Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3998

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
11-08-2018
Zaaknummer
C/01/334867 / KG ZA 18-317
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Toestemming voor werkzaamheden op het terrein van de buurman tbv het verwijderen van asbest. Geen sprake van behoorlijke kennisgeving omdat een plan van aanpak ontbreekt en voorshands gewichtige redenen om de toestemming te weigeren aangenomen, omdat niet duidelijk is of de buurman de exploitatie van de onderneming kan voortzetten en de gezondheidsrisico’s niet in kaart zijn gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/334867 / KG ZA 18-317

Vonnis in kort geding van 3 augustus 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaten mrs. S. Kissels en E. Akdeniz te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

rechtshelper [adviseur gedaagde] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 juni 2018 met producties 1 tot en met 14;

  • -

    de brief van 25 juli 2018 van mr. Kissels met productie 15;

  • -

    de conclusie van antwoord van 26 juli 2018 met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de mondelinge behandeling van 30 juli 2018 te 9.30 uur, waarbij mr. Kissels aan de hand van een pleitnota namens [eiseres] de vordering heeft toegelicht.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling van 30 juli 2018 heeft mr. Kissels aangegeven de conclusie van antwoord van de adviseur van [gedaagde] , [adviseur gedaagde] (hierna te noemen: [adviseur gedaagde] ) niet te hebben ontvangen en aldus bezwaar gemaakt tegen indiening daarvan. De voorzieningenrechter besluit dat de conclusie van antwoord met producties als processtuk wordt toegelaten. Immers, in kort geding kan tevens in persoon verweer worden gevoerd en de voorzieningenrechter acht [eiseres] voorts niet in zijn belangen en/of verdediging geschaad. Temeer, nu tijdens de mondelinge behandeling van 30 juli 2018 is besloten de zaak aan te houden en voort te zetten op 1 augustus 2018 te 15.30 uur en [eiseres] voldoende tijd en gelegenheid heeft de conclusie van antwoord en producties van [gedaagde] te bestuderen.

1.3.

Bij faxberichten van 31 juli 2018 heeft mr. Kissels namens [eiseres] aanvullende producties 16 tot en met 20 toegezonden. Bij brief van 31 juli 2018 heeft ook [adviseur gedaagde] een aanvullende productie, alsmede een aanvullende reactie toegezonden.

1.4.

De voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2018 te 15.30 uur, waarbij mr. Akdeniz namens [eiseres] is verschenen en de vordering nogmaals heeft toegelicht en [adviseur gedaagde] wederom namens [gedaagde] verweer heeft gevoerd.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eiseres is eigenaar van het perceel, staande en gelegen te [woonplaats 1] aan [adres 1] . De onderneming [van eiseres] wordt geëxploiteerd op nr. [nummer 5] . en diens bestuurder, de heer [eiseres] , is woonachtig op [nummer 2] . Hierna zal eiseres worden aangeduid als [eiseres] .

2.2.

Een deel van de loods van [eiseres] verhuurt hij aan de besloten vennootschap [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1] ).

2.3.

Gedaagde is eigenaar van het aangrenzend perceel, te weten staande en gelegen te [woonplaats 1] aan [nummer 3] en is daar (thans nog) woonachtig met zijn gezin en exploiteert aldaar de eenmanszaak [nummer 4] . Gedaagde zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

2.4.

Op 23 juni 2016 is er een hagelregen geweest, waardoor er schade aan het dak van de loods van [eiseres] is ontstaan. Er zijn gaten in het dak gekomen die sindsdien voor wateroverlast binnen in de loods zorgen. Het dak is toen provisorisch dicht gemaakt om wateroverlast zoveel mogelijk te beperken. Omdat het dak bestaat uit asbestplaten is herstel niet mogelijk en dient het gehele dak vervangen te worden.

2.5.

De verzekeraar van [eiseres] heeft aangegeven een deel van de kosten voor vervanging te vergoeden op voorwaarde dat het dak binnen drie jaar na de schadedatum van 23 juni 2016 vervangen is.

2.6.

In opdracht van [eiseres] heeft [naam 2] op 6 oktober 2016 een ‘Rapportage Asbestinventarisatie Type A conform SC-540’ opgesteld (hierna te noemen: Rapportage Asbestinventarisatie). In het aan het rapport gehechte ‘SMART 2014 Risicoclassificatie’ wordt onder andere opgemerkt:

“Het werkgebied dient afgezet/gemarkeerd te worden.

Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf dat de asbestverwijderingswerkzaamheden uitvoert, dient de best bestaande technieken toe te passen. Er dienen bronmaatregelen genomen te worden om vezelemissie te voorkomen. Deze maatregelen dienen in een werkplan, opgesteld conform het certificatieschema, te worden opgenomen.

Er dienst een eindcontrole door een RvA geaccrediteerde (ISO 17020) inspectie-instelling volgens NEN 2990, onderdeel visuele inspectie, te worden uitgevoerd.”

2.7.

Bij brief van 11 november 2017 heeft [eiseres] [gedaagde] geïnformeerd voornemens te zijn de asbestplaten en zinken dakgoten van de loods te vervangen en heeft hij [gedaagde] verzocht te bevestigen dat hij hieraan zijn medewerking zal verlenen.

2.8.

Omdat daarop van [gedaagde] geen reactie is ontvangen, heeft [eiseres] bij brief van 24 november 2017 [gedaagde] nogmaals om medewerking verzocht, meer in het bijzonder om ook het terrein van [gedaagde] te mogen betreden en vanuit de zijde van het dak van de onderneming van [gedaagde] te mogen werken aan vervanging van de dakgoten van de loods van [eiseres] .

2.9.

Op 6 december 2017 heeft [eiseres] aan aannemersbedrijf [naam 3] (hierna te noemen: [naam 3] ) de opdracht verstrekt voor het vernieuwen van het gehele dak en de dakgoten van de loods.

2.10.

De door [naam 3] ingeschakelde asbestsaneerder, [naam 4] , (hierna te noemen: [naam 4] ) heeft [naam 3] bij e-mailbericht van 13 maart 2018 gemeld contact te hebben gehad met [gedaagde] , omdat zij rondom de loods van [eiseres] een afzetting moet plaatsen met waarschuwingslint in verband met het te verwijderen asbest en [gedaagde] [naam 4] te kennen heeft gegeven dat zijn perceel niet betreden of gebruikt mag worden.

2.11.

Mr. Kissels heeft namens [eiseres] [gedaagde] bij e-mailbericht van 22 maart 2018 aangegeven dat het voor [eiseres] noodzakelijk is om gebruik te maken van het perceel van [gedaagde] en voorts – voor zover thans van belang –:

“(…) Desgevraagd zal u medegedeeld worden in welke tijdspanne de betreffende werkzaamheden worden verricht.

Alvorens dit aan u door te geven, wenst cliënte wel graag van u schriftelijke en uitdrukkelijke toestemming.

Namens mijn cliënte verzoek, en zo nodig, sommeer ik u om de hiervoor genoemde toestemming te verlenen, bij gebreke waarvan mijn cliënte genoodzaakt zal zijn de juridische weg te bewandelen.”

2.12.

[adviseur gedaagde] heeft daarop gereageerd namens [gedaagde] bij brief van 27 maart 2018 en aangegeven dat [gedaagde] wenst te vernemen of [eiseres] bereid is om hem schadeloos te stellen.

2.13.

Bij brief van 5 april 2018 heeft mr. Kissels namens [eiseres] gereageerd en – voor zover thans van belang – het volgende gemeld:

“Daarbij wordt opgemerkt dat de werkzaamheden volgens de aannemer worden uitgevoerd in de periode van 13 t/m 22 augustus aanstaande waarna de goot nog gemonteerd zal moeten worden, wat naar verwachting in week 35 zal gaan gebeuren.

In principe zal er gewerkt worden vanuit een kraan dat op het terrein van [nummer 2] zal worden opgesteld. Mijn cliënte zal, zoals nu is gepland, niet vanaf het terrein van uw cliënt behoeven te werken. Daarentegen wil mijn cliënt snel duidelijkheid van uw cliënt krijgen of hij toestemming geeft tot ingebruikname door mijn cliënte, zodat een eventuele gerechtelijke procedure niet nodig hoeft te zijn.”

2.14.

