Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:444

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
01/994000-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor medeplegen van vastgoedfraude wordt verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/994000-15

Datum uitspraak: 1 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1961] ,

wonende te [postcode] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 november 2015 en 12, 13, 14, 18 en 19 december 2017 en 18 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 september 2015. De tenlastelegging is op de terechtzitting van 12 december 2017 gewijzigd. Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis is de tenlastelegging als ‘bijlage 1’ bij dit vonnis opgenomen. Deze bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

1 De geldigheid van de dagvaarding.

De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard ten aanzien van de zinsneden “ [verdachte] heeft (relevante) informatie verdoezeld en/of verzwegen […] voorgedaan als betrouwbare en/of integere en/of loyale directeur/bestuurder”, zoals aan verdachte is ten laste gelegd onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 (eerste cumulatieve/alternatieve feit). Kort samengevat heeft de verdediging hiertoe aangevoerd dat de tenlastelegging op de voormelde onderdelen steeds onvoldoende feitelijk is, waardoor de verdediging niet heeft kunnen vaststellen waartegen zij zich moet verweren.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat de omschrijvingen in de tenlastelegging, in combinatie met de inhoud van het dossier, een voldoende duidelijke en concrete opgave van de aan verdachte verweten gedragingen bevatten, zoals bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Dat verdachte wist waartegen hij zich moest verdedigen, blijkt eveneens uit hetgeen ter terechtzitting door en namens verdachte ter verdediging is aangevoerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte - door de wijze waarop de vorenbedoelde gedragingen in de tenlastelegging zijn omschreven - op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.

Het voorgaande geldt eveneens voor de door de raadsman bepleite partiële nietigheid met betrekking tot:

  • -

    de in feit 2 genoemde condities rondom verwerving;

  • -

    het in feit 3 genoemde maken van afspraken waardoor er voor [vereniging] financiële verplichtingen ontstonden en de eveneens bij dat feit opgenomen aanvullende samenwerkingsovereenkomst en de geldlening en de rekening-courantfaciliteit;

  • -

    het in feit 5 voor de tweede maal noemen van afspraken met [stichting 1] over beheer.

Verder heeft de verdediging de partiële nietigheid van de dagvaarding bepleit ten aanzien van de alternatief/cumulatief onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde verduistering. Hiertoe is aangevoerd dat niet tegelijk kan zijn opgelicht en verduisterd.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig wanneer daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar verenigbaar zijn. Vooropgesteld dient te worden dat het openbaar ministerie de vrijheid heeft te kiezen voor een alternatieve tenlastelegging. In combinatie met de inhoud van het dossier moet het dan voldoende duidelijk zijn welke verwijten aan verdachte worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in het onderhavige geval aan dat criterium voldaan. Of in een concreet geval sprake zal zijn van oplichting en/of verduistering zal vervolgens aan de orde moeten komen bij de inhoudelijke beoordeling van het bewijs.

Ook voor het overige is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

2 De bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

3 De ontvankelijkheid van de officieren van justitie.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat - kort samengevat - de opsporingsambtenaren van het ILT tijdens getuigenverhoren suggestieve vragen hebben gesteld en bovendien bewust en opzettelijk onjuiste informatie aan getuigen hebben voorgehouden, waardoor getuigen zijn misleid. Thans kan er geen onderscheid meer worden gemaakt tussen hetgeen getuigen uit zichzelf hebben verklaard en hetgeen zij ten gevolge van de misleidingen hebben verklaard, aldus de raadsman. Met hun optreden hebben de met opsporing belaste ambtenaren een ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan en niet meer gesproken kan worden van een fair trial in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

De rechtbank constateert dat aan een aantal getuigen onderzoeksbevindingen zijn voorgehouden waarvan later bekend is geworden dat de betreffende informatie onjuist was of waarvan op het moment van verhoren reeds bekend was, althans bekend kon zijn, dat deze informatie niet juist was. Dat er aan getuigen is voorgehouden dat er omtrent het beheer van de woningen in het kader van het project ‘ [naam project 1] ’ geen contacten geweest waren tussen [vereniging] en [stichting 1] , terwijl die contacten er aantoonbaar wel zijn geweest, vormt hiervan een voorbeeld. Vast staat daarmee dat een en ander niet zo is gegaan zoals het wel had moeten gaan.

De rechtbank constateert echter ook op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat dergelijke fouten zich niet veelvuldig hebben voorgedaan en dat, voor zover dit is gebeurd, van opzet niet is gebleken. Evenmin acht de rechtbank het aannemelijk geworden dat getuigen als gevolg van deze fouten op een voor verdachte nadelige wijze zijn beïnvloed. De rechtbank hecht er in dit verband belang aan dat de verdediging ruimschoots de gelegenheid is geboden om getuigen bij de rechter-commissaris nader te bevragen. Naar het oordeel van de rechtbank geven de bij de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de eerder door de betreffende getuigen afgelegde verklaringen in twijfel te trekken.

Het voorgaande mede in aanmerking nemende, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt dan ook verworpen.

Ambtshalve overweegt de rechtbank met betrekking tot de mogelijke verjaring van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten het navolgende.

Ten aanzien van feit 5 geldt dat verdachte wordt vervolgd ter zake van een feit als bedoeld in artikel 347 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Ingevolge het bepaalde in artikel 70, eerste lid sub 2, van het Wetboek van Strafrecht vervalt in geval van overtreding van het hiervoor genoemde artikel na zes jaren het recht tot strafvordering door verjaring. Op grond van artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht vangt de termijn van verjaring, bij een delict als in het onderhavige geval, aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Dat betekent dat er, uitgaande van de ten laste gelegde periode vanaf 1 januari 2007, in beginsel op 1 januari 2013 sprake zou zijn van verjaring. In artikel 72, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is evenwel bepaald dat elke daad van vervolging de verjaring stuit, waarna een nieuwe verjaringstermijn aanvangt. Als daad van vervolging dient te worden aangemerkt iedere formele daad uitgaande van het openbaar ministerie of de rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een uitvoerbare rechterlijke beslissing te geraken.

In dit verband merkt de rechtbank de vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming (BOB.018) d.d. 7 mei 2012 aan als een daad van vervolging in de zin van voormeld wetsartikel, welke een stuiting van de verjaring teweegbrengt. De conclusie van de rechtbank luidt dan ook dat het onder 5 ten laste gelegde feit niet is verjaard.

Onder feit 6 wordt verdachte vervolgd ter zake van passieve niet-ambtelijke omkoping ex artikel 328ter Wetboek van Strafrecht. Dit wetsartikel is ná de ten laste gelegde periode gewijzigd. De rechtbank zal in het hiernavolgende uitgaan van de delictsomschrijving van artikel 328ter (oud) Wetboek van Strafrecht zoals deze gold ten tijde van het tenlastegelegde feit, nu dit een voor verdachte gunstigere bepaling betreft. Op grond van artikel 70 Wetboek van Strafrecht geldt ook voor dit delict een verjaringstermijn van zes jaren. In navolging van onder andere het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 februari 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:377) merkt de rechtbank het delictsbestanddeel “in strijd met de goede trouw verzwijgen van het aannemen van een gift of belofte” aan als één voortdurende omissie. Hierdoor is het delict pas voltooid wanneer de verdachte niet langer in gebreke is. Hiervan uitgaande heeft de termijn van verjaring ten aanzien van de gift in elk geval niet eerder een aanvang genomen dan op of na de dag waarop de dienstbetrekking van verdachte bij [vereniging] werd beëindigd, derhalve medio 2012. De rechtbank concludeert dat het recht tot strafvordering ter zake van het onder 6 ten laste gelegde feit nog niet is verjaard.

Aldus kunnen de officieren van justitie in hun vervolging worden ontvangen.

4 Schorsing der vervolging.

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Standpunten van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben op de in het schriftelijk requisitoir gestelde gronden geconcludeerd dat het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 (eerste cumulatief) en feit 4 (eerste cumulatief) ten laste gelegde medeplegen van oplichting dient te worden bewezen verklaard. Indien de rechtbank tot vrijspraak van deze feiten zou komen, dan dient de (subsidiair c.q. tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde) verduistering te worden bewezen verklaard.

Verder achten de officieren van justitie het onder feit 5 ten laste gelegde handelen in strijd met de statuten/reglementen van [vereniging] wettig en overtuigend bewezen, net als de onder feit 6 ten laste gelegde niet-ambtelijke omkoping.

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde feit is door de officieren van justitie opgemerkt dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het gewoontewitwassen. Daarnaast is er onvoldoende bewijs voor het witwassen van een geldbedrag in een kluis in de [bank] te Lommel (België) en voor het witwassen van een 700.000,00 euro in de woning van verdachte, zodat verdachte ook ten aanzien van deze onderdelen dient te worden vrijgesproken. Verder bestaat er ten aanzien van het witwassen van het geldbedrag van 7.050,00 euro onvoldoende bewijs voor medeplegen. Voor het overige achten de officieren van justitie dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Standpunten van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder feiten 1 tot en met 4 ten laste gelegde oplichtingen. Onder meer is daartoe aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat veel van de in de tenlastelegging genoemde feitelijkheden weerlegd kunnen worden. Zo heeft verdachte wel degelijk de haalbaarheid van de projecten getoetst en is hij niet tekortgeschoten in zijn informatieplicht jegens de raad van commissarissen van [vereniging] . Verder is er geen sprake geweest van het ‘tussenschuiven’ van een derde partij ( [medeverdachte 1] ) en zijn de door die derde partij gerealiseerde waardensprongen helemaal niet onverklaarbaar. Evenmin heeft verdachte geld in privé ontvangen van de aan die derde partij ( [medeverdachte 1] ) verbonden personen, zodat er geen sprake is van het zich wederrechtelijk bevoordelen. Concluderend kan niet worden bewezen dat verdachte [vereniging] heeft opgelicht. Van verduistering is ook geen sprake omdat de betalingen aan [medeverdachte 1] voortvloeiden uit rechtsgeldige overeenkomsten, verdachte geen gelden onder zich had en van toe-eigening door verdachte geen sprake was.

Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde feit is onder meer aangevoerd dat, om te komen tot een bewezenverklaring van handelen in strijd met de statuten, op grond van artikel 347 (oud) Wetboek van Strafrecht vast dient te komen staan dat [vereniging] ‘ernstig nadeel’ heeft geleden. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met ‘ernstig nadeel’ bedoeld dat de rechtspersoon als gevolg van het overtreden van de statuten op een faillissement is afgestevend. Nu van een dergelijke situatie in de onderhavige zaak geen sprake is, dient verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken. Zo niet dan zal ontslag van rechtsvervolging moeten volgen.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit is aangevoerd dat het schilderij in de privésfeer aan verdachte is geschonken door een oude kennis die verdachte al kende lang voordat hij bij [vereniging] werkte. Nu niet kan worden bewezen dat het schilderij is gegeven ‘naar aanleiding van een doen of nalaten’ dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. In elk geval dient verdachte partieel te worden vrijgesproken ten aanzien van het gedeelte van de ten laste gelegde periode voorafgaand aan het moment dat hij zijn woning (en het schilderij) liet taxeren, omdat verdachte toen nog niet op de hoogte was van de hoge waarde van het schilderij en er dus geen sprake was van enig verzwijgen in strijd met de goede trouw.

Tot slot heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 7 ten laste gelegde witwassen van een geldbedrag in een kluis te Lommel (België), omdat hiervoor onvoldoende bewijs voorhanden is. Met betrekking tot de in de kruipruimte van de broer van verdachte aangetroffen koffer met 700.000 euro en de in de woning van verdachte aangetroffen enveloppe met 7.050 euro heeft de raadsman een beroep gedaan op de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde buitenwettelijke kwalificatie-uitsluitingsgrond, op grond waarvan verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraakoverweging t.a.v. feit 5.

Onder feit 5 is aan verdachte ten laste gelegd het als bestuurder van een rechtspersoon ( [vereniging] ) - buiten faillissement - medewerken of toestemmen tot handelen in strijd met statuten of reglementen, waarvan die rechtspersoon ernstig nadeel ondervond, zoals strafbaar is gesteld in artikel 347 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Kort en zakelijk weergegeven komt het verwijt erop neer dat verdachte in het kader van de projecten [naam project 1] (3.9) en [naam project 2] (3.8) relevante informatie voor de raad van commissarissen heeft verzwegen en de raad van commissarissen derhalve niet volledig of onjuist heeft geïnformeerd, ten gevolge waarvan [vereniging] ernstig nadeel heeft ondervonden.

