Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4350

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
SHE 17/2719, SHE 17/2727, SHE 17/2737, SHE 17/2759 en SHE 17/2761
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2896, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor vestiging supermarkten.

Omgevingsvergunning verleend voor de bouw van twee supermarkten. Diverse eisers hebben beroep ingesteld. De rechtbank acht de komst van de supermarkten niet in strijd met de bepalingen van het bestemmingsplan. De bestemmingsplanbepalingen in combinatie met de verbeelding zijn voldoende duidelijk, zodat niet naar de toelichting op het bestemmingsplan hoeft te worden gekeken. Verder zijn de wijzigingen in de aanvraag in de bezwaarfase wijzigingen van ondergeschikte aard, omdat de grootte, inhoud en oppervlakte en constructie van de gebouwen niet wezenlijk wijzigen en de verharde oppervlakte niet toeneemt. De rechtbank passeert, nu de aanvrager de melding op grond van artikel 8:41 Wet milieubeheer op 14 december 2017 alsnog heeft gedaan, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb verweerders fout om alvorens het besluit te nemen de aanvrager niet de gelegenheid te geven de melding alsnog in te dienen. Het welstandsadvies vertoont naar inhoud of totstandkoming geen gebreken. De rechtbank is verder van oordeel dat aan de parkeernormen van de Bouwverordering wordt voldaan en dat de inrichting van het parkeerterrein zodanig is dat vrachtwagens voldoende manoeuvreerruimte hebben en de supermarkten veilig kunnen worden bevoorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/2719, SHE 17/2727, SHE 17/2737, SHE 17/2759 en SHE 17/2761

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2018 in de zaak tussen

[eisers 1] : eisers 1,

(gemachtigde: mr. M.B.Ph. Geeraedts),

[eisers 2] ,

gezamenlijk te noemen: eisers 2,

(gemachtigde: mr. M. de Jong),

[eisers 3] ,

gezamenlijk te noemen: eisers 3,

(gemachtigde: D. Kist)

[eiser 4] ,

eiser 4,

(gemachtigde: mr. J. Schoneveld)

[eisers 5] ,

gezamenlijk te noemen: eisers 5,

(gemachtigde: mr. M.T.C.A. Smets)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel, verweerder

(gemachtigden: C.J. IJdema en F.T.H. Branten).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Reggenstede Projecten B.V., te Lochem, vergunninghoudster

gemachtigde: mr. L.J. Gerritsen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag

van derde-partij (vergunninghoudster) van 9 augustus 2016 voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, aanleggen of veranderen van een uitrit en kappen afgewezen voor zover het de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan betreft. De aanvraag voor een omgevingsvergunning was ingediend ten behoeve van het realiseren van een tweetal supermarkten op het adres Groeskuilen 91 te Gemert, kadastraal bekend gemeente Gemert, sectie K, nummers 2902 en 3246.

Bij besluit van 29 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van vergunninghoudster gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit van
10 november 2016 herroepen voor zover bij dit besluit geweigerd is een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van twee winkelpanden en het afwijken van het bestemmingsplan en beslist dat aan vergunninghoudster alsnog de gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen en het gebruiken van bouwwerken in afwijking van het bestemmingsplan dient te worden verleend.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepen van eisers 1 tot en met 5 zijn geregistreerd onder respectievelijk de zaaknummers SHE 17/2719, SHE 17/2727, SHE 17/2737, SHE 17/2759 en SHE 17/2761.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Ook vergunninghoudster heeft gereageerd.

De zaken zijn behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 22 mei 2018. Namens eisers 1 zijn verschenen [naam] en [naam] en de gemachtigde. Namens eisers 2 zijn verschenen [naam] , [naam] , [naam] en [naam] en de gemachtigde van eisers 2. Namens eisers 3 zijn verschenen [naam] , vergezeld door [naam] en de gemachtigde van eisers 3. De gemachtigde van eiser 4 is verschenen. Eisers 5 en de gemachtigde van eisers 5 zijn verschenen met uitzondering van [naam] . Verder zijn namens eisers 5 verschenen [naam] en [naam] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld door
[naam] . De derde-partij is vertegenwoordigd door [naam] en [naam] , vergezeld door [naam] , [naam] en de gemachtigde van de derde-partij.

Ter zitting zijn verweerder en vergunninghoudster nog in de gelegenheid gesteld om een reactie in te dienen op de door eisers 5 op 9 mei 2018 ingediende rapporten. Bij brief van
31 mei 2018 heeft vergunninghoudster hierop gereageerd. Hierna is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Na een beschrijving van de feiten zal de rechtbank eerst ingaan op wat formele punten. Daarna worden de beroepsgronden van eisers behandeld. De regelgeving waarnaar wordt verwezen, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

 Op de percelen kadastraal bekend gemeente Gemert, sectie K, nummers 2902 en 3246 (hierna: de projectlocatie) waren eerst een detailhandel in bouwmaterialen, een recreatiebedrijf en een hoveniersbedrijf gevestigd. De derde-partij heeft een plan ontwikkeld voor de bouw van twee supermarkten (LIDL en COOP).