[adviseur gedaagde] heeft bij e-mailbericht van 9 april 2018 – voor zover thans van belang – het volgende gemeld:

“Alvorens cliënten zich kunnen beraden over het wel/niet verlenen van toestemming en vervolgens de eventuele voorwaarden die daaraan dienen te worden verbonden, wensen zij eerst een plan van aanpak te ontvangen met een volledige beschrijving van de wijze en de termijnen van het door uw cliënte verlangde gebruik van het perceel van cliënten. Cliënten drijven op hun perceel een serieuze onderneming in schadevoertuigen en zij dienen om die reden gedetailleerd van uw cliënte te vernemen waarvoor zij toestemming (én medewerking) van cliënten wenst te verkrijgen. Eerst nadat ik dit via u heb ontvangen en bestudeerd, ben ik pas in staat om cliënten volledig te adviseren in deze kwestie. Ik zie uw reactie wel tegemoet.”

2.15.

Mr. Kissels heeft bij brief van 16 mei 2018 – voor zover thans van belang – aan [adviseur gedaagde] gemeld:

“Mijn cliënte geeft aan dat de betreffende werkzaamheden zullen worden uitgevoerd door aannemersbedrijf [naam 3] te [woonplaats 2] . De uitvoering is gepland in de periode van 13 t/m 22 augustus a.s., waarna de goot nog gedemonteerd zal moeten worden, wat naar verwachting in week 35 plaats zal vinden.

In principe zal er gewerkt worden vanuit een kraan die op het terrein van [nummer 2] te [woonplaats 1] zal worden opgesteld.

De asbestsaneerder zal zijn werkzaamheden volgens de regels van de wet moeten uitvoeren hetgeen betekent dat hij in een straal van 5 meter om het gebouw moet kunnen in verband met inspectie voor vrijgave van de sanering. Dit is boven een aangebouwde loods op het terrein van [nummer 3] te [woonplaats 1] . Dit houdt echter niet in dat uw cliënt enigszins belemmerd zou zijn in de uitvoering van zijn bedrijf. Alleen bij calamiteiten zullen medewerkers van de asbestsaneerder op het terrein van uw cliënt moeten kunnen gaan en daarvoor is in beginsel toestemming van uw cliënt nodig.

Voor wat betreft de dakgoten geldt het volgende. In de huidige situatie is het zo dat de dakgoten aan de buitenzijde van de loods tegen de muur gemonteerd zijn en het water opvangen van het schuine dak. De regenafvoer vanaf de goot zijn aan de buitenzijde tegen de muur gemonteerd. Deze goot is zeker 40 jaar oud en het is de bedoeling dat deze goot gelijktijdig met het dak vernieuwd wordt. Daarvoor is het nodig dat de aannemer medewerking van uw cliënt krijgt zodat de monteurs de betreffende werkzaamheden naar behoren en op een veilige manier kunnen uitvoeren. Het is namelijk niet mogelijk dat een monteur vanuit de kraan naar beneden hangend een nieuwe dakgoot kan aanbrengen.

(…)

Het komt mij voor dat mijn cliënte middels dit bericht uw cliënt voldoende heeft geïnformeerd. Bovendien ga ik er vanuit dat u uw cliënt adviseert toestemming te geven.”

2.16.

[naam 1] heeft [eiseres] bij e-mailbericht van 6 juni 2018 gemeld dat indien niet op korte termijn reparatie van het dak van de loods plaatsvindt, zij de huur zal opschorten.

2.17.

[adviseur gedaagde] heeft bij brief van 13 juni 2018 mr. Kissels – voor zover thans van belang – het volgende gemeld:

“Ten eerste merk ik op dat cliënten nog steeds geen verlangde duidelijkheid hebben verkregen over de werkzaamheden die uw cliënte in de periode van 13 t/m 22 augustus a.s. wenst uit te voeren op het onroerend goed gelegen aan het [adres 2] . Het is inmiddels duidelijk dat het gaat om de sanering/verwijdering van asbest van een opstal gelegen op het terrein van uw cliënte, grenzend aan het terrein van cliënten. Ook is duidelijk dat het gaat om een omvangrijke hoeveelheid asbest, in ieder geval meer dan 35 m2.

(…) Het verzoek van uw cliënte wordt door cliënten niet beantwoord zolang sprake is van een volstrekte onduidelijkheid over hetgeen van hen wordt verwacht. U zult begrijpen dat cliënten niet bereid zijn een ‘carte blanche’ toestemming te verlenen, zeker niet waar het gaat om sanering van een omvangrijke hoeveelheid gevaarlijke stoffen.”

