Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3500

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
01/860011-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van gewoontewitwassen begaan door een rechtspersoon. De rechtbank legt een geldboete van € 150.000 waarvan € 100.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860011-13

Datum uitspraak: 19 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [woonplaats] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 april 2014, 8 juli 2014, 21 juli 2014, 17 februari 2016, 6 september 2016, 25 juni 2018, 27 juni 2018, 28 juni 2018 en 5 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 maart 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. De rechtspersoon [verdachte] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 01 januari 2013, te [gemeente 1] en/of [gemeente 2] , althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt, althans aan (schuld)witwassen, immers heeft/hebben zij, [verdachte] , en/of (een of meer van) haar mededader(s), (onder meer) op na te melden tijdstippen (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen, tot een totaal bedrag van ongeveer EUR 3.040.947,--, in elk geval één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, bestaande dat verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of omzetten van één of meer van de navolgende geldbedragen:

- over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 geldbedragen van in totaal EUR 583.157,-- en/of

- over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 november 2012 geldbedragen van in totaal EUR 2.039.435,-- en/of

- over de periode 30 november 2012 tot en met 4 december 2012 een geldbedrag van in totaal EUR 418.355,--, althans een geldbedrag van in totaal EUR 259.074,66,

zijnde niet officieel geadministreerde opbrengsten en/of geadministreerde omzet van in- en verkoop van bedrijfswagens, zulks terwijl zij, [verdachte] en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2. zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 04 december 2012 te [gemeente 2] en/of [gemeente 4] en/of Breugel, althans in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband van twee of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten zij, [verdachte] , en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [betrokkene 1] en/of een of meer andere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van hennep(planten) en/of delen daarvan (artikel 3 Opiumwet) en/of

- diefstal van stroom en/of

- het opzettelijk witwassen van voorwerpen en daarvan een gewoonte maken (artikel 420bis-ter Wetboek van Strafrecht) en/of

- bedrog met balans en winst- en verliesrekening (artikel 336 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de rechtbank bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Ter onderbouwing is door de raadslieden een aantal gronden aangevoerd, die – op zichzelf dan wel als “opeenstapeling van onherstelbare vormverzuimen” – zouden maken dat er ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Deze gronden laten zich als volgt samenvatten:

1. het betreden van de loods was onrechtmatig;

2. er zijn onjuiste processen-verbaal opgesteld en er is door verbalisanten in strijd met de waarheid verklaard.;

3. het onderzoek aan de Freecom HDD heeft plaatsgevonden zonder dat de forensisch- technische voorschriften in acht zijn genomen;

4. het alternatieve scenario, inhoudende dat de hennepkwekerij toebehoorde aan [betrokkene 2] , is onvoldoende onderzocht;

5. de zaaksofficier van justitie heeft opzettelijk verbalisanten beïnvloed en de rechter- commissaris misleid.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek, waaronder begrepen normschendingen bij de opsporing. Indien sprake is van een dergelijk – niet voor herstel vatbaar - vormverzuim, maar de rechtsgevolgen ervan niet uit de wet blijken, dan zal de rechter moeten beoordelen of aan dat verzuim een rechtsgevolg verbonden moet worden en zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij dient hij rekening te houden met de in lid 2 van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de schending en het door de schending veroorzaakte nadeel, waaronder te begrijpen de eventuele schade die verdachte in zijn verdediging heeft opgelopen. Hierbij moet worden aangetekend dat schending van vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek niet in alle gevallen tot voordeel van verdachte moet leiden; de rechter kan volstaan met de feitelijke constatering dat vormvoorschriften zijn verzuimd. Indien de rechter meent dat daarmee echter niet kan worden volstaan, dan heeft hij de mogelijkheid om aan het vormverzuim een van de drie in artikel 359a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering genoemde rechtsgevolgen te verbinden: strafvermindering, bewijsuitsluiting dan wel niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie.

Ten aanzien van het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verdient aantekening dat dit, als een aan schending van een vormvoorschrift in het voorbereidend onderzoek te verbinden rechtsgevolg, in slechts zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde komt. Dit kan aan de orde zijn in geval sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan. Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien - ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden - sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.