Nu artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht met ingang van 1 juli 2016 is gewijzigd, dient de rechtbank na te gaan of, gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de bepaling van artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht in zijn huidige redactie van toepassing is te achten. In het midden latend of deze wijziging berust op een gewijzigd inzicht van de wetgever nopens de strafwaardigheid van de betreffende gedraging, is duidelijk dat de nieuwe bepaling voor verdachte in geen enkel opzicht gunstiger is. Daarom zal worden uitgegaan van artikel 347 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt vast dat deze bepaling is opgenomen in de titel met opschrift ‘Benadeling van schuldeisers of rechthebbenden’. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 347 (oud) van het Wetboek van Strafrecht een zeer beperkt toepassingsgebied kende. Laakbaar handelen van een bestuurder of commissaris bleef onbestraft indien het faillissement (bijvoorbeeld door ingrijpen van overheid, toezichthouders of derden met financiële injecties) werd afgewend of uitbleef.

Om te komen tot een bewezenverklaring van hetgeen op grond van artikel 347 (oud) van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte is ten laste gelegd, dient derhalve vast te komen staan dat [vereniging] als gevolg van de gedragingen van verdachte ernstig nadeel heeft ondervonden en dat haar voortbestaan in gevaar is gekomen. In dit verband overweegt de rechtbank dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting weliswaar aangenomen kan worden dat [vereniging] na de exit van verdachte in financieel zwaar weer is terechtgekomen, maar niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van ernstig nadeel in vorenbedoelde zin. Zo er al sprake is van ernstig nadeel, dan kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat dit nadeel rechtstreeks en uitsluitend dient te worden toegeschreven aan het handelen van verdachte. Dit geldt temeer nu uit het dossier blijkt dat de financiële problemen van [vereniging] deels zijn ontstaan toen het [stichting 2] bij haar beoordeling andere parameters ging hanteren.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 5 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Vrijspraakoverweging t.a.v. feit 2.

Onder feit 2 primair is aan verdachte ten laste gelegd - kort en zakelijk weergegeven - het medeplegen van oplichting van [vereniging] binnen het deelproject ‘ [naam project 3] ’ te Sint Maartensdijk. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient onder meer te worden bewezen dat verdachte bedrieglijk heeft gehandeld met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat er binnen dit project sprake is van een onverklaarbare waardevermeerdering. Immers is genoegzaam gebleken dat er in het kader van dit project diverse activiteiten zijn ontplooid door [medeverdachte 1] (dat wil zeggen: [medeverdachte 2] , wijlen [medeverdachte 3] en hun respectievelijke c.q. gezamenlijke ondernemingen), alsmede door de [betrokkene 1] die door [medeverdachte 1] was ingehuurd. Op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank derhalve niet concluderen dat de door [medeverdachte 1] behaalde opbrengst - bestaande in het waardeverschil binnen de AB-BC-constructie - dermate hoog is dat deze als buitenproportioneel of onverklaarbaar dient te worden aangemerkt.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en/of [medeverdachte 1] het oogmerk hebben gehad zich ten koste van [vereniging] wederrechtelijk te bevoordelen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 2 primair ten laste gelegde oplichting.

De onder feit 2 subsidiair aan verdachte ten laste gelegde verduistering acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen, nu niet is gebleken dat verdachte zich wederrechtelijk enig geldbedrag heeft toegeëigend. Verdachte zal derhalve ook van dit feit worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen als ‘bijlage 2’ aan dit vonnis gehecht (pagina’s 40 tot en met 67). De inhoud van deze bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsmiddelen van de feiten 1, 3 en 4 dienen in onderlinge samenhang te worden beschouwd.

Bijzondere bewijsoverwegingen.

M.b.t. de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten (oplichting c.q. verduistering).

- De rol van [medeverdachte 1]

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat medeverdachten [medeverdachte 2] en wijlen [medeverdachte 3] aan verdachte geldbedragen hebben toegeschoven naar aanleiding van vastgoedprojecten van [medeverdachte 1] ten behoeve van woningbouwvereniging [vereniging] . Dat ook [medeverdachte 3] bij die betalingen betrokken is geweest, leidt de rechtbank af uit hun verklaringen over de intensieve en volledige samenwerking binnen [medeverdachte 1] tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en het overzicht van contante geldopnamen door beiden en hun ontmoetingen met verdachte.

Met name de gang van zaken rond de ontmoeting tussen verdachte en [medeverdachte 3] op 25 juli 2011 sterkt de rechtbank in de overtuiging dat [medeverdachte 3] bij deze betalingen nauw betrokken was. Een andere reden waarom [medeverdachte 3] bij gelegenheid van zijn ontmoeting met verdachte die dag persé wilde kunnen beschikken over een contant geldbedrag van 12.500,00 euro dan dat hij dit geldbedrag aan verdachte wilde overhandigen is ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Bij de overtuiging van de rechtbank speelt voorts een belangrijke rol dat zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 3] tegenover de verbalisanten vragen over de wetenschap van [medeverdachte 3] dienaangaande niet hebben willen beantwoorden. Niet valt in te zien waarom zij niet direct daar openheid van zaken over hebben willen geven als [medeverdachte 3] niet van de douceurtjes wist.

De rechtbank houdt [medeverdachte 2] aan zijn tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring dat hij vanaf het eerste project uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan verdachte, dat verdachte daarom had gevraagd, dat de hoogte van die geldbedragen afhankelijk was van het resultaat van een project en dat hij bang was dat een deal met [vereniging] anders niet door zou gaan. Deze verklaring heeft [medeverdachte 2] spontaan, uit zichzelf en zonder enige beperking daarin afgelegd toen hem werd gevraagd naar de reden waarom verdachte naar hem had verwezen toen door [naam 1] aan verdachte het project [naam project 4] in Terneuzen werd aangeboden. Van ongeoorloofde druk op [medeverdachte 2] is niet gebleken. [medeverdachte 2] heeft immers verklaard dat het afleggen van de verklaring voor hem een opluchting was en hij heeft bij die verklaring tegenover de rechter-commissaris in grote lijnen volhard.

De afzwakking van zijn verklaring met betrekking tot het aantal keren dat [medeverdachte 2] dat zou hebben gedaan (het was geen gewoonte, het betrof slechts 4 of 5 keer) en de beperking van de periode (uiterlijk tot 2006) waarover dat zou zijn gebeurd tegenover de rechter-commissaris acht de rechtbank ongeloofwaardig en past niet bij het overzicht van contante geldopnamen van zijn in Nederland bekende bankrekeningen en de samenloop met ontmoetingen met verdachte. Daarbij merkt de rechtbank op dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij ook contante geldbedragen meenam uit Zwitserland. Deze Zwitserse geldopnamen zijn niet meegenomen in het overzicht. De rechtbank merkt verder op dat [medeverdachte 2] tegenover de verbalisanten van het ILT uit zichzelf verklaarde omtrent deze betalingen aan verdachte en de achtergrond daarvan, en daarbij noch in tijdsperiode noch in aantal enige beperking heeft aangebracht. Het had naar het oordeel van de rechtbank gelet op die verklaring zonder meer voor de hand gelegen dat [medeverdachte 2] deze beperkingen dan direct zou hebben verteld, nu hij ook zichzelf met deze verklaring belastte. Ook de reden waarom [medeverdachte 2] zou zijn gestopt met de betalingen (zijn vrouw was het er niet mee eens, het volgen van een opleiding in de makelaardij) overtuigt de rechtbank geenszins, bezien in combinatie met het volgens [medeverdachte 2] uitblijven van enige reactie van de zijde van verdachte op dit stoppen van betalingen. Dit deel van de verklaring staat in een schril contrast met het gebruik van douceurtjes in de wereld van het vastgoed waarover [medeverdachte 2] verklaarde, de gegroeide gewoonte om verdachte afhankelijk van het resultaat te belonen, de bij [medeverdachte 2] levende angst dat deals niet door zouden gaan als hij niet zou betalen, de vraag van verdachte om geld en de omstandigheid dat [medeverdachte 1] ook na 2006 door verdachte werd aanvaard als contractpartij voor [vereniging] .

- De rol van verdachte binnen de organisatie van [vereniging]

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte binnen de woningbouwvereniging [vereniging] , als directeur-bestuurder, in de ten laste gelegde periode een sleutelpositie bekleedde, waarin hij zich mede door zijn wijze van optreden kon onttrekken aan een effectieve controle door de raad van commissarissen. Dit blijkt onder meer uit de navolgende omstandigheden. Verdachte had een vergaande bevoegdheid tot acquireren en verwierf zelfstandig registergoederen/projecten, waarbij hij zelf de onderhandelingen voerde en solistisch te werk ging, waardoor [vereniging] voor voldongen feiten werd gesteld. De bij [vereniging] werkzame projectmanagers werden pas na de acquisitie bij projecten betrokken, terwijl verdachte zich ook dan met de uitvoering van projecten bleef bemoeien, in ieder geval wat betreft de keuze van architecten en aannemers. Bij de vergaderingen van de raad van commissarissen had verdachte grote invloed op de agendering en was hij bovendien verantwoordelijk voor de selectie van de stukken die daarbij ter sprake kwamen. Tijdens deze vergaderingen voerde verdachte het woord, lichtte hij geagendeerde onderwerpen toe en beantwoordde hij vragen van commissarissen. De raad van commissarissen was hierdoor afhankelijk van verdachte voor wat betreft de informatie over acquisities en lopende projecten.

Dat verdachte in bepaalde gevallen was gemandateerd om zelfstandig beslissingen te nemen, neemt niet weg dat hij op grond van de reglementen was gehouden om de raad van commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren. Dat [vereniging] mogelijk in financiële zin profijt heeft gehad van het door verdachte gevoerde beleid, doet er niet aan af dat verdachte de voor hem gunstige omstandigheid heeft gecreëerd waarin de raad van commissarissen kennelijk onvoldoende in staat was controle te houden op zijn bestuurlijk optreden.

- Het project [naam project 4] (feit 1)

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat het project [naam project 4] te Terneuzen op 23 juni 2005 rechtstreeks door de [naam 1] van [bedrijf 1] / [bedrijf 2] aan verdachte, in zijn hoedanigheid als directeur-bestuurder van [vereniging] , is aangeboden. Verdachte heeft daarop zijn interesse in het project kenbaar gemaakt, maar heeft [naam 1] voor het verdere zakendoen doorverwezen naar [medeverdachte 2] , die samen met diens zakelijke partner [medeverdachte 3] op dat moment hun gezamenlijke onderneming [medeverdachte 1] aan het opzetten was.

[medeverdachte 1] heeft het project uiteindelijk gekocht van [bedrijf 1] voor een bedrag van 2.225.000,00 euro en het vervolgens voor een bedrag van 2.866.573,67 euro doorverkocht aan [vereniging] , terwijl naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat binnen dit project door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 1] ) werkzaamheden zijn verricht die deze prijsstijging kunnen rechtvaardigen, waarbij de rechtbank in haar overweging betrekt dat er in dit project reeds een projectontwikkelaar actief was. De bewering van verdachte dat [medeverdachte 1] bij het project [naam project 4] onmisbaar was omdat [vereniging] zelf geen ontwikkelmogelijkheden had, gaat daarom niet op. De toegevoegde waarde van [medeverdachte 1] bij deze projecten is ook bij de behandeling ter terechtzitting niet gebleken. [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat dit project echt een handelsproject was en dat zij daar geen noemenswaardige werkzaamheden in hebben verricht. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] worden door getuigen beschreven als handelaars in onroerend goed en niet als projectontwikkelaars. De hoogte van de door [medeverdachte 1] ontvangen betalingen was disproportioneel.

De rechtbank concludeert dat verdachte, in zijn positie als directeur-bestuurder, het project rechtstreeks en voor een veel lagere prijs van [bedrijf 1] had kunnen kopen. Zoals hierboven overwogen bekleedde verdachte een sleutelpositie die hem in staat stelde om [medeverdachte 1] bij de aankoop van dit object een rol te geven en hen via een AB-BC-transactie te bevoordelen. Zoals eveneens hierboven is overwogen, heeft [medeverdachte 1] de met die transactie verkregen winst met verdachte gedeeld door het toestoppen van douceurtjes.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aan de raad van commissarissen een onvolledig beeld heeft geschetst en de voor goedkeuring vooraf of achteraf wezenlijke informatie heeft onthouden nu niet werd medegedeeld dat [vereniging] het project [naam project 4] zonder tussenkomst van [medeverdachte 1] had kunnen verwerven. Bovendien heeft verdachte jegens de raad van commissarissen de indruk laten bestaan dat bij de aankoop van het project de belangen van [vereniging] op een zo goed mogelijke wijze werden gediend, terwijl verdachte en zijn mededaders tevens een persoonlijk financieel belang hadden bij de transactie. Dat laatste heeft verdachte aan de raad van commissarissen evenmin gemeld. Zou verdachte de raad van commissaris over het voorgaande wel volledig hebben geïnformeerd, dan staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de raad van commissarissen zou hebben ingegrepen en de aankoop van dit project niet zou hebben plaatsgevonden. Door het optreden van verdachte - zowel tijdens als rond de vergaderingen - heeft hij binnen de raad van commissarissen de onjuiste voorstelling doen ontstaan dat zij te maken hadden met een betrouwbare bestuurder.

