Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4415

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
C/01/329808 / HA ZA 18-53
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Moet een klein beetje van de as na crematie van een overledenen worden afgegeven om door zijn dochter in een sieraad te laten verwerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/329808 / HA ZA 18-53

Vonnis van 12 september 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. S. van Helvert te Nijmegen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. van der Meulen te Rosmalen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 maart 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 juli 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[overledene] (hierna: ‘ [overledene] ’), vader van [eiseres] , heeft bij testament van 11 december 2012 zijn (op dat moment toekomstige) echtgenote [gedaagde] tot enig en algeheel erfgenaam benoemd. [gedaagde] is niet de moeder van [eiseres] .

2.2.

Op 30 augustus 2014 heeft [overledene] het Wensenboekje van DELA Uitvaartverzorging B.V. (hierna: ‘het Wensenboekje’) ingevuld en ondertekend. Met betrekking tot wat er na de crematie met zijn as moet gebeuren, heeft hij de volgende opties aangekruist.

2.3.

Op [datum overlijden] is [overledene] overleden.

2.4.

[gedaagde] heeft aan DELA opdracht gegeven om de crematie van [overledene] te verzorgen. Op 6 november 2017 is [overledene] gecremeerd. Op de urn met de as van [overledene] is namens [eiseres] beslag gelegd en deze urn is in bewaring gegeven aan Crematorium en Uitvaartcentrum Maaslanden te Nieuwkuijk (hierna: ‘het crematorium’).

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis een zodanig klein deel van de as van [overledene] , dat in een sieraad bewaard kan worden, aan [eiseres] ter beschikking te stellen, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van

€ 500,00 per dag, een deel van de dag daaronder begrepen, met een maximum van

€ 15.000,-, zolang zij niet aan het vonnis voldoet;

II [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van het door [eiseres] ten laste van [gedaagde] gelegde beslag op de urn met de as van [overledene] .

3.2.

[eiseres] legt primair aan haar vordering ten grondslag dat het de (vermoedelijke) wens van [overledene] was dat zij ‘iets tastbaars’ van hem zou krijgen in de vorm van as.

Subsidiair, voor het geval de (vermoedelijke) wens van [overledene] niet duidelijk zou zijn, stelt [eiseres] zich op het standpunt dat door een klein deel van de as van [overledene] aan haar af te staan en de overige as uit te strooien, aan alle belangen van de nabestaanden wordt voldaan: [eiseres] heeft de mogelijkheid haar vader te gedenken althans een sieraad te laten maken met de as van haar vader en [gedaagde] de mogelijkheid om de as uit te strooien.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat [gedaagde] kan worden aangemerkt als degene die het in artikel 11 van de Wet op de lijkbezorging bedoelde verlof voor de crematie heeft aangevraagd dan wel redelijkerwijs geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden. Ingevolge het bepaalde in artikel 18 van diezelfde wet moet dan in de eerste plaats [gedaagde] in de lijkbezorging van [overledene] voorzien. Daarmee stemt overeen dat het ook [gedaagde] is geweest die het crematorium opdracht heeft gegeven om tot crematie van [overledene] over te gaan.

4.2.

Onder het voorzien in de lijkbezorging is begrepen het geven van de bestemming aan de as (artikel 18, lid 2 Wet op de lijkbezorging). De lijkbezorging geschiedt op grond van het bepaalde in lid 1 van genoemd artikel overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het is dus in beginsel [gedaagde] die moet zorgen dat na de crematie van [overledene] de asbestemming plaatsvindt. Dat wil niet zeggen dat [gedaagde] naar eigen inzicht mag bepalen hoe dat gebeurt: zij moet zich daarbij richten naar de wensen van [overledene] .

