Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:4040

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
C/01/322546 / HA ZA 17-422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. zorgplicht waterschap, wateroverlast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/322546 / HA ZA 17-422

Vonnis van 15 augustus 2018

in de zaak van

vennootschap onder firma

[eiseres] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.M.M. Menu te Tilburg,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

WATERSCHAP DE DOMMEL,

zetelend te Boxtel,

gedaagde,

advocaat mr. R.M. Pieterse te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en WDD genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 oktober 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 maart 2018 in deze zaak en in zes andere zaken

  • -

    de faxberichten van 14 mei 2018 van mrs. Menu en Teerink en mr. Pieterse (mede namens mr. Jacobse) waarin zij hun opmerkingen naar aanleiding van het (buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte) proces-verbaal kenbaar maken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.2.

Het beheersgebied van WDD telt 840.000 ingelanden. In het beheersgebied bevinden zich ongeveer 30.000 km aan watergangen in beheer en ongeveer 2.350 km aan watergangen in onderhoud.

In het beheersgebied bevinden zich 44 waterbeheersingsgemalen, 976 stuwen, bodemvallen etc.. WDD is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van A-watergangen in zijn beheersgebied. B-watergangen zijn de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de aangrenzende percelen.

2.3.

[eiseres] exploiteert een melkveebedrijf in [woonplaats] aan de [adres] . Het bedrijf is 25 ha groot en bestaat uit 55 melkkoeien en 55 stuks jongvee. De ten behoeve van het bedrijf bij [eiseres] in eigendom zijnde percelen cultuurgrond worden aangewend voor gras- en hooiwinning en beweiding.

De percelen zijn deels gedraineerd en liggen in het beekdal van de Rovertse Leij (NL17). De percelen wateren direct af op de NL17 of via een B-watergang die ingelanden zelf moeten onderhouden. De dichtstbijzijnde stuw bevindt zich circa 2 km benedenstrooms van de percelen van [eiseres] en heeft een streefpeil van 12.88 cm +NAP. De bodemhoogte van de NL17 bij de percelen is circa 13.70 m +NAP.

Benedenstrooms van de percelen bevindt zich het waterbergingsgebied De Vloeder-Zuid. Dat is in 2005 ingericht als overstromingsvlakte voor zogenaamde ‘gestuurde berging’. De inzet van de waterberging en de sturing op streefpeil gebeurt via bediening op afstand. Het bovenstroomse streefpeil is 12.80 m +NAP in het voorjaar en 12.88m +NAP in de zomer.

2.4.

In de periode van 30 mei – 30 juni 2016 is in [woonplaats] , dat ligt in het noordwesten van het beheersgebied van WDD, tussen de 180.5 en 202.7 mm neerslag gevallen. In het stroomgebied van de Rovertse Leij, ten zuiden van [woonplaats] , is in die periode 233 mm neerslag gevallen. De Rovertse Leij ontspringt in België. De meeste neerslag viel op 30 mei en 1 juni 2016 en op 12, 13 en 15 juni 2016 is nog meer intense neerslag gevallen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - een verklaring voor recht dat WDD jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat WDD zijn wettelijke onderhouds- en beheersverplichtingen niet tijdig en niet deugdelijk is nagekomen, waardoor wateroverlast in 2016 is ontstaan, alsmede dat WDD aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade, met veroordeling van WDD tot vergoeding van die schade op te maken bij staat, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

WDD voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat WDD zijn zorgplicht heeft geschonden door niet tijdig en/of onvoldoende maatregelen te treffen ter voorkoming en beperking van de wateroverlast en de daardoor ontstane schade. Zij stelt dat als gevolg daarvan een deel van haar graspercelen, ter grootte van 2 ha, begin juni 2016 onder water is komen te staan en vervolgens vier weken lang onder water heeft gestaan, waardoor het grasland schade heeft geleden. Onder verwijzing naar het deskundigenrapport van [deskundige 1] , agrarisch schade-expert van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) van augustus 2016 en het aanvullend rapport van [bedrijf 1] van 8 maart 2018 (het voorblad vermeldt 8 maart 2016 als datum rapportage, de rechtbank gaat ervan uit dat dit een typefout is) stelt [eiseres] dat WDD zijn zorgplicht heeft geschonden door:

