woning van [slachtoffer 1] binnen gegaan en hebben daar [slachtoffer 1] en haar toenmalige vriend [slachtoffer 2] vastgebonden. Zij hebben daarbij tape gebruikt en zij hebben bij hun zoektocht naar het geld het chalet volledig overhoop gehaald. Verdachte stond ten tijde van de overval buiten het chalet. Verdachte heeft de buit aangepakt, het schuurtje doorzocht op waardevolle goederen en een gat in het hek geknipt waarlangs hij en zijn mededaders weer naar de auto zijn gegaan. Vervolgens is verdachte met de door hem geleende auto weer naar Eindhoven gereden, waar hij beide mededaders met de buit heeft afgezet. Diezelfde avond heeft verdachte de buit van de overval gezien, onder meer twee laptops, enkele telefoons en een horloge dat bij een telefoon hoort.3

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 12 mei 2009 rond 12.00 uur is overvallen. Ze heeft gehoord dat de bel ging. Op het moment dat ze de poort opende zag zij een knul staan. Direct daarna zag zij een andere knul aankomen die meteen een pistool tegen haar hoofd aan drukte en haar keel dicht kneep. Ze moest naar binnen en ze moest daar op de grond gaan liggen. Haar vriend [slachtoffer 2] was ook in het chalet aanwezig en moest van de overvallers ook op de grond gaan liggen. De overvallers zeiden: “Jij bent [slachtoffer 1] , jij hebt geld er moet geld liggen”. In de woonkamer werd ze vastgebonden met tape. Haar handen werden op haar rug gebonden. Alle kasten werden open getrokken en er werd van alles uitgegooid. Ook werd steeds een pistool tegen haar hoofd aan gedrukt en er werd mee geslagen. Ze trokken aan haar haar en ze kreeg toen het pistool tegen haar mond aan, want er moest geld liggen volgens de overvallers. Ze heeft gehoord dat haar vriend ook is vastgebonden aan zijn armen en aan zijn benen. Ze heeft gezegd dat er geen geld lag en dat ze haar sieraden dan maar mee moesten nemen. De mobiele telefoons zijn weggenomen. Iedere keer als de overvallers buit hadden gevonden, hebben ze dat buiten afgegeven aan een derde man die buiten stond. De overvallers riepen constant dat ze haar gingen vermoorden. Ze riepen ook dat ze het huis in brand zouden steken, zodat er geen sporen achter zouden blijven. De bedreigingen gingen steeds gepaard met een schop tegen haar hoofd of er werd een voet op haar hoofd geplaatst. Dat deden de overvallers ook bij haar vriend. Haar vriend kreeg daarnaast een slag in zijn nek. Beide overvallers die binnen waren, hadden een vuurwapen bij zich. Bij de overval zijn telefoons, de nieuwe camera’s van haar en van haar vriend, de laptops en nogal wat sieraden meegenomen. Degene die buiten stond had de leiding ten tijde van de overval. Die overvaller heeft niet tegen aangeefster of haar vriend gesproken. Die heeft constant bij het halletje gestaan of bij de deur.4 Later heeft aangeefster [slachtoffer 2] nog verklaard dat ze aan haar handen is vastgebonden met tape en aan haar enkels met een touw. Een van de overvallers heeft een dildo in haar mond gestopt. Een andere overvaller kwam daarna naar haar toe en die had twee messen bij zich en zei: “Kijk dit zijn je eigen messen, waar ik je mee dood maak als je niet doet wat ik zeg”. Daarna heeft hij haar kleren losgesneden. Haar jurk is omhoog gedaan en haar string is losgesneden. De twee mannen waren toen tegen elkaar aan het praten en zeiden dat ze de vibrator erin wilden stoppen. Het waren korte zinnetjes zo van: “we stoppen hem er gewoon bij haar in”. Dit zeiden ze allebei. Daarna is twee keer iets in haar anus gestopt. De tweede keer was dat een vibrator uit haar woning. Deze vibrator werd met grof geweld in haar anus gestoken en dat deed ‘gruwelijk zeer’. Toen de overvallers het chalet verlieten, hebben zij de vibrator laten zitten. De overvallers waren met zijn drieën, een in het halletje of buiten bij de deur en de andere twee binnen in het chalet.5 Het leek er volgens aangeefster op dat de overvaller die in het halletje of buiten stond, instructies gaf en de touwtjes in handen had.6

