Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3997

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
C/01/322541 / HA ZA 17-421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. zorgplicht waterschap, wateroverlast na zware regenval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/322541 / HA ZA 17-421

Vonnis van 8 augustus 2018

in de zaak van

vennootschap onder firma

[eiseres ] ,

gevestigd te [woonplaats] , gemeente [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.M.M. Menu te Tilburg,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

WATERSCHAP DE DOMMEL,

zetelend te Boxtel,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Jacobse te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiseres ] en WDD genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 oktober 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 maart 2018 in deze zaak en in zes andere zaken

  • -

    de faxberichten van 14 mei 2018 van mrs. Menu en Teerink en mr. Pieterse (mede namens mr. Jacobse) waarin zij hun opmerkingen naar aanleiding van het (buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte) proces-verbaal kenbaar maken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.2.

Het beheersgebied van WDD telt 840.000 ingelanden. In het beheersgebied bevinden zich ongeveer 30.000 km aan watergangen in beheer en ongeveer 2.350 km aan watergangen in onderhoud. In het beheersgebied bevinden zich 44 waterbeheersingsgemalen, 976 stuwen, bodemvallen etc. WDD is verantwoordelijk voor het onderhoud van de hoofdwatergangen (A-watergangen) in zijn beheersgebied. Het onderhoud van de overige watergangen (B-watergangen) valt onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de daaraan aangrenzende percelen.
2.3. [eiseres ] exploiteert een melkveebedrijf in [woonplaats] . De bij haar daarvoor in gebruik zijnde percelen cultuurgrond gebruikt zij voor gras- en hooiwinning en de teelt van snijmais. Het melkvee wordt gevoerd met voer afkomstig van die percelen. De schadepercelen (kadastrale aanduiding [kadastrale nummers] ), twee veldkavels die gebruikt worden voor de teelt van snijmaïs, liggen aan de [straat] / [straat] te [woonplaats] , tegen de watergang De Dommel aan.

De Dommel (watergang DL1) is een A-watergang in beheer bij WDD. Het is een natuurlijke beek van in totaal 120 kilometer lang en valt, op grond van de Kaderrichtlijn Water, onder watertype R5: waterlopen die langzaam door het laagland kronkelen en geleidelijk meanders maken. De Dommel kent veel van nature aanwezige meanders.

2.4.

Van 30 mei tot 1 juli 2016 was sprake van zware regenval in Oost-Brabant. Op veel plaatsen in het beheersgebied van WDD viel in die periode meer dan 200 mm en soms wel 300 mm neerslag, terwijl er gemiddeld in juni 68 mm valt.

2.5.

In de omgeving waarin de percelen van [eiseres ] zijn gelegen vond de meest hevige regenval plaats tussen eind mei en begin juni 2016. In en om [woonplaats] viel binnen één etmaal (1 op 2 juni 2016) tussen de 60 en 100 mm regen. Een dergelijke neerslaggebeurtenis heeft een statistische herhalingstijd van maximaal eens per 200 jaar.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres ] vordert -samengevat - een verklaring voor recht dat WDD jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat WDD zijn wettelijke onderhouds- en beheersverplichtingen niet tijdig en niet deugdelijk is nagekomen, waardoor wateroverlast in 2016 is ontstaan, alsmede dat WDD aansprakelijk is voor de door [eiseres ] geleden schade, met veroordeling van WDD tot vergoeding van die schade op te maken bij staat, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

WDD voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres ] legt aan haar vordering ten grondslag dat WDD zijn zorgplicht heeft geschonden door niet tijdig en/of onvoldoende maatregelen te treffen ter voorkoming en beperking van de wateroverlast en de daardoor ontstane schade. Zij stelt dat als gevolg daarvan twee van haar percelen met name op 2 juni en 23 juni 2016 deels onder water zijn komen te staan waardoor de gewassen en het grasland schade hebben geleden.

Onder verwijzing naar het deskundigenrapport van [deskundige 1] van [A] (hierna [A] ) van 21 september 2016 en het aanvullend rapport van [A] van 16 februari 2018 stelt [eiseres ] dat WDD zijn zorgplicht heeft geschonden door:

  1. niet te voldoen aan de NBW-richtlijn.

  2. geen actie te ondernemen naar aanleiding van de weerwaarschuwing code oranje van het KNMI

  3. de beek en waterlossingen onvoldoende te onderhouden

  4. e Dommel (gedeeltelijk) meanderend te maken

  5. het onvoldoende opschonen, maaien en onderhouden van de watergangen

  6. het af laten zakken van pakketten boomstronken waardoor er een opstopping is ontstaan en percelen als waterberging hebben gefungeerd

  7. een te hoog waterpeil in de Dommel aan te houden.