  1. niet te voldoen aan de NBW-normen

  2. niet (tijdig) maatregelen te nemen naar aanleiding van de weerswaarschuwing (code oranje) van het KNMI

  3. in het kader van een herinrichtingsplan een meandering aan te leggen die de afvoercapaciteit van de watergangen vermindert

  4. opstoppingen in de watergang te doen ontstaan

  5. het niet naar behoren functioneren van de waterbergingsgebieden

  6. puin te storten bij de vistrap en op een plaats waar landbouwvoertuigen de watergang kunnen oversteken

  7. de watergang te versmallen (de flessenhals)

  8. de watergangen onvoldoende op te schonen, te maaien en onderhouden

  9. niet te reageren op (eerdere) klachten

  10. de stuwen en sloten in de watergangen (te) lang hoog te houden

4.2.

WDD bestrijdt dat hij niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Bovendien ontbreekt volgens WDD het causaal verband tussen de gestelde schending van de zorgplicht en de schade. Volgens WDD heeft de extreme neerslag in juni 2016 de wateroverlast bij [eiseres] veroorzaakt. Daarnaast heeft [eiseres] volgens WDD te laat geklaagd, is sprake van rechtsverwerking en van eigen schuld. Ter ondersteuning van zijn verweren heeft WDD een deskundigenrapport overgelegd van [deskundige 2] van [bedrijf 2] (hierna: [deskundige 2] ) van 13 september 2017.

WDD stelt zich voorts op het standpunt dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover deze gebaseerd zijn op de inrichting van waterberging de Vloeder, een meandering, vistrappen, een voorde en een flessenhals (de stellingen onder c t/m g).

4.3.

Het geschil spitst zich ten eerste toe op de vraag of WDD tegenover [eiseres] is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als waterbeheerder.

4.4.

Bij de beantwoording van die vraag stelt de rechtbank het volgende voorop.

Op grond van artikel 1 lid 1 van de Waterschapswet heeft een waterschap de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel. Artikel 1 lid 2 van de Waterschapswet draagt waterschappen onder meer de zorg voor het watersysteem op. Het watersysteem is een samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken (art. 1.1. Waterwet). Bij de uitoefening van zijn taken moet het waterschap rekening houden met verschillende waterstaatkundige belangen. [eiseres] geeft die belangen te beperkt weer. Zij stelt dat waterschappen de stand van het oppervlaktewater en grondwater moeten beheren, opdat de ingelanden geen schade zullen ondervinden van een overmatige toevloed van hemel- of oppervlaktewater of door uitdroging van landbouwgronden. Waterschappen moeten echter meer belangen in aanmerking nemen. Gelet op artikel 2.1. van de Waterwet is het waterbeheer gericht op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

4.5.

De rechtbank zal hierna op de afzonderlijke stellingen ingaan.

Ad. a. schending van de normen voor wateroverlast

4.6.

[eiseres] stelt zich kennelijk op het standpunt dat de waterhuishouding in het werkgebied van WDD niet voldoet aan de normen opgenomen in de NBW-richtlijn.

4.7.

WDD stelt dat op de percelen van [eiseres] deels geen normen van toepassing zijn. De percelen liggen in een natuurlijk beekdal (een overstromingsgebied) en daarin kan en mag wateroverlast optreden. Omdat [eiseres] niet duidelijk aangeeft welke delen van zijn percelen onder water zouden zijn komen te staan, is onduidelijk of de wateroverlast zich heeft voorgedaan op niet genormeerde of wel genormeerde delen van de percelen.

4.8.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De zorgplicht van een waterschap wordt ingekaderd door wettelijke normen voor wateroverlast. De normen (door partijen aangeduid als NBW-normen) drukken de hoogst toelaatbare kans op overstroming uit.

4.9.

Op grond van artikel 2.8. van de Waterwet worden bij provinciale verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, normen gesteld met betrekking tot de gemiddelde kans op overstroming van daarbij aangewezen gebieden. Uit de toelichting op deze bepaling blijkt dat deze normen de voor de verschillende vormen van landgebruik hoogst toelaatbare kans op overstroming uitdrukken. Het gaat om het gewenste beschermingsniveau. Uit het gewenste beschermingsniveau worden dimensionering, inrichting en het beheer van het watersysteem afgeleid. Ook worden daar de maatregelen uit afgeleid die moeten worden genomen om het watersysteem aan de norm te laten voldoen (Kamerstukken II 2006/07, 30818, nr. 3, p.93).