 Op de projectlocatie is het bestemmingsplan “Woongebied Gemert 2011” (het bestemmingsplan) van toepassing.

 De gemeenteraad van Gemert-Bakel heeft vooruitlopend op de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan op de datum van het nemen van het primaire besluit op voordracht van verweerder een voorbereidingsbesluit genomen ter voorkoming van nieuwvestiging van supermarkten en/of grootschalige detailhandel op de projectlocatie.

 In de bezwaarfase heeft vergunninghoudster de aanvraag aangepast. Het parkeerplan en het bouwplan zijn aangepast. Op het, op 21 juli 2017, ingediende bouwplan heeft de gemeentelijke welstandscommissie positief geadviseerd.

 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan voor het gewijzigde bouwplan verleend en daarmee de komst van twee supermarkten op de projectlocatie mogelijk gemaakt.

Formele punten

3.1

Volgens verweerder zijn eisers 2 geen belanghebbende. Verweerder beschikt niet over de statuten van de ondernemersvereniging. De afzonderlijke ondernemers hebben geen activiteiten in hetzelfde marktsegment als de betrokken supermarkten en hebben geen percelen waar ook een supermarkt kan worden gevestigd.

3.2

De statuten van de ondernemersvereniging zijn in de procedure gebracht. De vereniging heeft tot doel het behartigen van belangen van zelfstandige ondernemers en ondernemingen in het klein en middelgrote bedrijf en beroep in de gemeente Gemert. Namens eisers 2 is gesteld dat de ondernemersvereniging onder meer haar leden heeft vertegenwoordigd bij de totstandkoming van de gemeentelijke detailhandelsvisie en dat enkele supermarkten ook lid zijn van de ondernemersvereniging. Verweerder heeft dit niet weersproken. De rechtbank is van oordeel dat de ondernemersvereniging een ruime doelstelling heeft en voldoende feitelijke werkzaamheden verricht om haar als belanghebbende aan te merken.

3.3

De betrokken winkels hebben niet hetzelfde marktsegment als de voorziene supermarkten zodat geen sprake is van een concurrentiebelang dat rechtstreeks is betrokken bij de onderhavige omgevingsvergunning. Verder is de afstand tussen deze winkels en de voorziene supermarkten, die meer bedraagt dan één kilometer, te groot om alleen daaraan een rechtstreeks bij de omgevingsvergunning betrokken belang te ontlenen. Het beroep voor zover door de afzonderlijke ondernemers ingediend, is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2228).

4.1

In een brief van 9 mei 2018 hebben eisers 5 enkele deskundigenrapporten naar de rechtbank gestuurd. Vergunninghoudster verzet zich tegen indiening van deze stukken omdat zij niet meer adequaat op de stukken zou kunnen reageren. Eisers 5 hadden de stukken ook eerder kunnen indienen.

4.2

De rechtbank laat het indienen van de stukken toe. Vergunninghoudster is, evenals verweerder, in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stukken na de zitting. Daarom is geen sprake van strijd met een goede procesorde.

Beoordeling beroepsgronden

5.1

Alle eisers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met (de bedoeling van) het bestemmingsplan, omdat op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de planregels het bestemmingsplan op de projectlocatie alleen een tuincentrum toestaat. De tekst van het bestemmingsplan in combinatie met de verbeelding van het bestemmingsplan is volgens hen niet duidelijk, zodat verweerder ook had moeten kijken naar de toelichting van het bestemmingsplan. Uit de toelichting volgt dat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen beoogde toe te laten, maar dat het slechts het op dat moment ter plaatse gevestigde (en als zodanig bestemde) tuincentrum positief wilde bestemmen. Dat blijkt volgens eisers ook uit het voorbereidingsbesluit van 10 november 2016.

5.2

Verweerder heeft zich pas in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de tekst van het bestemmingsplan duidelijk is en de vestiging van een supermarkt niet in de weg staat. Daarom kan verweerder geen betekenis hechten aan de toelichting op het bestemmingsplan.

5.3

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de op de planverbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende planregels waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn. Als deze toelichting ook geen soelaas biedt, wordt aangeknoopt bij het normaal spraakgebruik (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1466).

5.4

De projectlocatie heeft de bestemming “Detailhandel” met de functieaanduiding ‘tuincentrum’en de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 5”.