4.2.

WDD bestrijdt dat hij niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Bovendien ontbreekt volgens WDD het causaal verband tussen de gestelde schending van de zorgplicht en de schade. Volgens WDD heeft de extreme neerslag in juni 2016 de wateroverlast bij [eiseres ] veroorzaakt. Daarnaast heeft [eiseres ] volgens WDD te laat geklaagd, is sprake van rechtsverwerking en eigen schuld. Ter ondersteuning van zijn verweren heeft WDD een deskundigenrapport overgelegd van [deskundige 2] van [B] (hierna: [B] ) van 1 september 2017.

4.3.

Het geschil spitst zich ten eerste toe op de vraag of WDD tegenover [eiseres ] is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als waterbeheerder.

4.4.

Bij de beantwoording van die vraag stelt de rechtbank het volgende voorop.

Op grond van artikel 1 lid 1 van de Waterschapswet heeft een waterschap de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel. Artikel 1 lid 2 van de Waterschapswet draagt waterschappen onder meer de zorg voor het watersysteem op. Het watersysteem is een samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken (art. 1.1. Waterwet). Bij de uitoefening van zijn taken moet het waterschap rekening houden met verschillende waterstaatkundige belangen. [eiseres ] geeft die belangen te beperkt weer. Zij stelt dat waterschappen de stand van het oppervlaktewater en grondwater moeten beheren, opdat de ingelanden geen schade zullen ondervinden van een overmatige toevloed van hemel- of oppervlaktewater of door uitdroging van landbouwgronden. Waterschappen moeten echter meer belangen in aanmerking nemen. Gelet op artikel 2.1. van de Waterwet is het waterbeheer gericht op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

4.5.

De rechtbank zal hierna op de afzonderlijke stellingen ingaan.

Ad. a. schending van de normen voor wateroverlast

4.6.

[eiseres ] stelt zich kennelijk op het standpunt dat de waterhuishouding in het werkgebied van WDD niet voldoet aan de normen opgenomen in de NBW-richtlijn.

4.7.

WDD stelt, onder verwijzing naar het rapport van [B] , dat ten aanzien van de percelen van [eiseres ] geen normen van toepassing zijn.

4.8.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De zorgplicht van een waterschap wordt ingekaderd door wettelijke normen voor wateroverlast. De normen (door partijen aangeduid als NBW-normen) drukken de hoogst toelaatbare kans op overstroming uit.

4.9.

Op grond van artikel 2.8. van de Waterwet worden bij provinciale verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, normen gesteld met betrekking tot de gemiddelde kans op overstroming van daarbij aangewezen gebieden. Uit de toelichting op deze bepaling blijkt dat deze normen de voor de verschillende vormen van landgebruik hoogst toelaatbare kans op overstroming uitdrukken. Het gaat om het gewenste beschermingsniveau. Uit het gewenste beschermingsniveau worden dimensionering, inrichting en het beheer van het watersysteem afgeleid. Ook worden daar de maatregelen uit afgeleid die moeten worden genomen om het watersysteem aan de norm te laten voldoen (Kamerstukken II 2006/07, 30818, nr. 3, p.93).

4.10.

De normen voor wateroverlast zijn vastgelegd in artikel 2.3. van de Verordening water Noord-Brabant (hierna: de Verordening) en de daarbij behorende bijlage II. Op grond van artikel 2.3 lid 2, aanhef en onder c en d, van de Verordening geldt buiten de bebouwde kom van een gemeente als norm een overstromingskans van 1x per 25 per jaar voor akkerbouw en 1x per 10 jaar voor grasland.

In lid 4 van artikel 2.3 van de Verordening is bepaald dat buiten de bebouwde kom aan sommige gebieden, aangegeven op bijlage II bij de Verordening, geen norm gekoppeld wordt, dan wel een hogere of een lagere norm.

In de toelichting op de Verordening (Provinciaal Blad, 2009, 230) staat dat voor (natuurlijke beekdalen en natuurgebieden geen norm geldt. Het betreft gebieden die behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Daarnaast geldt het zogenaamde maaiveldcriterium. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied niet aan de norm hoeft te voldoen. Voor grasland is dat 5%, voor akkerbouw 1% en voor bebouwd gebied 0%, aldus de toelichting op de Verordening.

4.11.