4.10.

De normen voor wateroverlast zijn vastgelegd in artikel 2.3. van de Verordening water Noord-Brabant (hierna: de Verordening) en de daarbij behorende bijlage II. Op grond van artikel 2.3 lid 2, aanhef en onder c en d, van de Verordening geldt buiten de bebouwde kom van een gemeente als norm een overstromingskans van 1x per 25 per jaar voor akkerbouw en 1x per 10 jaar voor grasland.

In lid 4 van artikel 2.3 van de Verordening is bepaald dat buiten de bebouwde kom aan sommige gebieden, aangegeven op bijlage II bij de Verordening, geen norm gekoppeld wordt, dan wel een hogere of een lagere norm.

In de toelichting op de Verordening (Provinciaal Blad, 2009, 230) staat dat voor (natuurlijke) beekdalen en natuurgebieden geen norm geldt. Het betreft gebieden die behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Daarnaast geldt het zogenaamde maaiveldcriterium. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied niet aan de norm hoeft te voldoen. Voor grasland is dat 5%, voor akkerbouw 1% en voor bebouwd gebied 0%, aldus de toelichting op de Verordening.

4.11.

WDD heeft gesteld, onder verwijzing naar het rapport van [deskundige 2] , dat de in het beheersgebied gelegen percelen, voor zover daarop de NBW-normering van toepassing is, de watersysteemtoets van 2013 vrijwel geheel hebben doorstaan. Een klein deel van perceel GLE0113 (één van de percelen van [eiseres] ) inundeert volgens de systeemtoets van 2013 wel maar WDD betwist dat niet wordt voldaan aan de NBW-normering. Hij verwijst daartoe naar pagina 7 van het rapport van [deskundige 2] waar wordt gerapporteerd dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de percelen voldoen aan de norm.

4.12.

[eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat het watersysteem ten tijde van de wateroverlast niet (meer) aan de norm voldeed. Dat, zoals in het aanvullend rapport van [bedrijf 1] wordt opgemerkt, [deskundige 2] bij zijn toets van de percelen van [eiseres] aan de NBW-norm geen rekening zou hebben gehouden met opstuwing door de drainagebuizen maakt dat niet anders. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is die opmerking van [bedrijf 1] onvoldoende om te concluderen dat niet aan de norm werd voldaan. De enkele omstandigheid dat inundatie heeft plaatsgevonden brengt niet met zich dat reeds om die reden sprake zou zijn van schending van de normering voor wateroverlast. Uit het door [eiseres] gestelde volgt niet dat sprake is van schending van de normen van wateroverlast. In zoverre heeft [eiseres] niet aan haar stelplicht voldaan.

4.13.

[bedrijf 1] verwijst in zijn rapporten nog naar een afvoernorm van 14 mm per etmaal, welke opgenomen zou zijn in het Cultuurtechnisch Vademecum. Uit het hiervoor opgenomen toetsingskader volgt echter niet dat die norm nog naast de in de Verordening vastgelegde normen afzonderlijk van toepassing is. Bovendien heeft [bedrijf 1] niet gesteld dat aan die norm niet voldaan is. De verwijzing van [bedrijf 1] leidt dus niet tot een ander oordeel.

4.14.

De stelling dat niet is voldaan aan de normen voor wateroverlast (de NBW-normen) mist daarom een voldoende feitelijke grondslag.

Ad. b. niet (tijdig) maatregelen te nemen n.a.v. de weerswaarschuwing (code oranje) van het KNMI

4.15.

[eiseres] stelt dat WDD tijdig actie had moeten ondernemen naar aanleiding van de melding (code oranje) van het KNMI. Als WDD dat gedaan had, zou het onder water lopen van een groot gedeelte van het perceel van [eiseres] beperkt zijn gebleven en de schade niet zijn geleden althans verwaarloosbaar zijn geweest.

4.16.