2.18.

Mr. Kissels heeft [adviseur gedaagde] bij brief van 26 juni 2018 de melding van de voorgenomen sloop en asbestverwijdering doen toekomen. Deze melding is bij de gemeente [woonplaats 1] ingediend op diezelfde dag.

2.19.

De gemeente [woonplaats 1] heeft bij brief van 27 juni 2018 [naam 4] de ontvangst van de op 26 juni 2018 ingediende melding bevestigd en – voor zover thans van belang – het volgende gemeld:

“Beoordeling

Wij beoordelen alleen of uw melding volledig is ingediend. Uw melding wordt door ons niet inhoudelijk gecontroleerd. Voor slopen en asbest verwijderen gelden namelijk algemene regels en bent u zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan deze regels.(…)”

2.20.

Op 4 juli 2018 heeft [eiseres] in een e-mailbericht [naam 4] een aantal vragen voorgelegd, welke vragen [naam 4] in het zelfde bericht heeft beantwoord (schuin gearceerd):

“1) Moeten er auto’s verzet worden op het terrein van de buurman tijdens het saneren van het asbest dak?

Vanaf de loods die gesaneerd wordt moet er vijf meter vrij gemaakt worden. Binnen deze 5 meter mogen er geen losse objecten staan.

2) In hoeverre moet u op het terrein van de buurman komen t.b.v. de sanering?

Wij zullen op het terrein van de buurman moeten zijn om lint te plaatsen om het gebied af te zetten voor aanvang sanering. Tijdens de werkzaamheden moeten wij te allen tijde toegang hebben om schoon te maken en aan het einde van de werkzaamheden voor de vrijgave.

3) Kan de buurman tijdens de sanering zijn bedrijf gewoon voortzetten of moet hij tijdelijk zijn bedrijf (handel in schadeauto’s) sluiten?

Zo ja, hoeveel dagen c.q. uren moet hij zijn bedrijf dan sluiten?

Het gebied achter het lint mag hij niet betreden. Daarbuiten mag hij zijn activiteiten normaal voortzetten.

4) Welke overlast zal de buurman verder ondervinden van de sanering?

Geen.”

2.21.

[eiseres] heeft nog een aanvullende vraag gesteld bij e-mailbericht van 5 juli 2018 aan [naam 4] , welke vraag [naam 4] in het zelfde bericht heeft beantwoord (schuin gearceerd):

“Wanneer de aangebouwde loods van de buurman meer dan 5 meter diep is vanaf de gevel van het te renoveren gebouw, mag hij dan de loods gewoon betreden en erin werken tijdens de sanering?

Hij mag wel in de loods werken zolang hij maar buiten het lint blijft waarmee we het te saneren gebied afzetten.”

2.22.

Op 30 juli 2018 te 9.30 uur heeft de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden. Omdat de inhoud van het debat tussen partijen vragen bij de voorzieningenrechter op heeft geroepen, is besloten een voortzetting te plannen op 1 augustus 2018 te 15.30 uur om [eiseres] in de gelegenheid te stellen de vragen van de voorzieningenrechter te beantwoorden.

2.23.

Mr. Kissels heeft nadien [naam 4] bij e-mailbericht van 30 juli 2018 – voor zover thans van belang – het volgende verzocht en de volgende vragen voorgelegd, welke vragen [naam 4] in het zelfde bericht heeft beantwoord (schuin gearceerd):

“Namens de heer [eiseres] verzoek ik u vriendelijk mij nog vandaag het volgende toe te sturen:

1. Kopie vergunning van de gemeente in verband met sanering. Zit in bijlage.

2. Plan van aanpak saneringswerkzaamheden

Voor wat betreft punt 2. kunt u bijvoorbeeld aangeven:

13-08-2018: voorbereidingen sanering [plaatsen van het lint].

14-08-2018: Afzetten werkgebied aanvang sanering

Indien weer meezit dan is de sanering na 3 à 4 dagen gereed zodat het gebied wordt vrijgegeven. Inderdaad.

