Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4352

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
C/01/314999 / FA RK 16-6044
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Spaanse adoptiebeslissing; adoptie van een kind door twee vaders.

Voor adopties die niet tot stand zijn gekomen overeenkomstig de regels van het Haags Adoptieverdrag 1993, geldt Titel 6 van Boek 10 BW.

In casu is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 10:109 BW zodat de Spaanse adoptiebeslissing niet in Nederland erkend kan worden.

Evenmin geldt dat is voldaan aan de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka), nu de daarin omschreven procedure niet is gevolgd. Zo ontbreekt de in artikel 2 van die wet bedoelde beginseltoestemming.

Nu de buitenlandse adoptiebeslissing in Nederland niet voor erkenning in aanmerking komt, komt de rechtbank ook niet toe aan een beoordeling van de mogelijkheid van omzetting als bedoeld in artikel 10:111 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0034
FJR 2019/56.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/314999 / FA RK 16-6044

Uitspraak : 15 mei 2018

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende adoptie in de zaak van:

[naam 1]

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A.B. Noordhof.

Strekkende tot adoptie van:

[minderjarige] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

[vader] ,

hierna mede te noemen: de biologische vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A.B. Noordhof.

De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 21 november 2016;

- een tweetal brieven van de gemeente Den Haag, respectievelijk gedateerd 22 december

2017 en 6 februari 2018;

- een brief (met als bijlage de raadsrapportage van 1 maart 2018) van de raad voor de

kinderbescherming (verder: de raad), gedateerd 2 maart 2018;

- een brief (met als bijlage de gewijzigde raadsrapportage van 1 maart 2018) van de raad,

gedateerd 6 maart 2018.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 15 maart 2018.

Verschenen zijn: de man en de biologische vader, beiden bijgestaan door mr. Noordhof, en mevrouw [naam 2] namens de raad.

Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen is ter zitting geen vertegenwoordiger van de gemeente ’s-Gravenhage verschenen.

De feiten

De man en de biologische vader zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [land huwelijk] . Vervolgens zijn zij verhuisd naar Nederland en sinds 2011 zijn zij woonachtig in [woonplaats] .

Op [geboortedatum] is voornoemde minderjarige [naam kind] geboren in [geboorteplaats] . Haar moeder is mevrouw [moeder] , woonachtig in [land 1] . De biologische moeder van [naam kind] is afkomstig uit [land 2] .

De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de biologische vader en [naam kind] hebben de Spaanse nationaliteit.

Uit de DNA-test d.d. 16 mei 2013 afgenomen te [land 1] , blijkt dat de [vader] de biologische vader is van [naam kind] .

Op 10 juni 2013 is [naam kind] met haar biologische vader naar Nederland gekomen waar zij sindsdien met de man en haar biologische vader in gezinsverband woont. [naam kind] is op diezelfde datum ingeschreven bij de gemeente [woonplaats] onder de achternaam: [naam 2] , zoals staat vermeld in haar Spaanse paspoort.

Op 2 april 2014 heeft de Spaanse rechtbank de adoptie van [naam kind] door de man goedgekeurd. De man, de biologische vader en [naam kind] woonden toen in Nederland, maar stonden – volgens verklaringen van de man en de biologische vader ter zitting – op datzelfde moment ook in Spanje ingeschreven.

Op 14 april 2015 is voor [naam kind] een paspoort afgegeven waarin haar achternaam luidt: [naam 2] en op 24 mei 2015 is de achternaam in de Basis Registratie Personen aangepast.

Op 22 juni 2015 heeft de man de gemeente [woonplaats] verzocht om hem te registreren als vader van [naam kind] .

De inschrijving van de adoptiebeschikking van de Spaanse rechtbank (van eerste aanleg N.6 van [naam 3] ) in de basisregistratie van de gemeente [woonplaats] is geweigerd. Het tegen die weigering gemaakte bezwaar is door de gemeente [woonplaats] ongegrond verklaard.