WDD heeft gesteld dat voor de schadepercelen geen beschermingsnorm geldt en verwijst daarvoor naar de als figuur 2a in het rapport van [B] opgenomen normkaart (uitsnede van één van de kaarten van bijlage 2 van de Verordening water). Dat is door [eiseres ] niet weersproken.

4.12.

[eiseres ] heeft haar stelling dat sprake zou zijn van schending van de normen van wateroverlast (de NBW-richtlijn) niet onderbouwd. In het aanvullend rapport van [A] wordt slechts aangevoerd dat NBW-normen algemeen geformuleerd zijn en ruimte laten voor eigen invulling en wordt verwezen naar een afvoernorm van 14 mm per etmaal, welke opgenomen zou zijn in het Cultuurtechnisch Vademecum. Uit het hiervoor vermelde toetsingskader volgt niet dat die norm, naast de in de Verordening vastgelegde normen, afzonderlijk van toepassing is. Ook heeft [A] niet gesteld dat aan die norm niet is voldaan.

4.13.

De stelling dat niet is voldaan aan de normen voor wateroverlast (de NBW-normen) mist daarom een voldoende feitelijke grondslag.

Ad. b. geen actie ondernomen naar aanleiding van de melding code oranje van het KNMI

4.14.

[eiseres ] stelt dat WDD tijdig actie had moeten ondernemen naar aanleiding van de melding (code oranje) van het KNMI. Als WDD dat gedaan had zou het onder water lopen van een groot gedeelte van de percelen van [eiseres ] beperkt zijn gebleven en de schade niet zijn geleden, althans verwaarloosbaar zijn geweest.

4.15.

WDD stelt zich op het standpunt dat niet van hem verwacht mag en kan worden dat hij naar aanleiding van elke waarschuwing van het KNMI actie onderneemt. Ter toelichting voert WDD aan dat de weerswaarschuwingen van het KNMI betrekking hebben op een provincie of groter deel van het land en extreme neerslag juist zeer lokaal voorkomt. Bovendien krijgt WDD de weerswaarschuwingen pas 24 uur (code oranje) of 12 uur (code rood) van te voren. Anticiperend handelen is niet eenvoudig en vaak ook onwenselijk, gelet op het korte tijdsbestek van de waarschuwingen, de onnauwkeurigheid daarvan, de tijd die de maatregelen vergen en de potentiële kans op schade als de neerslag elders valt of in veel mindere hoeveelheden.

4.16.

Ook deze stelling van [eiseres ] slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.

Door [eiseres ] is niet aangegeven wanneer de weerswaarschuwing (code oranje) voor het gebied waarin haar percelen zijn gelegen door het KNMI is afgegeven. Door mrs. Menu en Teerink is op de zitting (spreekaantekeningen punt 13) slechts in zijn algemeenheid gesteld dat het KNMI waarschuwingen heeft gegeven voor Noord-Brabant op 30 mei 2016 en 2 juni 2016 en voor Limburg op 30 mei 2016, 2 juni 2016 en 7 juni 2016. Ook heeft [eiseres ] niet aangegeven welke (concrete) maatregelen van WDD, rekening houdend met alle bij het waterbeheer betrokken belangen, redelijkerwijs verlangd hadden kunnen worden. Ook als het KNMI inderdaad kort voor de wateroverlast een waarschuwing zou hebben afgegeven voor het betreffende gebied, is dan ook, gelet op de door WDD gegeven toelichting, onvoldoende onderbouwd dat WDD heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht door geen of onvoldoende maatregelen te nemen.

Ad. c. de beek en waterlossingen onvoldoende te onderhouden

4.17.

Tijdens de comparitie is door de heer [naam 1] (vennoot van [eiseres ] ) verklaard dat deze stelling de watergang de Dommel betreft.

[eiseres ] stelt, onder verwijzing naar de producties 2, 3 en 5 bij dagvaarding, dat er sprake was van achterstallig onderhoud van de Dommel en dat dat ook is erkend door (een medewerker van) WDD. Ter toelichting is gesteld dat er onvoldoende werd gemaaid en de bodem niet werd schoongemaakt. Door begroeiing en verzanding is de Dommel smaller geworden.

4.18.