De rechtbank zal thans overgaan tot een beoordeling van de verschillende door de verdediging aangevoerde aspecten die op de normschending betrekking hebben.

1. Het betreden van de loods was onrechtmatig.

Op de eerste plaats is door de verdediging aangevoerd dat de toegang tot de loods op het perceel aan de [adres 2] te [gemeente 3] is verbroken zonder dat er een redelijk vermoeden bestond dat zich in die loods een hennepkwekerij bevond. Het binnentreden in de loods was derhalve onrechtmatig.

De rechtbank stelt voorop dat zij ter terechtzitting van 21 juli 2014 reeds op een vergelijkbaar door mr. Boone gevoerd ontvankelijkheidsverweer heeft beslist1. Hetgeen bij pleidooi en in dupliek door de verdediging is aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen dan op 21 juli 2014, namelijk de omstandigheid dat [getuige] op 22 mei 2012 tegen de ter plaatse aanwezige politieambtenaren heeft gezegd dat zij op de [adres 2] te [gemeente 3] ‘verder moesten kijken’, plus het door verbalisanten ter plaatse waarnemen van een zoemend geluid respectievelijk een geluid van een ventilator, voldoende zijn om een redelijk vermoeden van aanwezigheid van hennepkwekerij (overtreding van artikel 3 van de Opiumwet) te kunnen aannemen. Van een redelijk vermoeden als hier bedoeld is temeer sprake nu verbalisanten ter plaatse hebben waargenomen dat delen van de loods hermetisch waren afgesloten, dat kieren volledig waren dichtgekit en dat de loods was voorzien van hoogwaardig hang- en sluitwerk, een alarmsysteem en camerabeveiliging.

In aanvulling op zijn eerder (in juli 2014) gevoerde verweer heeft op initiatief van de verdediging nader onderzoek plaatsgevonden naar onder meer het optreden van [verbalisant 1] . Bij pleidooi heeft mr. Boone aangevoerd dat uit de meldkamergesprekken volgt dat [verbalisant 1] op 22 mei 2012 zelf heeft gebeld naar de meldkamer en op eigen initiatief ter plaatse is gegaan naar de [adres 2] te [gemeente 3] . Wat hier verder ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat dit niet ter zake doet bij beantwoording van de vraag of er op het moment dat de toegang tot de loods werd verbroken een redelijk verdenking bestond.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog dat zij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de, ambtsedige, processen-verbaal van [verbalisant 1] van 23 juli 2012 (p. 51 e.v. van het ‘delictsdossier Opiumwet’) en van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 30 mei 2012 (p. 268 e.v. van het ‘delictsdossier Opiumwet’) omtrent de door [getuige] gedane uitlatingen.

2. Er zijn onjuiste processen-verbaal opgesteld en er is door verbalisanten in strijd met de waarheid verklaard.

In het verlengde van de onder 1. genoemde grond is door de verdediging aangevoerd dat er door diverse bij de doorzoeking van de loods betrokken verbalisanten leugenachtige processen-verbaal zijn opgemaakt en in strijd met de waarheid is verklaard, in een poging om (achteraf) alsnog een voldoende verdenking te “creëren”. In het bijzonder zou dit gelden ten aanzien van [verbalisant 1] . In de pleitnota van mr. Boone onder het kopje “ [verbalisant 1] ”(punt 12 tot en met 100) wordt zulks door de verdediging uitgewerkt. Nu [verbalisant 1] bij herhaling en op talloze punten zo opzettelijk evident verklaart in strijd met de waarheid, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat [verbalisant 1] leugenachtig verklaart, aldus de verdediging.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen redenen zijn om niet uit te gaan van de processen-verbaal van [verbalisant 1] .

De rechtbank overweegt als volgt. Door de verdediging wordt in hoofdlijn gewezen op een drietal punten, te weten:

1. [verbalisant 1] werd niet, zoals staat in zijn aanvullend proces-verbaal van 11 mei 2014, gebeld door de meldkamer, maar de meldkamer door hem;

2. [verbalisant 1] relateert in zijn proces-verbaal van 23 juli 2012 een uitlating van een getuige ter plaatse, de [getuige] , welke uitlating die getuige niet heeft gedaan;

3. [verbalisant 1] kan (zelf) geen zoemend geluid uit de loods hebben gehoord toen hij ter plaatse was gekomen.