De rechtbank merkt de gedragingen van verdachte en diens medeverdachten aan als listige kunstgrepen en het aannemen van een valse hoedanigheid. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte en diens medeverdachten middels deze gedragingen [vereniging] voor wat betreft het project [naam project 4] hebben bewogen het aankoopbedrag voor dit project aan de notaris en daarmee aan [medeverdachte 1] te betalen. Het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van oplichting acht de rechtbank hiermee wettig en overtuigend bewezen.

- Het project [naam project 1] (feit 3)

Vooropgesteld moet worden dat het ten laste gelegde verwijt erop neerkomt dat verdachte [vereniging] ‘met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen’ heeft bewogen tot het aangaan van een schuld en/of de afgifte van een goed. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat uitsluitend het kopen van aandelen in [bedrijf 4] (ten bedrage van 262.000 euro) kan worden aangemerkt als een gedraging die erop is gericht zichzelf en anderen te bevoordelen. Dat geldt niet voor het aangaan van de aanvullende samenwerkingsovereenkomst en de voor [vereniging] daaruit voortvloeiende verplichtingen. Immers kan niet worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten hiermee het oogmerk hadden van wederrechtelijke bevoordeling.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vervolgens het navolgende vast. De samenwerking in project [naam project 1] heeft geleid tot het aangaan van twee overeenkomsten tussen aannemersbedrijf [bedrijf 5] enerzijds en [vereniging] en [medeverdachte 1] ) als opdrachtgever anderzijds. Het betreft de “Samenwerkings-overeenkomst Herontwikkeling [adres 2] te Terneuzen” d.d. 19 januari 2006 en de “Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling [adres 2] ” d.d. 21 november 2007 (hierna: de ASOK). Hierin zijn door de betrokken partijen afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het project en is onder meer contractueel vastgelegd dat aan het einde van het project tussen partijen zou worden afgerekend.

In het kader van de ontwikkeling van dit project is op 25 april 2007 de werkmaatschappij “ [bedrijf 6] .” opgericht. De helft van de aandelen [bedrijf 6] . werd gehouden door aannemer [bedrijf 5] en de andere helft door [bedrijf 4] , zijnde een houdstermaatschappij waarin [vereniging] (Holding) en medeverdachte [medeverdachte 1] elk voor 50% aandeelhouder waren. [medeverdachte 1] en [vereniging] bezaten dus beiden 50% van de aandelen in [bedrijf 4] , die op haar beurt weer de helft van de aandelen in [bedrijf 6] . bezat.

Op 21 december 2007 is door [vereniging] het aandelenpakket [bedrijf 4] gekocht van [medeverdachte 1] voor een bedrag van 262.500 euro. Onderstaand volgt een korte samenvatting van de gebeurtenissen voorafgaand aan deze aandelenverkoop.

Uit het intranet van [medeverdachte 1] valt op te maken dat er op 19 november 2007 een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 3] tijdens die ontmoeting onder meer ‘onze exit’ (van [medeverdachte 1] ) zou gaan bespreken. Dat deze ontmoeting heeft plaatsgevonden vindt bevestiging in een declaratieformulier dat is aangetroffen bij [vereniging] . Op de daaropvolgende dag, 20 november 2007, is er e-mailcorrespondentie geweest tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , kennelijk betrekking hebbend op de verkoop van de aandelen in [bedrijf 4] In deze e-mails zijn onder meer berekeningen gemaakt van de beoogde winstmarges voor [bedrijf 5] , [vereniging] en [medeverdachte 1] .

Vervolgens is op 21 november 2007 de ASOK ondertekend, waarbij op nadrukkelijk aandringen van verdachte (handmatig) een voorgecalculeerde brutomarge werd opgenomen en door de betrokken partijen geparafeerd. Deze brutomarge werd vastgesteld op 2.100.000,00 euro en werd als volgt verdeeld: 600.000,00 euro voor [vereniging] , 500.000,00 euro voor [medeverdachte 1] en 1.000.000,00 euro voor [bedrijf 5] . De rechtbank stelt vast dat de in deze verdeling genoemde marges nagenoeg gelijk zijn aan de marges welke in de e-mailcorrespondentie (in de bijlage onder C) tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] werden vermeld.

Op 4 december 2007 werd er vervolgens door [medeverdachte 3] , namens [medeverdachte 1] een brief gestuurd aan [vereniging] waarin werd verzocht om het winstdeel ad 500.000,00 euro uit te betalen, hetzij als voorschot op het resultaat, dan wel d.m.v. aandelenoverdracht in [bedrijf 4] aan woningbouwvereniging [vereniging] . Het genoemde bedrag komt overeen met dat uit de handgeschreven aanvulling in de ASOK. Naar aanleiding van deze brief heeft verdachte aan [betrokkene 3] , op dat moment Hoofd Financiën bij [vereniging] , verzocht om aan de hand van de winstmarges de prijs voor de aandelenoverdracht te berekenen. [betrokkene 3] kwam daarop met een voorstel van 187.500,00 euro. Dit bedrag vond verdachte te laag waarop hij het eenzijdig heeft verhoogd tot 262.500,00 euro, waarna op 21 december 2007 door [vereniging] een bedrag van 262.000,00 euro voor de aandelen werd betaald.

Uit de vorenomschreven feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte en diens medeverdachten de exit van [medeverdachte 1] reeds voorafgaand aan het sluiten van de ASOK hebben besproken met het kennelijke doel een goede prijs voor de aandelen van [medeverdachte 1] in [bedrijf 4] te realiseren. De sleutelpositie van verdachte binnen [vereniging] , zoals hierboven beschreven, stelde hem in staat om eenzijdig en zonder deugdelijke onderbouwing over te gaan tot uitkoop van [medeverdachte 1] , althans hen een geldbedrag te doen toekomen. Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van het sluiten van de ASOK niet waarschijnlijk achtte dat er een hogere winst zou worden gerealiseerd en ook dat hij het toen ‘hard ball’ heeft gespeeld. De rechtbank begrijpt dat verdachte hiermee stelt namens [vereniging] hard te hebben onderhandeld. Verdachte heeft vervolgens begin december - na ontvangst van de brief van [medeverdachte 1] - [betrokkene 3] , kennelijk zonder enig protest van diens kant, een berekening en constructie laten bedenken om aan dit verzoek van [medeverdachte 1] tot overname van de aandelen gevolg te geven. Geconfronteerd met de omstandigheid dat verdachte deze vergoeding voor de aandelenoverdracht op 262.000,00 euro heeft gesteld terwijl [betrokkene 3] na een berekening tot een aanzienlijk lager bedrag was gekomen, heeft verdachte geen andere verklaring kunnen geven dan dat hij vond dat “ [medeverdachte 1] een hoger bedrag toekwam en [medeverdachte 1] niet nog eens het vel over de oren gehaald moest worden”. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk, temeer nu verdachte uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren komt als scherpe onderhandelaar bij wie een dergelijke vrijgevigheid, zonder enige nadere onderbouwing, niet past, zeker niet nu hij heeft verklaard de onderhandelingen ‘hard ball’ te hebben gespeeld.

De rechtbank vindt bovendien de timing van de verkoop van de aandelen door [medeverdachte 1] opmerkelijk. Op dat moment was nog niet begonnen met de bouw en [vereniging] wilde dat [medeverdachte 1] betrokken bleef bij het project. Uit het niets lijkt [medeverdachte 1] - in een tijd waarin niet te voorzien was dat de winst zou stijgen - een verzoek te doen tot overname van de aandelen en daarmee uitbetaling van een geprognosticeerd resultaat, waaraan door verdachte zonder enige slag of stoot gevolg aan wordt gegeven op een manier die afwijkend is van zijn normale zakelijke benadering.

Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken en in aanmerking genomen dat door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] per project geld in privé aan verdachte werd toegeschoven, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte en zijn medeverdachten de uitkoop van de aandelen vooraf hebben geregisseerd en zichzelf met de opbrengsten daarvan hebben bevoordeeld. Bij haar oordeel neemt de rechtbank tevens in overweging dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat de ASOK ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van commissarissen, hoewel dit wel had moeten gebeuren. Hiermee heeft verdachte aan de raad van commissarissen een onvolledig beeld geschetst en tevens informatie onthouden die wezenlijk was voor voorafgaande dan wel ad hoc goedkeuring omtrent de koopovereenkomst betreffende de aandelen van [medeverdachte 1] in [bedrijf 4]

Ook hier geldt dat de raad van commissarissen erop mocht vertrouwen dat de directeur van [vereniging] aan de raad van commissarissen de juiste en volledige informatie gaf omtrent het project [naam project 1] . Binnen de raad van commissarissen bestond door het optreden van verdachte ten tijde van en rond de vergaderingen de onjuiste voorstelling dat verdachte een betrouwbare bestuurder was. Ware de raad van commissarissen volledig geïnformeerd geweest, dan zou zij hebben ingegrepen door minst genomen verdachte hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. De gedragingen van verdachte en diens medeverdachten kunnen hiermee worden aangemerkt als listige kunstgrepen en het aannemen van een valse hoedanigheid.

Concluderend acht de rechtbank de onder 3 (eerste alternatief/cumulatief) ten laste gelegde medeplegen van oplichting wettig en overtuigend bewezen, zoals na te melden.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 (tweede alternatief/cumulatief) ten laste gelegde verduistering, omdat niet is gebleken dat de verdachte zich de gelden op enig moment wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht.

- Het project [naam project 2] (feit 4)

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het [bedrijf 7] , zijnde een ontwikkelaar van projecten, eind 2009 op zoek was naar een afnemer voor haar project [naam project 2] . [directeur bedrijf 7] van [bedrijf 7] was in contact gekomen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] van [medeverdachte 1] en dat heeft geleid tot een gesprek op 9 maart 2010 tussen die partijen, waarbij van de zijde van [medeverdachte 1] kenbaar werd gemaakt dat zij wel een afnemer voor het project wist, naar later bleek [vereniging] .

Een en ander heeft geleid tot het tot stand komen van een tweetal intentieovereenkomsten in juli 2010; één tussen [bedrijf 7] en [medeverdachte 1] en één tussen [medeverdachte 1] en [vereniging] . Het project [naam project 2] is in de daaropvolgende maanden ontwikkeld en uiteindelijk heeft op 29 december 2011, in de vorm van een AB-BC-transactie, de levering plaatsgevonden van grond en appartementsrechten in dit project. Dit werd door [bedrijf 7] verkocht aan [medeverdachte 1] Planontwikkeling B.V. voor een bedrag van 4.802.067,31 euro en werd door [medeverdachte 1] Planontwikkeling B.V. aan [vereniging] verkocht voor een bedrag van 6.510.879,00 euro.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] zich, nadat zij een potentiële koper voor het project [naam project 2] aan [bedrijf 7] had aangedragen, niet heeft teruggetrokken maar als tussenpersoon tussen [bedrijf 7] en [vereniging] in het project is blijven zitten. Uit de door [medewerker vereniging] van [vereniging] en [directeur bedrijf 7] van [bedrijf 7] afgelegde verklaringen maakt de rechtbank op dat de rol van [medeverdachte 1] als tussenpersoon geen logisch doel diende en dat wat [bedrijf 7] betreft rechtstreeks zaken gedaan hadden kunnen worden met [vereniging] . Weliswaar hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] als vertegenwoordigers van [medeverdachte 1] verschillende vergaderingen bijgewoond, maar de rechtbank kan op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet anders dan concluderen dat dit enkel is gebeurd met de bedoeling om uiteindelijk een grote financiële vergoeding van ruim anderhalf miljoen euro op te strijken. Niet is inzichtelijk gemaakt en ook niet is inzichtelijk geworden welke concrete inspanningen daartoe door [medeverdachte 1] zijn verricht.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank in dit verband dat de door [medeverdachte 3] in zijn brief (DOC.141) van 19 maart 2012 opgevoerde kosten, welke kosten door [medeverdachte 1] in verband met dit project zouden zijn gemaakt en waarnaar door de raadsman van [medeverdachte 2] is verwezen, blijkens de inhoud van diezelfde brief kennelijk reeds in de koopprijs (verkoop A-B) waren verdisconteerd. Hieruit volgt dat met de in deze brief opgevoerde kosten de door [medeverdachte 1] gestelde waardestijging niet wordt verklaard of gerechtvaardigd. Dit geldt temeer nu door [bedrijf 7] met de door haar verrichte ontwikkelingswerkzaamheden in dit project slechts een half miljoen euro werd verdiend.