In artikel 8.1 van de planregels is bepaald dat de voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden bestemd zijn voor:

  1. detailhandel;

  2. (...);

  3. ter plaatse van de aanduiding ‘supermarkt’, een supermarkt;

  4. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘tuincentrum’, een tuincentrum;

  5. (...);

De begrippen ‘supermarkt’ en ‘tuincentrum’ zijn in de planregels niet gedefinieerd. In artikel 1.42 van de planregels wordt het begrip detailhandel als volgt omschreven: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uistalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

5.5

De rechtbank is van oordeel dat een supermarkt valt binnen de omschrijving van detailhandel in artikel 1.42 van de planregels. Op basis van artikel 8.1, onder a, van de planregels, is een supermarkt op de projectlocatie direct toegelaten. Het ontbreken van de aanduiding ‘supermarkt’ op de projectlocatie leidt niet tot een ander oordeel. De tekst van de planregels staat het vestigen van een supermarkt op gronden zonder de betreffende aanduiding niet in de weg, omdat de supermarkt ook wordt toegelaten op basis van artikel 8.1 onder a, van de planregels. Dat artikel 8.1, onder c, van de planregels daarmee een loze bepaling is, maakt niet dat artikel 8.1 van de planregels daardoor onduidelijk is. Evenmin wordt de bestemming “Detailhandel” op de betreffende gronden beperkt door de aanduiding ‘tuincentrum’ tot het gebruik als tuincentrum. Deze aanduiding kan er slechts toe leiden dat een tuincentrum alleen op gronden met de betreffende aanduiding is toegelaten (een locatiebeperking), maar niet tot een beperking van andere vormen van detailhandel op gronden met de betreffende aanduiding. De tekst en context van artikel 8.1 van de planregels is dus duidelijk. Aan de toelichting op het bestemmingsplan komt daarom geen betekenis toe. Het bouwplan is niet in strijd met de planregels. Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Eisers 2 hebben aangevoerd dat ten onrechte geen distributieplanologisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen van de vestiging van de supermarkten en dat uit de structuurvisie Gemert-Bakel 2011-2102 (structuurvisie) blijkt dat de gemeenteraad nastreeft dat detailhandel zich in de centra van de zich binnen de gemeente bevindende kernen plaatsvindt.

6.2

Verweerder heeft hieromtrent gesteld dat op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het ontbreken van een distributieplanologisch onderzoek en strijd met de gemeentelijke structuurnota geen weigeringsgronden zijn.

6.3

Op basis van artikel 2.10 van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor bouwen alleen worden geweigerd op grond van de in dat artikel genoemde weigeringsgronden.

6.4

Verweerder verliest uit het oog dat in het bestreden besluit ook vergunning is verleend voor het bouwen op gronden met de bestemming “Waarde – Archeologie 5” in strijd met artikel 26.2.2, onder a, van de planregels. Verweerder heeft hierbij gebruik gemaakt van de bevoegdheid in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1, van de Wabo op basis van artikel 26.3 van de planregels. Gelet op artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, en op de redactie van artikel 26.3 van de planregels moet ervan uit worden gegaan dat de planwetgever een activiteit in beginsel uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar acht, als de randvoorwaarden in artikel 26.3 van de planregels geen reden tot weigering vormen. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde verweerder gelet op de randvoorwaarden in artikel 26.3 van de planregels geen distributieplanologisch onderzoek te verlangen en hoefde verweerder evenmin het in de structuurvisie genoemde vestigingsklimaat voor detailhandel bij de belangenafweging te betrekken. Deze beroepsgrond faalt.

7.1

Eisers 4 en 5 hebben nog aangevoerd dat zij een grote mate van (geluid)overlast vrezen vanwege de activiteiten op het terrein en het verkeer van en naar de twee supermarkten. Eisers vrezen voor onveilige situaties omdat de toegangswegen niet berekend zijn op zo’n verkeersaanbod. Eiser 4 plaatst dit in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

7.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verkeersveiligheid geen grond is voor weigering van de omgevingsvergunning voor bouwen. Niettemin heeft verweerder een verkeerskundig onderzoek laten doen waaruit blijkt dat de parkeerplaatsen voldoen en dat de verkeersveiligheid niet in het geding is.

7.3

De rechtbank stelt voorop dat een omgevingsvergunning voor bouwen niet kan worden geweigerd vanwege geluidhinder en omdat de verkeersveiligheid in gedrang is. Verkeersveiligheid en geluidhinder zijn aspecten die in beeld komen in het kader van een toetsing aan de goede ruimtelijke ordening (als moet worden afgeweken van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder c, van de Wabo). Naar het oordeel van de rechtbank hoefde verweerder gelet op de randvoorwaarden in artikel 26.3 van de planregels de aspecten van verkeersveiligheid en goede leefomgeving niet bij de belangenafweging bij het gebruik van zijn bevoegdheid op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1, van de Wabo te betrekken. Deze beroepsgrond faalt.

8.1

Eisers hebben verder aangevoerd dat de wijzigingen in de aanvraag in de bezwaarfase niet van ondergeschikte betekenis zijn en dat vergunninghoudster een nieuwe aanvraag had moeten indienen. Ook de door eisers 5 ingeschakelde deskundige vindt het een aanzienlijke wijziging.