(Ad 1.)

De rechtbank stelt vast aan de hand van het dossier dat het aantreffen door de politie van de door suïcide overleden persoon plaatsvond rond 18.30 uur in de avond van 22 mei 2012, en dat het door de verdediging bedoelde en in de pleitnota weergeven meldkamergesprek plaatsvond om 21.59 uur. Uit die uitgewerkte tekst blijkt dat [verbalisant 1] aan de meldkamerfunctionaris vertelt dat hij ingezet gaat worden en naar [adres 2] zal gaan waar een verhanging is geweest, en waar ook een hennepkwekerij werd vermoed. Uit het op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris uitgevoerde onderzoek, waarbij diverse getuigen zijn gehoord, is duidelijk geworden dat [verbalisant 1] , voorafgaand aan genoemd telefoongesprek met de meldkamer, door andere politiefunctionarissen (al) was gebeld over de situatie aan de [adres 2] . Dat [verbalisant 1] echter opzettelijk in strijd met de waarheid verklaart over wie met wie belde (de meldkamer of hij) is naar het oordeel van de rechtbank hier nog niet mee gegeven, daargelaten het belang ervan.

(Ad 2.)

Uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] van 23 juli 2012 blijkt allereerst dat de mededeling welke afkomstig zou zijn van [getuige] “je moet hier verder kijken” niet tegen hemzelf zou zijn geuit (maar tegen op de bewuste avond ter plaatse aan de [adres 2] aanwezige politiefunctionarissen). De rechtbank stelt vast dat de voornoemde getuige later in verhoor bij de rechter-commissaris (op 2 februari 2015) is teruggekomen op zijn eerdere verklaring d.d. 30 mei 2012 bij de politie, waarin hij had bevestigd dat hij dat inderdaad die avond zo tegen de mannelijke politiefunctionaris ter plaatse had gezegd. Zulks brengt naar het oordeel van de rechtbank nog niet mee dat [verbalisant 1] in 2012 opzettelijk in strijd met de waarheid deze zinsnede (de auditu) in zijn proces-verbaal had vermeld.

(Ad 3.)

Volgens de verdediging kan [verbalisant 1] geen gezoem hebben gehoord afkomstig uit de loods. Dit kon niet allereerst omdat de ganzen ter plaatse veel herrie maakten. De rechtbank stelt vast dat dit een betwisting van de waarnemingen van de verbalisant vormt maar verder geen onderbouwing behelst van het veronderstelde opzettelijk in strijd met de waarheid verklaren door verbalisant. Ook de conclusie van de verdediging dat uit het proces-verbaal van verbalisant blijkt dat de assimilatielampen uitgeschakeld stonden en dus de elektriciteit was uitgeschakeld en dus de ventilatoren niet in werking waren vormt geen onderbouwing daarvan. Daarbij ontgaat de rechtbank overigens de logica van deze conclusie: als bijvoorbeeld de lampen in een woning worden uitgeschakeld, blijft de stroomtoevoer van de cv –ketel toch ook ongewijzigd.

Los hiervan heeft, aldus de verdediging, [verbalisant 4] ook bewijs “gecreëerd”, door in strijd met de waarheid te relateren dat de Freecom HDD is aangetroffen op het woonadres van [medeverdachte 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank is deze stelling inhoudelijk een betwisting van een vaststelling door een verbalisant, en is het “creëren van bewijs”, afgezien van het als zodanig betitelen door de verdediging, niet verder onderbouwd. Deze kwestie dient dan ook verder bij de beoordeling van het bewijs aan de orde te komen.

Alles overziende is er naar het oordeel van de rechtbank geen feitelijke grondslag om aan de door de verdediging specifiek betwiste onderzoeksresultaten consequenties te verbinden voor wat betreft de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging. De rechtbank komt daarmee ook niet toe aan beantwoording van de vraag of het aangevoerde –

indien juist bevonden – daarvoor voldoende juridische grondslag had opgeleverd.

3. Het onderzoek aan de Freecom HDD heeft plaatsgevonden zonder dat de forensisch-technische voorschriften in acht zijn genomen.