Verder overweegt de rechtbank dat de verklaring van verdachte, inhoudende dat de rol van [medeverdachte 1] bij dit project onmisbaar was omdat [vereniging] zelf geen projecten ontwikkelde, geen stand houdt nu er met [bedrijf 7] reeds een ontwikkelaar in dit project aanwezig was.

Op grond van het bovenstaande en in aanmerking genomen dat door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] per project geld in privé aan verdachte werd toegeschoven, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte en zijn medeverdachten deze constructie in het leven hebben geroepen teneinde zichzelf met de opbrengsten daarvan te bevoordelen. [vereniging] is hierdoor uiteindelijk benadeeld, nu zij goedkoper uit zou zijn geweest wanneer zij het project - al dan niet onder betaling van een ‘aanbreng-fee’ aan [medeverdachte 1] - rechtstreeks van [bedrijf 7] zou hebben afgenomen.

Ook hier geldt dat de raad van commissarissen erop mocht vertrouwen dat de directeur van [vereniging] hen de juiste en volledige informatie gaf omtrent het project [naam project 2] . Binnen de raad van commissarissen bestond door het optreden van verdachte ten tijde van en rond de vergaderingen de onjuiste voorstelling dat verdachte een betrouwbare bestuurder was. Indien verdachte de raad van commissarissen volledig had geïnformeerd, dan zou zij niet met deze kooptransactie akkoord zijn gegaan.

De rechtbank merkt de gedragingen van verdachte en diens medeverdachten aan als listige kunstgrepen en het aannemen van een valse hoedanigheid. De rechtbank acht het onder 4 (eerste alternatief/cumulatief) ten laste gelegde medeplegen van oplichting wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte zal ook ten aanzien van dit feit worden vrijgesproken van de alternatief/cumulatief ten laste gelegde verduistering, omdat niet is gebleken dat de verdachte zich de gelden op enig moment wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht.

M.b.t. het onder 6 ten laste gelegde feit (de passieve niet-ambtelijke omkoping).

Vooropgesteld moet worden dat blijkens vaste jurisprudentie het in strijd met de goede trouw verzwijgen van het aannemen van een gift dient te worden aangemerkt als één voortdurende omissie. Het delict wordt derhalve gepleegd gedurende de gehele periode waarin het ontvangen van een gift in strijd met de goede trouw tegenover de werkgever wordt verzwegen.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte tussen eind 2009 en medio 2010 van de [betrokkene 4] een schilderij getiteld ‘Zwarte Vlag’ geschonken heeft gekregen. Blijkens het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel betreffende [vereniging] was verdachte met ingang van 1 oktober 2001 aangesteld als enig directeur/bestuurder van [vereniging] en stond hij aldus in civielrechtelijk dienstbetrekking tot [vereniging] .

Van de zijde van de verdediging is onder meer aangevoerd dat het schilderij in de privésfeer door [betrokkene 4] aan verdachte is geschonken. De rechtbank stelt in dit verband het navolgende vast.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 4] via diens personal holding [naam personal holding] aandelen bezit in het bedrijf [bedrijf 8] , waarvan hij volledig eigenaar is. Volgens de website van [vereniging] , welke op 5 december 2011 door verbalisanten is geraadpleegd, ontwikkelden [vereniging] en [bedrijf 8] samen diverse projecten, waaronder een woonwijk genaamd [wijk 1] te Tilburg (418 woningen en commerciële ruimten) en [wijk 2] (194 appartementen). [getuige] , voormalig secretaresse van verdachte, noemt [bedrijf 8] als een van de externe partijen waarmee verdachte (zakelijk) contacten onderhield. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat door [betrokkene 4] ook giften aan [vereniging] werden gedaan, welke giften op het kantoor van [vereniging] zijn gebleven. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat tussen [betrokkene 4] en verdachte (ook) een zakelijke relatie bestond.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat binnen [vereniging] een integriteitscode gold waarin gedragsregels zijn neergelegd om op integere wijze te handelen. Dit protocol, dat zich tot eenieder binnen de organisatie richt, vermeldt onder meer dat “geschenken van partijen waarmee [vereniging] in onderhandeling is of mogelijk komt of waarmee [vereniging] (mogelijk gaat) samenwerken nooit [worden] aanvaard”. Reeds door het geschenk van [betrokkene 4] te aanvaarden heeft verdachte in strijd met de integriteitscode en dus in strijd met de goede trouw gehandeld.

Ten aanzien van acceptatie vermeldt de integriteitscode voorts de volgende richtlijn: “ontvangst van relatiegeschenken moet altijd gemeld worden bij de leidinggevende. Bij twijfel over de waarde (boven 'alledaags karakter') van het relatiegeschenk, maakt de leidinggevende de afweging of het geschenk aangenomen mag worden.”

Gelet op de functie van verdachte als directeur-bestuurder had hij de gift in zijn geval dienen te melden bij de overige leden van het directieteam, dan wel bij de raad van commissarissen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze gift binnen [vereniging] nooit heeft gemeld. Als reden daarvoor heeft verdachte onder meer aangevoerd dat hij - tot het moment dat zijn inboedel werd getaxeerd - niet wist dat het schilderij waarde had. De rechtbank is van oordeel dat verdachte reeds op grond van de aard van de gift had moeten vermoeden dat de waarde ervan aanzienlijk hoger lag dan een gift met een alledaags karakter. Het betrof immers geen kamerplant of doos bonbons of een hiermee vergelijkbare gift. Mede gelet op de aard van de gift had het in elk geval op de weg van verdachte gelegen om onderzoek te doen naar de waarde ervan.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat niet kan worden bewezen dat het schilderij is gegeven ‘naar aanleiding van een doen of laten’ overweegt de rechtbank

volledigheidshalve nog het volgende. Om te komen tot een bewezenverklaring hoeft niet te worden aangetoond dat de persoon die de gift heeft ontvangen iets heeft gedaan dat hij anders niet zou hebben gedaan. Het in algemene zin in stand houden van een goede relatie is voldoende concreet (zie Hoge Raad 27 november 1990, NJ 1991/318). In het kader van de onderhavige zaak is voldoende concreet dat [betrokkene 4] het schilderij heeft geschonken teneinde de goede zakelijke relatie tussen [vereniging] en [bedrijf 8] in stand te houden.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het voorgaande in aanmerking nemende, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 6 ten laste gelegde feiten, zoals na te melden.

M.b.t. het onder 7 ten laste gelegde feit (witwassen).

Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen voor zover betrekking hebbend op het geldbedrag in een kluis bij de [bank] te Lommel en het geldbedrag van 700.000,00 euro in de woning van verdachte. Verdachte zal daarom in zoverre van het onder 7 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Naast de bovengenoemde bedragen ziet de tenlastelegging op een enveloppe in de woning van verdachte met daarin 7.050,00 euro en op een koffer in de kruipruimte van de woning van de broer van verdachte met daarin 700.000,00 euro. Hieromtrent overweegt de rechtbank het navolgende.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Hoewel er naar het oordeel van de rechtbank aanwijzingen bestaan dat de in de koffer en in de enveloppe aangetroffen geldbedragen verband houden met de bewezenverklaarde oplichtingspraktijken van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor een direct verband. De rechtbank neemt bij haar beoordeling dan ook als uitgangspunt dat er geen bewijs aanwezig is voor een specifiek gronddelict.

De rechtbank dient vervolgens vast te stellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien een dergelijk geval zich voordoet, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Met betrekking tot de koffer met geld stelt de rechtbank in dit verband het navolgende vast.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 22 mei 2012 in de kruipruimte in de woning van de broer van verdachte een koffer werd aangetroffen met daarin een geldbedrag van in totaal 700.000,00 euro, bestaande uit 142 coupures van 100 euro, 1579 coupures van 200 euro en 740 coupures van 500 euro. Verdachte heeft erkend dat hij de eigenaar is van de koffer en dat hij die koffer daar zelf heeft verstopt.

Gelet op de omvang van het contante geldbedrag, de grootte van de coupures en de wijze waarop het bedrag werd bewaard, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. In dat geval is het aan de verdachte om met een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te komen over de herkomst van het geld, teneinde een mogelijk legaal karakter daarvan niet langer uitgesloten te doen zijn.

Verdachte heeft aanvankelijk niet willen verklaren over de herkomst van het in de koffer aangetroffen geldbedrag. Eerst in zijn verweerschrift van 16 november 2016 heeft verdachte een verklaring gegeven - het geldbedrag zou afkomstig zijn van betalingen voor in de jaren ’90 van de vorige eeuw verrichte advieswerkzaamheden, uitbetaald in de periode dat hij bij [vereniging] werkzaam was - maar verdachte heeft die verklaring op geen enkele wijze nader controleerbaar of verifieerbaar gemaakt. Over de aard van de advieswerkzaamheden en de opdrachtgevers heeft verdachte, ondanks dat hij hiertoe op de terechtzitting nadrukkelijk toe in de gelegenheid is gesteld, niets willen verklaren.

De rechtbank concludeert aldus dat verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geldbedrag. Dat maakt tevens dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een nader onderzoek door het openbaar ministerie naar de herkomst van het geld. Al het voorgaande in overweging nemende is de rechtbank dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het in de koffer aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist.

Met betrekking tot de enveloppe met geld stelt de rechtbank voorts het navolgende vast.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 21 mei 2012 in de woning van verdachte een enveloppe werd aangetroffen met daarin een geldbedrag van in totaal 7.050,00 euro. In het licht van de bewezenverklaarde oplichting van [vereniging] , in het kader waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake was van geldstromen tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] enerzijds en verdachte anderzijds, en daarbij in aanmerking genomen de ongebruikelijke plek waarop de enveloppe werd aangetroffen - te weten in een handleiding van een apparaat, achter de leiding van een boiler - is de rechtbank van oordeel dat sprake is van dermate sterke witwastypologieën dat een vermoeden van witwassen hier gerechtvaardigd is. Ook in dit geval is het aan verdachte om met een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te komen over de (legale) herkomst van het geld.

In dit verband heeft verdachte eerst op de terechtzitting van 13 december 2017 verklaard dat het in de enveloppe aangetroffen geld afkomstig was uit het vermogen van 70.000,00 euro waarvan verdachte op 5 maart 2010, in het kader van de ‘inkeerregeling’, bij de Belastingdienst aangifte had gedaan. De rechtbank volgt deze verklaring van verdachte niet, temeer nu verdachte met betrekking tot de herkomst van de inhoud van deze enveloppe niets heeft verklaard tijdens de eerdere ILT-verhoren, terwijl het juist voor de hand had gelegen deze (voor hem ontlastende) informatie direct aan de opsporingsambtenaren kenbaar te maken.

Door verdachte is ter terechtzitting van 13 december 2017 verder nog verklaard dat hij de enveloppe met geld op de betreffende plek had verstopt zodat hij dit geld bij een eventuele woningoverval aan zijn overvallers kon geven, in de hoop die hierdoor te stoppen met hun overval. Afgezien van het feit dat de rechtbank deze verklaring uiterst onaannemelijk acht - temeer nu de ex-partner van verdachte verklaarde niet van de enveloppe met geld op de hoogte te zijn, zodat zij bij afwezigheid van verdachte geen gebruik zou kunnen maken van deze gestelde truc - heeft de verdachte hiermee slechts een verklaring gegeven over de ongebruikelijke vindplaats van dat geldbedrag en niet over de herkomst ervan.

De rechtbank concludeert dat verdachte ook ten aanzien van de enveloppe geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven omtrent de herkomst van het daarin aangetroffen geldbedrag. Dat maakt dat er dan ook geen aanleiding is voor een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Gezien het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan dan dat het geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit kennelijk ook wist.