8.2

Verweerder heeft aangegeven dat verguninghoudster voorafgaand aan het primaire besluit niet in de gelegenheid is gesteld om het bouwplan aan te passen aan de wensen van de welstandscommissie. De aanpassingen in de bezwaarfase betroffen een wijziging van het dak en de geveluitvoering. Omdat als gevolg van deze wijzigingen de hoogte van gebouw niet is gewijzigd, de oppervlakte niet is vergroot, de footprint van gebouw niet is gewijzigd, de ruimtelijke uitstraling hetzelfde is gebleven en de constructie niet wezenlijk is gewijzigd acht verweerder de cosmetische wijzigingen van het gebouw van ondergeschikte aard. Ook de wijziging van het parkeerplan (een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen met 51 stuks tot 279 parkeerplaatsen) acht verweerder een ondergeschikte wijziging, omdat de extra parkeerplaatsen worden verkregen door een andere indeling van de parkeervakken, maar niet door het aanbrengen van extra verharding.

8.3

Vergunninghoudster stelt dat de wijzigingen niet zo ingrijpend zijn dat niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Weliswaar is in het rapport van de door eisers 5 ingeschakelde deskundige een aanzienlijke lijst van verschillen ontstaan door deze minutieus te benoemen, maar dat laat volgens vergunninghoudster onverlet dat slechts sprake is van een beperkte wijziging van de uiterlijke verschijningsvorm, zowel op zichzelf beschouwd als in relatie tot het gehele bouwplan dat een grote omvang heeft.

Hieronder staat een weergave van de wijziging:

8.4

De rechtbank stelt vast dat de wijzigingen in het bouwplan niet resulteren in een wezenlijk grotere bebouwingsoppervlakte. Het gebouw wordt niet hoger. Wel wijzigt het dak van gebouw 2 van een zadeldak met plat dak naar een 5-tal gelijke zadeldaken en is er een ander materiaalgebruik. De gevels van gebouw 2 zien er daardoor ook anders uit. Dit beschouwt de rechtbank als ondergeschikte wijzigingen. Gebouw 2 ziet er anders uit maar het is geen ander gebouw. De enkele omstandigheid dat een bepaald materiaal verhoudingsgewijs meer (of minder) wordt gebruikt dan voorheen, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de aard en omvang van het bouwplan in relatie tot de omgeving, is daarom slechts sprake van een ondergeschikte wijziging en niet van een in wezen nieuwe aanvraag.

8.5

De rechtbank stelt verder vast dat wijzigingen in het parkeerplan beperkt blijven tot een andere indeling van de parkeervakken. Ook dit beschouwt de rechtbank als een ondergeschikte wijziging, nog daargelaten of dit een wijziging van het bouwplan betreft. Door de andere indeling ontstaat geen grotere parkeerbehoefte. Dat de beide supermarkten door meer parkeerplaatsen aantrekkelijker worden dan andere supermarkten (wat volgens een van de eisers zou kunnen leiden tot meer bezoekers) acht de rechtbank niet aannemelijk. De berekening van parkeerbehoefte is hier in ieder geval niet op gebaseerd.
Deze beroepsgrond faalt.

9.1

Eisers 5 voeren verder aan dat verweerder had moeten besluiten om de aanvraag om omgevingsvergunning niet te behandelen, omdat de vereiste melding op grond van artikel 8.41 van de Wet milieubeheer niet is gedaan. Dit is volgens hen in strijd met artikel 8.41a van de Wet milieubeheer.

9.2

Verweerder stelt dat eisers 5 terecht hebben opgemerkt dat een melding is vereist en dat die melding niet was gedaan. De aanvraag kon volgens verweerder echter niet buiten behandeling worden gelaten, omdat vergunninghoudster niet in de gelegenheid is gesteld alsnog een melding te doen. Aan het besluit zou pas een gebrek kleven, aldus verweerder, als gelegenheid is geboden de melding alsnog in te dienen en daarvan geen gebruik is gemaakt. Overigens heeft vergunninghoudster op 14 december 2017 alsnog de vereiste meldingen Activiteitenbesluit gedaan.

9.3

Ingevolge artikel 8.41a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt, indien activiteiten ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde krachtens artikel 8.41 een melding moet worden gedaan, tevens zijn aan te merken als activiteiten die behoren tot een categorie waarvoor ingevolge artikel 2.1 of 2.2, eerste lid, van de Wabo een omgevingsvergunning is vereist, indien de melding nog niet gedaan is of de bij de melding te verstrekken gegevens niet volledig zijn, tegelijkertijd met de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning een melding van die activiteiten overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 8.41 gedaan.

9.4

Ingevolge het tweede lid besluit het bevoegd gezag, indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen de door dat bestuursorgaan gestelde termijn alsnog te melden dan wel de ontbrekende gegevens te verstrekken. Uit artikel 8.41a, tweede lid, van de Wet milieubeheer volgt immers dat de melding ook na de indiening van de aanvraag nog kan worden gedaan (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3359).