Op de derde plaats is aangevoerd dat bij de inbeslagneming van de Freecom HDD en bij het onderzoek dat verbalisanten hieraan hebben verricht essentiële forensisch-technische voorschriften niet in acht zijn genomen. Daardoor zijn er ernstige redenen om te twijfelen aan de authenticiteit en betrouwbaarheid van de inhoud van de Freecom HDD. Bovendien is uit onderzoek aan de Freecom HDD gebleken dat na de inbeslagname schrijfhandelingen zijn verricht op de Freecom HDD. Deze vormverzuimen kunnen niet worden hersteld. In combinatie met de overige verzuimen, waaronder de weigering van de officier van justitie om het alternatieve scenario dat [betrokkene 2] eigenaar was van de hennepkwekerij te onderzoeken, past geen andere sanctie dan niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak is in ernstige mate geschonden.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Op 5 december 2012 is bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] een tas in beslag genomen met daarin € 75.000,- en administratieve bescheiden. Op 10 december 2012 heeft [verbalisant 4] in die tas een usb-stick en een externe harde schijf merk Freecom aangetroffen. Deze Freecom HDD is overhandigd aan de digitale recherche van de FIOD. De Freecom HDD is op 6 februari 2013 teruggegeven aan verdachte.

Door de van de zijde van de verdediging ingeschakelde deskundigen [deskundige 1] , forensisch ICT-deskundige en ing. [deskundige 2] , interdisciplinair forensisch deskundige van het [onderzoeksbureau] , is onderzoek verricht aan de Freecom HDD. Zij stellen in het rapport van 16 februari 2016 vast dat er op 8 en 9 januari 2013 schrijfhandelingen zijn verricht op de Freecom HDD. Zij hebben meer dan 100 bestanden aangetroffen met als aanmaakdatum 8 of 9 januari 2013 en meer dan 1000 bestanden waarop op basis van de bestandskenmerken kon worden gereconstrueerd dat deze bestanden zij geraadpleegd en/of aangepast in de periode 4 december 2012 tot 6 februari 2013.

In zijn rapport van 14 april 2016 en 24 juli 2017 en ter terechtzitting heeft [deskundige 2] aangevoerd dat bij het veiligstellen van de digitale gegevens essentiële richtlijnen zijn overschreden. Als basisregel geldt dat niet mag worden gewerkt op het bronmateriaal. De richtlijnen van onder andere het NFI (vakbijlage forensisch gebruik van bestandskenmerken en bijbehorende hashalgoritmen van januari 2018) zien er op toe dat dat er een forensisch kopie wordt gemaakt van het bronmateriaal. Door het aanbrengen van schrijfhandelingen op het oorspronkelijke bewijsmateriaal – de Freecom HDD – is de integriteit van dit bewijsmateriaal aangetast. Daardoor kan er niet zonder meer, zoals [verbalisant 5] heel absoluut stelt, vanuit worden gegaan dat er inhoudelijk geen wijzigingen aan de bestanden (van vóór 4 december 2012) zijn aangebracht. Er zijn volgens [deskundige 2] diverse mogelijkheden om, indien er fysieke toegang is tot de harde schijf, wijzingen aan te brengen zonder dat dit achteraf (aan de hand van bestandskenmerken) kan worden gereconstrueerd.

De door [deskundige 2] genoemde vakbijlage van het NFI bevat informatie over de wijze waarop het NFI omgaat met digitaal bewijsmateriaal. Om de integriteit van de inhoud van digitaal materiaal te waarborgen gebruikt het NFI bestandskenmerken. Een bestandskenmerk is een compacte representatie van de binaire gedigitaliseerde inhoud van het digitaal materiaal, maar verschaft geen informatie over de door een persoon interpreteerbare inhoud. Door vaststelling en vergelijking van de bestandskenmerken na elke handeling met het bronmateriaal of image (inbeslagname, vervoer, onderzoek aan de digitale gegevens) kan worden gecontroleerd of fouten zijn gemaakt aan het bronmateriaal of kopieën daarvan en of wijzigingen zijn aangebracht.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het rapport van [deskundige 2] van 16 februari 2016 bij het onderzoek ter terechtzitting van 17 februari 2016 de [verbalisant 5] , forensisch digitaal rechercheur, en [verbalisant 6] , die bij het vastleggen van de digitale gegevens betrokken waren, opdracht gegeven een proces-verbaal op te maken over de door hen gehanteerde werkwijze.