De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot zowel het in de koffer als het in de enveloppe aangetroffen geldbedrag een beroep gedaan op de in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde bijzondere kwalificatie-uitsluitingsgrond voor gevallen waarin sprake is van het witwassen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Deze kwalificatie-uitsluitingsgrond komt erop neer dat, indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld-)witwassen kan worden gekwalificeerd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe dat, zoals hierboven door de rechtbank reeds is overwogen, niet kan worden vastgesteld dat de betreffende geldbedragen afkomstig zijn uit een specifiek gronddelict. Daarmee kan evenmin worden vastgesteld dat de aangetroffen geldbedragen onmiddellijk uit een door verdachte zelf gepleegd misdrijf afkomstig zijn. Om deze reden kan het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet slagen.

Concluderend acht de rechtbank het onder 7 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder ‘De bewezenverklaring’ vermeld.

Hoewel op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de ex-partner van verdachte op de hoogte was van het bestaan van de koffer en de broer van verdachte aan verdachte de gelegenheid heeft gegeven om die koffer in zijn woning te verbergen, acht de rechtbank onvoldoende bewijs voorhanden om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en voormelde personen. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd en zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in ‘bijlage 2’ uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat:

1 primair

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006 in Nederland, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen de [vereniging] (“ [vereniging] ”) bewogen tot afgifte van een goed, te weten van een geldbedrag van euro 2.866.573,67 aan [medeverdachte 1] en/of een ander, hebbende hij, verdachte en zijn mededaders toen, aldaar met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:

verdachte en verdachtes mededaders hebben bij de aankoop en verkoop van het project [naam project 4] te Terneuzen een AB - BC-constructie toegepast waarbij een grote waarde-sprong in euro’s werd gerealiseerd, waarbij [bedrijf 1] voor circa euro 2.225.000,-leverde aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] vervolgens door leverde aan [vereniging] voor euro 2.866.573,67, zulks terwijl verdachte [verdachte] namens [vereniging] het project [naam project 4] te Terneuzen ook rechtstreeks en tegen een aanzienlijk lager bedrag had kunnen kopen van het bedrijf [bedrijf 1] / [bedrijf 2]

en verdachte heeft geld in privé ontvangen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]

en verdachte heeft relevante informatie verzwegen jegens de raad van commissarissen van [vereniging] ten aanzien van het project [naam project 4] te Terneuzen en het geldelijke belang van [vereniging] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij het project [naam project 4] te Terneuzen

en aldus doende heeft verdachte zich met betrekking tot het project [naam project 4] te Terneuzen tegenover de raad van commissarissen van [vereniging] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder, waardoor [vereniging] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag;

3 (eerste cumulatief)

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 in Nederland met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen de [vereniging] (“ [vereniging] ”) bewogen tot de afgifte van een goed, te weten het betalen van een bedrag van euro 262.000,-- aan [medeverdachte 1] , hebbende hij, verdachte en zijn mededaders toen aldaar met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:

tussen [vereniging] , [medeverdachte 1] , [bedrijf 6] en [bedrijf 5] werd een “Aanvullende samenwerkingsovereenkomst/ herontwikkelingsovereenkomst [adres 2] ”, gedateerd 21 november 2007, gesloten en ondertekend, waaruit financiële verplichtingen voortvloeiden voor [vereniging]

en

tussen enerzijds [holding vereniging] en anderzijds [medeverdachte 1] werd een overeenkomst tot koop van aandelen, getekend 21 december 2007, overeengekomen, inhoudende - zakelijk weergegeven - dat [vereniging] voornoemd de aandelen van [medeverdachte 1] voornoemd in [bedrijf 4] zou overkopen voor euro 262.500,-- en dat [vereniging] op of omstreeks 21 december 2007, circa euro 262.000,-- heeft betaald aan [medeverdachte 1] en

verdachte heeft per project geld in privé ontvangen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en

verdachte heeft relevante informatie verzwegen jegens de raad van commissarissen van [vereniging] ten aanzien van het project [naam project 1] te Terneuzen en het geldelijke belang van [vereniging] en de rol van medeverdachte [medeverdachte 1] bij het project [naam project 1] te Terneuzen en

aldus doende heeft verdachte zich met betrekking tot het project [naam project 1] te Terneuzen tegenover de raad van commissarissen van [vereniging] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder, waardoor [vereniging] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag;

4 (eerste cumulatief)

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 in Nederland met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen de [vereniging] (“ [vereniging] ”) bewogen tot de afgifte van een goed, te weten: een geldbedrag van euro 6.510.879,-- (incl. BTW) aan [medeverdachte 1] of een ander, hebbende hij, verdachte en zijn mededaders toen, aldaar met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk jegens [vereniging] de valse hoedanigheid van betrouwbare en integere directeur/bestuurder aangenomen en relevante informatie verzwegen jegens en onjuiste informatie verschaft aan de raad van commissarissen van [vereniging] t.a.v. het project [naam project 2] en het geldelijke belang van [vereniging] en de betrokkenheid van hem verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en de prijsopdrijvende rol van [medeverdachte 1] bij het project/object [naam project 2] te Breda, hierin bestaande dat - zakelijk weergegeven -

[medeverdachte 1] in het project [naam project 2] , een prijsopdrijvend effect had op de aankoopprijs ten nadele van het financiële belang van [vereniging] en

bij de aankoop en verkoop van het project ‘ [naam project 2] te Breda, sprake was van een AB - BC-constructie, waarbij een grote waardesprong in euro’s werd gerealiseerd, immers leverde [bedrijf 7] grond en/of appartementsrechten aan [medeverdachte 1] voor euro 4.035.350,68 (excl. BTW) en leverde [medeverdachte 1] vervolgens door aan [vereniging] voor euro 5.471.326,89 (excl. BTW) en verdachte geld in privé heeft ontvangen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ,

waardoor [vereniging] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag;

6.

Verdachte heeft in de periode van de maand september 2009 tot en met 21 mei 2012 te Breda en Eindhoven, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwegen tegenover zijn werkgever [vereniging] , hebbende hij, verdachte, als algemeen directeur-bestuurder van [vereniging] , van [betrokkene 4] , directeur van [naam personal holding] een schilderij (genoemd ‘Zwarte Vlag’) aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwegen tegenover zijn werkgever [vereniging] ;

7.

Verdachte heeft op tijdstippen in de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012 te Eindhoven en/of Nuenen - zakelijk weergegeven - van voorwerpen, te weten geldbedragen, de werkelijke herkomst en de vindplaats verborgen en/of verhuld, en voorwerpen, te weten telkens een geldbedragen voorhanden gehad, immers

verdachte heeft in zijn woning op 21 mei 2012 een geldbedrag voorhanden gehad en verborgen, immers bevond zich in een technische ruimte van die woning een enveloppe met het Rabobanklogo inhoudende een geldbedrag groot 7.050 euro en

verdachte heeft in de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012 in de gemeente Nuenen in een koffer in een kruipruimte in de woning van [broer van verdachte] een geldbedrag tot een totaalbedrag groot 700.000,-- euro verborgen en voorhanden gehad

terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 3,5 jaar wordt opgelegd, met aftrek van voorarrest. Daarnaast hebben de officieren van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen. Een kopie van de vordering van de officieren van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Bij het bepalen van hun strafeis zijn de officieren van justitie uitgegaan van een benadelingsbedrag van 3.876.061,69 euro, zijnde het (netto) totaalbedrag van alle waardensprongen die in het kader van de negen in het procesdossier onderzochte projecten zijn gerealiseerd. Verder is onder meer rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit (handelen in strijd met de statuten), waarvoor als strafmaximum een geldboete van de vijfde categorie geldt, is geen afzonderlijke straf geëist.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft onder meer verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het gegeven dat verdachte een blanco strafblad heeft, alsmede met de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Wanneer de aanhouding van verdachte als aanvangsmoment wordt aangemerkt, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van drie jaar en zeven maanden, waarvan slechts één maand aan de verdediging kan worden toegerekend.

Daarnaast is door de raadsman aangevoerd dat de door het openbaar ministerie gevorderde straf veel te hoog is in vergelijking tot de straffen die in andere zaken met een aanzienlijk hoger benadelingsbedrag of vergelijkbaar benadelingsbedrag zijn opgelegd. De raadsman heeft ter onderbouwing verwezen naar een aantal uitspraken van andere rechtbanken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van directeur-bestuurder samen met anderen [vereniging] opgelicht. Vanuit diezelfde positie heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan corruptie. Daarnaast heeft verdachte twee grote contante geldbedragen witgewassen.

In 2001 werd verdachte benoemd tot directeur-bestuurder van de [vereniging] . De organisatie was op dat moment voornamelijk gericht op het beheer van de bestaande woningvoorraad, zo volgt onder meer uit de eigen verklaring van verdachte1. In de daaropvolgende jaren verschoof de nadruk binnen [vereniging] steeds meer naar het ontwikkelen van nieuwe woningprojecten. Voor partijen die een project aan te bieden hadden, vormde verdachte binnen [vereniging] het eerste aanspreekpunt; hij was (exclusief) verantwoordelijk voor de acquisitie van nieuwe projecten. Tegelijkertijd droeg verdachte vanuit zijn functie als directeur-bestuurder de verantwoordelijkheid om de raad van commissarissen van [vereniging] van al die informatie te voorzien die voor hun besluitvorming redelijkerwijs als relevante kon worden aangemerkt. Het zijn juist deze bevoegdheden en verantwoordelijkheden geweest die verdachte in staat hebben gesteld om de binnen [vereniging] aanwezige controlemechanismen te omzeilen en [vereniging] in het kader van een drietal projecten een veel te hoge prijs te laten betalen aan medeverdachte ‘ [medeverdachte 1] ’, zonder dat daarvan binnen [vereniging] iets werd opgemerkt. Het teveel betaalde geld werd vervolgens door verdachte en zijn medeverdachten onderling verdeeld. De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij het door [vereniging] in hem gestelde vertrouwen op deze wijze heeft misbruikt.

Verdachte en zijn mededaders hebben hun oplichtingshandelingen verricht jegens een woningcorporatie, zijnde een instelling werkzaam in het belang van de volkshuisvesting. Daarmee reikt de impact van hun handelen verder dan alleen die voor de organisatie zelf; ook de huurders merken de gevolgen. Daar komt bij dat het oplichten van een woningcorporatie door de directeur-bestuurder leidt tot ondermijning van het vertrouwen dat de samenleving in zodanige organisaties moet kunnen stellen. Verdachte heeft zich hierom in het geheel niet bekommerd. Nota bene in zijn rol als directeur-bestuurder, heeft verdachte zijn eigen financiële belangen boven die van de organisatie gesteld door over de rug van die organisatie zijn zakken en die van zijn mededaders te vullen.

Los van de oplichting heeft verdachte het door [vereniging] in hem gestelde vertrouwen - en daarnaast de binnen [vereniging] geldende transparantie en integriteit - eveneens beschaamd door van een zakenrelatie een kostbaar schilderij aan te nemen en dit niet te melden. Met dit handelen heeft verdachte er blijk van gegeven zich verheven te voelen boven de binnen de organisatie geldende integriteitsregels.

Tot slot heeft verdachte door het witwassen van een geldbedrag van 700.000,00 euro en een geldbedrag van 7.050,00 euro, een inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Voor wat betreft de op te leggen straf hanteert de rechtbank als uitgangspunt de door het LOVS vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken. Het totale benadelingsbedrag bedraagt, uitgaande van de waardensprongen die binnen de drie bewezenverklaarde projecten zijn gerealiseerd, ruim 2.170.000,00 euro. Daar komt nog bij dat verdachte ruim 700.000,00 heeft witgewassen. Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is derhalve op zijn plaats.

De rechtbank zal bij de strafoplegging eveneens rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf het moment dat verdachte op 21 mei 2012 in verzekering werd gesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In dit verband stelt de rechtbank vast dat weliswaar sprake is van een omvangrijk en ingewikkeld onderzoek, maar dat dit nog niet rechtvaardigt dat het openbaar ministerie de zaak eerst op 17 november 2015 (voor regievoering) op zitting heeft aangebracht. De vertraging die is opgetreden als gevolg van het door de verdediging gebruikmaken van haar processuele bevoegdheden laat de rechtbank voor rekening van verdachte. Al het voorgaande in aanmerking nemende komt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn met 2 jaren is overschreden.