WDD stelt dat het groot onderhoud aan de Dommel circa twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en de Dommel niet is opgenomen in de maaiplanning en ‘op aanwijzing’ wordt gemaaid. Dit laatste betekent dat op het moment dat door WDD een knelpunt wordt geconstateerd, dit wordt verholpen door direct ten aanzien van dit specifieke punt onderhoud te plegen. De Dommel was in mei/juni 2016 al enige tijd niet gemaaid. Daar was ook geen aanleiding of noodzaak voor op dat moment. WDD heeft bij de periodieke controles naar de mate van begroeiing in de Dommel steeds geconstateerd dat er weinig tot geen begroeiing aanwezig was. Voor of tijdens de hoogwaterperiode heeft WDD ook geen verzoeken ontvangen met betrekking tot het onderhoud van de Dommel.

Dat er sprake was van achterstallig onderhoud van de Dommel wordt door WDD betwist. WDD betwist, onder verwijzing naar het rapport van [B] , ook dat sprake is van versmalling van de watergang door begroeiing en verzanding.

4.19.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het verweer van WDD, niet vast is komen staan dat er sprake was achterstallig onderhoud. Daarvoor is het volgende van belang.

4.19.1.

Op de stelling van WDD dat het groot onderhoud aan de Dommel circa twee jaar geleden heeft plaatsgevonden is door [eiseres ] niet gereageerd zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dat juist is. Dat er, anders dan door WDD is gesteld, wel aanleiding of noodzaak was om te maaien in de periode voorafgaand aan de wateroverlast, is door [eiseres ] niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld. Ook heeft [eiseres ] niet gesteld dat WDD gevraagd is onderhoud te plegen.

4.19.2.

Anders dan [eiseres ] stelt, kan uit het (als productie 3 overgelegde)

e-mailbericht ook niet afgeleid worden dat WDD erkent dat sprake is van achterstallig onderhoud. In dat e-mailbericht wordt aangegeven dat er een opdracht is uitgezet om de Dommel in te meten omdat deze is aangezand zodat kan worden bezien of de afvoer nog voldoet aan de afvoernorm. Over achterstallig onderhoud wordt niets vermeld.

Ook de verwijzing naar productie 2 treft geen doel. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan uit de overgelegde foto’s niet afgeleid worden dat sprake is van achterstallig onderhoud, (overmatige) begroeiing of verzanding.

4.19.3.

Dat begroeiing en verzanding hebben geleid tot versmalling van de Dommel is door WDD betwist. WDD heeft toegelicht dat morfologische processen in de watergang zorgen voor een natuurlijk evenwicht. Dat leidt ertoe dat sprake kan zijn van zandbanken die zich verplaatsen maar dat dat niet tot versmalling leidt omdat, als een watergang smaller wordt, deze ook dieper wordt. In het rapport van [B] wordt vermeld dat metingen hebben aangetoond dat het stroomprofiel van de Dommel gedurende de afgelopen jaren nagenoeg constant gebleven is. Dit is door [eiseres ] niet (gemotiveerd) bestreden.

4.19.4.

In het rapport van [A] van 21 september 2016 stelt de deskundige dat de afvoer van water belemmerd wordt door (op de eerste plaats:) achterstallig onderhoud van het watersysteem en (op de tweede plaats:) het nalaten van maaien/vegen van sloten/watergangen in 2016. Nu niet is toegelicht wat bedoeld wordt met achterstallig onderhoud van het watersysteem, gaat de rechtbank ervan uit dat (ook) dit ziet op het onderhoud van de Dommel.

4.19.5.

In de dagvaarding is door [eiseres ] nog gesteld dat groot onderhoud aan het maaiveld is uitgebleven en dat daardoor, samen met het slechts in geringe mate van vegen/maaien van de watergang, het water (eens temeer) niet goed doorliep. Wat [eiseres ] bedoelt met ‘groot onderhoud aan het maaiveld’ is de rechtbank niet duidelijk. Nu iedere toelichting op dit punt ontbreekt wordt deze stelling gepasseerd.

4.20.

De stelling van [eiseres ] dat WDD de Dommel onvoldoende heeft onderhouden moet dan ook, bij gebreke van een genoegzaam gestelde feitelijke grondslag, worden verworpen.

Ad. d. de Dommel (gedeeltelijk) meanderend te maken

4.21.

In de dagvaarding is gesteld dat het gedeeltelijk meanderend maken van de Dommel geleid heeft tot vernatting en dat daardoor inundatie vanuit de Dommel is opgetreden.

Op de comparitie is door de heer [naam 1] aangegeven dat dit verwijt geen betrekking heeft op de meandering van de Dommel maar op de door WDD daarin aangebrachte boomstronken. Die stronken zorgen er volgens [eiseres ] voor dat de stroming uit de beek gaat en de beek niet genoeg afvoert.

