Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4363

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
01/865061-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meermalen in een woonwijk schieten met een vuurwapen.

Vrijspraak van poging tot doodslag op onbekend gebleven personen.

Vrijspraak van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op die onbekend gebleven personen.

Veroordeling voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

Verwerping verweer noodweer.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Verdachte dient zich te houden aan verplicht reclasseringstoezicht en moet zo nodig een ambulante behandeling volgen bij de verslavingszorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865061-18

Datum uitspraak: 07 september 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [1976] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 juli 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 augustus 2018 is gewijzigd, is aan verdachte tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te 's-Hertogenbosch (in of nabij de [adres 2] ) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om twee, athans een, onbekend gebleven perso(o)n(en) opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, een vuurwapen heeft gericht op deze perso(o)n(en en/of een of meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting van die perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te ‘s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan twee, althans een, onbekend gebleven perso(o)n(en) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een vuurwapen heeft gericht op deze perso(o)n(en) en/of een of meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting van die perso(o)n(en) terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

en voor zover terzake het onder 1 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet

mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te ‘s-Hertogenbosch twee, althans een, onbekend gebleven

perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op deze

perso(o)n(en) en/of een of meerdere kogels afgevuurd in de richting van die perso(o)n(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd het primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde onder primair en subsidiair. De raadsman heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte gericht heeft geschoten op personen. Verdachte heeft ontkend dat hij gericht op personen heeft geschoten. Hij zou enkel waarschuwingsschoten hebben gelost.

De raadsman heeft voor wat betreft het bewijs geen uitdrukkelijk standpunt ingenomen ten aanzien van het tenlastegelegde onder meer subsidiair (bedreiging).

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank acht het volgende van belang.

[verbalisant 1] heeft gerelateerd dat op 10 mei 2018 omstreeks 03.00 uur een melding werd gedaan van meerdere schoten in de [adres 2] te ’s-Hertogenbosch.2

[verbalisant 2] heeft gerelateerd dat aan [adres 2] , aan het kruispunt [adres 2] - [adres 3] , [cafetaria] is gelegen. [verbalisant 2] heeft verder gerelateerd dat de cafetaria is voorzien van diverse camera opnamepunten, waaronder vier camera’s die buiten aan het pand hangen en zicht geven op beide wegen. De camerabeelden werden na vordering verkregen van de eigenaar. De opnames starten omstreeks 02.30 uur en eindigen omstreeks 03.30 uur.3

[verbalisant 3] heeft gerelateerd dat hij op de beelden de hem ambtshalve bekende [verdachte] herkende. [verbalisant 3] heeft gerelateerd dat hij [verdachte] al kent sinds hij bij de politie werkt en dat is sinds 1999, dat hij diverse malen contact met hem heeft gehad en hem heeft gesproken, gezien en aangehouden voor diverse strafbare feiten. [verbalisant 3] heeft tot slot gerelateerd dat hij [verdachte] herkent aan zijn gezicht, zijn postuur en zijn bewegingen.4

[verbalisant 2] heeft de camerabeelden bekeken en een uitvoerige beschrijving gegeven van hetgeen zij op die beelden heeft waargenomen. [verbalisant 2] heeft het volgende gerelateerd.5

02:54:36

Vanuit de [adres 2] ter hoogte van [huisnummer 1] verschijnt [verdachte] in beeld.

[verdachte] loopt in de richting van [cafetaria] en gaat daar de stoep op. Ik zie dat [verdachte] een