Dus 17-08-2018 of 18-08-2018 einde sanering en vrijgeven gebied. Klopt.

en verder graag aangeven dat het lint vanaf het dak van de loods 5 meter wordt gespannen en dat vanaf 5 meter [gedaagde] zijn zaak gewoon kan blijven uitvoeren en dat er geen gezondheidsrisico’s zijn en geen overlast voor [gedaagde] . [gedaagde] roept namelijk dat vanwege de grootte van het saneringsgebied er teveel risico’s voor zijn gezin is [terwijl zijn gezin er niet eens woont…]

Dit kan ik niet beoordelen. Daarvoor zou ik ter plaatse de situatie moeten bekijken.

Tenslotte, indien mogelijk graag aangeven dat na vrijgave van het gebied, [naam 3] start met het plaatsen van het dak. Klopt.

Uw plan van aanpak zal ik samen met een kopie van de vergunning naar de rechtbank sturen.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis in kort geding zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] te bevelen om [eiseres] , dan wel door [eiseres] in te schakelen personen, toe te staan van het perceel van [gedaagde] gebruik te maken teneinde het dak en de dakgoot van de loods aan [nummer 5] te [woonplaats 1] , te vervangen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

  2. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te voldoen de buitengerechtelijke kosten van € 1.500,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede de wettelijke rente ex art. 6:119 BW hierover vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis tot de dag van voldoening;

  3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW hierover vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis tot de dag van voldoening.

3.2.

[eiseres] legt daaraan het volgende ten grondslag.

[gedaagde] is op grond van art. 5:56 BW gehouden [eiseres] voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de loods tijdelijk gebruik te laten maken van het perceel van [gedaagde] . Van gewichtige redenen op grond waarvan [gedaagde] zijn toestemming zou mogen weigeren, is geen sprake. [eiseres] heeft inmiddels groot belang erbij de werkzaamheden zo spoedig mogelijk te kunnen laten uitvoeren. De gaten in het dak van de loods zijn provisorisch gedicht en voorkomen moet worden dat bij zware regenval meer lekkages ontstaan met als gevolg dat meer schade aan de loods ontstaat, alsmede het bedrijf van [naam 1] schade zal lijden. Bovendien heeft [naam 1] te kennen gegeven de huurbetaling te zullen opschorten indien het dak van de loods niet op korte termijn wordt vervangen en daarmee het risico op schade door lekkage wordt verkleind. Tenslotte geldt dat [eiseres] reeds financiële verplichtingen is aangegaan met [naam 3] terzake van de te verrichte werkzaamheden aan het dak en de dakgoot van de loods.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.1.

Het noodzakelijk tijdelijk gebruik is niet slechts nodig ten aanzien van de vervanging van de dakgoot van de loods, maar mede vanwege de aard en omvang van de saneringswerkzaamheden. Zulks is [gedaagde] eerst op 26 juni 2018 gebleken. Voordat [gedaagde] zich kan uitlaten over het al dan niet verlenen van toestemming tot gebruik van zijn perceel, dienen eerst afspraken te worden gemaakt, gelet op de risico’s die met asbestverwijdering gemoeid zijn.

3.3.2.

Van behoorlijke kennisgeving ingevolge art. 5:56 BW is geen sprake.

3.3.3.

[gedaagde] wenst schadeloosstelling ex art. 5:56 BW te onderzoeken, hetgeen afhankelijk is van de inbreuk en de duur van het gebruik van het perceel van [gedaagde] door [eiseres] .

3.3.4.

Het belang van [gedaagde] om toestemming te weigeren is groter dan het belang van [eiseres] om de werkzaamheden thans te laten uitvoeren, gelet op de gevolgen die het blootstellen van burgers aan gevaarlijke stoffen kan hebben.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit het feit dat de planning van de werkzaamheden ter vervanging van het dak en de dakgoten van de loods van [eiseres] in het gedrang komt als [gedaagde] de toegang tot zijn perceel aan [eiseres] blijft weigeren.

4.2.

Kern van het geschil is of [gedaagde] terecht weigert, het tijdelijk gebruik van zijn perceel door [eiseres] , toe te staan. Relevant voor de beoordeling van deze vraag is art. 5:56 BW. Daarin is opgenomen dat wanneer het voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een onroerende zak noodzakelijk is van een andere onroerende zaak tijdelijk gebruik te maken, de eigenaar van deze zaak gehouden is dit na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling toe te staan, tenzij er voor deze eigenaar gewichtige redenen bestaan dit gebruik te weigeren of tot een later tijdstip te doen uitstellen.