In het proces-verbaal van [verbalisant 5] van 29 maart 2016 wordt aan de opdracht van de rechtbank voldaan. Voor verwerping van het verweer dat dit proces-verbaal buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat de officier op onrechtmatige wijze invloed zou hebben uitgeoefend op de inhoud van het proces-verbaal wordt verwezen naar hetgeen hieronder onder punt 5: “De zaaksofficier van justitie heeft opzettelijk verbalisanten beïnvloed en de rechter-commissaris misleid” wordt overwogen.

Volgens [verbalisant 5] is op 14 december 2012 van de Freecom HDD een diskimage gemaakt met de code SIR_H01_WK_004. Toen [verbalisant 5] deze image op 10 maart 2016 opende bleek dit image geen bestanden te bevatten. Een tweede image H01_WK_04 bevatte deze bestanden wel. Uit het bijbehorende logbestand bleek dat deze image op 9 januari 2013 door FIOD-medewerker [verbalisant 6] is gemaakt. Aan de hand van deze image heeft [verbalisant 4] zijn opsporingsonderzoek verricht.

[verbalisant 5] heeft het image [bestandsnaam] onderzocht op bestanden die na de datum van inbeslagname, 4 december 2012, op de harddisk zijn gewijzigd of opgeslagen. Er zijn in totaal 63.788 bestanden aangetroffen. Van 1351 bestanden en mappen hadden de bestandskenmerken “created” (gemaakt), “modified” (gewijzigd) of “accessed” (laatst geopend) een datum van na 4 december 2012. De bestanden met het volgnummer 1 tot en met 177 hebben een datum van “created” of “modified” van 8 of 9 januari 2013. Van de bestanden met het volgnummer 178 tot en met 1351 is de datum van de kenmerken “created” en/of “modified” niet veranderd. Wel hebben deze bestanden een ‘accessed date” van 8 of 9 januari 2013. Het veranderen van alleen deze “accessed date” betreft geen wijziging van het bestand. Het geeft de datum weer wanneer een bestand voor de laatste keer is geopend, gekopieerd of verplaatst. Er zijn geen bestanden aangetroffen van een recentere datum dan 9 januari 2013.

Volgens [verbalisant 5] zijn er geen inhoudelijke wijzigingen van de gegevens aangebracht. De wijzigingen van de bestanden 1 tot en met 177 betreffen onder meer bestanden die door het besturingssysteem van een Apple-computer bij het aansluiten van een harddisk op een computer of bij opening van een bestand worden aangemaakt. Om te voorkomen dat bestanden naar de originele harddisk (hier de Freecom HDD) worden opgeslagen dient een zogenaamd writeblocker tussen de harddisk en de computer te worden aangesloten. Dat is in dit geval waarschijnlijk niet gebeurd of de writeblocker werkte niet goed. Hierdoor zijn de genoemde bestanden op de Freecom HDD opgeslagen voordat het nieuwe image kon worden gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat bij het veiligstellen van de digitale gegevens van de Freecom HDD en het daarop volgende onderzoek niet is gewerkt conform de voorschriften die beogen de integriteit van het in beslag genomen digitale materiaal te waarborgen. Het is aannemelijk dat er bij het maken van een image van de Freecom HDD geen of een onvoldoende werkende writeblocker is gebruikt, waardoor 177 bestanden op de Freecom HDD zijn toegevoegd of gewijzigd. Bovendien zijn niet bij elke handeling aan het bronmateriaal bestandskenmerken vastgelegd.

Hoewel de Freecom HDD een belangrijk bewijsmiddel is ziet de rechtbank in deze onzorgvuldige behandeling van de digitale gegevens op de Freecom geen aanleiding om de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren, omdat daarmee nog niet kan worden geconcludeerd dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan.