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte erg veel last heeft gehad van de negatieve media-aandacht rondom zijn persoon en de daarin reeds verwerkte oordelen. De rechtbank acht aannemelijk dat de deze media-aandacht op verdachte en zijn privéleven een zware wissel heeft getrokken en nog steeds trekt. Tegelijkertijd ziet de rechtbank de media-aandacht voor de onderhavige zaak evenwel als een kennelijk onvermijdelijk verschijnsel dat zich bij uitstek in zaken met een in het maatschappelijk verkeer als aanzienlijk ervaren impact voordoet. In het geval van de verdachte is de maatschappelijke positie die hij ten tijde van de door hem gepleegde feiten bekleedde niet geheel onbegrijpelijk een aandachttrekkend aspect. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding tot strafvermindering.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de voornoemde oriëntatiepunten in beginsel een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van voormelde duur.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officieren van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank op grond van hetgeen zij bewezen acht een ander (lager) benadelingsbedrag tot uitgangspunt neemt en verdachte bovendien van enkele feiten (partieel) wordt vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij Vereniging [vereniging] .

Het standpunt van de officieren van justitie.

Namens het openbaar ministerie is verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schademaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat gelet op de bepleite vrijspraak niet aan de vordering kan worden toegekomen.

Subsidiair heeft de verdediging de door de benadeelde partij gestelde schade betwist. Aangevoerd is dat de wijze waarop de benadeelde partij de in verband met de projecten [naam project 4] , Sint Maartensdijk en [naam project 2] gestelde schade heeft becijferd - te weten door het verschil te nemen tussen de door [medeverdachte 1] betaalde aankoopprijs en de door [vereniging] betaalde aankoopprijs - veel te simplistisch is. Het vergt een uitvoerig onderzoek van deskundigen c.q. accountants om de daadwerkelijke schade te becijferen.

Ten aanzien van het project [naam project 1] , waarvoor de benadeelde partij haar schade stelt op het bedrag dat voor de overdracht van de aandelen in [bedrijf 4] is betaald, geldt eveneens dat dit een al te eenvoudige wijze van becijferen is. Ook hier zal via deskundigenverhoren moeten worden uitgezocht wat dan de daadwerkelijke schade is geweest. Nu dit nadere onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, dient de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de thans aan de vordering ten grondslag liggende stukken de gegrondheid van de vordering niet afdoende beoordeeld kan worden. Door de verdediging is de hoogte van de vordering gemotiveerd betwist. De rechtbank is net als de verdediging van oordeel dat de stelling dat de waardensprongen één-op-één de door de benadeelde partij geleden (civielrechtelijke) schade vertegenwoordigen, te eenvoudig is voorgesteld en juridisch niet houdbaar is. Nu een nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de gestelde schade naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zal de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Beslag. De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen schilderij vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat dit - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - een voorwerp betreft met betrekking tot welke het onder 6 bewezen verklaarde feit is begaan, en dit voorwerp ten tijde van het begaan van dat feit aan verdachte toebehoorde.

De rechtbank is verder van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen geldbedrag en de inbeslaggenomen koffer eveneens vatbaar zijn voor verbeurdverklaring nu dit - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het onder 7 bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van die feiten aan verdachte toebehoorden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 47, 57, 326, 328ter en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair en subsidiair en het onder 5 ten laste gelegde;

- verklaart het onder 1 primair, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 primair, feit 3 en feit 4 telkens:

medeplegen van oplichting

t.a.v. feit 6:

het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever

t.a.v. feit 7:

witwassen, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- legt op de volgende straffen:

t.a.v. feiten 1 primair, 3, 4, 6 en 7:

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing t.a.v. het beslag: Verbeurdverklaring van de navolgende op de beslaglijst vermelde voorwerpen:

- 1.00 STK Schilderij

schilderij E.01.02.001

- Geld Euro’s

Geldbedrag 7050 euro E.13.04.001

- 1.00 STK koffer Kl: zwart

ALLIT gereedschapskoffer

Beslissing t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [vereniging] :

  • -

    verklaart de benadeelde partij [vereniging] te Breda niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. M.T. van Vliet en mr. E. Boersma, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 1 februari 2018.

BIJLAGE 1 – de tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 december 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

(Project [naam project 4] , deelproject 3.4)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006, te Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, de [vereniging] (‘ [vereniging] ’), althans een of meer ander(en),

heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot middellijke en/of onmiddellijke afgifte(n) van (een) goed/goederen, te weten

van een geldbedrag van (circa) euro 2.866.573,67 (doc.1441), althans van (circa) euro 2.700.000,-- (doc.1441), of (circa) euro 471.142,-- (doc.176), in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of enig(e) goed(eren), aan [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en),

hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen, aldaar (telkens) met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt gehandeld:

verdachte [verdachte] heeft op of omstreeks 23 juni 2005 (een) bespreking(en) gevoerd met de heer [naam 1] van het bedrijf [bedrijf 1] , waarbij het project [naam project 4] met [verdachte] werd besproken en kenbaar werd gemaakt dat dit project te koop was, waarbij [verdachte] kenbaar maakte dat hij/ [vereniging] geïnteresseerd was en/of die [naam 1] de zaak moest regelen met [medeverdachte 2] , vertegenwoordiger van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] ., althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking

en/of

[verdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of [naam 1] hebben/heeft op het kantoor van [vereniging] op 26 oktober 2005 (een) onderlinge bespreking(en) gevoerd met betrekking tot het project [naam project 4] (Terneuzen 2)

en/of

verdachte [verdachte] heeft een brief, gedateerd 8 november 2005, afkomstig van [medeverdachte 2] op briefpapier van [medeverdachte 1] en gericht aan [vereniging] waarin - zakelijk weergegeven - gesproken werd over de aankoop van project [naam project 4] te Terneuzen (percelen met opstallen) voor een bedrag groot (circa) euro 2.700.000,-- k.k., voor akkoord ondertekend en/of geretourneerd (doc.193)

en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) hebben/heeft in een brief op briefpapier van [medeverdachte 1] gedateerd 8 november 2005 en gericht aan [bedrijf 2] t.a.v. de heren [naam 1] en [naam 2] aangegeven dat [medeverdachte 1] , mede namens [medeverdachte 2] bereid was/waren - zakelijk weergegeven - voor het project [naam project 4] te Terneuzen een bod te doen groot euro 2.100.000,-- k.k. (doc.008/11)

en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) zijn/is met de verkopende partij [bedrijf 2] , tijdens een bespreking in de maand november 2005 overeengekomen en/of hebben/heeft in een brief d.d. 30 november2005 van de zijde van [bedrijf 2] bevestigd aan [medeverdachte 2] - zakelijk weergegeven - dat de percelen gelegen aan de [naam project 4] te Terneuzen, met opstallen onder voorwaarden konden worden gekocht voor euro 2.225.000,00 k.k. (doc.008/12)

en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) hebben/heeft in een brief, gedateerd 9 december 2005, afkomstig van [medeverdachte 2] en gericht aan [bedrijf 2] - zakelijk weergegeven - bevestigd dat hij/zij bereid was/waren beide objecten (postkantoor en sporthal) te verwerven voor het bedrag van euro 2.225.000,-- k.k. (doc.008/16)

en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) hebben/heeft bij de aankoop en verkoop van het project [naam project 4] te Terneuzen een AB - BC-constructie toegepast, waarbij een (onverklaarbare) waardesprong groot (circa) euro 475.000,-- , in elk geval een (grote) waardesprong in euro’s, werd gerealiseerd, immers op een en zelfde dag, (14 maart 2006), passeerden bij twee verschillende notarissen de leveringsaktes, waarbij [bedrijf 1] voor (circa) euro 2.225.000,-- leverde aan [medeverdachte 1] (doc.013) en [medeverdachte 1] (vervolgens) (door)leverde aan [vereniging] voor (circa) euro 2.866.573,67 (doc.1441) althans euro 2.700.000,-- (doc.014), zulks, terwijl verdachte [verdachte] namens [vereniging] het project [naam project 4] te

Terneuzen ook rechtstreeks en/of tegen een (aanzienlijk) lager bedrag had kunnen kopen van het bedrijf [bedrijf 1] / [bedrijf 2]

en/of

verdachte [verdachte] heeft niet voorafgaand aan de verwerving van het project [naam project 4] te Terneuzen een haalbaarheidsstudie verricht, dan wel laten verrichten, zulks terwijl in een notitie, getiteld: “werkafspraken inzake verwervingen/vervreemdingen”, afkomstig van het MT-bestuur van [vereniging] en gericht aan de Raad van Commissarissen (RvC) van [vereniging] , d.d. 14 september 2004, schriftelijk was vastgelegd dat aan iedere acquisitie een haalbaarheidsstudie ten grondslag zou moeten liggen die besproken en unaniem goedgekeurd zou moeten zijn door het MT van [vereniging] (doc.348)

en/of

verdachte [verdachte] heeft en/of zou geld in privé ontvangen van verdachten [medeverdachte 2] (voornoemd) en/of [medeverdachte 3] (voornoemd) en/of verdachte en/of verdachtes mededader(s) zou(den) (een deel van) de gemaakte winst per project onderling verdelen

en/of

verdachte [verdachte] heeft (relevante) informatie verdoezeld en/of verzwegen jegens en/of geen, althans onjuiste en/of onvolledige informatie verschaft aan (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [vereniging] ten aanzien van het project [naam project 4] te Terneuzen en/of het (geldelijke) belang van [vereniging] en/of de betrokkenheid van verdachte en/of zijn medeverdachte(n) en/of de (prijsopdrijvende) rol van medeverdachte(n) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] bij het project [naam project 4] te Terneuzen en/of (aldus doende) heeft verdachte [verdachte] zich met betrekking tot het project [naam project 4] te Terneuzen tegenover (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [vereniging] valselijk en/of ten onrechte voorgedaan als betrouwbare en/of integere en/of loyale directeur/bestuurder,

waardoor [vereniging] en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot afgifte(n) van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans (een) goed(eren);

art. 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf7sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen leiden, dat

hij, op of omstreeks 14 maart 2006, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006 in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een geldbedrag groot (circa) euro 2.866.573,67 (doc.1441), althans (circa) euro 2.700.000,--, of (circa) euro 475.000,-- (project [naam project 4] ), (3.4)

in elk geval (telkens) enig(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan ( [vereniging] , (“ [vereniging] ”) (doc.001), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking bij en/of van zijn beroep van/als directeur en/of directeur-bestuurder van [vereniging] (AMB.074), in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

art. 322/321 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(Project St. Maartensdijk, deelproject 3.7)

dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, op een (of meer)

tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007, te Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, de ( [vereniging] (“ [vereniging] ”), althans een (of meer) ander(en),

heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte(n) van (een) goed/goederen, te weten een geldbedrag van (circa) euro 399.183,64 (doc.1444), althans (circa) euro 375.000,-- (doc.038/03), of (circa) euro 230.250,--, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of enig(e) goed(eren), aan [medeverdachte 2] en/of (een) ander(en),