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 12 mei 2009 in het chalet van zijn vriendin [slachtoffer 1] aanwezig was en dat rond 12.00 uur de deurbel ging. [slachtoffer 1] is naar de poort waar de deurbel zit gegaan. Binnen een minuut hoorde hij dat [slachtoffer 1] in de hal met een angstige, luidde stem zei: “Doe me geen pijn, doe me geen pijn”. Voordat hij bij de deur van de hal was, zag hij dat de deur werd geopend en dat [slachtoffer 1] werd vastgehouden door een man. Hij had haar in een soort verwurging met zijn linkerarm over haar keel. De rechterarm ging over haar rechter schouder heen en in mijn richting gestrekt, waarbij de man in zijn rechterhand een zwartkleurig pistool vast had, dat hij op aangever [slachtoffer 2] richtte. Een tweede man kwam de woonkamer van het chalet binnen en aangever moest op de grond gaan liggen. Hij hoorde een van de overvallers met een felle stem tegen [slachtoffer 1] roepen: “Waar is het geld”. Nadat drie keer om geld was gevraagd, hoorde aangever dat vanaf buiten werd gesproken door een derde man. Nadat de derde man met de twee eerste mannen had gesproken werd er duidelijk meer fysiek geweld naar beide aangevers gebruikt. Aangever voelde dat hij vrijwel meteen vier keer met kracht tegen zijn achterhoofd werd geschopt. Daarna werd er met kracht op zijn rug getrapt, eerst met een voet en later een aantal malen met twee voeten. Tot twee keer toe sprong een van de mannen met beide voeten op hem. Hij kreeg bijna geen lucht meer en voelde erge pijn. Daarna voelde hij iets in zijn nek en bij hem ging toen meteen het licht uit. Toen aangever bijkwam, hoorde hij dat de overvallers [slachtoffer 1] pijn deden. Hij hoorde het geluid van schoppen en slaan. Een van de overvallers kwam naar aangever toe en zijn voeten werden met tape aan elkaar bevestigd ter hoogte van zijn enkels. Hij hoorde ook het geluid van tape in de hoek waar [slachtoffer 1] op de grond lag. Na het tapen werden zijn handen achterop zijn rug gebonden met touw. Hij hoorde nog meerdere keren dat een van de overvallers aan [slachtoffer 1] om geld vroeg. Hij hoorde deze overvaller tevens zeggen dat als zij hem geen geld zou geven, hij haar dood zou schieten. Aangever heeft meerdere malen gevoeld dat één van de mannen, in zijn beleving, de loop van een pistool tegen zijn hoofd drukte. Op een gegeven moment was het stil en na een tijdje had aangever het lef om zich los te maken. Hij zag toen dat [slachtoffer 1] bij de schuifpui op de grond lag en dat haar handen op haar rug waren getaped. Hij heeft een mes gebruikt om de tape los te maken. Toen hij zichzelf na de overval had losgemaakt, zag hij dat er een dildo in haar zat gestoken en hij heeft deze dildo toen uit haar getrokken en haar vervolgens van de tape bevrijd.7 Verder heeft aangever verklaard dat de overvallers constant met [slachtoffer 1] bezig waren en dat ze vroegen waar het geld was. Het hele chalet is overhoop gehaald. .8

Bij de overval zijn onder meer weggenomen een Acer laptop, een Kodak digitale camera een mobiele telefoon met [imeinummer] en een mobiele telefoon met [imeinummer] en een zilveren ketting en een computer merk Dell X200 weggenomen.9

