Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4156

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
01/860202-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor openlijk in vereniging geweld

plegen tegen personen terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis en tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank bepaalt dat verdachte het slachtoffer een schadevergoeding moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860202-17

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 april 2018 en 7 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 maart 2018.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 11 september 2016 te Eindhoven, althans in Nederland,

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres 2] , in elk geval op of

aan een openbare weg,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het pakken, althans ter hand nemen van een kettingslot, althans zwaar voorwerp en/of het met een stok, althans met een voorwerp, en/of met een kettingslot, althans met zwaar voorwerp, slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] ;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 11 september 2016 te Eindhoven

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer] met een stok en/of met een kettingslot, althans met een zwaar voorwerp, tegen het lichaam, te slaan.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op 11 september 2016, omstreeks 15.55 uur, komt bij de politie Eindhoven een melding binnen dat er een ruzie gaande zou zijn op de [adres 2] in Eindhoven. Het zou gaan om een ruzie tussen meerdere personen en er zou over en weer worden geslagen met stokken. Ter plaatse verklaart [slachtoffer] dat hij al jaren in onmin leeft met zijn buurvrouw, verdachte in deze zaak. Op 11 september zou [slachtoffer] een woordenwisseling met verdachte hebben gehad. Enkele minuten na deze woordenwisseling zou de (ex-)vriend van verdachte, zijnde [medeverdachte] , medeverdachte in deze zaak, zijn komen aanrijden in zijn auto. Hierop ontstond een woordenwisseling tussen [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte] , die vervolgens uitmondde in een vechtpartij.

Er zou daarbij over en weer zijn geslagen en zowel [slachtoffer] als medeverdachte [medeverdachte] zouden gewond zijn geraakt. Op het moment dat de politie ter plaatse komt is medeverdachte [medeverdachte] , samen met verdachte naar het ziekenhuis, omdat medeverdachte [medeverdachte] ernstig gewond was geraakt aan zijn oog.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging.

Van de zijde van de verdediging is primair aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen. Er is geen sprake geweest van opzet op het medeplegen van openlijk geweld, verdachte heeft geen wezenlijke en significante bijdrage geleverd en zij heeft geen geweld gebruikt.

Subsidiair dient de gevorderde taakstraf fors gematigd te worden.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Ten aanzien van feit 1 primair.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 1] , d.d. 11 september 2016, pagina 46-47

Op zondag 11 september kwam ik thuis en ik zag een houten plank liggen op de parkeerplaats. Die plank was afkomstig uit mijn tuin. Ik vroeg aan de kinderen “wie van jullie heeft er een plank uit mijn tuin gepakt?” Meteen daarop zag ik de buurvrouw uit het raam hangen. Ik heb toen met de buurvrouw een woordenwisseling gekregen. Na een paar minuten ben ik weer naar binnen gegaan. Ik ben daarna buiten bladeren gaan harken. Toen ik buiten stond hoorde ik een auto aan komen rijden met hoge snelheid. Ik herkende de auto, ik zag dat het de auto was van de vriend van de buurvrouw. Ik zag dat de man uitstapte en met versnelde pas in mijn richting kwam gelopen. Ik zag dat de buurvrouw ook naar buiten was gekomen. Ik hoorde de man tegen mij schreeuwen: “Waarom heb je iets tegen haar gezegd, je mag niets tegen haar zeggen.” Ik zei tegen de man dat hij zich nergens mee moest bemoeien. Ik hoorde de man schreeuwen “dit is mijn wijk, ik doe hier wat ik wil.” Toen de man dit schreeuwde duwde hij zijn wijsvinger tegen mijn neus. Hierop heb ik de man weggeduwd. Ik zag dat de man zich omdraaide en schreeuwde “wacht maar, wacht maar”.