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen, aldaar (telkens) met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt gehandeld:

verdachte [verdachte] heeft een brief (gedateerd 10 februari 2006,) afkomstig van [medeverdachte 1] en gericht aan [vereniging] - waarin zakelijk weergegeven - gesproken werd over de aankoop/overname van project [naam project 5] ’ (grond en bouwrechten voor 15 appartementen) voor een bedrag groot (circa) euro 375.000,-- k.k., voor akkoord ondertekend en/of geretourneerd (doc.631) en/of was akkoord met die aankoop/overname

en/of

verdachte [verdachte] heeft (namens [vereniging] ) op of omstreeks 16 mei 2006 een koopovereenkomst gesloten tussen enerzijds [vereniging] (koper) en anderzijds [medeverdachte 2] (verkoper) voor wat betrof - zakelijk weergegeven - de aankoop van grond (965 m2) in het project ‘ [naam project 3] ’ te Sint Maartensdijk, voor een bedrag groot (circa) euro 375.000,-- en/of in die koopovereenkomst (doc.412/2) niet vermeld, verhuld en/of verzwegen dat de koopprijs (circa) euro 389-- per m2 bedroeg

en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) hebben/heeft bij de aankoop en verkoop van het project ‘ [naam project 3] ’ te St. Maartensdijk een AB - BC-constructie toegepast, waarbij een (onverklaarbare) waardesprong groot (circa) euro 230.250,--, in elk geval een (grote) waardesprong werd gerealiseerd, immers op een en dezelfde dag, (16 oktober 2007), passeerden bij twee verschillende notarissen de leveringsaktes, waarbij de gemeente Tholen het perceel aan [medeverdachte 2] leverde voor (circa) euro 144.750,-- (euro 150,-- per m2), (doc. 035) en [medeverdachte 2] (vervolgens) (door)leverde aan [vereniging] voor (circa) euro 375.000,-- (euro 389,-- per m2) (doc.038)

en/of

verdachte [verdachte] heeft niet voorafgaand aan de verwerving danwel achteraf de condities rondom de verwerving van het project [naam project 3] te St. Maartensdijk meegedeeld aan de Raad van Commissarissen van [vereniging] , zulks terwijl in een notitie, getiteld: “werkafspraken inzake verwervingen/vervreemdingen”, afkomstig van het MT-bestuur van [vereniging] en gericht aan de Raad van Commissarissen van [vereniging] , d.d. 14 september 2004, - zakelijk weergegeven - was vastgelegd, dat de directeur de raad zou informeren, voor de aankoop of na de aankoop, over de condities waaronder deze tot stand was gekomen (doc.348)

en/of

verdachte [verdachte] heeft en/of zou (per project) geld in privé ontvangen van [medeverdachte 2] (voornoemd) en/of [medeverdachte 3] (voornoemd) en/of verdachte en/of verdachtes mededader(s) zou(den) (een deel van) de gemaakte winst per project/object onderling verdelen en/of

verdachte [verdachte] heeft (relevante) informatie verdoezeld en/of verzwegen jegens en/of geen, althans onjuiste en/of onvolledige informatie verschaft aan (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [vereniging] ten aanzien van het project ‘ [naam project 3] ’ te Sint Maartensdijk en/of het (geldelijke) belang van [vereniging] en/of de betrokkenheid van verdachte en/of zijn medeverdachte(n) en/of de (prijsopdrijvende) rol van [medeverdachte 2] bij het project ‘ [naam project 3] ’ te Sint Maartensdijk en/of (aldus doende) heeft verdachte [verdachte] zich met betrekking tot het project ‘ [naam project 3] ’ te Sint Maartensdijk tegenover (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [vereniging] valselijk en/of ten onrechte voorgedaan als betrouwbare en/of integere en/of loyale directeur/bestuurder,

waardoor [vereniging] en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot afgifte(n) van bovengenoemd(e)

geldbedrag(en), althans (een) goed(eren);

art. 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen leiden, dat

hij, op of omstreeks 16 oktober 2007, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een geldbedrag groot (circa) euro 399.183,64 (doc.1444), althans (circa) euro 375.000,-- , of (circa) euro 230.250,-- (project St. Maartensdijk), (3.7)

in elk geval (telkens) enig(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (de Woningbouw)Vereniging [vereniging] , (“ [vereniging] ”) (doc.001), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking bij en/of van zijn beroep van/als directeur en/of directeur-bestuurder van [vereniging] (AMB.074), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

art. 322/321 Wetboek van Strafrecht)

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(“project [naam project 1] ”, 3.9)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, op een (of meer)

tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008, in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, de [vereniging] (“ [vereniging] ”), althans (een) ander(en),

heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot het aangaan van (een) schuld(en), te weten,

het overeenkomen, sluiten en/of ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst “Herontwikkeling [naam project 1] 11/15 te Terneuzen’, tussen enerzijds [vereniging] en [medeverdachte 1] en anderzijds [bedrijf 5] , gedateerd 19 januari 2006, en/of het maken van afspraken waardoor voor [vereniging] financiële verplichtingen ontstonden (doc.279)

en/of

het overeenkomen, sluiten en/of ondertekenen van een “Aanvullende samenwerkingsovereenkomst

herontwikkelingsovereenkomst [adres 2] ”, gedateerd 21 november 2007, tussen [vereniging] , [medeverdachte 1] , [naam project 1] BV en/of [bedrijf 5] (doc.307 en doc.312), waarin onder meer t.a.v. de financiering werd overeengekomen - zakelijk weergegeven - dat [vereniging] een geldlening zal verstrekken groot (circa) euro 2.700.000,-- en een rekening-courant faciliteit (maximaal euro 2.300.000,--) zal bieden aan [naam project 1] BV, teneinde [naam project 1] BV in de gelegenheid te stellen om aan haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen

en/of

het overeenkomen, sluiten en/of ondertekenen van een rekening courant, althans krediet overeenkomst ( [vereniging] - [naam project 1] BV), gedateerd 21 november 2007, tussen enerzijds [vereniging] (leninggever) en anderzijds [naam project 1] BV (leningnemer), waarin – zakelijk weergegeven - de leninggever er zich toe bereid verklaarde in de vorm van een rekening-courantkrediet een bedrag (maximaal euro 2.300.000,--) te verstrekken, (doc.309)

en/of

het overeenkomen, sluiten en/of ondertekenen van een overeenkomst van geldlening ( [vereniging] - [naam project 1] BV), gedateerd 21 november 2007, waarin - zakelijk weergegeven - was overeengekomen dat de leninggever ( [vereniging] ) bereid was aan leningnemer ( [naam project 1] BV) een lening (groot euro 2.700.000,--) te verstrekken, (doc.310)

en/of

heeft bewogen en/of doen bewegen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte(n) van (een) goed/goederen, te weten het betalen van (een) bedrag(en) van (circa) euro 262.000,-- en/of (circa) euro 2.300.000,- en/of (circa) euro 2.700.000,--, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of enig goed, aan [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en), (doc.388)

hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen, aldaar (telkens) met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt gehandeld:

tussen [vereniging] , [medeverdachte 1] , [naam project 1] BV en/of [bedrijf 5] werd een “Aanvullende samenwerkingsovereenkomst/herontwikkelingsovereenkomst [adres 2] ”, gedateerd 21 november 2007, overeengekomen, gesloten en of ondertekend, waaruit financiële/zakelijke verplichtingen voortvloeide voor [vereniging] (doc.312),

en/of

tussen enerzijds [vereniging] (leninggever) en anderzijds [naam project 1] BV (leningnemer) werd een rekening courant, althans krediet overeenkomst gesloten, gedateerd 21 november 2007, waarin - zakelijk weergegeven - werd overeengekomen de verstrekking van een rekening-courantkrediet van een bedrag maximaal euro 2.300.000,-- (doc.309)

en/of

tussen enerzijds [vereniging] (leninggever) en anderzijds [naam project 1] BV (leningnemer) werd een overeenkomst van geldlening gesloten, gedateerd 21 november 2007, waarin - zakelijk weergegeven - was overeengekomen dat de leninggever bereid was aan leningnemer een lening van euro 2.700.000,-- te verstrekken (doc.310)

en/of

tussen enerzijds [holding vereniging] en anderzijds [medeverdachte 1] werd een overeenkomst tot koop van aandelen, getekend 21 december 2007 (doc.311), overeengekomen, inhoudende - zakelijk weergegeven - dat [vereniging] voornoemd, de aandelen van [medeverdachte 1] voornoemd in [bedrijf 4] zou overkopen voor (circa) euro 262.500,-- en/of dat [vereniging] op of omstreeks 21 december 2007, (voornoemde) (circa) euro 262.000,-- heeft betaald aan [medeverdachte 1] (doc.344),

door welke aankoop/overname van aandelen van [medeverdachte 1] in [bedrijf 4] in december 2007 (doc.311), [vereniging] voor 100 % aandeelhouder was geworden in [bedrijf 4] en voor 50% aandeelhouder was geworden in [naam project 1] BV (doc.312 en pv. blz. 300293)

en/of

verdachte [verdachte] heeft en/of zou (per project) geld in privé ontvangen van [medeverdachte 2] (voornoemd) en/of [medeverdachte 3] (voornoemd) en/of verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) zou(den) (een deel van) de gemaakte winst per project/object onderling verdelen

en/of

verdachte [verdachte] heeft (relevante) informatie verdoezeld en/of verzwegen jegens en/of geen, althans onjuiste en/of onvolledige informatie verschaft aan (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [vereniging] ten aanzien van het project [naam project 1] te Terneuzen en/of het (geldelijke) belang van [vereniging] en/of de betrokkenheid van verdachte en/of zijn medeverdachte(n) en/of de (prijsopdrijvende) rol van medeverdachte(n) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] bij het project [naam project 1] te Terneuzen en/of (aldus doende) heeft verdachte [verdachte] zich met betrekking tot het project [naam project 1] te Terneuzen tegenover (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [vereniging] valselijk en/of ten onrechte voorgedaan als betrouwbare en/of integere en/of loyale directeur/bestuurder,

waardoor [vereniging] en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld(en) en/of tot afgifte(n) van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans (een) goed(eren);

art. 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij, op of omstreeks 21 december 2007, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een geldbedrag groot (circa) euro 262.000,-- (project [naam project 1] ), (3.9)

in elk geval (telkens) enig(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [vereniging] , (“ [vereniging] ’) (doc.001), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) verdachte, (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking bij en/of van zijn beroep van/als directeur en/of directeur-bestuurder van [vereniging] , (amb.074), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

art. 322/321 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

(“Deelproject [naam project 2] ”, 3.8)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012, in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, de [vereniging] (“ [vereniging] ”), althans een of meer ander(en),

heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot het aangaan van (een) schuld(en), te weten:

het akkoord gaan door de Raad van Commissarissen van [vereniging] , op 19 april 2010, met het investeringsvoorstel groot (circa) euro 26.566.050,-- inzake het project [naam project 2] , (Besluit 09, 147 woningen [naam project 2] Breda) (doc.203, 204 en doc.484)

en/of

het overeenkomen/aangaan/tekenen van een intentieovereenkomst inzake het project “ [naam project 2] ” te Breda, gedateerd 28 juli 2010, tussen [medeverdachte 1] enerzijds en [vereniging] anderzijds (doc.482)

en/of

het (laten) opmaken en/of ondertekenen van een leveringsakte tussen enerzijds [medeverdachte 1] (verkoper) en anderzijds [vereniging] (koper), op 29 december 2011, met betrekking tot de levering van (onder andere) appartementsrechten, voor een koopprijs van (circa) euro 5.471.326,89, (excl. BTW), in elk geval een geldbedrag (doc.053) en/of waardoor (telkens) (een) financiële/zakelijke verplichting(en) ontstond(en) voor [vereniging]

en/of

heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte(n) van (een) goed/goederen, te weten: een (of meer) geldbedrag(en), van (circa) euro 6.510.879,-- (incl. BTW) (doc.53 en doc.1445/2), althans (circa) euro 1.650.380,36 (amb.264, doc.1147), in elk geval enig(e) geldbedrag(en), en/of enig(e) goed(eren), aan [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en),

hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen, aldaar (telkens) met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid jegens [vereniging] en/of (een) ander(en),

de valse hoedanigheid van betrouwbare en/of integere en/of loyale directeur/bestuurder aangenomen,

en/of

(relevante) informatie verdoezeld en/of verzwegen en/of verheimelijkt jegens en/of geen, althans onjuiste en/of onvolledige informatie verschaft/verstrekt aan (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [vereniging] t.a.v. het project [naam project 2] en/of het (geldelijke) belang van [vereniging] en/of de betrokkenheid van hem verdachte, [verdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of (de prijsopdrijvende) rol van [medeverdachte 1] bij het project/object [naam project 2] te Breda,

hierin bestaande dat - zakelijk weergegeven -

in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 19 april 2010 door [verdachte] een onjuiste voorstelling van zaken was gegeven met betrekking tot de besluitvorming nieuwbouw [naam project 2] te Breda (doc.203), namelijk dat [medeverdachte 1] in werkelijkheid niet optrad als zelfstandige (project)-ontwikkelaar

en/of

(het tussenschuiven van) [medeverdachte 1] in het project [naam project 2] , een prijsopdrijvend effect had/zou hebben op de aankoopprijs en/of de bouwsom en/of ten nadele van het (aankoop)budget en/of het financiële/zakelijke belang van [vereniging]

en/of

‘met betaling volgens een termijnregeling’ in het investeringsvoorstel “besluitvorming nieuwbouw [naam project 2] te Breda van 12 april 2010”, in werkelijkheid een vorm van voorfinanciering, althans een financieringsregeling van het project betrof en/of [medeverdachte 1] niet over voldoende (eigen) vermogen beschikte om dit project uit eigen middelen te kunnen financieren (doc.484)

en/of

(daarnaast) een intentieovereenkomst inzake het project “ [naam project 2] ” te Breda, gedateerd 28 juli 2010, tussen [bedrijf 9] enerzijds en [vereniging] anderzijds was overeengekomen (doc.482)

en/of

[medeverdachte 1] een geldlening/voorfinanciering, in elk geval een geldbedrag zou ontvangen van [vereniging] (doc 107)

en/of

een ontbindende voorwaarde in de intentieovereenkomst tussen [medeverdachte 1] enerzijds en de Vereniging [vereniging] anderzijds was opgenomen en/of [vereniging] hiervan gebruik had kunnen maken (doc.124)

en/of

de voortgang van het project [naam project 2] moeilijkheden ondervond naar aanleiding van de (omslachtige) projectfinanciering en/of het tot 27 december 2011 ontbreken van de (WSW) borgingsfaciliteit voor het project (doc.1116, doc.624)

en/of

bij de aankoop en verkoop van het project ‘ [naam project 2] ’ te Breda, sprake was van een AB - BC-constructie, waarbij een (onverklaarbare) waardesprong groot (circa) euro 1.708.811,--, in elk geval een (grote) waardesprong in euro’s, werd gerealiseerd, immers op een en de zelfde dag (29 december 2011) passeerden bij twee verschillende notarissen de leveringsaktes en/of leverde [bedrijf 7] grond en/of appartementsrechten aan [medeverdachte 1] voor (circa) euro 4.035.350,68 (excl. BTW) (doc.052). in elk geval een geldbedrag en leverde [medeverdachte 1] (vervolgens) door aan [vereniging] voor (circa) euro 5.471.326,89 (excl. BTW), in elk geval een geldbedrag (doc.053)

en/of

verdachte [verdachte] (per project) geld in privé heeft ontvangen en/of zou ontvangen van [medeverdachte 2] (voornoemd) en/of [medeverdachte 3] (voornoemd) en/of dat (een deel van) de gemaakte winst per project/object onderling tussen verdachte en/of zijn mededader(s) zou worden verdeeld,

waardoor [vereniging] en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schulde(n) en/of tot afgifte(n) van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans (een) goed(eren);

art. 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij, op of omstreeks 29 december 2011, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 31 december 2012 in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een geldbedrag groot (circa) euro 6.510.879,-- , althans (circa) euro 1.650.380,36 (project [naam project 2] ), (3.8)

in elk geval (telkens) enig(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (de