Tijdens het onderzoek in het chalet is op de vloer van de woonkamer op een lade een stuk tape aangetroffen. Dit stuk tape werd genummerd AABJ2350NL. Op de vloer van de woonkamer werd nabij een lampenkap een fragment grijze tape aangetroffen en genummerd AABJ2349NL. Een fragment tape dat na de overval van een pols van [slachtoffer 1] werd verwijderd, werd genummerd AABJ2351NL.10 De restanten van laatstgenoemde stuk tape zaten nog geplakt op de onderarmen, de rechterpols en de rechterhand van het slachtoffer [slachtoffer 1] en werd behoedzaam van haar rechterarm verwijderd.11

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft op het fragment tape genummerd AABJ2350NL twee dactyloscopische sporen aangetroffen. Deze sporen zijn gemerkt als NFI-01 en NFI-02.12

Het dactyloscopisch onderzoek van 26 februari 2017 van de politie heeft geleid tot een individualisatie van het dactyloscopisch spoor voorzien van het kenmerk NFI-01 op de linker duim van [medeverdachte] .13

Na de overval heeft aangever [slachtoffer 2] een briefje in het chalet aangetroffen die door de overvallers was achtergelaten (hierna: de dreigbrief). Op deze brief stond met potlood de volgende tekst geschreven:

‘Waar ligt de geld?

Waar liggen de diamanten?

Waar ligt de goud?

Ps.

Als u niet meewerkt dan moet ik u helaas omleggen.

Als u niet zegt waar alles ligt maak ik u dood.’

De brief is voor verder sporenonderzoek veiliggesteld.14

Verdachte heeft verklaard dat hij deze dreigbrief heeft geschreven.15

Op de dreigbrief is een dactyloscopisch spoor met nummer AABJ2078NL-A aangetroffen. In het dactyloscopisch onderzoek van 27 februari 2017 is dit spoor geïndividualiseerd op de linker duim van [medeverdachte] .16

[getuige 3] , eigenaar van het pandjeshuis in Eindhoven heeft onder meer verklaard dat [betrokkene] op een dag zijn winkel binnen kwam en hem toen een telefoon met een daarbij behorende horloge van het merk Sony Ericsson aanbood. [betrokkene] was toen met twee andere personen in zijn winkel, één van hen had een donkere huidskleur. Ze kwamen met hun drieën tegelijk bij zijn loket staan en hoorden bij elkaar. Hij heeft [betrokkene] geld gegeven voor de telefoon en horloge, waarna de drie jongens vertrokken. Heel kort daarna kwam die donkere jongen weer terug in zijn winkel en deze zei toen: “doe deze ook maar”. Die donkere jongen overhandigde daarbij een ketting met platte bij elkaar gedraaide ringetjes. Toen de drie jongens eerder bij het loket stonden, overlegden ze of ze de ketting wel of niet aan [getuige 3] zouden verkopen. [getuige 3] had de door hem ingekochte ketting intussen verkocht en weer terug kunnen halen bij de koper waarna de ketting door de verbalisant in beslag is genomen.17 Aan [getuige 3] zijn twee foto’s getoond van [medeverdachte] , een pasfoto en een foto van hyves, waarop [getuige 3] verklaarde dat de persoon op de pasfoto wel lijkt op die persoon toen met de ketting.18

Op 27 augustus 2009 werd de ketting getoond aan [slachtoffer 1] . Zij verklaarde dat zij de zilveren halsketting met de platte schakels herkende als haar eigendom.19

[betrokkene] is door de rechtbank Brabant-Oost bij vonnis van 20 maart 2013 (ECLI:RBOBR:2013:1214) veroordeeld voor heling van de mobiele telefoon (merk Sony Ericsson, [imeinummer] ) met bijbehorend horloge en de zilveren ketting, en de mobiele telefoon (merk Sony Ericsson, [imeinummer] , die bij de overval zijn buitgemaakt.

Bewijsoverwegingen.