WDD stelt zich op het standpunt dat niet van hem verwacht mag en kan worden dat hij naar aanleiding van elke waarschuwing van het KNMI actie onderneemt. Ter toelichting voert WDD aan dat de weerswaarschuwingen van het KNMI betrekking hebben op een provincie of groter deel van het land en extreme neerslag juist zeer lokaal voorkomt. Bovendien krijgt WDD de weerswaarschuwingen pas 24 uur (code oranje) of 12 uur (code rood) van te voren. Anticiperend handelen is volgens WDD niet eenvoudig en vaak ook onwenselijk. Dit houdt verband met het korte tijdsbestek van de waarschuwingen, de onnauwkeurigheid daarvan, de tijd die de maatregelen vergen en de potentiële kans op schade als de neerslag elders valt of in veel mindere hoeveelheden.

4.17.

Ook deze stelling van [eiseres] slaagt niet.

[eiseres] heeft niet aangegeven wanneer de weerswaarschuwing (code oranje) voor het gebied waarin haar percelen zijn gelegen door het KNMI is afgegeven. Door mrs. Menu en Teerink is op de zitting (spreekaantekeningen punt 13) in zijn algemeenheid gesteld dat het KNMI waarschuwingen heeft gegeven voor Noord-Brabant op 30 mei 2016 en 2 juni 2016 en voor Limburg op 30 mei 2016, 2 juni 2016 en 7 juni 2016. [eiseres] verwijt WDD (kennelijk) dat hij geen stuwen heeft verlaagd in reactie op de afgegeven weerswaarschuwing. WDD betwist dat het KNMI voorafgaand aan de wateroverlast veroorzakende bui code oranje heeft afgegeven voor het betreffende gebied en stelt dat er geen relevante bedienbare stuwen zijn in de nabijheid van de percelen van [eiseres] . Daarop heeft [eiseres] niet gereageerd. De rechtbank gaat er daarom met WDD van uit dat geen specifieke weerswaarschuwing was gegeven voor het betrokken gebied en dat in de nabijheid van de percelen van [eiseres] geen stuwen waren die konden worden verlaagd. Welke andere (concrete) maatregelen van WDD, rekening houdend met alle bij het waterbeheer betrokken belangen, redelijkerwijs hadden kunnen worden verlangd, is door [eiseres] niet aangegeven. Op de comparitie is door de advocaat van [eiseres] in algemene zin opgemerkt dat de weerswaarschuwingen ertoe hadden moeten leiden dat het peil aangepast werd. Waar en hoe dat had moeten gebeuren en tot welk niveau om wateroverlast op de percelen van [eiseres] te voorkomen, is echter niet toegelicht. Ook als het KNMI inderdaad kort voor de wateroverlast een waarschuwing zou hebben afgegeven voor het betreffende gebied, heeft [eiseres] , gelet op de door WDD gegeven toelichting, onvoldoende onderbouwd dat WDD heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht door geen of onvoldoende maatregelen te nemen.

Ad c tot en met g. De aangelegde meandering, vistrappen en voorde en versmalling van de watergang (flessenhals) en het waterbergingsgebied.

4.18.

[eiseres] stelt in dit kader het volgende.
Haar percelen zijn onder water komen te staan doordat in het kader van een herinrichtingsplan een meandering is aangelegd. WDD heeft puin gestort in de watergang bij de vistrap, waardoor het waterpeil zeer laag is komen te staan. Er is ook puin gestort op een plaats waar landbouwvoertuigen de watergang kunnen oversteken. Deze dammen vormen een ernstige belemmering voor de doorstroming. Bovendien is de watergang verderop eerst vijf meter breed, maar treedt er 100 meter stroomafwaarts een versmalling op tot twee meter. Af te voeren (hemel)water wordt door deze flessenhals opgestuwd en als gevolg daarvan zijn stukken grond aan de walkant weggeslagen. Tezamen hebben deze obstructies bijgedragen aan de verminderde capaciteit van de waterafvoer. Hoewel het op de weg van WDD lag om deze belemmering voor een goede doorstroming weg te nemen, heeft hij dit nagelaten. Tijdens de comparitie heeft [eiseres] verklaard dat (het niet functioneren van) de waterberging De Vloeder-zuid de belangrijkste oorzaak was van de wateroverlast.