4.3.

Art. 5:56 BW geeft een aantal cumulatieve vereisten waaraan voldaan dient te zijn, wil een eigenaar verplicht zijn toestemming te geven voor tijdelijk gebruik van zijn perceel. Het gebruik van de andere onroerende zaak dient noodzakelijk te zijn voor het verrichten van de werkzaamheden, het gebruik dient tijdelijk te zijn, de eigenaar die de werkzaamheden wil verrichten dient de andere eigenaar behoorlijk kennis te geven van en schadeloos te stellen voor die werkzaamheden.

4.4.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat het voor het verrichten van de werkzaamheden aan het dak en de dakgoten van de loods noodzakelijk is om tijdelijk gebruik te maken van het perceel van [gedaagde] . Dit valt immers af te leiden uit de antwoorden die [naam 4] heeft gegeven op de vragen op dit punt van [eiseres] in het e-mailbericht van 4 juli 2018. Dit wordt ook niet betwist door [gedaagde] . Uitgangspunt is derhalve dat voor de asbestsanering, het vervangen van het dak en het vervangen van de dakgoten van de loods toegang tot het perceel van [gedaagde] noodzakelijk is.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden waarvoor het gebruik van het perceel van [gedaagde] noodzakelijk is ongeveer acht werkdagen zullen duren. Thans is de planning immers van 13 tot en met 22 augustus 2018, waarin 3 à 4 dagen besteed zal worden aan asbestsanering en het lint die 3 à 4 dagen op het perceel van [gedaagde] zal worden geplaatst, waarna nog toegang zal moeten worden geschaft voor het monteren van de dakgoten. De voorzieningenrechter acht het gebruik van de zijde van [eiseres] van tijdelijke aard, waardoor ook aan dit vereiste is voldaan.

4.6.

Voorts ligt ter beoordeling of [eiseres] heeft voldaan aan het vereiste om [eiseres] van de beoogde werkzaamheden behoorlijk in kennis te stellen. [gedaagde] heeft ten verwere aangevoerd dat geen sprake is van behoorlijke kennisgeving. Reeds op 9 april 2018 heeft [adviseur gedaagde] namens [eiseres] verzocht om een plan van aanpak met een volledige beschrijving van de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd en de termijnen van het gebruik van het perceel van [gedaagde] . Daarop heeft mr. Kissels op 16 mei 2018 een uitleg gegeven, welke uitleg [adviseur gedaagde] , zoals blijkt uit de brief van 13 juni 2018, als onvoldoende heeft beoordeeld nu het gaat om een aanzienlijke hoeveelheid te verwijderen asbest. Daarop is geen deugdelijke reactie meer gekomen van de zijde van [eiseres] . De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu het gaat om asbestverwijdering – waaraan zoals algemeen bekend is risico’s verbonden kunnen zijn – de voorwaarden die [gedaagde] stelt aan de kennisgeving van [eiseres] redelijk zijn. Een deugdelijk plan van aanpak met een beschrijving van de werkzaamheden en een duidelijke tijdsplanning acht de voorzieningenrechter niet teveel gevraagd bij werkzaamheden die zien op asbestverwijdering (van deze hoeveelheid). Dit wordt ook ondersteund door de Rapportage Asbestinventarisatie, waarin ook wordt benadrukt dat alle te nemen maatregelen in een werkplan dienen te worden opgenomen.

4.7.

Thans is niet zeker dat [gedaagde] zijn onderneming kan blijven exploiteren én, nog belangrijker, niet duidelijk is dat er geen gezondheidsrisico’s zijn. Zulks blijkt uit de antwoorden die [naam 4] heeft gegeven op de door mr. Kissels bij e-mailbericht van 30 juli 2018 gestelde vragen. Het moge zo zijn dat de asbestverwijdering wordt uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf, maar kennelijk dient eerst de situatie ter plaatste bekeken te worden door [naam 4] , alvorens kan worden uitgesloten of [gedaagde] de onderneming kan blijven exploiteren tijdens de werkzaamheden én dat er geen gezondheidsrisico’s zullen optreden. Voorshands beroept [gedaagde] zich terecht op gewichtige redenen.

4.8.

De vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.9.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 291,00

- salaris 980,00

Totaal € 1.271,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.271,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2018.