vuurwapen in zijn rechterhand houdt en ik zie dat hij in zijn linkerhand vermoedelijk een telefoon vasthoudt. Ik zie dat [verdachte] zijn rechterarm omhoog brengt en ik zie dat hij een vuurwapen vastheeft in zijn rechterhand. Ik zie dat hij op dat moment met het vuurwapen wijst in de richting van een persoon die onderin beeld verschijnt. Gezien zijn uiterlijke kenmerken vermoed ik dat deze man van Antilliaanse afkomst is. Ik zie dat deze man zijn haar in vermoedelijk een zogenaamd netje draagt waardoor zijn haar samengebonden op zijn schouders valt. Verder zie ik dat de man vrij volle vooruitstekende lippen en een brede neus heeft. Ik zie dat [verdachte] en de Antilliaanse man in gesprek gaan met elkaar en ik zie dat [verdachte] de man een aantal keer aanraakt. Ik zie dat de Antilliaanse man gedurende het gehele gesprek met zijn armen over elkaar blijft staan en een ‘relaxte’ indruk probeert uit te stralen. Ik zie dat gedurende de eerste seconden van het gesprek [verdachte] het vuurwapen in zijn rechterhand vasthoudt en deze langs zijn lichaam laat hangen. Ik zie dat [verdachte] op een gegeven moment zijn vuurwapen verbergt en deze achter zijn broeksband stopt bij zijn buik en hierna zijn t-shirt over het vuurwapen hangt. Ik zie dat [verdachte] tijdens het gesprek met zijn hand een pistool nabootst en druk blijft praten alsof hij de Antilliaan wat duidelijk probeert te maken.

02:55:14

Ik zie dat tijdens het gesprek de Antilliaanse man een aantal keren achterom kijkt alsof er iets gebeurt achter hem. Ik zie dat [verdachte] de aandacht van de Antilliaan probeert vast te houden door hem weer aan te raken zodat de Antilliaanse man in gesprek blijft met hem.

02:55:25

Ik zie dat [verdachte] in de gaten krijgt dat achter de Antilliaan iets gebeurt en ik zie dat [verdachte] met zijn rechterhand een gebaar maakt in de richting van de persoon die op dat moment in beeld komt. Ik zie dat deze persoon een man betreft met een donkerkleurige kortgeschoren baard en donkerkleurig kort haar. Ik zie dat de Antilliaanse man zich omdraait in de richting van de man die in beeld verschijnt. Ik zie dat de Antilliaanse man deze persoon weg probeert te duwen maar dat dit niet goed lukt omdat de persoon met het baardje terugduwt. Ik zie dat de Antilliaanse man en de man met het baardje een aantal seconden wat tegen elkaar duwen waarbij de Antilliaanse man lijkt te proberen te voorkomen dat de man met het baardje bij [verdachte] geraakt.

Ik zie dat [verdachte] achteruit loopt, weg van de Antilliaan en de man met het baardje. Ik zie dat [verdachte] , al achteruitlopend, zijn vuurwapen met zijn rechterhand van onder zijn t-shirt pakt. Ik zie dat [verdachte] zijn vuurwapen richt op de Antilliaan en de man met het baardje. (..)

Ik zie dat de Antilliaan en de andere persoon doorkrijgen en zien dat [verdachte] een vuurwapen in zijn hand heeft en dit op hen richt. Ik zie dat [verdachte] met zijn linkerhand nog een beweging maakt.

Ik zie dat de Antilliaan en de man met het baardje weg rennen van [verdachte] af in de richting van de [adres 4] . Ik zie dat de Antilliaan op de stoep lijkt te blijven en wegrent verder de [adres 2] in. Ik zie dat de andere persoon de openbare weg van de [adres 2] oprent en deze straat schuin lijkt over te steken, ook verder de [adres 2] in.

Ik zie dat [verdachte] zijn wapen blijft richten op de personen terwijl hij achteruit loopt. Ik zie dat [verdachte] een aantal passen naar voren in de richting van de wegrennende personen zet en op dat moment zie ik dat er vonken uit het vuurwapen van [verdachte] komen. Ik zie dat [verdachte] op dat moment met zijn wapen wijst in de richting van waar de man met het baardje is weggerend en dus meer in die richting schiet, dan in de richting van waar de Antilliaan is weggerend voor zover ik kon zien op beeld.

Ik zie twee keer kort van elkaar vonken verschijnen ter hoogte van de loop van het vuurwapen van [verdachte] waardoor ik vermoed dat [verdachte] twee maal de trekker heeft overgehaald van zijn vuurwapen.