Op basis van de (grotendeels) bekennende verklaring van verdachte, de verklaringen van de aangevers, de verklaring van [getuige 3] en de technische onderzoeksresultaten is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Hoewel op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte in het chalet is geweest, maar het er voor moet worden gehouden dat verdachte de derde overvaller was die volgens aangeefster buiten het chalet is blijven staan, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn twee mededaders. Verdachte heeft immers de voorverkenning uitgevoerd, zijn twee mededaders benaderd, de dreigbrief geschreven en aan zijn mededaders overhandigd, een nepvuurwapen meegenomen dat is gebruikt bij de overval en zijn mededader opgedragen om zijn gasdrukpistool mee te nemen, vervoer geregeld, het tuinhuis doorzocht op zoek naar waardevolle goederen, de buit aangenomen van zijn twee mededaders in het chalet en deze buit naar de auto verplaatst, instructies gegeven aan zijn mededaders in het chalet, waarbij aangeefster heeft verklaard dat degene die buiten stond de leiding had, en verdachte was tot slot ook aanwezig bij de verkoop van een deel van de buit en heeft verhaal gehaald bij de tipgevers nadat was gebleken dat er bij de bewoners van het chalet minder gestolen kon worden dan door de tipgever aan hem was voorgespiegeld.

Verdachte heeft een leidinggevende rol gehad. Nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee mededaders, wordt het door de mededaders gebezigde geweld tegen de slachtoffers in het chalet ook aan verdachte toegerekend. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte ter zitting weliswaar heeft verklaard dat hij geschokt was toen hij hoorde dat zijn mededader aangeefster met een kunstpenis had verkracht en hij om die reden ook de vriendschap met deze mededader heeft verbroken, maar dat hij ook heeft verklaard dat hij wist dat er door zijn mededaders geweld en bedreigingen zouden worden gebruikt om de bewoners te dwingen tot afgifte van hun waardevolle goederen en geld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 1.

op 12 mei 2009 te Schaijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen telefoons en een camera en computers/laptops, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat zijn mededaders op een vuurwapen gelijkende voorwerp aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben getoond en in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gehouden en op het hoofd gedrukt van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar de grond hebben gebracht en vervolgens vastgebonden en geslagen en getrapt en vervolgens/daarbij die [slachtoffer 1] dreigend de woorden hebben toegevoegd: "geld, geld, er moet geld liggen" en "ik ga je vermoorden".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien van feit 1 en feit 2 een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaren met aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen ter zake dienend strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval in een woning, waarbij gedurende 1,5 tot 2 uur, veel geweld tegen de slachtoffers is gebruikt en waarbij op vuurwapen gelijkende wapens zijn gebruikt. In de woning is een complete ravage aangericht en de slachtoffers zijn vastgebonden op de grond in de woning achtergelaten.

Verdachte heeft samen met de mededaders een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers.

Een overval, zeker wanneer daarbij zoveel geweld wordt gebruikt, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen en uit de slachtofferverklaringen blijkt dat dit ook in deze zaak zeker het geval is. Mevrouw [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij van een sterke persoonlijkheid was veranderd in een kwetsbare emotionele vrouw waarbij haar zelfverzekerdheid was weggeslagen. Ook had zij het basisvertrouwen in de medemens verloren. De heer [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de overval tot een aanzienlijke vermindering van zijn levensvreugde heeft geleid. Ook bij hem is het vertrouwen in de medemens geschaad. Het gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om samen met anderen zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op een gewelddadige manier snel aan geld te willen komen.

Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. Daarbij rekent de rechtbank verdachte zwaar aan dat hij bij het plegen van het strafbare feit een leidinggevende rol vervulde en hij het initiatief tot het plegen van de overval heeft genomen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt, nu de rechtbank – anders dan de officier van justitie heeft gevorderd – verdachte zal vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde verkrachting.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Daarnaast acht de rechtbank ook uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij, een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren met aftrek van de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat de erven van benadeelde partij [slachtoffer 2] zich namens haar kunnen voegen in het strafproces. [slachtoffer 1] heeft namelijk in haar aangifte, waarin zij spreekt over drie overvallers (twee in de woning en een buiten de woning), aangegeven dat zij de door het strafbare feit ontstane schade wil verhalen op de daders en zich daartoe ter terechtzitting wil voegen als benadeelde partij. [slachtoffer 2] heeft ook een vordering ingesteld tegen een andere persoon die reeds in 2013 voor de overval is vervolgd (maar daarvan is vrijgesproken). [slachtoffer 2] is overleden vóórdat het onderzoek naar de overval is heropend en voordat er strafvervolging was ingesteld tegen verdachte. Nu [slachtoffer 2] door haar overlijden niet in staat was om een vordering tegen verdachte in te dienen, terwijl op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vaststaat dat zij haar schade op de daders wilde verhalen, is de rechtbank van oordeel dat haar erven als haar vertegenwoordigers de vordering benadeelde partij kunnen instellen.