Na een daarop door de man en de biologische vader gevoerde beroepsprocedure heeft de bestuursrechter van deze rechtbank bij beschikking van

13 oktober 2016 beslist dat het Haagse Adoptieverdrag op onderhavige stiefouderadoptie niet van toepassing is en dat de Spaanse adoptiebeschikking derhalve niet van rechtswege kan worden erkend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente [woonplaats] terecht de inschrijving geweigerd.

Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank:

primair:

  1. te verklaren voor recht dat de adoptie van [minderjarige] zoals door het Spaanse Gerechtshof (de rechtbank begrijpt dat hier wordt bedoeld: de Spaanse rechtbank) op [datum] is uitgesproken, erkend wordt ten aanzien van verzoeker en dat de uitspraak vatbaar is voor opneming in het Nederlandse register van de burgerlijke stand;

  2. de erkenning van de adoptie en voor zoveel nodig de omzetting van de adoptie zal uitspreken van het minderjarige kind [minderjarige] , geboren te [land 1] op [geboortedatum] ;

subsidiair:

1. de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats] te gelasten deze adoptie te registeren in de registers van de burgerlijke stand voor zover dit niet uit de wet voortvloeit.

De man legt aan zijn verzoek onder meer het volgende ten grondslag.

Teneinde de erkenning van de adoptie van [naam kind] door de man alsnog te realiseren, heeft de man besloten de rechtbank om een verklaring voor recht te vragen, zoals ook door de gemeente [woonplaats] werd aanbevolen. De man en de biologische vader wensen gezamenlijk als de ouders van [naam kind] op te treden en de daarbij behorende wettelijke bevoegdheden te verkrijgen. Tevens is de adoptie in het belang van [naam kind] nu zij al sinds haar geboorte een gezinsband heeft opgebouwd met de man en de biologische vader. Tevens biedt de erkenning van de stiefouderadoptie meer waarborgen voor [naam kind] , aangezien op dit moment alleen de biologische vader met het gezag over [naam kind] is belast. Als er iets met hem gebeurt of indien hij komt te overlijden, ontstaat er een gezagsvacuüm. Het inwilligen van het verzoek is dan ook in het belang van [naam kind] .

De man merkt verder op dat strikt genomen niet geheel voldaan wordt aan de criteria van artikel 10:109 van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat zowel de man, de biologische vader als [naam kind] ten tijde van het verzoek als ook ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Uit jurisprudentie volgt echter dat er in het belang van het kind toch een verklaring voor recht kan worden afgegeven. De man is van mening dat de situatie van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 december 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5179) zich ook voordoet in onderhavig geval, zodat er thans geen beletsel meer is om de verklaring voor recht af te geven en deze te laten inschrijven in de Basisregistratie Personen.

Het advies van de raad

De raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de man tot erkenning (dan wel omzetting naar Nederlands recht) van de adoptie van [naam kind] toe te wijzen.

Verwijzend naar de aangepaste raadsrapportage van 1 maart 2018, legt de raad aan zijn advies onder meer ten grondslag dat hij van mening is dat [naam kind] niet de dupe mag worden van regelgeving en verschillen hierin tussen twee landen, waar de de man en de biologische vader nu nog mee te maken hebben. [naam kind] wordt sinds haar geboorte opgevoed en verzorgd door beiden, met als hoofdverzorger de man. Hij voelt zich ‘vader’ over [naam kind] en [naam kind] ziet hem als haar ‘vader’. Het in het belang van [naam kind] dat de man ook in Nederland erkend wordt als de juridische ‘vader’ van [naam kind] .

De standpunten (ter zitting)

Ter zitting hebben de man en de biologische vader, mede bij monde van hun advocaat, een nadere toelichting gegeven en nogmaals benadrukt dat in Spanje de hele daarvoor geldende adoptieprocedure is doorlopen. Gekozen is voor Spanje omdat [naam kind] en de biologische vader de Spaanse nationaliteit hebben. De man en de biologische vader zijn ook in Spanje met elkaar gehuwd en zij hadden een advocaat in Spanje toen zij de draagmoederschap procedure startten, vanwege de complexiteit ervan.