Ik zag dat hij naar zijn auto liep en dat hij iets uit zijn kofferbak pakte, wat weet ik niet, ik zag dat het een lange zwarte stok was of zo iets. Ik zag dat de man in mijn richting kwam gerend. Ik zag dat de man de zwarte stok optilde en dat hij mij wilde slaan op mijn hoofd. Om mijn hoofd te beschermen heb ik mij arm voor mijn hoofd en gezicht gedaan.

Ik voelde dat ik werd geraakt op mijn linker arm en gezicht. Ik weet niet hoe vaak de man mij heeft geslagen. De man sloeg mij zo hard dat de stok kapot is gegaan. Ik zag op de grond ijzeren staaf liggen die heb ik opgeraapt om mij te verdedigen. Ik heb de man terug geslagen met de ijzeren staaf. Ik zag dat de buurvrouw de man een ijzeren fietsslot gaf. Ik zag en voelde dat ik door de man met het slot diverse keren werd geslagen op mijn lichaam. Dit deed erg veel pijn.

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , d.d. 23 september 2016, pagina 33-38;

V: Je zit hier op verdenking van zware mishandeling, dat weet je. Wat vind je daarvan?

A: Ik zie dat niet zo. Ik vind mijzelf eerder een slachtoffer. Ik breng mijn vrouw naar huis, toen ik thuis kwam werd ik door twee mensen aangevallen. Ik werd aangevallen door die Turkse jongen en daarna ook door de buurvrouw. Ik weet niet hoe de Turkse jongen heet, de buurvrouw heet [verdachte] . Ik heb mijzelf verdedigd. Ik heb ook gezien dat het gruwelijk fout is gegaan. Daar heb ik ook gruwelijk spijt van, dit had ik niet zo niet gewild.

Wat is gebeurt is gebeurt en kan dit niet meer terugdraaien.

Jullie kunnen misschien het beste aan mijn overbuurjongen vragen boe het is gegaan. Hij was er bij op het moment dat het met het oog van de Turkse jongen gebeurde. Hij heeft ons uit elkaar gehaald. Deze overbuurman woont tegenover mij in het tweede huis.

Hij haalde ons uit elkaar, ik liep al richting mijn huis. De buurvrouw [verdachte] was mij nog aan het slaan met een ronde fietsslot. Die Turkse jongen sprong naar mij toe van achter mijn overbuurjongen vandaan. Die Turkse jongen had iets in zijn hand waarmee hij mij probeerde te slaan. Ik probeerde het te ontwijken en op een of andere manier is er gebeurd wat er is gebeurd. Ik was meer geconcentreerd op [verdachte] dan op deze Turkse jongen. [verdachte] sloeg mij op dat moment en tussen mij en die Turkse jongen stond de overbuurjongen.

O: wij verbalisanten zien dat de verdachte een draaiende bewegingen maakt alsof hij iets ontwijkt. hierbij heeft hij een vuist omhoog alsof hij iets in zijn rechterhand verticaal omhoog houdt.

A: Ik had toen ik deze bewegingen maakte een ijzer staaf in mijn rechter hand. Ik geloof dat dit mijn rechter hand was. Dit was een staaf van een tuinhek wat ik nog moet bouwen. Die Turkse jongen was aan het begin van de ruzie naar zijn auto gelopen en had uit zijn auto een stok gepakt waarmee hij mij vervolgens probeerde te slaan. Ik geloof dat hij deze stok uit de kofferbak van zijn auto kwam, anders van de achter bank. Deze stok leek op een tafelpoot.

Nadat hij mij meerdere keren geslagen had is deze stok doorgebroken. Hij riep toen naar [verdachte] dat zij hem iets anders moest geven om mee te slaan. Toen is [verdachte] met het kettingslot gekomen en heeft mij er een aantal keren mee geslagen. Daarna heeft zij dit kettingslot aan de Turkse jongen gegeven die mij er ook mee sloeg.

V: Waarom had je een ijzeren staaf vast?