De rechtbank heeft de camerabeelden ter terechtzitting bekeken en is van oordeel dat bovenstaand relaas van [verbalisant 2] een juiste weergave is van hetgeen op die beelden is te zien.

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat zij op 10 mei 2018 omstreeks 08.30 uur een onderzoek hebben ingesteld op de [adres 2] ter hoogte van [huisnummer 2] . [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat op de hoek van de [adres 2] en [adres 4] , ter hoogte van [huisnummer 3] , een donkerkleurige Audi op het trottoir geparkeerd stond. In het rechterportier zat een deuk, mogelijk veroorzaakt door een kogel of ander projectiel. De eigenaar van het voertuig gaf aan dat hij de auto op 9 mei 2018 omstreeks 19.00 uur onbeschadigd had geparkeerd. [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben verder gerelateerd dat naast deze auto een bedrijfsbus stond met de opdruk [bedrijfsnaam] en dat zij zagen dat op de linkerzijkant van dit voertuig een soortgelijke beschadiging zat als bij de Audi. De houder van het voertuig gaf aan dat hij het voertuig op 9 mei 2018 rond 18.30 uur onbeschadigd had geparkeerd. [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat een sporenonderzoek heeft plaatsgevonden door een collega van de Koninklijke Marechaussee met een speurhond. De hond reageerde op de genoemde Audi op de plaats van inslag wat mogelijk indicatief is voor het aanwezig zijn van kruitsporen. De hond kon de beschadiging van de bus niet bereiken, zodat een onderzoek met de hond niet kon plaatsvinden zonder hem te sturen.6

[verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben gerelateerd dat zij een forensisch onderzoek hebben verricht ter hoogte van [adres 2] en dat zij door de plaatselijke politie werden gewezen op twee geparkeerde voertuigen met elk een schotbeschadiging. [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben gerelateerd dat zij zagen dat zich op het trottoir op de hoek van de [adres 2] met de [adres 4] , schuin voor de woning [huisnummer 3] , een personenauto van het merk Audi bevond en dat zich in het rechter voorportier een beschadiging bevond ongeveer 20 centimeter onder de buitenspiegel. [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben verder gerelateerd dat zij zagen dat zich recht voor de woning [huisnummer 3] een bedrijfsbus in een parkeervak bevond, met de neus in de richting van de woning en dat zich in de linkerzijde met het opschrift [bedrijfsnaam] een beschadiging bevond direct onder de [letter] van het [woord] . Beide beschadigingen bestonden uit een puntvormige deuk, ongeveer 6 centimeter in doorsnee, waarin lak weg was. [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat de beschadigingen passen in het beeld dat deze door een projectiel van een vuurwapen zijn veroorzaakt en dat de vermoedelijke positie van afvuren van de projectielen zich tussen de beide voertuigen en de omgeving hoek [adres 2] / [adres 3] heeft bevonden, gelet op de afzonderlijke positie van de auto’s, de positie ten opzichte van elkaar, dat beide beschadigingen kenmerken hebben van een schotbeschadiging, dat de beschadigingen vrijwel loodrecht van inslag zijn en liggen in dezelfde lijn en dat de Audi met de rechterzijde schuin in de richting van de hoek [adres 2] / [adres 3] stond.7

[verbalisant 7] heeft gerelateerd dat hij middels fotografische opnamen en bewegende beelden van het schietincident een onderzoek heeft ingesteld naar de afstanden ten tijde van het schieten. [verbalisant 7] heeft gerelateerd dat hij zag dat verdachte in de richting keek van de mannen, dat hij een vuurwapen vasthield in zijn handen en dat hij het wapen richtte op de twee mannen. De afstand tussen verdachte en de twee mannen, gemeten middels de aldaar gelegen stoeptegels van 30 cm lang en breed, is dan 3,3 meter respectievelijk 4,5 meter. [verbalisant 7] heeft verder gerelateerd dat hij zag dat de twee mannen daarna wegrenden uit het beeld in de richting van de [adres 4] , dat verdachte met het wapen wees in de weglooprichting van de man met het baardje, dat verdachte het wapen mee bewoog en wees in de richting waar de man met het baardje naartoe rende en vervolgens uit beeld verdween, dat de afstand tussen hen op dat moment minimaal 7,5 meter bedroeg en dat er tweemaal kortstondig achter elkaar vuurvonken uit de loop van het vuurwapen kwamen. Middels de fotografische opname van de twee aangetroffen kogelinslagen en de positie van de schutter heeft [verbalisant 7] een beeld geschetst van de vermoedelijke vuurlijnen na het schieten van de verdachte. De afstand tussen de schutter en de voertuigen met inslagen bedraagt 40 meter, berekend middels Google Maps. [verbalisant 7] heeft tot slot gerelateerd dat de inslagen zich op knie- en borsthoogte bevonden.8