De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (het Haags Adoptieverdrag 1993) in deze zaak niet van toepassing is. Dit Verdrag is namelijk alleen van toepassing wanneer een kind dat zijn gewone verblijfplaats in een Verdragsluitende Staat (Staat van herkomst) heeft, naar een andere Verdragsluitende Staat (Staat van opvang) is, wordt of zal worden overgebracht, hetzij na zijn adoptie in de Staat van herkomst door echtgenoten of een persoon van wie de gewone verblijfplaats zich in de Staat van opvang bevindt, hetzij met het oog op een zodanige adoptie in de Staat van opvang of in de Staat van herkomst. Van overbrenging van [naam kind] van haar Staat van herkomst naar de Staat van opvang is geen sprake geweest. [naam kind] woonde immers voorafgaand aan de Spaanse adoptie en ook daarna met haar biologische vader, die gezag over haar heeft, en de man in Nederland. Noch de nationaliteit van [naam kind] , noch de nationaliteit van de man speelt daarbij als aanknopingsfactor een rol. Ook de omstandigheid dat de man, zoals ter zitting medegedeeld, ingeschreven stond in Spanje , leidt niet tot een feitelijke verblijfplaats in Spanje .

Voor adopties die niet tot stand zijn gekomen overeenkomstig de regels van het Haags Adoptieverdrag 1993, geldt Titel 6 van Boek 10 BW. Op grond van artikel 10:109 BW kan een buitenlands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, worden erkend indien:

a. de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) in acht zijn genomen,

b. de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, en

c. erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 108 lid 2 of lid 3 van dit Boek, zou worden onthouden.

De rechtbank stelt vast dat niet aan de voorwaarden is voldaan. [naam kind] had zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de Spaanse adoptie-uitspraak niet haar gewone verblijfplaats in Spanje , maar in Nederland. De man had wel zijn gewone verblijfplaats in Nederland. Hij leefde toentertijd mét [naam kind] en haar biologische vader in gezinsverband in Nederland. Een inschrijving in Spanje , zo daar al sprake van was ten aanzien van [naam kind] , leidt ook hier niet tot een andere conclusie ten aanzien van haar gewone verblijfplaats. Dat betekent dat de Spaanse adoptiebeslissing niet op grond van artikel 10:109 BW in Nederland erkend kan worden. Verder geldt ook dat evenmin is voldaan aan de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka), nu de daarin omschreven procedure niet is gevolgd. Zo ontbreekt de in artikel 2 van die wet bedoelde beginseltoestemming. Verder merkt de rechtbank op dat nu de buitenlandse adoptiebeslissing in Nederland niet voor erkenning in aanmerking komt, de rechtbank ook niet kan toekomen aan een beoordeling van de mogelijkheid van omzetting als bedoeld in artikel 10:111 BW. Gelet op dit alles ontbreekt dan ook op dit moment iedere rechtsgrond om de subsidiair verzochte inschrijving van de Spaanse adoptie te gelasten.

Al het vorenstaande betekent dat de verzoeken van de man moeten worden afgewezen.

De rechtbank wil niet nalaten op te merken dat zij het standpunt van de man deelt dat het in het belang van [naam kind] is dat hij (samen met de biologische vader) gezag over haar krijgt. Omdat de biologische vader gezag heeft over [naam kind] en [naam kind] met haar biologische vader en de man in Nederland in gezinsverband leeft, kan de man, zoals ook besproken ter zitting, als partner van de biologische vader een verzoek doen tot adoptie als bedoeld in artikel 1:227 BW. Het moge zo zijn dat de man het frustrerend vindt daartoe te moeten overgaan, maar de rechtbank wijst er wel op dat het zetten van een dergelijke stap de enige mogelijkheid is om in Nederland te komen tot de door de man gewenste familierechtelijke betrekkingen met [naam kind] en daarmee tot gezag over haar. Als de man alleen gezag over [naam kind] wil, staat de weg van artikel 1:253t BW open.

De beslissing

De rechtbank:

wijst af de verzoeken.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.I.B.M. Buljevic (voorzitter), mr. E.J.M. Walstock-Krens en mr. J.W. Brunt, rechters, tevens kinderrechters,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 15 mei 2018.

conc: mvdn

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.