9.5

Onder verwijzing naar genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016 overweegt de rechtbank dat verweerder niet was gehouden om de aanvraag buiten behandeling te stellen vanwege het enkele feit dat er geen melding bij de aanvraag omgevingsvergunning was gevoegd. Niet in geschil is tussen partijen dat vergunninghoudster voor het nemen van het bestreden besluit niet in de gelegenheid is gesteld alsnog een melding in te dienen. Dat is een fout van verweerder en eisers 5 wijzen hier terecht op. Mede gelet op de omstandigheid dat op 14 december 2017 wel meldingen zijn gedaan, ziet de rechtbank aanleiding verweerders fout te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat haar niet is gebleken dat na het indienen van de melding omgevingsvergunningsplichtige wijzigingen van het bouwplan zouden moeten worden aangevraagd om aan het Activiteitenbesluit te voldoen.

10.1

Eiser 4 en 5 zijn van mening dat verweerder het welstandsadvies van 7 augustus 2017 niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen omdat uit het welstandsadvies niet blijkt dat is getoetst aan de criteria die gelden voor welstandszone 1 en niet duidelijk is welke bezwaren er waren in voorgaande adviezen. Volgens hen is het positieve welstandsadvies niet gemotiveerd.

10.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in beginsel zonder nadere motivering aan het welstandsadvies een doorslaggevende betekenis kan toekennen. Dat heeft verweerder bij het eerste welstandsadvies van 31 oktober 2016 ook gedaan. De door de derde-partij doorgevoerde aanpassingen in het bouwplan hebben geleid tot een uiteindelijk positief advies van 7 augustus 2017. Dit advies is summier gemotiveerd maar verwijst wel naar de voorliggende adviezen van 29 mei 2017 en 4 juli 2017.

10.3

De derde-partij geeft kort aan wat er in de welstandsnota staat en merkt op dat uit het samenstel van adviezen voldoende blijkt aan welke richtlijnen in de welstandsnota door de welstandscommissie waarde is gehecht.

10.4

De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluit kan baseren op een welstandsadvies tenzij dit advies naar inhoud of totstandkoming zodanige gebreken vertoond dat het nadere toelichting behoeft. Dat is hier niet het geval. Het welstandsadvies is duidelijk en de route ernaar toe ook. Eisers hebben niet meer gereageerd op de door verweerder overgelegde eerdere welstandsadviezen. Eisers hebben de uitkomst van het welstandsadvies niet bestreden met een tegenadvies, maar volstaan met de mededeling dat uit het advies niet blijkt dat de richtlijnen in de welstandsnota zijn gevolgd. Daar schieten eisers echter tekort. De welstandscommissie heeft in eerdere adviezen over oudere versies van het bouwplan wel gerefereerd aan de welstandsnota (die is gericht op behoud en versterking van de aanwezige bouwhistorische en architectonische kwaliteiten en de aanwezige karakteristiek). Deze verwijzingen keren terug in de daaropvolgende adviezen. Zeker onder deze omstandigheden ligt het op de weg van eisers om, als zij de uitkomst van een welstandsadvies bestrijden wegens een vermeende strijd met de welstandsnota, duidelijker te stellen met welke onderdelen van deze welstandsnota het bouwplan in strijd is. Dat hebben eisers niet gedaan. Hun beroep is daarom onvoldoende onderbouwd en slaagt niet.

11.1Eiser 4 merkt nog op dat hij niet kan nagaan of wordt voldaan aan de in artikel 8.2.2, onder b, opgenomen planregel dat de goot- en bouwhoogte van gebouwen op het bouwperceel niet meer mag bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte.

11.2

De rechtbank is van oordeel dat voldoende blijkt uit de bouwtekeningen bij het bestreden besluit dat wordt voldaan aan de goot- en bouwhoogte die op basis van de planregels is voorgeschreven. Deze beroepsgrond faalt.

12.1

Eisers 5 hebben aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 2.5.30, eerste en derde lid, van de Bouwverordening en de Parkeerbeleidsnota Gemert-Bakel 2013. Eisers 5 stellen dat moet worden uitgegaan van twee discountsupermarkten en niet van één discountsupermarkt en één full service supermarkt. Het is niet geborgd dat één van de twee supermarkten een full-service supermarkt zal worden en blijven. Verder vragen zowel eisers 5 als eiser 4 zich af of alle parkeerplaatsen wel goed bereikbaar zijn en of er na de gewijzigde indeling wel genoeg ruimte is voor het manoeuvreren met vrachtwagens of het opstellen van winkelwagens. Eisers 5 hebben een advies van een deskundige overgelegd ter onderbouwing van hun twijfels. Deze deskundige geeft aan dat verweerder ook de CROW norm voor ‘grote supermarkt’ (voor beide supermarkten tezamen) had kunnen hanteren. In dat geval zijn er 337 parkeerplaatsen nodig en die zijn er niet.