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het de wens was van [overledene] om zijn as te laten verstrooien op het verstrooiingsveld bij het crematorium. Dat blijkt onder meer uit de twee schriftelijke verklaringen die [gedaagde] heeft overgelegd. In de verklaring van de tweelingzus van [overledene] staat onder meer: “Hij ( [overledene] , opmerking rechtbank) gaf toen aan gecremeerd te willen worden en de as uit te laten strooien, zodat er geen gedenkplaats ontstond. Gezien de verhoudingen in de familie leek hem dat namelijk geen goed idee.” In de verklaring van de zus van [gedaagde] staat dat [overledene] heeft gezegd dat hij “na zijn overlijden zijn as uitgestrooid wilde hebben op het strooiveld bij de DELA.” Voorts heeft [eiseres] tijdens de comparitie verklaard: “In 2012 had ik met mijn vader een gesprek naar aanleiding van het plotselinge overlijden van een collega van hem van de oliebollenkraam. (…) Mijn vader heeft toen gezegd dat hij geen uitvaartverzekering had en dat hij gecremeerd wilde worden en dat zijn as zou moeten worden uitgestrooid. Ik heb er toen niet over het verwerken van as in een sieraad gehad, maar ik heb wel gezegd: ‘maar wat als ik wat as zou willen houden?’ Zijn antwoord was op zijn Brabants: ‘dan moete da lekker doen’.” Bovendien heeft [overledene] in het Wensenboekje de optie aangekruist dat hij wilde dat zijn as verstrooid zou worden op het verstrooiingsveld bij het crematorium.

4.4.

De vraag waar het in deze zaak om gaat, is of de wens van [overledene] om zijn as te laten verstrooien, ruimte laat om aan [eiseres] ‘een theelepel’ van die as ter beschikking te stellen om deze in een sieraad te bewaren. [eiseres] heeft gesteld dat het óók de wens van [overledene] was, dat zij wat van zijn as zou krijgen. [gedaagde] betwist dit. Zij stelt zich op het standpunt dat het de wens van [overledene] was dat (al) zijn as verstrooid zou worden en zij wil in overeenstemming met die wens handelen.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of het gesprek tussen [overledene] en [eiseres] in 2012 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Immers, ook als ervan wordt uitgegaan dat dat gesprek heeft plaatsgevonden, is van belang dat [overledene] twee jaar later zijn wensen omtrent de uitvaart heeft opgeschreven in het Wensenboekje. Aangenomen kan worden dat [overledene] toen goed heeft nagedacht over wat hij wel en niet wilde. Uit de inhoud van het boekje volgt dat [overledene] wel wilde dat zijn as zou worden verstrooid, maar dat hij niet wilde dat zijn as zou worden bewaard. Weliswaar heeft [overledene] bij de asbestemming ook de optie ‘naar wens van mijn nabestaanden’ aangekruist, maar naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit niet worden afgeleid dat [overledene] wilde dat niet alle as zou worden uitgestrooid, maar dat een deel van de as – door middel van verwerking in een sieraad – toch bewaard zou worden. Dat [overledene] er bewust voor heeft gekozen om zijn as niet te laten bewaren, volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de omstandigheid dat [overledene] in het Wensenboekje heeft aangegeven geen gedenkplaatje te wensen, wat in lijn is met de verklaring van zijn tweelingzus, dat [overledene] zijn as wilde laten uitstrooien omdat er dan geen gedenkplaats ontstond.

4.6.

De rechtbank gaat ervan uit dat het Wensenboekje de meest actuele wensen van [overledene] over de invulling van zijn uitvaart weergeeft. Dat hij twee jaar eerder tijdens een gesprek met [eiseres] kenbaar zou hebben gemaakt geen bezwaar te hebben tegen het bewaren van een deel van de as door [eiseres] , is onvoldoende om aan te nemen dat [overledene] - naast de in het Wensenboekje weergegeven wensen - ook wenste dat [eiseres] een deel van zijn as (in een sieraad) zou bewaren. Dit volgt immers niet uit het Wensenboekje, waarbij niet valt uit te sluiten dat [overledene] na het gestelde gesprek in 2012 van gedachte is veranderd. Dat het slechts om een zeer klein gedeelte van de as gaat, maakt een en ander niet anders.

4.7.

Nu aangenomen kan worden dat over de wens van [overledene] omtrent de bestemming van zijn as geen onduidelijkheid bestaat, wordt niet toegekomen aan een afweging van belangen van de nabestaanden.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering niet kan worden toegewezen.

4.9.

Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.