A: Ik had deze gepakt toe die Turkse jongen met die tafelpoot op mij af kwam lopen. Ik had deze gepakt om mij te beschermen.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5]

, d.d. 24 september 2016, pagina 44-45

Op 11 september 2016 omstreeks 15:55 uur kregen wij verbalisanten, belast met de opvallende surveillance, de melding van de meldkamer om te gaan naar de [adres 2] te Eindhoven. Ter hoogte van perceel 95 zou door diverse personen worden gevochten. Er zou met stokken over en weer geslagen worden.

Wij troffen aan:

[slachtoffer] , die verklaarde een conflict gehad te hebben met zijn buurvrouw: [verdachte]

.

[slachtoffer] verklaarde dat er enkele minuten later een personenauto de [adres 2] inreed en stopte voor de woning. Deze personenauto was van het merk Audi voorzien van het Nederlandse [kenteken] . [slachtoffer] verklaarde dat de bestuurder van deze auto vervolgens was uitgestapt en hij deze persoon herkende als zijnde de vriend van [verdachte] . Deze persoon zou zijn genaamd [medeverdachte] .

[slachtoffer] verklaarde dat [medeverdachte] vervolgens naar hem toe liep en hem met kracht tegen het lichaam begon te duwen. [slachtoffer] verklaarde dat hij uit zelfverdediging heeft teruggeduwd en dat er vervolgens een vechtpartij ontstond tussen hen beiden.

[slachtoffer] verklaarde vervolgens te hebben gezien dat [verdachte] naar buiten was gekomen met een fietsketting in haar hand. Wij verbalisanten zagen dat [slachtoffer] enkele stevige bulten had op zijn beiden armen en een klein schaafwondje aan de rechterzijkant van zijn gelaat ter hoogte van zijn oor. [slachtoffer] verklaarde ook diverse malen geslagen te zijn door [medeverdachte] .

Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] opgemaakt door [verbalisant 3] , d.d. 2 oktober 2016, pagina 54-55;

Op zondag 11 september hoorde ik geschreeuw. Ik hoorde de stem van [verdachte] en van mijn pa. Ik ben vervolgens naar beneden gelopen en bij de voordeur gaan staan. Na circa 5 minuten hoorde ik een auto aan komen rijden. Ik hoorde direct daarna geschreeuw van een man. Ik zag dat mijn vader en deze man erg dicht bij elkaar stonden. Ik zag dat die man met zijn wijsvinger in de buurt van het gezicht van mijn vader stond. Ik hoorde deze man zeggen “dit is mijn wijk”. Ik zag dat deze man heel dicht bij mijn vader kwam staan. Ik zag dat mijn vader deze man met zijn vlakke hand zachtjes naar achter duwde. Ik zag dat de man naar zijn auto liep. Ik zag dat deze man een soort van tafelpoot uit de auto haalde. Toen zag ik dat mijn vader weer naar buiten liep. Ik zag dat mijn vader en deze man naar elkaar toe liepen. Mijn vader had een ijzeren strip in zijn handen had. Toen zag ik dat die man mijn vader als eerste sloeg. Ik zag dat hij de tafelpoot omhoog bracht en met kracht uithaalde in de richting van mijn vader, ik zag dat mijn vader de slag opving met zijn armen.

Hierna zag ik dat mijn vader uithaalde met de ijzeren strip. Op een gegeven moment stonden mijn vader en deze man op de straat. Ik hoorde de man roepen naar [verdachte] “geef me iets om te slaan” en woorden van gelijke strekking. Ik zag dat [verdachte] een groot kettingslot pakte en richting die man liep, ik zag dat de man het kettingslot uit de handen griste van [verdachte] . Op dit moment was de tafelpoot van de man door midden gebroken.

Ik zag dat die man mijn vader sloeg met het slot, dit ging hard en met veel kracht. Ik zag dat mijn vader zich verdedigde en ook terug sloeg met de ijzeren strip.

Toen zag ik dat die man in versnelde pas in de richting van mijn vader en [getuige 2] liep, hij had het slot in zijn handen en had deze boven zijn hoofd. Ik werd toen weer vast gepakt door iemand. Direct daarna hoorde ik de man schreeuwen. Ik hoorde hem roepen “aauww mijn oog”.

Eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 7 augustus 2018, voor zover inhoudende de camerabeelden.

De rechtbank heet het volgende waargenomen.

De ruzie verplaatst zich van straat richting de middenberm. Verdachte komt aangerend met een kettingslot in haar hand. Zij overhandigt dit aan medeverdachte [medeverdachte] .

Vervolgens loopt medeverdachte [medeverdachte] , met het kettingslot in zijn hand, dreigend op [slachtoffer] af. [slachtoffer] heeft de ijzeren staaf op dat moment nog naar beneden, langs zijn lichaam. Medeverdachte [medeverdachte] haalt uit met het kettingslot en raakt [slachtoffer] tegen zijn lichaam. Hierop slaat [slachtoffer] terug met de ijzeren staaf tegen het lichaam van medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte houdt ondertussen de zoon van [slachtoffer] op afstand. Kort hierna probeert verdachte de ijzeren staaf die [slachtoffer] vast heeft af te pakken. [slachtoffer] houdt deze staaf langs zijn lichaam als verdachte, die achter [slachtoffer] staat, aan deze staaf begint te trekken. Medeverdachte [medeverdachte] gebruikt dit moment om direct uit te halen met het kettingslot. Hij rent op [slachtoffer] af en slaat met kracht, bovenhands, richting [slachtoffer] , waarbij hij [slachtoffer] op zijn bovenarm raakt. Direct hierna slaat medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer] nog een keer met het kettingslot. Na deze slag pakt medeverdachte [medeverdachte] het hoofd van [slachtoffer] beet. [slachtoffer] weet los te komen en haalt uit richting medeverdachte [medeverdachte] met de ijzeren staaf, maar mist. Medeverdachte [medeverdachte] pakt hierna het kettingslot van de grond, dat hij kennelijk tijdens de worsteling is verloren.

Hierna komt [getuige 2] erbij en deze leidt [slachtoffer] weg van medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte blijft achter [slachtoffer] aanlopen en tegen hem schreeuwen. [getuige 2] blijft [slachtoffer] wegleiden verder van medeverdachte [medeverdachte] vandaan. Op dat moment komt medeverdachte [medeverdachte] weer aangerend richting [getuige 2] en [slachtoffer] , met het kettingslot boven zijn hoofd geheven. Medeverdachte [medeverdachte] haalt met kracht uit met het kettingslot in de richting van [slachtoffer] . Het is niet duidelijk of [slachtoffer] wordt geraakt.

Vervolgens raakt [slachtoffer] met de ijzeren staaf het oog van medeverdachte [medeverdachte] . Medeverdachte [medeverdachte] staat voorovergebogen naast de auto. Verdachte pakt het kettingslot op en probeert te slaan in de richting van [slachtoffer] . De zoon van [slachtoffer] staat op dat moment voor [slachtoffer] en verdachte slaat mis. [slachtoffer] en zijn zoon lopen weg, zij steken de straat over. Verdachte loopt naar medeverdachte [medeverdachte] toe en bekijkt zijn verwondingen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] stappen vervolgens samen in de auto en rijden weg.

Openlijke geweldpleging

Om tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging te komen, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte, door zich op voornoemde wijze te gedragen, ‘in vereniging’ geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .

Voor de bestanddelen ‘in vereniging’ is het voldoende wanneer kan worden bewezen dat de verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer] heeft gehad en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Volgens de verdediging is daarvan geen sprake.