4.22.

De kwestie van de boomstronken wordt hierna behandeld bij punt f. De stelling van [eiseres ] dat WDD onrechtmatig heeft gehandeld c.q. haar zorgplicht heeft geschonden door de Dommel (gedeeltelijk) meanderend te maken behoeft, gelet op de verklaring van de heer [naam 1] , geen bespreking meer.

Ad. e. het onvoldoende opschonen, maaien en onderhouden van de watergangen

4.23.

In de dagvaarding stelt [eiseres ] dat als gevolg van het onvoldoende opschonen, maaien en onderhouden van de watergangen zich slib heeft opgehoopt. Gelet op de (in rov. 4.17 genoemde) verklaring van de heer [naam 1] tijdens de comparitie, gaat de rechtbank ervan uit dat ook dit verwijt (alleen) betrekking heeft op de Dommel. Dat dit verwijt ook ziet op andere watergangen dan de Dommel en welke watergangen dat dan zijn, is door [eiseres ] niet gesteld of toegelicht.

4.24.

Dat dit verwijt iets anders of meer inhoudt dan het hiervoor bij de bespreking van het onder c genoemde verwijt (onvoldoende/achterstallig onderhoud van de beek, rov. 4.17 t/m 4.19), blijkt niet.

De stelling dat WDD niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan door (de) watergangen onvoldoende op te schonen, te maaien en te onderhouden moet dan ook, bij gebreke van een

deugdelijke feitelijke grondslag worden verworpen.

Ad f. het af laten zakken van pakketten boomstronken waardoor er een opstopping is ontstaan en percelen als waterberging hebben gefungeerd

4.25.

De rechtbank begrijpt, mede gelet op de verklaring van de heer [naam 1] op de comparitie, deze stelling van [eiseres ] aldus dat zij WDD verwijt dat de afvoer van water (in de Dommel) wordt belemmerd doordat WDD pakketten boomstronken in de watergang heeft geplaatst, waardoor er een opstopping ontstaat én dat de percelen van [eiseres ] worden gebruikt als waterberging.

In de dagvaarding is dit punt niet nader toegelicht en in het rapport van [A] , waarnaar [eiseres ] in de dagvaarding verwijst, wordt geen melding gemaakt van boomstronken in de Dommel of van het (laten) fungeren van de percelen van [eiseres ] als waterberging.

4.26.

De rechtbank zal eerst het punt van de boomstronken bespreken.

4.26.1.

In het aanvullend rapport van [A] vermeldt de deskundige dat daar waar boomstronken in de Dommel liggen, zich geen water kan bevinden en geeft de deskundige aan dat hij van mening is dat snellere afvoer kan plaatsvinden als de boomstronken er niet zouden zijn.

Op de comparitie is door de heer [naam 1] verklaard dat in en na meanderbochten van de Dommel boomstronken zijn geplaatst. Hij stelt dat de stronken ervoor zorgen dat de stroming uit de beek gaat en de beek dan niet genoeg water afvoert.

4.26.2.

Van de zijde van WDD (mevrouw [naam 2] ) is op de comparitie verklaard dat de boomstronken dienen om de stroming te leiden en dat de stronken wel enigszins belemmerend werken op de afvoer als er weinig water in de beek is, maar geen belemmering vormen voor de afvoer bij een hoger aanbod. De stronken hebben geen wijziging gebracht in het natte oppervlak van de beek. [B] vermeldt in zijn rapport dat de pakketten met boomstronken zich te ver benedenstrooms van de percelen van [eiseres ] bevinden om van enige invloed te kunnen zijn.

4.26.3.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres ] haar stelling dat WDD tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld c.q. zijn zorgplicht heeft geschonden door boomstronken in de Dommel te plaatsen, gelet op het door WDD gevoerde verweer, onvoldoende heeft onderbouwd.

4.27.

Ten aanzien van de stelling van [eiseres ] dat haar percelen zijn gebruikt als waterberging, overweegt de rechtbank als volgt.

4.27.1.

In het aanvullend rapport van [A] geeft de deskundige aan het niet begrijpelijk te vinden dat (de) landbouwpercelen in de zomer bij regenval als waterbuffer worden gebruikt. De deskundige stelt dat het op 2 juni 2016 fout ging doordat het land van [eiseres ] als waterbuffer is gebruikt, en dat het beleid van WDD waarbij het land van [eiseres ] (en anderen) gebruikt wordt als wateropvang buffer en water vanuit de Dommel is ingelaten in dat gebied, de oorzaak is van de wateroverlast.

