Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4594

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
18_603
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de duurzaamheid. Verweerder gaat er vanuit dat voor werkneemster behandelmogelijkheden bestaan, maar dit standpunt is onvoldoende onderbouwd. Er had medische informatie moeten worden opgevraagd en ook had er onderzoek moeten worden gedaan naar de reden waarom de werkneemster de betreffende behandeling niet zou hebben ondergaan. Niet uitgesloten kan worden dat hieraan een ziekte ten grondslag ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/317 met annotatie van E. van den Bogaard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/603

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2018 in de zaak tussen

I.C.S. Nederland B.V., te Eindhoven, eiseres

(gemachtigde: mr. E.S. Träger),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat de

uitkering van [werkneemster] (werkneemster) ingevolge de Wet

werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ongewijzigd wordt voortgezet.

Bij besluit van 26 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2018. Namens eiseres is mr. V.A.J. Henskens, een kantoorgenoot van mr. Träger, verschenen. Namens verweerder is de gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De werkneemster was voor verweerder werkzaam als schoonmaakster en op 19 mei 2014 is zij uitgevallen vanwege nekklachten. Later zijn er ook psychische klachten ontstaan. Op 19 februari 2016 heeft de werkneemster een WIA-aanvraag gedaan. Bij besluit van 29 maart 2016 heeft verweerder vastgesteld dat werkneemster per 16 mei 2016 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 14 september 2016 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag het standpunt van verweerder dat werkneemster niet beschikt over benutbare mogelijkheden en dat dit geen duurzame situatie betreft.

2. Door eiseres is op 5 mei 2017 om een herbeoordeling verzocht.

3. De verzekeringsarts heeft geconstateerd dat de medische situatie van werkneemster niet afwijkt van de situatie zoals vastgesteld bij de vorige WIA-beoordeling. Bij het bestreden besluit neemt verweerder dan ook aan dat werkneemster weliswaar volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van haar medische klachten, maar dat geen sprake is van een situatie van duurzame arbeidsongeschiktheid met aanspraak op een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA).

4. Eiseres kan zich niet met dit standpunt van verweerder verenigen. Eiseres voert aan dat verweerders onderzoek onvoldoende zorgvuldig is. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster niet duurzaam is.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of werkneemster, op de datum in geding, gezien haar medische situatie duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht.

7. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

8. Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

9. De rechtbank oordeelt, in het licht van de hiervoor genoemde rechtspraak, dat de verzekeringsarts B&B onvoldoende heeft onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Hij gaat er namelijk vanuit dat voor werkneemster behandelmogelijkheden bij de GGZ bestaan, echter, voor deze conclusie biedt het dossier onvoldoende zekerheid. De mogelijkheid van deze behandeling wordt namelijk enkel aangegeven in stukken die zijn opgesteld ruim voor de datum hier in geding, zoals de brief van de huisarts van 5 januari 2016 en de eerdere rapporten van de verzekeringsarts (B&B) van 16 maart 2016 en

8 september 2016, die zijn opgesteld in het kader van de eindewachttijd beoordeling. Niet kan worden uitgesloten dat de situatie van werkneemster inmiddels is veranderd en wellicht voormelde behandeling niet meer als een reële optie wordt gezien. Nog los van deze onzekerheid biedt het dossier ook over de bedoelde opname zelf onvoldoende duidelijkheid. Zo blijkt geenszins wat voor behandeling het betreft en heeft de verzekeringsarts B&B ook niet nader geconcretiseerd wat het mogelijke resultaat hiervan is voor de werkneemster.

10. Gelet op het voorgaande is het onderzoek van de verzekeringsarts B&B te beperkt geweest. Er had in ieder geval medische informatie moeten worden opgevraagd bij bijvoorbeeld de huisarts of de GGZ.

11. Verder wijst de rechtbank erop dat bij de beoordeling van de duurzaamheid ook van belang is waarom een bepaalde behandeling niet is ondergaan. Indien dit namelijk het gevolg is van een ziekte of handicap, kan de betreffende behandeling het aannemen van de duurzaamheid niet in de weg staan. Dit blijkt ook uit verweerders beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’, waarin op de pagina’s 6 en 7 het volgende staat aangegeven:

“ Om te voorkomen dat cliënten met perspectief op verbetering van de belastbaarheid voortijdig als duurzaam beperkt worden aangemerkt en vooral om ervoor te zorgen dat mogelijkheden tot verbetering van de belastbaarheid daadwerkelijk worden benut, is ervoor gekozen dat cliëntgebonden factoren die verbetering van de belastbaarheid in de weg staan bij de beoordeling slechts een rol mogen spelen voor zover deze rechtstreeks samenhangen met het ziekteproces. Zo geldt als uitgangspunt dat cliënt adequaat herstelgedrag moet vertonen. Is dit niet het geval, dan wordt per definitie uitgegaan van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal opreden, tenzij het inadequate herstelgedrag het gevolg is van ziekte of handicap. Cliëntgebonden factoren kunnen alleen als een belemmering voor verbetering van de belastbaarheid worden geaccepteerd, indien er sprake is van verlies aan autonomie; een situatie waarin cliënt als gevolg van ziekte of handicap geen keuzevrijheid heeft en niet meer de rol kan vervullen die hij zou willen en moeten vervullen.”

12. In dit geval heeft de verzekeringsarts B&B in zijn rapport van 24 januari 2018 aangegeven dat bij werkneemster sprake is van een afwijkende coping, afwijkend herstelgedrag, gebrek aan steun van de omgeving, wellicht ziektewinst, irreële gedachten betreffende de (on-) mogelijkheden en deconditionering door pijn vermijdend gedrag. Uit dit rapport maakt de rechtbank ook op dat volgens de verzekeringsarts B&B geen sprake is van adequaat herstelgedrag. Niet gebleken is echter dat de verzekeringsarts B&B naar de door hem genoemde aspecten daadwerkelijk onderzoek heeft gedaan, terwijl daar wel aanleiding voor was gelet op de in het dossier genoemde angstklachten in verband met de behandeling. Ook uit andere, voorgaande, rapportages is de rechtbank van een dergelijk onderzoek niet gebleken. In het bijzonder wordt in dit verband nog gewezen op het rapport van de verzekeringsarts B&B van 8 september 2016 waarin expliciet is aangegeven dat hij naar de onderliggende motivatie waarom werkneemster niet wil worden opgenomen geen onderzoek heeft gedaan. Gelet op het gemis van een kenbaar onderzoek op dit punt, kan de rechtbank niet uitsluiten dat voormelde weigering van werkneemster zich te laten behandelen het gevolg is van een ziekte. Ook om deze reden acht zij verweerders onderzoek onzorgvuldig.

13. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat te onzeker is wanneer het onderzoek kan worden afgerond dat voor herstel van het gebrek nodig is. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van

€ 501 en een wegingsfactor 1).

16. Verweerder dient in het nieuw te nemen besluit eveneens opnieuw te beslissen over de in bezwaar verzochte proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman, rechter, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.