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij af en toe cocaïne gebruikt, dat hij sinds drie maanden een nieuwe dealer heeft die [alias] wordt genoemd, dat hij een schuld bij deze persoon had van € 250,00 en dat zij hadden afgesproken dat verdachte het volledige bedrag op donderdag 10 mei 2018 zou betalen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij een uur voor de schietpartij een woordenwisseling over de betaling heeft gehad met [alias] en twee Antilliaanse jongens, dat verdachte toen is vertrokken, dat hij telefonisch contact had met de Antilliaan op de beelden en dat hij met die Antilliaan heeft afgesproken dat deze alleen zou komen. Verdachte heeft verklaard dat hij naar de [adres 2] is gegaan, dat hij met de Antilliaanse jongen heeft gesproken en dat toen de andere Antilliaan en [alias] naar hem toe kwamen lopen en hem wilden aanvallen. Verdachte heeft verklaard dat hij het pistool heeft laten zien, dat ze doorliepen naar hem en dat hij toen heeft geschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij bang was, omdat [alias] heel agressief is en een paar dagen eerder een jongen genaamd [naam] helemaal in elkaar heeft geslagen. Ook zou [alias] bij zijn moeder aan de deur zijn geweest. Verdachte herkent zichzelf op de beelden als de man met het vuurwapen. Verdachte ontkent dat hij gericht op de betreffende personen heeft geschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat twee aan de ene kant van de weg op de stoep liepen en de ander aan de andere kant op de stoep, dat hij tussen ze door heeft geschoten en dat hij ze had kunnen raken als hij dat had gewild. Verdachte heeft verklaard dat hij dit nooit heeft gewild, dat hij bang was en ze wilde laten schrikken.9

Verdachte is ook gehoord bij de rechter-commissaris in het kader van de inverzekeringstelling en inbewaringstelling en verdachte heeft ter terechtzitting een verklaring afgelegd. De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen, in de kern bezien, overeenkomen met de door verdachte afgelegde verklaring bij de politie, zoals hiervoor is weergegeven. Zo heeft verdachte ter terechtzitting eveneens verklaard dat hij zijn pistool trok, dat hij twee keer heeft geschoten, dat hij alleen maar wilde dreigen en dat hij niet de intentie had om de betreffende personen te raken.10

De rechtbank stelt op grond van hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van verdachte, vast dat verdachte een vuurwapen heeft gericht op personen, terwijl deze personen zich bevonden op 3,3 respectievelijk 4,5 meter afstand van verdachte en dat verdachte, terwijl deze personen wegrenden, twee kogels heeft afgevuurd. De rechtbank dient thans de vraag te beantwoorden of verdachte deze kogels in de richting van de wegrennende personen heeft afgevuurd met het opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – om deze personen van het leven te beroven (primair) of om aan hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair).

Nu verdachte consistent is gebleven in zijn verklaringen dat hij niet in de richting van de wegrennende personen heeft geschoten, maar bewust tussen hen door schoot en dat hij aldus niet de bedoeling heeft gehad om hen te raken, dient voor een bewezenverklaring van het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde uit de overige bewijsmiddelen onomstotelijk het tegendeel te blijken.

