Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3632

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
18_271
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor met bestemmingsplan strijdige wijziging (bouwen) van paardenstal. Op grond van het bouwovergangsrecht van het geldende bestemmingsplan, mag een bouwwerk met een vergunning, dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en daarvan afwijkt, naar aard en omvang niet worden vergroot. Er kan echter eenmalig ontheffing worden verleend voor het vergroten van een dergelijk bouwwerk met maximaal 10%.

De in 1998 verleende bouwvergunning ziet niet op het bouwen van een paardenstal. De voor de peildatum in het overgangsrecht gevoerde gesprekken tussen vergunninghouder en verweerder, waarbij aan de orde is geweest dat het gebouw wordt gebruikt als paardenstalling, heeft geen betekenis. Dat niet als zodanig vergunde gebouwen als paardenstalling werden gebruikt, heeft betrekking op strijdig gebruik, niet op al dan niet strijdig bouwen.

Met het verlenen van toestemming voor een verbouwing ten behoeve van een paardenstal wordt de afwijking van het bestemmingsplan naar haar aard dan ook vergroot.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/271

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2018 in de zaak tussen

[eisers]

, allen te [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: mr. N.M.C.H. Crooijmans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, verweerder,

(gemachtigde: F.E.M. van Buuren).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], te [woonplaats] ,

vergunninghouder,

(gemachtigde: mr. M.A. Patandin).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen” en “planologische afwijking” voor het vernieuwen en vergroten van stallen ten behoeve van paarden (legalisatie) op het perceel [perceel] en [perceel] te [woonplaats] .

Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 14 december 2016 ongewijzigd in stand gelaten.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 2 april 2018 heeft vergunninghouder gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2018. De zaak is gezamenlijk behandeld met de zaak met zaaknummer SHE 18/276. Eisers zijn, behoudens [naam] , verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben - kort weergegeven - aangevoerd dat verweerder de omgevingsvergunning had moeten weigeren. De aanvraag past niet binnen het bestemmingsplan, zowel ten aanzien van de bouwmogelijkheden, als ten aanzien van het gebruik. Verweerder heeft niet goed gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het gebouw wordt in gebruik genomen als paardenstal en vergunninghouder heeft, gelet op de tekeningen, grote plannen. Bovendien ligt het gebouw in een omgeving die wordt gekenmerkt door een woonfunctie in een landelijke omgeving met veel groen. Door het toestaan van een zogenaamde paardenstal en allerlei bedrijfsmatige activiteiten wordt met het karakter van de omgeving onvoldoende rekening gehouden.

Eisers zijn verder van mening dat een beroep op het overgangsrecht niet slaagt. Op basis van de stukken is het evident dat een opslagruimte is gebouwd (conform de vergunning van 17 juni 1998) en zeker geen paardenstal. Het gebruik daarvan kan volgens eisers niet onder het gebruiksovergangsrecht van artikel 20.2, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan vallen, omdat onvoldoende aannemelijk is dat het bouwwerk in gebruik is geweest voor het (hobbymatig) stallen van paarden. Voor de beoordeling van het overgangsrecht en de daarbij behorende peildatum moet, gelet op artikel 20.2, onder d, van de planregels, eerst gekeken worden naar het voorafgaande bestemmingsplan uit 2010.

Verweerder heeft volgens eisers ten onrechte betekenis gehecht aan een gespreksverslag van 28 april 2010, waarin door de adviseur van vergunninghouder is gesteld dat de berging/opslag werd gebruikt als paardenstal. Uit de omstandigheid dat, zoals verweerder tijdens de hoorzitting heeft verklaard, in 2015, voorafgaande aan de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan, is gesproken over gebruik als paardenstal, kan het gebruik als paardenstal niet worden afgeleid. Als dat zo kennelijk was, zou dit gebruik wel zijn opgenomen in het bestemmingsplan.

De stal waarvoor omgevingsvergunning is verleend, voldoet volgens eisers niet aan de voor verlening van een dergelijke vergunning gestelde vereisten in artikel 20.1 van de planregels.

