Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3995

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
C/01/334242 / HA ZA 18-336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident verwijzing naar de kantonrechter toegewezen. Ook een vordering uit onrechtmatige daad valt onder de reikwijdte van art. 216 Pensioenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/558
PJ 2018/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/334242 / HA ZA 18-336

Vonnis in incident van 8 augustus 2018

in de zaak van

[eiseres 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. T. de Mos te Waalre,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHILIPS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

3. de stichting

STICHTING PHILIPS PENSIOENFONDS,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. R.H. Maatman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres 2] en Philips genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie tot verwijzing naar de kantonrechter

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

De vorderingen van [eiseres 2] in de hoofdzaak betreffen het door Philips als werkgever aan de ex-echtgenoot van [eiseres 2] toegezegde nabestaandenpensioen.

2.2.

Philips vordert dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken, omdat de kantonrechter te Eindhoven op grond van artikel 216 Pensioenwet jo. artikel 93 sub d Rv bevoegd is kennis te nemen van vorderingen uit hoofde van het pensioenreglement van Stichting Pensioenfonds Philips. Philips vordert [eiseres 2] te veroordelen in de kosten van het incident.

2.3.

[eiseres 2] refereert zich wat betreft de verwijzing aan het oordeel van de rechtbank, maar wijst er wel op dat de hoogte van haar vorderingen in de hoofdzaak een onbepaalde waarde hebben en dat zij subsidiair aan die vorderingen ten grondslag legt dat Philips onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [eiseres 2] meent dat zij geen proceskosten in het incident verschuldigd is, omdat zij Philips bij de juiste rechtbank heeft gedagvaard.

2.4.

Artikel 216 Pensioenwet luidt:

“Zaken betreffende vorderingen uit hoofde van een pensioenovereenkomst, een uitvoeringsovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een pensioenreglement worden door de kantonrechter behandeld en beslist.”

2.5.

Mede gelet op de memorie van toelichting behorende bij artikel 216 Pensioenwet is de rechtbank van oordeel dat de zinsnede ‘vorderingen uit hoofde van’ ruimer uitgelegd moet worden dan dat de vordering rechtstreeks is gebaseerd op nakoming van een pensioenovereenkomst, een uitvoeringsovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een pensioenreglement. Onder de reikwijdte van artikel 216 Pensioenwet kunnen daarom alle geschillen vallen die voortvloeien uit dergelijke pensioenregelingen. Dat geldt ook voor de onrechtmatige daad die [eiseres 2] subsidiair aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.

2.6.

Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank betreft de vordering van [eiseres 2] daarom een onderwerp dat op grond van art. 216 Pensioenwet en art. 93 onder d Rv door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.

2.7.

Omdat [eiseres 2] de zaak bij de verkeerde rechter aanhangig heeft gemaakt en daardoor heeft veroorzaakt dat Philips dit incident aanhangig moest maken, zal [eiseres 2] in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst de vordering toe,

3.2.

veroordeelt [eiseres 2] in de kosten van het incident, aan de zijde van Philips c.s. tot op heden begroot op € 543,00,

3.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.4.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Eindhoven, op donderdag 30 augustus 2018 om 09:00 uur,

3.5.

wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,

3.6.

wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2018.