De rechtbank constateert allereerst dat de identiteit van de wegrennende personen onbekend is gebleven. Er heeft wel onderzoek plaatsgevonden naar de op de beelden door [verbalisant 2] beschreven man met het baardje, die door verdachte [alias] wordt genoemd. Uit onderzoek van de telefoongegevens van verdachte zijn aanwijzingen verkregen dat deze persoon [persoon] , geboren te [geboorteplaats 2] , betreft. [persoon] is vervolgens ook gehoord, maar hij wilde niets verklaren en wenste ook geen aangifte te doen. Het dossier bevat geen informatie over de identiteit van de op de beelden door [verbalisant 2] beschreven Antilliaan en ook niet over de door verdachte genoemde derde persoon, die overigens niet op de beelden is waargenomen.

Een aangifte van de wegrennende personen ontbreekt aldus en het dossier bevat evenmin verklaringen van getuigen die de schietpartij hebben gezien. Het bewijs zal derhalve gestoeld moeten worden op de beschrijving van de camerabeelden door [verbalisant 2] en de door [verbalisant 7] , op basis van de beelden en de fotografische opnamen van de positie van de schutter en de aangetroffen kogelinslagen in de twee voertuigen, aangegeven vuurlijnen.

[verbalisant 2] heeft gerelateerd dat zij ziet dat de Antilliaan op de stoep lijkt te blijven en wegrent verder de [adres 2] in. De andere persoon rent de openbare weg van de [adres 2] op en lijkt deze straat schuin over te steken, ook verder de [adres 2] in.

[verbalisant 2] heeft gerelateerd dat [verdachte] met zijn wapen wijst in de richting van waar de man met het baardje is weggerend op het moment dat er vonken uit het vuurwapen komen en dat [verdachte] dus meer in die richting schiet, dan in de richting van waar de Antilliaan is weggerend voor zover zij kon zien op beeld.11

[verbalisant 7] heeft gerelateerd dat de twee mannen nadat het wapen op hen werd gericht wegrenden uit het beeld, dat verdachte met het wapen wees in de weglooprichting van de man met het baardje, dat verdachte het wapen mee bewoog en wees in de richting waar de man met het baardje naartoe rende en vervolgens uit beeld verdween, dat de afstand tussen hen op dat moment minimaal 7,5 meter bedroeg en dat er tweemaal kortstondig achter elkaar vuurvonken uit de loop van het vuurwapen kwamen. [verbalisant 7] heeft een beeld geschetst van de vermoedelijke vuurlijnen na het schieten van de verdachte.12

De rechtbank is, gelet op de hiervoor weergegeven relazen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 7] en gelet op haar eigen waarneming van de beelden, van oordeel dat niet vastgesteld kan worden waar de wegrennende personen zich precies bevonden op het moment dat verdachte met het vuurwapen twee kogels afvuurde. Weliswaar bestaan er aanwijzingen dat in ieder geval [alias] zich bevond in de nabijheid van de vuurlijnen, maar nu de wegrennende personen op het moment van schieten buiten beeld waren en hun precieze positie ook niet volgt uit andere bewijsmiddelen, kan de verklaring van verdachte naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende worden weerlegd en moet van zijn verklaring worden uitgegaan. De rechtbank acht aldus niet komen vast te staan dat verdachte kogels in de richting van de wegrennende personen heeft afgevuurd.

De rechtbank acht gelet op vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder primair (poging tot moord/doodslag) en subsidiair (poging tot zware mishandeling) is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder meer subsidiair is tenlastegelegd, in die zin dat verdachte de betrokken onbekend gebleven personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een vuurwapen op hen te richten en meerdere kogels af te vuren (niet in hun richting). Naar het oordeel van de rechtbank is de bedreiging van dien aard en onder zulke omstandigheden gedaan dat deze in het algemeen de vrees kan opwekken dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(meer subsidiair)