Volgens verweerder heeft het pand een vergunde inhoud van 801,52 m3, maar uit de aanvraag blijkt dat de inhoud van het bouwwerk, voor het uitvoeren van de werkzaamheden, 732 m3 bedroeg. Er is wat dat betreft niet gebouwd conform de vergunning uit 1998. Op grond van artikel 20.1, onder b, van de planregels is, uitgaande van een bestaande inhoud van 732 m3, een maximale uitbreiding mogelijk tot 805,2 m3, in plaats van de door verweerder vergunde inhoud van 870 m3.

Uit de aanvraag blijkt dat de oppervlakte gewijzigd wordt. Deze wordt gewijzigd van 231 m2 naar 282 m2. Artikel 20.1, onder b, van de planregels ziet niet specifiek op ontheffing voor uitbreiding van de oppervlakte, maar, uitgaande van 10%, zou de maximale vloeroppervlakte 254,1 m2 mogen bedragen, terwijl de beoogde oppervlakte 282 m2 bedraagt.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een paardenstal als een “alleenstaand bouwwerk” niet valt onder de geldende bestemming “Wonen 2” van het bestemmingsplan “Veghels Buiten-Oude Ontginning 2015”. Op het tijdstip van de inwerkingtreding van het huidige bestemmingsplan was er echter al een vergund bijgebouw, in gebruik als paardenstal, aanwezig. Op 17 juni 1998 is een vergunning verleend voor het bouwen, ofwel vergroten, van een bouwwerk (een schuur, stalling, hooizolder en opslag) en dat bouwwerk werd en wordt gebruikt voor het stallen van paarden. Gelet hierop, heeft verweerder besloten om toepassing te geven aan artikel 20.1, van de planregels, dat het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan bevat.

Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder als uitgangspunt genomen dat de inhoud van het bouwwerk, op grond van de bouwvergunning van 17 juni 1998, 801,52 m3 bedroeg. De aangevraagde vergroting van 10% tot 880,68 m3 is mogelijk op basis van de overgangsrechtelijke bepaling artikel 20.1, onder b, van het bestemmingsplan.

De aanvraag is ingediend om een meer efficiënte en economische inrichting van het bouwwerk te realiseren voor paardenboxen en opslag, waardoor een vergroting van 10% wenselijk is. Dit heeft volgens verweerder geen relevante ruimtelijke gevolgen voor de omgeving, mede gelet op de opzet van het bestemmingsplan, wonen in het landelijk gebied.

3. Niet is in geschil dat, op grond van het bestemmingsplan “Veghels Buiten-Oude Ontginning 2015” (vastgesteld op 18 juni 2015), op het betrokken perceelsgedeelte de bestemming “Wonen- 2” rust. In geschil is, of verweerder, met gebruikmaking van de in het overgangsrecht van het bestemmingsplan vervatte ontheffingsmogelijkheid een omgevingsvergunning voor vergroting van de betrokken paardenstal heeft kunnen verlenen.

4. Artikel 20 van de planregels van dit bestemmingsplan luidt, voor zover van belang, als volgt:

20.1

Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1. (…);

2. (…);

b. Het bevoegd gezag kan eenmalig ontheffing verlenen van het bepaalde onder lid a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

c. (…)

5. De rechtbank stelt voorop, dat verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 20.1, onder b, van de planregels. De omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan ziet daarmee op afwijkend bouwen. Als komt vast te staan dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de in 1998 verleende bouwvergunning betrekking heeft op het bouwen van een stal, zou ook het gebruik dat van dat bouwwerk wordt gemaakt, op grond van artikel 20.2 van de planregels, zijn toegestaan.

6. Van belang is dat, voor het ontstaan van de bevoegdheid tot het verlenen van omgevingsvergunning met toepassing van artikel 20.1, onder b, van de planregels, moet zijn voldaan aan het vereiste dat de afwijking “naar aard en omvang” niet mag worden vergroot.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is hieraan niet voldaan. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Op 16 mei 1961 is een bouwvergunning verleend voor een kippenhok.