4.19.

WDD heeft in de conclusie van antwoord aangegeven dat aannemelijk is dat het ‘puin’ waarop [eiseres] doelt in het onder f. genoemde verwijt, de vistrap zelf (bestaande uit in beton gegoten keien die gezamenlijk een vistrap vormen) betreft en dat de puindam waarop gedoeld wordt een door WDD aangebrachte voorde is. Dit kan ook afgeleid worden uit het 1ste rapport van [bedrijf 1] . Door [eiseres] is daarop niet gereageerd, zodat de rechtbank in het vervolg van dezelfde veronderstelling uitgaat.

Daarnaast leidt de rechtbank uit het aanvullend rapport van [bedrijf 1] (pag. 4-8) af dat met ‘opstoppingen in de watergangen’, hiervoor opgenomen onder d., gedoeld wordt op de vistrappen, de voorde en de flessenhals.

4.20.

WDD is van mening dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in de vorderingen met betrekking tot de meandering, het vermeend niet naar behoren functionerend waterbergingsgebied, de vistrap en voorde en de versmalling van de watergang. WDD heeft dit als volgt toegelicht.

De aan de orde zijnde aanpassingen vloeien voort uit het onherroepelijke besluit tot vaststelling van het inrichtingsplan De Vloeder-zuid (hierna ook: het inrichtingsplan). Dat besluit heeft formele rechtskracht gekregen nadat met voldoende waarborgen omklede bestuurlijke rechtsgangen hebben opengestaan. Dat [eiseres] gebruik heeft gemaakt van de geboden inspraakmogelijkheden, en/of enige bezwaar- of beroepsprocedure heeft ingesteld naar aanleiding van het besluit, is gesteld noch gebleken. De uitvoering van het inrichtingsplan is een rechtmatige overheidsdaad. In het voorstel tot het besluit staat dat onevenredige wateroverlast leidt tot toepassing van nadeelcompensatie. Verzoeken tot vergoeding van schade horen ingevolge artikel 7.14 Waterwet thuis bij WDD en vervolgens bij de bestuursrechter. [eiseres] heeft verzocht om nadeelcompensatie, gegrond op het door WDD uitgevoerde project, en dat verzoek is in behandeling genomen.

4.21.

[eiseres] heeft hierop gereageerd met aan te geven dat zij de rechtmatigheid van de bestuursrechtelijke besluiten erkent. Naar haar mening ontslaat de rechtmatigheid van die besluiten WDD echter niet van zijn zorgplicht. Als WDD ervoor kiest projecten te realiseren (veelal ter verbetering van de natuur) die een nadelige invloed hebben op de afvoer van water, moet WDD extra alert zijn, zorgvuldig handelen en voldoende adequate maatregelen nemen om wateroverlast te voorkomen of beperken. Dat heeft WDD volgens [eiseres] niet gedaan.

4.22.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.23.

Niet in geschil is dat het besluit tot vaststelling van het inrichtingsplan De Vloeder-zuid een rechtmatig besluit is. Uit artikel 7.14 van de Waterwet vloeit voort dat degene die schade lijdt door de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van waterbeheer, in aanmerking komt voor een vergoeding. Artikel 7.15 van de Waterwet bepaalt dat voor de toepassing van artikel 7.14 onder schade mede wordt verstaan schade in verband met wateroverlast of overstromingen, voor zover deze het gevolg zijn van de verlegging van een waterkering of van andere maatregelen, gericht op het vergroten van de afvoer- of bergingscapaciteit van watersystemen. In de Verordening schadevergoeding waterschap De Dommel is een procedure opgenomen voor de behandeling van verzoeken om vergoeding van schade als bedoeld in de artikelen 7.14 en 7.15 van de Waterwet. Schade als gevolg van de aanwijzing van het waterbergingsgebied De Vloeder-zuid, de daadwerkelijke aanleg en inrichting van het gebied en de ingebruikstelling van het gebied voor waterberging, kan op grond van die regeling voor vergoeding in aanmerking komen. Tegen een besluit op het verzoek om schadevergoeding kan een bezwaarschrift worden ingediend. Tegen een besluit op bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Daarmee staat voor [eiseres] een met voldoende waarborgen omklede specifieke rechtsgang open voor het verhaal van haar (vermeende) schade als gevolg van de uitvoering van het bij besluit vastgestelde inrichtingsplan. Dit geldt voor de gestelde schade als gevolg van de aanleg van een meandering (c), de vistrap en voorde (d en f) en de versmalling van de watergang (d en g). Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank als burgerlijke rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen voor zover deze betrekking hebben op schade als gevolg van de vaststelling of uitvoering van het inrichtingsplan. [eiseres] moet in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen.