op 10 mei 2018 te ‘s-Hertogenbosch onbekend gebleven personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op deze personen en meerdere kogels afgevuurd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte te ontslaan van rechtsvervolging, aangezien verdachte zou hebben gehandeld uit noodweer. Verdachte heeft verklaard dat [alias] hem wilde aanvallen en dat een derde persoon in zijn richting kwam lopen. Verdachte heeft verklaard dat hij bang was en in paniek. Hij zou van [naam] hebben gehoord dat de betreffende personen hem een paar dagen eerder helemaal in elkaar hadden geslagen. Ook zouden deze personen bij de moeder van verdachte aan de deur zijn geweest.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat aan verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt. De officier van justitie heeft primair aangevoerd dat geen sprake was van een noodweersituatie, omdat de agressie van [alias] werd beteugeld door de Antilliaanse man. Hij zou [alias] hebben weggeduwd en zodoende verdachte hebben geholpen. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt, omdat verdachte zichzelf in de situatie heeft gebracht door een vuurwapen mee te nemen. Meer subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verdachte had kunnen kiezen voor een andere reactie, bijvoorbeeld weglopen of in de lucht schieten.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank dient te beoordelen of het bewezenverklaarde feit een strafbaar feit is. In dit verband zal de rechtbank het door de raadsman gevoerde verweer, dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, bespreken.

Op grond van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, niet strafbaar.

De rechtbank dient allereerst vast te stellen of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte of een ander.

De rechtbank acht het volgende van belang.

Zoals hiervoor reeds is weergegeven heeft [verbalisant 2] een relaas opgemaakt omtrent hetgeen zij heeft waargenomen op de camerabeelden, waarbij de rechtbank nogmaals overweegt dat zij van oordeel is dat dit relaas, voor zover hiervoor opgenomen, een juiste weergave is van hetgeen op die beelden is te zien.

[verbalisant 2] heeft gerelateerd dat de Antilliaanse man en de man met het baardje tegen elkaar duwen, waarbij de Antilliaanse man lijkt te proberen te voorkomen dat de man met het baardje bij verdachte geraakt. [verbalisant 2] heeft verder gerelateerd dat zij ziet dat verdachte achteruit loopt, weg van de Antilliaan en de man met het baardje, dat verdachte, al achteruitlopend, zijn vuurwapen met zijn rechterhand van onder zijn t-shirt pakt en dat verdachte zijn vuurwapen richt op de Antilliaan en de man met het baardje. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat de Antilliaan en de man met het baardje vervolgens weg rennen van verdachte af.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte op het moment dat verdachte het vuurwapen richt op de betreffende personen, omdat de man met het baardje op geen enkel moment bij verdachte geraakt. Op het moment dat verdachte met het vuurwapen twee kogels afvuurt, is ook geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte. Immers waren de betreffende personen toen al weggerend. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank concludeert dat het bewezenverklaarde het in de uitspraak vermelde strafbare feit oplevert. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft, in het geval de rechtbank niet komt tot ontslag van rechtsvervolging op grond van noodweer, verzocht verdachte te ontslaan van rechtsvervolging op grond van noodweerexces. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte misschien verder is gegaan dan strikt noodzakelijk.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft niet gereageerd op het beroep van de raadsman op noodweerexces.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien zij hiervoor reeds heeft geoordeeld dat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte, zodat geen sprake is van noodweer en aldus kan ook geen sprake zijn van noodweerexces.