Op 17 juni 1998 heeft verweerder aan vergunninghouder een bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een berging met een gebruiksoppervlakte van 239 m2 en een inhoud van 801 m3. Op de bij dat besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening, blad 01, is aangegeven: “bestaande schuur/stalling met hooizolder” en “bestaande schuur/opslag”. Dit gebouw betreft het gebouw waarvoor op 16 mei 1961 een bouwvergunning is verleend.

De uitbreiding van het gebouw is aangeduid als “nieuwe berging/opslag”.

Op 6 augustus 2016 heeft [naam] bij verweerder de in geschil zijnde aanvraag ingediend tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Op de aanvraag is als projectomschrijving aangegeven dat het ziet op het vernieuwen van bestaande stallen/opslagruimte. Op de bouwtekening staan de aanduidingen "NIEUW: stal", "paardenbox" (4 maal) en "BESTAAND: opslag/stalling". In de aanvraag is vermeld dat het terrein thans wordt gebruikt als paardenstal en opslagruimte en dat dit ook het gebruik is na de verbouwing.

8. De op 17 juni 1998 verleende bouwvergunning heeft betrekking op de uitbreiding van een schuur/stalling met hooizolder en niet voor een stal. Omdat op de plattegrondtekening bij die vergunning geen stalindeling is opgenomen, kan op grond van deze tekening niet worden gezegd dat vergunning is verleend voor een stal, een begrip dat in het spraakgebruik een andere betekenis heeft. De omstandigheid dat op de tekening een hooizolder is vermeld, doet hieraan niet af, omdat hooi zou kunnen worden opgeslagen voor elders op het perceel gehouden dieren.

Dat voor de peildatum in het overgangsrecht sprake is geweest van gesprekken tussen vergunninghouder en verweerder, waarbij aan de orde is geweest dat het gebouw wordt gebruikt als paardenstalling, doet er niet aan af dat niet eerder bouwvergunningen voor een paardenstal zijn verleend. Dat niet als zodanig vergunde gebouwen als paardenstalling werden gebruikt, heeft betrekking op strijdig gebruik, niet op al dan niet strijdig bouwen.

Met het verlenen van toestemming voor een verbouwing ten behoeve van een paardenstal wordt de afwijking van het bestemmingsplan naar haar aard dan ook vergroot. Er wordt daarom niet voldaan aan de voorwaarde in artikel 20.1, onder a, van de planregels dat de afwijking naar “aard en omvang” niet mag worden vergroot. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat, met gebruikmaking van de in onderdeel b van deze planregel vervatte ontheffingsmogelijkheid, een omgevingsvergunning voor het vernieuwen en vergroten van de stal kon worden verleend. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven.

9. Voor een goed begrip van partijen merkt de rechtbank, ten overvloede, op dat verweerder bij de uitleg van artikel 20.1, onder b, terecht is uitgegaan van de eerder vergunde oppervlakte en niet van de feitelijk gerealiseerde (kleinere) oppervlakte. De bewoordingen "aanwezig is (…), dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen" duiden hierop. Verder volgt de rechtbank eisers niet in hun opvatting dat de oppervlakte niet zou kunnen worden vergroot, omdat de inhoud de resultante is van lengte, breedte en hoogte. Zolang de maximale inhoud maar in acht wordt genomen, maakt het niet uit op welke wijze die inhoud wordt bereikt.

10. Het beroep is, gelet op het voorafgaande, gegrond. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder eisers het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden.

11. De rechtbank ziet geen ruimte voor het zelf voorzien in de zaak, omdat niet op voorhand vast staat dat bij een nieuwe heroverweging de omgevingsvergunning alsnog moet worden geweigerd. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus, omdat sprake is van een gebrek in de besluitvorming dat zich niet op eenvoudige wijze laat herstellen.

12. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de proceskosten, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op € 1.002,-, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 501,-, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder eisers het door hen betaalde griffierecht van € 170,- moet vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.