12.2

Verweerder heeft aangevoerd dat de architect van vergunninghoudster heeft aangegeven dat er een LIDL en COOP supermarkt zullen komen. De grootste supermarkt zal een LIDL worden en de kleinere een COOP met een parkeernorm van 8,5 respectievelijk 7,2 plaatsen per 100 m² bvo, tezamen resulterend in een parkeerbehoefte van 279 parkeerplaatsen. Die zijn er, dus er wordt aan de parkeernorm voldaan. Er is volgens verweerder geen aanleiding om de parkeerbehoefte te berekenen op basis van twee discountsupermarkten omdat de COOP die niet heeft en omdat twee discountsupermarkten naast elkaar commercieel niet interessant zijn. De deskundige van verweerder had enkele vragen bij de nieuwe parkeerindeling maar die zijn volgens verweerder door vergunninghoudster weggenomen.

12.3

Vergunninghoudster heeft in aanvulling daarop opgemerkt dat nu eenmaal een aanvraag is ingediend voor een discount supermarkt en een full service supermarkt en dat dit als uitgangspunt heeft te gelden. Verder heeft vergunninghoudster uitgelegd dat de 5 parkeerplaatsen achter de full service supermarkt (waarover de deskundige van verweerder vragen had) zijn bedoeld voor personeel, zodat het niet bezwarend is dat deze parkeerplaatsen bij het laden en lossen tijdelijk minder bereikbaar zijn. In de nieuwe parkeerindeling is voldoende ruimte gereserveerd voor het stallen van winkelwagens. Er is volgens vergunninghoudster ook meer dan genoeg ruimte voor het manoeuvreren met vrachtwagens.
In de brief van 31 mei 2018 heeft vergunninghoudster nader gereageerd op het door eisers 5 overgelegde rapport van Pouderoyen. Zij stelt dat er geen aanleiding is om de parkeernorm die op grond van de ASVV 2012 geldt voor ‘Grote supermarkten’ in dit geval toe te passen, omdat geen van de voorziene supermarkten als zodanig kwalificeert. Verder wijst vergunninghoudster erop dat het op grond van de Parkeerbeleidsnota Gemert-Bakel 2013 benodigde aantal parkeerplaatsen op eigen terrein wordt gerealiseerd, zodat niet relevant is of in de omgeving van het bouwplan ruimte is voor overloopparkeren. Wat de afmetingen en de bereikbaarheid van de parkeervakken betreft, stelt vergunninghoudster dat alle parkeerplaatsen voldoen aan de in artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening gestelde maatvoeringseisen en dat de achterliggende rijbaan ruim voldoet aan de breedte-eis bij haaksparkeren.
Ten aanzien van de stelling dat het type van de supermarkten in de omgevingsvergunning ten onrechte niet is geborgd, wijst vergunninghoudster erop dat op grond van de nu geldende Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017 de parkeernorm voor discount supermarkten met één parkeerplaats per 100 m² is verlaagd, zodat in het geval er twee discount supermarkten op het perceel zouden komen met het te realiseren aantal van 279 parkeerplaatsen ook aan de nu geldende parkeernormen wordt voldaan.

Over het laden en lossen op het perceel brengt vergunninghoudster naar voren dat artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening alleen eisen stelt aan het aanwezig zijn van voldoende ruimte/opstelplaatsen voor laden en lossen en niet ook aan de bereikbaarheid van deze plaatsen. Nu het bouwplan voorziet in twee laad- en losplaatsen is voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen op het terrein, zodat van strijd met artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening geen sprake is. Bovendien zijn de laad- en losplaatsen, anders dan in het rapport van Pouderoyen wordt gesteld, wel degelijk vanaf de inrit van het terrein bereikbaar voor vrachtwagens. In dat kader wijst vergunninghoudster op een bijgevoegd rapport van Bono Traffics, waaruit volgens haar blijkt dat alle manoeuvres uitvoerbaar zijn. De vrachtwagenbewegingen op het terrein zullen dan ook niet leiden tot een verkeersonveilige situatie, nog daargelaten dat het aspect verkeersveiligheid buiten de reikwijdte van artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening valt, wat eveneens geldt voor de bereikbaarheid/geschiktheid van de wegen tussen het distributiecentrum en de inrit van het perceel.
12.4 Ten tijde van het bestreden besluit is de Nota parkeernormen Gemert-Bakel 2017 in werking getreden. Deze nota voorziet in paragraaf 4.3 in overgangsrecht. De nota is niet van toepassing op een bouwinitiatief ten aanzien waarvan vóór de inwerkingtreding van deze nota een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend en nog niet is verleend (zoals het onderhavige bouwinitiatief). Hierop blijft de Parkeerbeleidsnota Gemert-Bakel 2013 van toepassing tenzij de Nota Parkeernormen 2017 leidt tot een lagere parkeereis. De uitzondering doet zich hier voor. In de Nota Parkeernormen 2017 geldt een lagere parkeereis dan in de Parkeerbeleidsnota Gemert-Bakel 2013 voor discountsupermarkten (7,5 parkeerplaats per 100 m2 bruto vloeroppervlakte). Die parkeereis is van toepassing. Zelfs al zouden er twee discount supermarkten komen, wordt met 279 parkeerplaatsen aan de geldende parkeernorm uit de Nota Parkeernormen 2017 voldaan.