4.24.

[eiseres] stelt zich, zo begrijpt de rechtbank, ook op het standpunt dat WDD, gegeven de nadelige invloed van de op grond van het inrichtingsplan aangebrachte aanpassingen op de afvoer van water, onvoldoende (extra) alert is geweest, onzorgvuldig heeft gehandeld en onvoldoende adequate maatregelen heeft genomen om schade te voorkomen. Als voorbeeld van te nemen maatregelen noemt zij het frequent(er) verrichten van onderhoudswerkzaamheden en het aanpassen van het waterpeil als dat nodig is. WDD heeft volgens [eiseres] in strijd met de zorgplicht en daarmee onrechtmatig gehandeld. De rechtbank is als burgerlijke rechter bevoegd om over deze stelling te oordelen.

4.25.

Dat er (voorafgaand aan en/of) in de periode van de wateroverlast aanleiding was om eerder/vaker onderhoudswerkzaamheden te verrichten aan watergangen in de nabijheid van haar percelen dan feitelijk is uitgevoerd, is door [eiseres] niet (onderbouwd) gesteld. Evenmin is gesteld dat er aanleiding was om het peil in die watergangen aan te passen. Dat [eiseres] WDD (tevergeefs) verzocht heeft om (eerder/vaker) onderhoudswerkzaamheden uit te voeren en/of het peil aan te passen is ook niet gesteld of gebleken. In de dagvaarding is wel vermeld dat [eiseres] in 2014 bij WDD geklaagd heeft over wateroverlast en een schademelding heeft ingediend, maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan daaruit niet worden afgeleid dat dit betrekking heeft op dezelfde percelen als de graspercelen waarop deze procedure betrekking heeft. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat de klacht betrekking had op (onvoldoende tijdige/frequente) uitvoering van onderhoudswerkzaamheden en/of (onjuist) peilbeheer.

Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat WDD in strijd heeft gehandeld met de zorgplicht door, gegeven de nadelige invloed van de op grond van het inrichtingsplan aangebrachte aanpassingen op de afvoer van water, onvoldoende (extra) alert te zijn, onzorgvuldig te handelen en onvoldoende adequate maatregelen te nemen om schade te voorkomen. Deze stelling slaagt dan ook niet.

4.26.

[eiseres] stelt zich verder op het standpunt dat de waterberging De Vloeder-zuid niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Uit wat op de comparitie is besproken en de als bijlage 1 bij het 1ste rapport van [bedrijf 1] gevoegde brief van de agrarische ondernemers in [woonplaats] (waaronder kennelijk [eiseres] ) aan WDD, leidt de rechtbank af dat [eiseres] bedoelt te stellen dat het waterbergingsgebied de Vloeder-zuid ten onrechte niet is ingezet (droog is blijven staan) om de grote hoeveelheid water ten tijde van de wateroverlast te bergen. Met de inzet van het waterbergingsgebied had voorkomen kunnen worden dat haar percelen onder water kwamen te staan. [eiseres] stelt dat WDD hiermee in strijd met de zorgplicht en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank is als burgerlijke rechter bevoegd om hierover te oordelen.

4.27.