De verdediging heeft niet betwist dat de zoon van de benadeelde tevens haar erfgenaam is, zodat de benadeelde partij in haar vordering kan worden ontvangen. De hoogte van door het slachtoffer geleden schade is door de verdediging niet weersproken.

De rechtbank acht de vordering derhalve geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2009 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in het geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2009 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 60a, 63, 312.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde onder 2 niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van feit 1:diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregelen.

Ten aanzien van feit 1:Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 4.784,71 subsidiair 57 dagen hechtenis/

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , van een bedrag van EUR 4.784,71 (zegge: vierduizend zevenhonderd vieren tachtig euro en eenenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 57 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 4.500,00 immateriële schadevergoeding (post immateriële schade) en EUR 284,71 materiële schadevergoeding (post kleding en kilometervergoeding). Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededaders is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 4.784,71 (zegge: vierduizend zevenhonderd vieren tachtig euro en eenenzeventig eurocent), te weten EUR 4.500,00 immateriële schadevergoeding (post immateriële schade) en EUR 284,71 materiële schadevergoeding (post kleding en kilometervergoeding).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededaders is betaald.

Indien de verdachte of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 3.154,05 subsidiair 41 dagen hechtenis.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , van een bedrag van EUR 3.154,05 (zegge: drieduizend honderdvierenvijftig euro en vijf eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 2.700,00 immateriële schadevergoeding (post immateriële schade) en EUR 454,05 materiële schadevergoeding (post kilometervergoeding). Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededaders is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 3.154,04 (zegge: drieduizend honderdvierenvijftig euro en vijf eurocent), te weten EUR 2.700,00 immateriële schadevergoeding (post immateriële schade) en EUR 454,05 materiële schadevergoeding (post kilometervergoeding).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededaders is betaald.

Indien de verdachte of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. J.J.A. Donkersloot, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 2 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Districtsrecherche ‘s-Hertogenbosch, onderzoek: 21300908_Chalet / OB1R016110_ [naam] , afgesloten d.d. 14 januari 2017, aantal pagina’s: 605. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 januari 2018.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 3 oktober 2017, p. 66 en 67.

4 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] , d.d. 12 mei 2009, p. 230 t/m 234.

5 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] , d.d. 13 mei 2009, p. 254 t/m 260.

6 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] , d.d. 14 mei 2009, p. 266.

7 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] , d.d. 14 mei 2009, p. 293 en 295.

8 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] , d.d. 14 mei 2009, p. 293 en 295.

9 Bijlage goederen p. 237-239.

10 Proces-verbaal technisch sporenonderzoek, p. 392.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 425.

12 Aanvullend proces-verbaal inzake [medeverdachte] , Rapport van het NFI 31 juli 2009 p. 78

13 Aanvullend proces-verbaal inzake [medeverdachte] , p. 82 t/m 86.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 431 en 432.

15 Verklaring van verdachte bij het onderzoek ter terechtzitting van 19 januari 2018

16 Aanvullend proces-verbaal inzake [medeverdachte] , p. 91 t/m 103.

17 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , d.d. 27 augustus 2009, p. 338 t/m 340.

18 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 oktober 2009, p. 341 en 342 en het nagekomen proces-verbaal van bevindingen, pv nummer 39, van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 27 juli 2017.

19 Proces-verbaal bevindingen d.d. 25 augustus 2009 p. 315 en verhoor aangeefster 25 augustus 2009 p. 317