12.5

Het is onjuist om voor beide supermarkten gezamenlijk de CROW norm voor één grote supermarkt te hanteren omdat er twee supermarkten zijn aangevraagd. Er is een omgevingsvergunning aangevraagd voor een LIDL en een COOP. Dit blijkt niet duidelijk uit de aanvraag zelf maar wel uit de daaropvolgende wijzigingen.

12.6Ten overvloede wijst de rechtbank op het, op 15 maart 2018 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Parkeren Gemert-Bakel” Dit bestemmingsplan voorziet in een verplichting voldoende parkeergelegenheid in stand te houden. Bovendien wordt in artikel 5.1, onder d, van de planregels een verandering van gebruik waarbij niet is voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' als strijdig gebruik bestempeld. Dit biedt verweerder voldoende grondslag om op te treden als de formule van een van de supermarkten zou worden aangepast naar een andere formule waarbij niet wordt voldaan aan de geldende parkeernorm ten tijde van het bestreden besluit.

12.7

Dan resteert de vraag of de indeling van het terrein uitvoerbaar is. Als dit niet het geval is, dan zouden hierdoor namelijk ingerichte parkeerplaatsen mogelijk moeten worden opgeofferd en in dat geval ontstaat er een tekort aan parkeerplaatsen en strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Gemert-Bakel (Bouwverordening) zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit. Bovendien moet worden bezien of er wel voldoende laad- en losruimte is voor vrachtwagens. De rechtbank heeft op de zitting de inrichtingstekening van het terrein met partijen bekeken. Naar aanleiding van de twijfels in het advies van de deskundige van verweerder, de reactie van vergunninghoudster en de kritiek in het advies van de deskundige van eisers 5, overweegt de rechtbank als volgt.

 De opstelruimte voor winkelwagens op het terrein is niet onvoldoende. Er zijn opstelplaatsen ingericht. De deskundige van eisers 5 noemt deze oppervlakte krap en is bovendien van mening dat de opstelplaatsen teveel zijn geconcentreerd bij de entrees van beide supermarkten. De rechtbank kan zich daar wel wat bij voorstellen, maar dit staat vergunningverlening niet in de weg. Dat zou anders zijn als parkeerplaatsen worden opgeofferd voor alternatieve opstelplaatsen, maar dit wordt door partijen niet gesteld.

 De deskundige van eisers 5 constateert enkele knelpunten voor de manoeuvreerruimte van vrachtwagens op het terrein. Deze is krap. De rechtbank leest echter niet dat het volslagen onmogelijk is om de noodzakelijke manoeuvres met vrachtwagens uit te voeren. De deskundige van verweerder acht aannemelijk dat de noodzakelijke manoeuvres met vrachtwagens kunnen worden uitgevoerd al wordt verzucht dat dit beter van te voren had kunnen worden aangetoond. De rechtbank acht, mede gelet op wat vergunninghoudster heeft gesteld, het niet aannemelijk dat de gesignaleerde knelpunten voor de manoeuvreerruimte van vrachtwagens op het terrein ten koste gaat van het aantal parkeerplaatsen. De manoeuvreerruimte is niet te krap zodat de indeling van het terrein ook op dit onderdeel niet te kort schiet.

 De deskundige van eisers 5 heeft ook bedenkingen bij de verkeersafwikkeling via de uitritten op de projectlocatie, zeker als auto’s van bezoekers van de supermarkten worden geconfronteerd met vrachtwagens van leveranciers. Dit gaat echter niet ten koste van het aantal ingerichte parkeerplaatsen. Een probleem bij de verkeersafwikkeling kan wellicht leiden tot een verkeersopstopping maar dat wil niet zeggen dat onvoldoende is voorzien in laad- of losruimte.

 Tot slot de parkeerplaatsen aan de achterzijde van de full service-supermarkt. Ook de deskundige van verweerder constateert dat deze bij bevoorrading minder goed bereikbaar zijn. De derde-partij heeft aangegeven dat dit personeelsparkeerplaatsen zijn. De CROW richtlijn houdt ook rekening met de behoefte aan dit soort parkeerplaatsen. De rechtbank acht een aantal van 5 personeel parkeerplaatsen niet buitensporig hoog en is van oordeel dat de verminderde bereikbaarheid van deze parkeerplaatsen bij bevoorrading, zo daarvan al sprake zou zijn, niet leidt tot strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

12.8

De rechtbank concludeert dat de gewijzigde parkeerindeling niet in strijd is met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. De beroepsgrond faalt.