4.27.2.

Waarop [eiseres ] (en/of de deskundige) de stelling dat haar percelen zijn gebruikt als waterberging baseert, is niet duidelijk geworden. Met name is niet toegelicht waaruit blijkt of af te leiden valt dat WDD door bepaald handelen of nalaten heeft bewerkstelligd dat het overschot aan water naar (o.a.) de percelen van [eiseres ] is gestroomd, terwijl er mogelijkheden waren om het overschot aan water naar elders (met minder nadelige gevolgen) af te voeren.

Van de zijde van WDD is weliswaar in het kader van de bespreking van het stuw- en peilbeheer op de comparitie, aangegeven dat in de betreffende periode de stuw bij Eindhoven gedeeltelijk is dichtgezet om Eindhoven te sparen maar dat is op zichzelf beschouwd onvoldoende om de stelling dragen dat de percelen van [eiseres ] zijn gebruikt als waterberging.

4.27.3.

Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat [eiseres ] ook deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

Ad.g. te hoog waterpeil Dommel aangehouden

4.28.

[eiseres ] stelt dat de waterpeilen in de Dommel te hoog zijn aangehouden.

In het aanvullend rapport van [A] vermeldt de deskundige dat inundatiewater kan terugvloeien richting de Dommel als het waterpeil voldoende laag is.

4.29.

WDD betwist dat de waterpeilen in de Dommel (te) hoog zijn en stelt dat er geen sprake kan zijn van een situatie waarin het streefpeil structureel te hoog is, omdat er voor de Dommel geen streefpeil geldt.

Op de comparitie is aan de zijde van WDD (mevrouw [naam 2] ) verklaard dat het waterpeil in het betreffende deel van het gebied sterk fluctueert. Ter toelichting is verklaard dat een genormaliseerde beek overcapaciteit heeft, maar dat dit niet geldt voor een natuurbeek zoals de Dommel en dat er bovendien sprake is van een laag maaiveld. Het peil van de Dommel kan niet gestuurd worden met stuwen. De Dommel is een natuurlijke beek met een behoorlijk groot verval waarbij het waterpeil wordt bepaald door de profielvorm van de beek. Daarnaast is de afstand van de percelen van [eiseres ] tot de eerstvolgende stuw (in Eindhoven) te groot om invloed te hebben op die percelen. WDD betwist dat sprake is van het bewust omhoog brengen van de waterstand in de Dommel.

4.30.

Van de zijde van [eiseres ] is daartegen niets ingebracht, noch is de stelling nader toegelicht. De opmerking van de deskundige van [A] in het aanvullend rapport dat er niet voor niets stuwen in de Dommel staan en hij in de winter een lager peil waarneemt dan in de zomer zodat er wel sprake moet zijn van peilbeheer met streefpeilen is in dit kader te algemeen en onvoldoende duidelijk en ook niet onderbouwd.

[eiseres ] heeft haar stelling dat een te hoog waterpeil in de Dommel is aangehouden dan ook onvoldoende onderbouwd. Daarom dient ook deze stelling te worden verworpen.

Conclusie

4.31.

De rechtbank komt tot de conclusie dat WDD tegenover [eiseres ] niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als waterbeheerder. Dat betekent dat WDD alleen al om die reden niet aansprakelijk is voor de (gestelde) schade.

4.32.

De rechtbank voegt daaraan toe dat, ook indien één of meer van de stellingen van [eiseres ] vast zouden zijn komen te staan en WDD zijn zorgplicht zou hebben geschonden, er onvoldoende grond is voor aansprakelijkheid van WDD voor de schade.

Vast staat immers dat er in de periode van het schadevoorval sprake was van (zeer) hevige en langdurige regenval en gestegen grondwaterstanden. Uit de stellingen van [eiseres ] volgt niet dat dit niet, of in veel mindere mate tot wateroverlast (en schade) had geleid als WDD wel aan zijn zorgplicht had voldaan. Het causaal verband tussen de aan WDD verweten gedragingen en de opgetreden schade is daarmee niet komen vast te staan.

4.33.

De vordering wordt afgewezen. Het overigens nog door WDD aangevoerde behoeft daarom niet besproken te worden.

4.34.

[eiseres ] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van WDD worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 1.924,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 3.010,00

4.35.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres ] in de proceskosten, aan de zijde van WDD tot op heden begroot op € 3.010,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiseres ] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres ] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. D.J. Hutten en mr. M.E. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2018.