WDD heeft, onder verwijzing naar het rapport van [deskundige 2] , de inzet van het waterbergingsgebied De Vloeder-zuid als volgt toegelicht.
In dergelijke gebieden wordt tijdelijk water geparkeerd om wateroverlast en schade benedenstrooms naast watergangen te beperken. Dat is alleen doelmatig als de wateroverlast en schade die daarmee wordt voorkomen groter is dan de overlast en schade die daarmee wordt veroorzaakt. De Vloeder-zuid bevindt zich benedenstrooms van de percelen van [eiseres] en is ingericht als overstromingsvlakte voor zogenoemde ‘gestuurde berging’. De sturing wordt gedaan met een automatisch bediende kantelstuw. De inzet van de waterberging en de sturing op streefpeil gebeurt door middel van bediening op afstand. Bij een afvoer boven 6.80 m³/s gaat de kantelklep van de stuw automatisch zoveel omhoog dat het debiet gehandhaafd blijft. Het opgestuwde water vult dan het retentiegebied tot een maximaal peil van 14.40 m +NAP. Als een debiet gemeten wordt van onder 6.80 m³/s gaat de stuwklep weer geleidelijk omlaag. Tijdens de overlastperiode is het afvoerdebiet van 6.80 m³/s niet gehaald, waardoor de waterberging niet is aangesproken.

WDD stelt zich op het standpunt dat de waterberging naar behoren heeft gefunctioneerd.

4.28.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. In 3.1.1 van het inrichtingsplan staat onder meer het volgende over de inzet van de waterberging:
“Bij afvoeren vanaf 6,80 m3/s gaat de stuw omhoog en zal de Vloeder zich vullen. Als het gemeten debiet de 6,80 m3/s onderschrijdt, gaat de stuw langzaam omlaag en loopt het retentiegebied weer leeg (…)”.

Als onweersproken staat vast dat het afvoerdebiet van 6,80 m3/s tijdens de periode van wateroverlast niet is gehaald. WDD heeft in overeenstemming met het inrichtingsplan gehandeld door het waterbergingsgebied De Vloeder-zuid niet in te zetten. Dat het peil foutief zou zijn ingesteld, is gesteld noch gebleken. De verwijzing naar het aanvullend rapport van [bedrijf 1] , waarin [bedrijf 1] alleen de vraag opwerpt of het peil van de waterberging foutief is ingesteld, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat [eiseres] haar stelling dat de waterberging ten tijde van de wateroverlast onvoldoende functioneerde onvoldoende heeft onderbouwd. Ook deze stelling slaagt niet.

Ad. h. de watergangen onvoldoende op te schonen, te maaien en onderhouden

4.29.

[eiseres] stelt dat WDD onvoldoende onderhoud heeft gepleegd aan de watergangen. Dit betreft met name het onvoldoende of niet tijdig maaien en schonen van de watergangen. In het 1ste rapport van [bedrijf 1] staat dat de watergangen tijdens de wateroverlast niet geschoond en gemaaid waren.

Op de comparitie is door [eiseres] aangevoerd dat bij watergang de Vloeder pas op 21 juni 2016 is gemaaid na diverse klachten van [eiseres] .

4.30.

WDD betwist dat er onvoldoende onderhoud is gepleegd. WDD stelt dat watergang de Rovertse Leij (NL17) is gemaaid in periode 2 (tussen 16 maart en 31 mei) en 3 (1 juni – 15 juli), dat is vroeger dan de voorgeschreven maaiperiode (15 juli - 15 maart, met voorkeur voor maaien in september/oktober). In april 2016 is de bodem van de Rovertse Leij opgeschoond.

WDD heeft op de comparitie bevestigd dat het stuk bij de De Vloeder in juni 2016 is gemaaid naar aanleiding van klachten van [eiseres] . WDD heeft daarbij naar voren gebracht dat WDD niet overal tegelijk kan zijn en in een crisissituatie zoals tijdens de wateroverlast keuzes gemaakt moeten worden.

4.31.