[vereniging] , (“ [vereniging] ’) (doc.001), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking bij en/of van zijn beroep van/als directeur en/of directeur-bestuurder van [vereniging] (amb.074), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

art. 322/321 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot 22 mei 2012, in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland,

(telkens) als bestuurder/commissaris van een rechtspersoon, buiten het geval van artikel 342 (van het Wetboek

van Strafrecht), zijn medewerking heeft verleend en/of zijn toestemming heeft gegeven tot een handeling in strijd met een wettige bepaling van de statuten/reglementen van [vereniging] (“ [vereniging] ”), ten gevolge waarvan deze rechtspersoon (telkens) ernstig nadeel ondervond, hierin bestaande dat verdachte - zakelijk weergegeven –

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 22 mei 2012 als (statutair)directeur/bestuurder van [vereniging] , (telkens) heeft gehandeld in strijd met de Statuten van [vereniging] en/of daartoe zijn medewerking heeft verleend en/of toestemming heeft gegeven tot een handeling in strijd met (Artikel VI.31, lid 11 van) de Statuten van [vereniging] , inhoudende - zakelijk weergegeven –

dat de directeur verplicht is de raad van commissarissen (RvC) alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs dient te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de raad noodzakelijk of gewenst is en hij die RvC al de door hem gewenste inlichtingen dient te verstrekken en desgewenst de kas en de waarden te tonen en inzage te geven in de boeken en bescheiden van de vereniging

en/of

dat de directeur tegenover de Vereniging is gehouden tot een behoorlijke vervulling van de aan hem opgedragen taak,

door in het project [naam project 1] (3.9) voor de leden van de RvC van [vereniging] te verzwijgen en/of de RvC niet, althans niet volledig en/of onjuist te informeren, - zakelijk weergegeven - dat [vereniging] met de plaatselijke woningcorporatie ( [stichting 1] ) de afspraak had gemaakt dat [stichting 1] het beheer van de woningen voor hun rekening zou nemen, terwijl in werkelijkheid die (juridisch bindende) afspraak niet was gemaakt (doc.330/5)

en/of

in het project [naam project 1] (3.9) de RvC van [vereniging] mede te delen, althans niet volledig en/of onjuist te informeren, (vergadering RvC d.d. 23 januari 2007), dat [stichting 1] het beheer van de woningen zou doen en/of dat de parkeergarage en/of commerciële ruimten reeds zouden zijn verkocht, terwijl in werkelijkheid er tussen [vereniging] en [stichting 1] geen afspraken over het beheer van de huurwoningen van [vereniging] in het project [naam project 1] waren gemaakt en/of (een deel van) de commerciële ruimtes op 23 januari 2007 nog niet was/waren verkocht (doc.312)

en/of

in het project [naam project 1] (3.9) voor de RvC te verzwijgen en/of de RvC niet, althans niet volledig en/of onjuist te informeren,

* over een “Aanvullende samenwerkingsovereenkomst herontwikkelingsovereenkomst [adres 2] ”, gedateerd 21 november 2007, gesloten tussen [vereniging] , [medeverdachte 1] [naam project 1] BV en/of [bedrijf 5] (doc.312) en/of

* over een tussen [vereniging] (leninggever) en [naam project 1] BV (leningnemer) gesloten rekening courant overeenkomst, gedateerd 21 november 2007, waarin - zakelijk weergegeven - was overeengekomen dat een rekening-courantkrediet van maximaal euro 2.300.000,-- , in elk geval een geldbedrag zou worden verstrekt met het oog op de liquiditeitsbehoefte van leningnemer (doc.309) en/of

* over een tussen [vereniging] (leninggever) en [naam project 1] BV (leningnemer), gesloten overeenkomst van geldlening, gedateerd 21 november 2007, waarin - zakelijk weergegeven - was overeengekomen dat de leninggever bereid was aan leningnemer een lening van euro 2.7000.000,--, in elk geval een geldbedrag te verstrekken (doc.310) en/of

* over een tussen enerzijds [holding vereniging] en anderzijds [medeverdachte 1] gesloten overeenkomst tot koop van aandelen, getekend 21 december 2007 (doc.311), inhoudende – zakelijk weergegeven - dat [vereniging] voornoemd, de aandelen van [medeverdachte 1] voornoemd in [bedrijf 4] zou overkopen voor euro 262.500,-- , in elk geval een geldbedrag en/of

* over een op 21 december 2007 verrichte betaling groot euro 262.500,-- door [vereniging] aan [medeverdachte 1] (doc.344) en/of

* over het feit dat het Atrivé-rapport “Procesmatig inzicht in 3 projecten”, in twee, althans meerdere

(eind)versies bestond, (gedateerd 19 april 2012), (externe versie doc.136), (interne versie doc.915) en/of dat alleen de ‘externe’ versie (doc.136), door [verdachte] aan de RVC was toegezonden/verstrekt en/of

* dat [verdachte] (per project) geld in privé heeft ontvangen van (mede)verdachte(n) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of dat (een deel) van de gemaakte winst per project/object onderling tussen verdachte en/of zijn medeverdacht(en) zou worden verdeeld en/of

mbt het project [naam project 2] (3.8) voor de leden van de RVC van [vereniging] te verzwijgen en/of de RVC niet, althans niet volledig te informeren,

* dat aan het investeringsvoorstel van 12 april 2010 (doc. 484), geen haalbaarheidsstudie vooraf was gegaan, zoals voorgeschreven in de werkmap projectmatig werken uit 2009 (doc.420) en/of

* dat in de intentieovereenkomst gesloten tussen [bedrijf 7] enerzijds en [medeverdachte 1] anderzijds, versie 22 juli 2010, de totale koopsom voor het project [naam project 2] was bepaald op (circa) euro 16.480.671,-- (excl. BTW), in elk geval een geldbedrag, (doc.107/3) en/of

* dat in de intentieovereenkomst gesloten tussen [vereniging] enerzijds en [medeverdachte 1] anderzijds, versie 28 juli 2010, de totale koopsom (excl. BTW) was bepaald op (circa) euro 20.325.055,-- , in elk geval een geldbedrag (doc.482) en/of

* dat met betaling volgens een termijnregeling’ in het investeringsvoorstel “besluitvorming nieuwbouw [naam project 2] te Breda van 12 april 2010” (doc.484), in werkelijkheid de (voor)financiering van het project werd bedoeld en/of dat [medeverdachte 1] zelf niet over voldoende (eigen) vermogen beschikte om dit project uit eigen middelen te kunnen financieren en/of

* dat het [stichting 2] (WSW) voor (o.a.) het project [naam project 2] in of omstreeks de periode van 31 maart 2011 tot en met 27 december 2011 geen borgingfaciliteit wilde verstrekken en/of

* dat [vereniging] gebruik had kunnen maken van de ontbindende voorwaarde opgenomen in de

intentieovereenkomst tussen [medeverdachte 1] enerzijds en Vereniging [vereniging] anderzijds, indien [vereniging] haar financiële verplichtingen niet zou kunnen nakomen (doc.124) en/of

* dat [medeverdachte 1] per brief, gedateerd 14 december 2011, [vereniging] aansprakelijk had gesteld voor alle schade die zij zou lijden en waarvoor zij door derden, waaronder [bedrijf 7] aansprakelijk zou worden gesteld, wanneer [vereniging] van het project zou afzien (doc.126) en/of

* dat de notariële levering van de grond en/of de appartementsrechten (mbt. het exploitatiegebied achter de [naam project 2] ) op de zelfde dag middels twee verschillende aktes van levering bij dezelfde notaris heeft plaatsgevonden en/of waarbij sprake was van een (onverklaarbaar) grote waardesprong groot (circa) euro 1.708.811,-- en/of

* dat door [bedrijf 7] aan [medeverdachte 1] voor een bedrag groot (circa) (excl. BTW) euro 4.035.350,68,--, in elk geval een bedrag werd geleverd (doc.052) en/of dat [medeverdachte 1] aan de vereniging [vereniging] (door)leverde voor een bedrag groot (excl. BTW) (circa) euro 5.471.326,89, in elk geval een geldbedrag (doc.053)

art 347 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand september 2009 tot en met 21 mei 2012 te Breda en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking en/of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, (een) gift(en) en/of belofte(n) en/of (een) dienst(en) heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever of lastgever [vereniging] , hebbende hij, verdachte, als directeur-bestuurder en/of algemeen directeur-bestuurder van [vereniging] , van P.W.M. [betrokkene 4] , directeur van [naam personal holding] een schilderij (genoemd ‘Zwarte Vlag’) aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw

verzwegen tegenover zijn werkgever of lastgever [vereniging] ;

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 juni 2005 tot en met 22 mei 2012, te Eindhoven en/of Nuenen en/of (elders) in Nederland en/of te Lommel en/of (elders) in België,

(van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt),

hebbende hij, verdachte en/of verdachtes mededader(s) - zakelijk weergegeven - van (een) voorwerp(en), te weten (telkens) (een) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, danwel verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of (een) voorwerp(en), te weten (telkens) (een) geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van dat/die voorwerp(en)/ geldbedrag(en) gebruik gemaakt,

immers verdachte en/of verdachtes mededader(s) heeft/hebben

in zijn verdachtes woning op of omstreeks 21 mei 2012 een geldbedrag voorhanden gehad en/of verborgen en/of daarvan gebruik gemaakt, immers bevond zich in een (technische) ruimte van die woning, een enveloppe, met het Rabobanklogo, inhoudende een geldbedrag groot 7.050 euro, althans een geldbedrag (IBN.E.001)

en/of

in of omstreeks de periode van 24 juni 2005 tot en met 29 december 2009, in een kluis(je) gehuurd bij de [bank] te Lommel, (circa) 700.000,-- euro, althans (circa) 70.000 euro, althans (telkens) (een) geldbedrag(en) voorhanden gehad en/of verborgen en/of daarvan gebruik gemaakt (RHV.01-2)

en/of

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 april 2011 in verdachtes woning in de gemeente Eindhoven, een geldbedrag groot (circa) 700.000,-- euro, althans (een) geldbedrag(en) voorhanden gehad en/of verborgen en/of verhuld en/of op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012 in de gemeente Nuenen, in een koffer in een (kruip)ruimte in de woning van [verdachte] (de broer van verdachte), een koffer inhoudende (een) geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot (circa) 700.000,-- euro, althans (een) geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld en/of voorhanden gehad en/of verplaatst van Eindhoven naar Nuenen (AMB.052) en/of (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst van bovengenoemde (contante) geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld (AMB085, pv. blz. 401029 t/m 401035),

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en), geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art. 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 420quater lid 1 sub a en lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht.

1 Verweerschrift verdachte, versie oktober/november 2016, pagina 15.