Conclusie

13. De beroepen van eisers zijn, behoudens voor zover ingesteld door de afzonderlijke ondernemers, ongegrond. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 9 bepaalt de rechtbank dat verweerder eisers 5 het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers 5 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op
€ 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van een van de overige eisers.

Beslissing

De rechtbank

 verklaart het beroep van eisers 2, behoudens voor zover ingesteld door de ondernemersvereniging, niet-ontvankelijk;

 verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers 5 te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 5 tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 2.10 Wabo.

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

2 In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Gemert Bakel. Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

2.De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

a.indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 2,50 m bij 6,00 m bedragen;

b.indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 2,95 m bij 5,00 m bedragen.

3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort

Bestemmingsplan “Woongebied Gemert 2011”

1.42

Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

8.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. detailhandel;

b. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' een parkeergarage;

c. ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt', een supermarkt;

d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tuincentrum', een tuincentrum;

e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen', wonen, al dan niet op de verdieping;

met daaraan ondergeschikt:

f. (openbare) nutsvoorzieningen;

g. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen, waterpartijen en (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen;

h. parkeervoorzieningen, al dan niet ondergronds;

i. tuinen, erven en terreinen;

met de daarbij behorende:

j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

26.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde – Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

26.2

Bouwregels

26.2.1

Voorrangsregeling

Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de archeologische waarden als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de bestemming 'Waarde – Archeologie 4'.

26.2.2

Gebouwen

Op de voor 'Waarde – Archeologie 4' aangewezen gronden mogen geen gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met dien verstande dat:

a. enkel bodemverstorende activiteiten zijn toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 500 m² mits niet dieper dan 0,40 m onder maaiveld.

26.3

Afwijken van de bouwregels

In afwijking van het bepaalde onder 26.2.2 onder a. kunnen binnen de andere geldende bestemming gebouwen worden gebouwd onder de voorwaarden dat:

a. a. de aanvrager een rapport overlegt waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;

b. b. indien uit het onder a. genoemde rapport mocht blijken dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwplan zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de te verlenen omgevingsvergunning:

- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

- de verplichting tot het doen van opgravingen;

- de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Gemert-Bakel”

Artikel 5.1

Ten aanzien van de genoemde bestemmingsplannen als opgenomen in bijlage 1 bij de regels geldt de volgende regeling:

a. bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken dient tenminste voldaan te worden aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' vastgesteld d.d. 1 juni 2017 en opgenomen als bijlage 2 van deze regels;

b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub a. overeenkomstig de geboden afwijkingsmogelijkheden als opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017;

c. indien de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' als bedoeld onder sub a en b gedurende de planperiode van dit bestemmingsplan wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning getoetst aan deze wijziging;

d. voor gebruiksveranderingen die zijn ontstaan na vaststelling van het onderliggende paraplubestemmingsplan wordt onder strijdig gebruik van de grond en bouwwerken in elk geval verstaan indien niet is voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' (vastgesteld d.d. 1 juni 2017);

e. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub d. overeenkomstig de geboden afwijkingsmogelijkheden als opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' (vastgesteld d.d. 1 juni 2017) ;

f. parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden.
Artikel 8.41 Wet milieubeheer
1 . Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen de verplichting worden opgelegd tot het melden van het oprichten of het veranderen van 1een inrichting waarop de maatregel betrekking heeft, dan wel van het veranderen van de werking daarvan.
(…).

Artikel 8.41a Wet milieubeheer
1. Indien activiteiten ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde krachtens artikel 8.41 een melding moet worden gedaan, tevens zijn aan te merken als activiteiten die behoren tot een categorie waarvoor ingevolge artikel 2.1 of 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist, wordt, indien de melding nog niet gedaan is of de bij de melding te verstrekken gegevens niet volledig zijn, tegelijkertijd met de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning een melding van die activiteiten overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 8.41 gedaan.

2. Indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid besluit het bevoegd gezag de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen de door dat bestuursorgaan gestelde termijn alsnog te melden dan wel de ontbrekende gegevens te verstrekken.

(…).
Paragraaf 4.3 van de Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017

4.3

Overgangsregeling

De Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017 treedt in werking nadat deze is vastgesteld door de gemeenteraad en is gepubliceerd. Voor bestaande bouwinitiatieven is een overgangsregeling van toepassing. Deze houdt in dat deze nota niet van toepassing is op:

Een bouwinitiatief ten aanzien waarvan vóór de inwerkingtreding van deze nota een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend en nog niet is verleend. Hierop blijft de Parkeerbeleidsnota Gemert-Bakel 2013 van toepassing tenzij de Nota Parkeernormen 2017 leidt tot een lagere parkeereis. De initiatiefnemer mag dan ook gebruik maken van de nieuwe nota.

(…)