De rechtbank concludeert dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde, poging tot doodslag, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis rekening gehouden met de ernst van het feit (levensdelict), de gevoelens van onveiligheid die het handelen van verdachte hebben teweeggebracht, het forse strafblad van verdachte waaronder een veroordeling voor een poging tot doodslag in 1995, en de richtlijnen van het openbaar ministerie.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft, in het geval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, verzocht een aanmerkelijk lagere straf op te leggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het reclasseringsadvies van Novadic-Kentron. De raadsman heeft verder verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte geen veelpleger meer is, dat de eerdere veroordeling voor een poging tot doodslag heel lang geleden is en dat verdachte op andere leefgebieden dan middelengebruik geen problemen heeft. De raadsman heeft ook verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte de zorg draagt voor zijn zieke moeder en dat de vriendin van verdachte een goede invloed op hem heeft.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met een levensdelict. Verdachte heeft in een woonwijk een vuurwapen gericht op personen met wie hij een conflict had over een drugsschuld en vervolgens heeft hij met dit vuurwapen geschoten. De kogels zijn ongeveer 40 meter verderop ingeslagen in twee voertuigen. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij ervoor heeft gekozen een vuurwapen mee te nemen, dat hij dit vuurwapen ook daadwerkelijk heeft gebruikt door dit te tonen en daarmee twee kogels af te vuren en dat hij zich op dat moment bevond in een woonwijk. Meerdere buurtbewoners, waaronder een 4-jarig kind, hebben de schoten gehoord. Dergelijke delicten veroorzaken veel maatschappelijke onrust en leiden tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met het 25 pagina’s tellende strafblad van verdachte. Verdachte werd vele malen veroordeeld voor uiteenlopende delicten, waaronder meerdere keren voor bedreiging.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met het reclasseringsadvies van Novadic-Kentron d.d. 1 augustus 2018. Dit rapport houdt onder meer in dat sprake is van problematisch middelengebruik en een gemiddelde kans op recidive. Verdachte is gemotiveerd om een hulpverleningstraject te volgen gericht op abstinentie. Zijn huidige vriendin keurt middelengebruik en het plegen van delicten af en vormt een belangrijke beschermende factor en bron van steun. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, deelname aan een gedragsinterventie gericht op verslaving en middelengebruik, het volgen van een ambulante behandeling, een drugs- en alcoholverbod en middelencontrole. Er zijn geen belemmeringen voor een eventuele langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aldus de reclassering.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het oriëntatiepunt voor bedreiging door het tonen van een vuurwapen is een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft begaan, waarbij hij niet alleen het vuurwapen heeft getoond maar daar ook daadwerkelijk twee schoten mee heeft afgevuurd, alsmede gelet op de forse recidive van verdachte, acht de rechtbank een aanzienlijk langere gevangenisstraf passend.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan met een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal hierop in mindering worden gebracht.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten 5 maanden, voorwaardelijk opleggen gelet op het advies van de reclassering alsook gelet op de verklaring van verdachte ter terechtzitting. Verdachte heeft ter terechtzitting immers verklaard dat hij de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag inziet en dat hij hiervoor een straf heeft verdiend, maar hij heeft ook verklaard dat hij niet anders kon. De rechtbank acht het van belang dat een deels voorwaardelijke straf wordt opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is zich te houden aan deze bijzondere voorwaarden.

De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en zal daarom een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 285.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het tenlastegelegde onder meer subsidiair bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

(meer subsidiair)bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich binnen 3 dagen na zijn invrijheidstelling meldt bij Novadic-Kentron, Verslavingsreclassering, op het adres Rompertsebaan 28 te 's-Hertogenbosch en zich daarna gedurende een door die reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) blijft melden zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

- actief deel neemt aan de gedragsinterventie Leefstijltraining of een andere door de reclassering te bepalen gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

- zijn medewerking verleent aan een eventuele ambulante behandeling binnen Novadic-Kentron, Netwerk voor Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- geen drugs gebruikt;

- geen alcohol gebruikt;

- meewerkt aan controle op het drugs- en alcoholverbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest), urineonderzoek en bloedonderzoek.

De Reclassering Nederland (Novadic-Kentron), Regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Bossink, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. R.H. van Marle, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 7 september 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Districtsrecherche ‘s-Hertogenbosch, genummerd 2018089517, OB1R018076 Rathenow, aantal pagina’s: 171. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Relaas [verbalisant 1] , dossierpagina 5

3 Relaas [verbalisant 2] , dossierpagina 77

4 Relaas [verbalisant 3] , dossierpagina 71

5 Relaas [verbalisant 2] , dossierpagina 80 en 83-87

6 Relaas [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , dossierpagina 58

7 Relaas [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , dossierpagina 165-166

8 Relaas [verbalisant 7] , dossierpagina 95-97

9 Verklaring verdachte, dossierpagina 46-49

10 Verklaring verdachte, afgelegd ter terechtzitting

11 Relaas [verbalisant 2] , dossierpagina 86-87

12 Relaas [verbalisant 7] , dossierpagina 95-97