Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4255

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
18_1531
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Oppervlakte aan bijgebouwen op gesplitst perceel; Bijgebouwenregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummers: SHE 18/1531 en SHE 18/1532

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. T.I.P. Jeltema),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.H.M. Bakermans).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] te [woonplaats] , (gemachtigde: mr. F.K. van den Akker).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker en aan

[naam] en [naam] een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot hun perceel, [adres] te [woonplaats] .

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens is verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Bij uitspraak van 21 maart 2018 (reg.nr. SHE 18/324) heeft de voorzieningenrechter een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, voor zover het de onder de punten 2. (aanbouw) en 3. (technische ruimte) van het primaire besluit genoemde overtredingen betreft.

Bij besluit van 19 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (SHE 18/1532) en opnieuw de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SHE 18/1531).

Bij brief van 26 juni 2018 heeft verweerder aan de rechtbank medegedeeld dat de last onder dwangsom van 30 november 2017 wordt opgeschort tot drie weken nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

De belanghebbende partij heeft bij schrijven van 7 augustus 2018 een reactie op de gedingstukken gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij, de verzoeker om handhaving, is -zoals tevoren was bericht- niet verschenen.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1.

De opgelegde last onder dwangsom, voor zover thans nog van belang, is erop gericht om van verzoekers perceel (kadastraal bekend gemeente Reusel, [nummer] ) te verwijderen en verwijderd te houden:

1. (…);

2. een aanbouw van 4 bij 3 meter, aan het woonhuis gebouwd, die dienst doet als

opslagplaats voor fietsen en gereedschap;

3. een technische ruimte van 3 bij 3,75 meter, voor onder andere de filter van de vijver en de opslag van materialen voor de vijver;

4. t/m 11. (…);

12. een overkapping, bestaande uit twee tegen elkaar geplaatste overkappingen van ongeveer 21 bij 10 meter, waarvan 3 zijden dicht zijn.

Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” rust op het perceel de bestemming “Wonen” (artikel 29).

2.2.

Voor onder meer de onder punt 3 genoemde overtreding heeft verweerder een dwangsom opgelegd van € 3.000,00 per week, met een maximum van € 9.000,00. Voor de overtreding onder punt 4 een dwangsom van € 2.500,00 per week, met een maximum van

€ 7.500,00. En voor de overtreding genoemd onder punt 12 een dwangsom van € 8.000,00 per week, met een maximum van € 24.000,00.

2.3.

Niet (meer) in geschil is dat de overige overtredingen zijn beëindigd. Dit geldt overigens ook voor de last onder punt 12. Na de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter is de overkapping van 21 x 10 meter verwijderd. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat bij controle is gebleken dat het gehele genoemde bouwwerk, niet alleen het dak maar ook het geraamte/ de spanten, is verwijderd en dat ter zake geen dwangsom is verbeurd.

3. In geschil zijn aldus alleen nog de aanbouw (2.) en de technische ruimte (3.).

4. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Deze kunnen zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden in een concreet geval zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden behoort te worden afgezien.

5.1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de navolgende feite en omstandigheden.

5.2.

De percelen [adres] en [adres] zijn kadastraal gesplitst, maar voor de toetsing aan het bestemmingsplan worden beide percelen aangemerkt als één perceel.

5.3.

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3545) is in rechtsoverweging 8 het navolgende opgenomen over de percelen [adres] (het perceel van verzoeker) en [adres] (een buurperceel):

“Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er 373,6 m² aan bijgebouwen mag blijven staan, te weten 313,6 m² op grond van artikel 29.4.2, aanhef en onder i en j, van de planvoorschriften, alsmede 30 m² per woning die vergunningvrij is. Het door [appellant] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de berekeningen van het college met betrekking tot de aanwezige en de te slopen bijgebouwen onjuist zijn. [appellant] heeft zijn stelling dat een aangebouwde berging die niet wordt gesloopt ten onrechte niet als bijgebouw, maar als onderdeel van de woning is aangemerkt is, niet aannemelijk gemaakt. Het door hem aangevoerde biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van een bijgebouw als bedoeld in artikel 1, onder 24, van de planvoorschriften dat zowel bouwkundig als functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.”