[eiseres] heeft haar stelling dat de watergangen onvoldoende zijn onderhouden onvoldoende onderbouwd. Dat op 21 juni 2016 naar aanleiding van klachten van [eiseres] bij De Vloeder is gemaaid, is daarvoor onvoldoende. Volgens het maaibeleid van WDD hoefde niet eerder gemaaid te worden. [deskundige 2] vermeldt in zijn rapport dat de geringe neerslag tot 30 mei 2016 geen aanleiding gaf het maaiwerk te vervroegen. Dat neemt niet weg dat een waterschap adequaat moet reageren op klachten. Een waterschap moet een onderzoek instellen naar de klacht en moet zo nodig, afhankelijk van de uitkomst daarvan, maatregelen treffen (zie HR 8 januari 1999, NJ 1999, 319). Het waterschap komt bij het reageren op klachten echter een zekere beleidsvrijheid toe. Bovendien moet te allen tijde rekening worden gehouden met de relevante omstandigheden. [eiseres] heeft niet aangegeven wanneer zij voor het eerst heeft geklaagd. Alleen daarom al kan niet worden geoordeeld dat WDD in de gegeven omstandigheden eerder had moeten (en kunnen) maaien. Daarbij komt dat WDD in deze periode van extreme wateroverlast niet altijd in staat was om naar aanleiding van een klacht meteen tot maaien over te gaan. WDD mocht daarbij keuzes maken. In het rapport van [deskundige 2] is in dat kader terecht opgemerkt dat het onmogelijk is om alle watergangen op één dag te maaien als zich een plotselinge situatie van hoog water voordoet. Daarvoor is het beheersgebied te groot.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat [eiseres] haar stelling dat WDD heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door onvoldoende onderhoud te plegen onvoldoende heeft onderbouwd.

Ad. i. geen reactie van WDD op (eerdere) klachten

4.32.

[eiseres] stelt in het verleden (21 juli 2014) eerder bij WDD geklaagd te hebben over wateroverlast en een schademelding te hebben ingediend. De betreffende schademelding is door [eiseres] in het geding gebracht als productie 2. Het niet reageren daarop door WDD is volgens [eiseres] onrechtmatig.

4.33.

De rechtbank is, met WDD, van oordeel dat WDD de overgelegde schademelding redelijkerwijs niet heeft hoeven op te vatten als een klacht die noodzaakte tot het ondernemen van actie door WDD. Dit omdat het formulier is ingevuld op 21 juli 2014 terwijl daarin een schade wordt gemeld van 9 t/m 12 september 2013 en 14 t/m 16 oktober 2013, wat in verhouding tot de gestelde schade erg laat is.

Dat er sprake is van andere klachten van [eiseres] in de periode voorafgaand aan de hier aan de orde zijnde wateroverlast, is gesteld noch gebleken.

Ook deze stelling van [eiseres] moet daarom, als onvoldoende feitelijk onderbouwd, worden verworpen.

Ad. j. de stuwen en sloten in de watergangen zijn (te) lang hoog gehouden

4.34.

Niet duidelijk is op welke stuwen en sloten [eiseres] doelt. [eiseres] heeft dit niet toegelicht. Voor zover het de stuwen betreft die de inzet van het waterbergingsgebied reguleren, wordt hier verwezen naar wat is overwogen in rechtsoverweging 4.26. t/m 4.28.

Om welke andere stuwen en sloten het verder zou gaan is door [eiseres] niet toegelicht. Dat het gaat om de NL17 is, zoals door WDD is opgemerkt, niet aannemelijk omdat de Rovertse Leij een beek (en geen sloot) is. WDD heeft ook betwist dat bepaalde stuwen en/of sloten te lang hoog gehouden zijn. Daarbij komt dat [deskundige 2] in zijn rapport constateert dat zich in de nabijheid van de percelen van [eiseres] geen bedienbare stuwen bevinden die relevant zijn voor de waterafvoer. Dat is door [eiseres] niet (onderbouwd) betwist.

Dit betekent dat ook deze stelling, als onvoldoende feitelijk onderbouwd, moet worden verworpen.

Conclusie

4.35.

De rechtbank komt tot de conclusie dat WDD tegenover [eiseres] niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als waterbeheerder. Dat betekent dat WDD alleen al daarom niet aansprakelijk is voor de (gestelde) schade.

4.36.

[eiseres] wordt in een aantal vorderingen niet-ontvankelijk verklaard en de vorderingen worden voor het overige afgewezen. . Het overigens nog door WDD aangevoerde behoeft daarom niet besproken te worden.

4.37.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van WDD worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 1.924,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 3.010,00.

4.38.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen voor zover deze betrekking hebben op schade als gevolg van de vaststelling of uitvoering van het inrichtingsplan De Vloeder-zuid,

5.2.

wijst de vorderingen voor het overige af,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van WDD tot op heden begroot op € 3.010,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. D.J. Hutten en mr. M.E. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2018.