De rechtbank is van oordeel dat beide voornoemde elementen, het opzet en het leveren van een wezenlijke significante bijdrage bewezen kunnen worden. Het opzet ligt besloten in het toepassen van geweld, dan wel in het leveren van een wezenlijke significante bijdrage aan dit geweld. Dat daar sprake van is blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben tijdens de vechtpartij gezamenlijk gewelddadig heeft opgetrokken. Medeverdachte [medeverdachte] vraagt tijdens de vechtpartij aan verdachte om iets te pakken om mee te slaan, waarop zij aan medeverdachte [medeverdachte] een kettingslot overhandigt. Daarnaast is verdachte tijdens de gehele vechtpartij aanwezig en uit zich verbaal agressief jegens [slachtoffer] . Op geen enkel moment trekt zij zich terug dan wel doet zij enige poging de gemoederen te bedaren. Meermalen is zij bezig de zoon van [slachtoffer] op afstand van medeverdachte [medeverdachte] te houden. Op een bepaald moment probeert zij de ijzeren staaf die [slachtoffer] in zijn hand heeft af te pakken, welk moment medeverdachte [medeverdachte] gebruikt om met het kettingslot uit te halen naar [slachtoffer] . Tot slot doet verdachte aan het einde van de vechtpartij zelf nog een poging [slachtoffer] te slaan met het kettingslot. Zij slaat dan niet raak. Dat verdachte zelf niet direct geweld heeft gebruikt jegens [slachtoffer] doet niets af aan (het opzet op het) gezamenlijk gewelddadig optrekken. Het plegen van een gewelddadige handeling niet is immers vereist voor het leveren van een voldoende significante en wezenlijke bijdrage.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] heeft begaan, zoals dat hierna bewezen wordt verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 11 september 2016 te Eindhoven, openlijk, te weten op de openbare weg, [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het met een kettingslot slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een taakstraf voor de duur van 200 uur en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat de eis fors gematigd dient te worden en acht een geheel voorwaardelijke straf passend.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] meermalen met een kettingslot tegen zijn lichaam is geslagen. Door het toedoen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft [slachtoffer] pijn en letsel opgelopen. Delicten als het onderhadige kunnen in de maatschappij eenvoudig tot gevoelens van onrust, angst en onveiligheid onder burgers leiden, vooral als deze, zoals in deze zaak, zich in de openbaarheid en in het bijzijn van omstanders voltrekken. Het gewelddadig karakter van het mede door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om samen met een ander geweld te gebruiken tegen een ander persoon. Verdachte heeft zich bij haar strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog lang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij van [slachtoffer] blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat de vechtpartij zodanig uit de hand is gelopen dat medeverdachte [medeverdachte] zeer ernstig oogletsel heeft opgelopen. Verdachte heeft op geen enkel moment iets gedaan om de vechtpartij te doen stoppen en de gemoederen te bedaren en heeft daarmee doelbewust het risico genomen dat iemand ernstig letsel zou oplopen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor een openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbend geldt als richtlijn de oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een taakstraf voor de duur van 150 uur en een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank zal de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Door de benadeelde partij [slachtoffer] is een voegingsformulier ingediend met een vordering van € 600,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten gevolge van het aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit.

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering van de benadeelde partij volledig en hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

Primair wordt verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak dan wel niet-ontvankelijk te verklaren nu de door de benadeelde partij gestelde schade niet het gevolg is van het handelen van verdachte. Subsidiair de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering omdat nader onderzoek naar de gevorderde schade een onevenredige belasting van dit strafgeding oplevert. Meer subsidiair de vordering te matigen.

Beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreekse schade is toegebracht tot € 600,-. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Het beroep op medeschuld verwerpt de rechtbank. Voor zover hiermee bedoeld is een beroep te doen op artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek, is niet aannemelijk geworden dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en haar mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 141 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primairopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door deschuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

t.a.v. primair: Taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis.

gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

maatregel van schadevergoeding van € 600,- subsidiair 12 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 600,- (zegge:

zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12

dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september

2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag

en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer]

, van een bedrag van € 600,- (zegge: zeshonderd euro), aan immateriële

schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11

september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot

betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee haar verplichting tot betaling

aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter,

mr. W.F. Koolen en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,

en is uitgesproken op 21 augustus 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Districts Recherche Eindhoven, genummerd 2016203698, aantal pagina’s: 81. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.