6.1.

Gelet op deze uitspraak heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de oppervlakte aan bijgebouwen uitkomt boven de ingevolge het bestemmingsplan en Bijlage II bij het Bor toegestane oppervlakte en is hij bevoegd tot handhavend optreden.

6.2.

Aanvankelijk betwistte verzoeker de door verweerder in aanmerking genomen oppervlakte aan bijgebouwen. Inmiddels onderschrijft hij hetgeen bij een ambtelijke controle van 20 februari 2018 is vastgesteld: ten tijde van het bestreden besluit was op het perceel [adres] 168,2m2 aan bijgebouwen aanwezig: een hobbyruimte van 152 m2, een technische ruimte van 4,2 m2 en een overkapping aan de achterzijde van het woonhuis van 12 m2. Ter zitting is verder gebleken dat verzoeker verweerders conclusie uit een proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2018 onderschrijft, dat op het perceel [adres] sprake is van een totale oppervlakte aan bijgebouwen van 228 m2. Andersluidende beroepsgronden zijn ingetrokken.

7. Verzoeker heeft aangevoerd dat een (groot) deel van de bijgebouwen is opgericht voordat wijzigingen inzake vergunningsvrij bouwen in bijlage II bij het Bor zijn doorgevoerd.

Verder betoogt hij dat nu uit de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2014 volgt dat op de percelen [adres] en [adres] in totaal 373,6 m2 aan bijgebouwen is toegestaan en de helft daarvan mag worden gebruikt door [adres] , een oppervlakte van 186,8m2 (per perceel) is toegestaan. Met de 168,2 m2 blijft [adres] daar binnen, zodat op dat perceel niet handhavend mag worden opgetreden.

8. Verweerder heeft de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2014 als uitgangspunt genomen bij zijn besluitvorming. Deze uitspraak geeft in rechtsoverweging 8.1 aan, dat 316,6m2 aan bijgebouwen op deze percelen mag blijven staan, alsmede 30 m2 per woning vergunningsvrij. In de uitspraak wordt tevens aangegeven dat er geen grond is om aan te nemen dat de berekeningen van verweerder met betrekking tot de aanwezige en de te slopen bijgebouwen onjuist zouden zijn. Bij de kadastrale splitsing is de oppervlakte aan bijgebouwen niet gelijk verdeeld over [adres] en [adres] . Op het perceel [adres] was een totale oppervlakte aanwezig van 352,7 m2 en op het perceel [adres] een oppervlakte van 228 m2 (totaal 580 m2), waar 376,6 m2 was toegestaan.

9.1.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de beroepsgrond ter zake wijzigingen in bijlage II bij het Bor afstuit op de genoemde uitspraak van de Afdeling. Wat er van die wijzigingen ook zij, de Afdeling heeft de totaal toegestane oppervlakte bepaald op 376,6m2. De beroepsgrond faalt.

9.2.

Voorts ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de door verzoeker voorgestane splitsing toe te passen, in de zin dat alleen de bijgebouwen op het perceel [adres] zouden mogen worden meegenomen bij de door verzoeker berekende helft van de toegestane totale oppervlakte van 373,6 m2. De uitspraak van de Afdeling ziet immers op deze oppervlakte voor beide percelen tesamen. Het is aan verweerder om, op juridisch navolgbare en transparante wijze, te bepalen op welk deel van het perceel handhavend wordt opgetreden om de oppervlakte (hiertoe) te beperken. Dat is de consequentie van het feit dat de percelen [adres] en [adres] in het bestemmingsplan worden aangemerkt als één perceel.

De beroepsgrond slaagt niet.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 27 augustus 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.