Uit het onderzoek blijkt niet dat de betreffende ambtenaren opzettelijk wijzigingen op de Freecom HDD hebben aangebracht of onjuiste informatie hebben verstrekt over de werkwijze bij het verwerken van de digitale gegevens of informatie hebben achtergehouden. Bovendien had verdachte de beschikking over de digitale gegevens en de verdediging is de gelegenheid geboden de gegevens te onderzoeken en de getuigen daarover te ondervragen. Verdachte beschikte immers over de Freecom HDD en is als degene die naar de – overigens niet weersproken – bevindingen van het opsporingsonderzoek de inhoudelijke gegevens op de Freecom HDD heeft geproduceerd, bij uitstek degene die kan weten welke inhoudelijke gegevens (de interpreteerbare inhoud van de bestanden) er op de bestanden staan en of die zijn gewijzigd. Verdachte was in de gelegenheid en in staat om, en het had ook op zijn weg gelegen om, aan de hand van de inhoud van de concrete bestanden de stelling van [verbalisant 5] dat de gegevens op de bestanden inhoudelijk niet zijn gewijzigd te weerleggen, maar heeft daartoe geen enkele poging ondernomen.

4. Het alternatieve scenario, inhoudende dat de hennepkwekerij toebehoorde aan [betrokkene 2] , is onvoldoende onderzocht.

Op de vierde plaats is door de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie, hoewel zij bekend was met een plausibel alternatief scenario, bewust geen nader onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke betrokkenheid van [betrokkene 2] bij de ten laste gelegde feiten. Hiermee is een inbreuk gemaakt op de onschuldpresumptie van de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

De rechtbank stelt in dit verband vast dat [betrokkene 2] , op verzoek van de verdediging, op 29 januari 2015 bij de rechter-commissaris is gehoord en daar een verklaring heeft afgelegd. Op basis van dit verhoor en alle overige voorhanden zijnde informatie heeft er binnen het openbaar ministerie een afweging plaatsgevonden, welke afweging er kennelijk toe heeft geleid dat het openbaar ministerie een nader onderzoek naar de mogelijke betrokkenheid van [betrokkene 2] bij de ten laste gelegde feiten niet aangewezen achtte. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven dat, omdat de verklaring van [betrokkene 2] slecht aansluit bij de stukken in het dossier, die verklaring onvoldoende betrouwbaar werd bevonden en dat er daarom geen reden was tot nader onderzoek. Dat er door het openbaar ministerie in het geheel geen nader onderzoek is gedaan naar [betrokkene 2] , zoals door de verdediging is aangevoerd, is derhalve niet juist. Verder geldt dat de beslissing om al dan niet over te gaan tot strafrechtelijke vervolging, primair is voorbehouden aan het openbaar ministerie. Concluderend, en overeenkomstig haar ter terechtzitting van 21 juli 2014 reeds gegeven beslissing, is de rechtbank van oordeel dat het optreden van het openbaar ministerie niet kan worden aangemerkt als een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

5. De zaaksofficier van justitie heeft opzettelijk verbalisanten beïnvloed en de rechter-commissaris misleid.

Tot slot is aangevoerd dat zaaksofficier van justitie mr. Zwiers heeft getracht te voorkomen dat [verbalisant 5] bij de rechter-commissaris zou worden gehoord en tevens dat de meldkamergesprekken aan het dossier zouden worden toegevoegd. Bovendien heeft de zaaksofficier van justitie zich schuldig gemaakt aan het beïnvloeden van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] bij het opmaken van het (door de rechtbank bevolen) proces-verbaal betreffende de door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] met betrekking tot de Freecom HDD gehanteerde werkwijze.

Daarnaast heeft de zaaksofficier van justitie, aldus de verdediging, in het kader van een machtiging tot conservatoir beslag, opzettelijk de rechter-commissaris misleid. Hij heeft aan de rechter-commissaris een veel lager kassaldo gemeld dan vermeld in de – op dat moment reeds door de verdediging ingebrachte – stukken van de [accountant] .

De rechtbank is van oordeel dat, bezien in het licht van de vraag of sprake is geweest van een “fair trial”, de eerste twee verwijten geen doel treffen. Vaststaat dat [verbalisant 5] , die onbetwist gezondheidsproblemen had, uiteindelijk wel als getuige door de verdediging ondervraagd is kunnen worden. De meldkamergesprekken zijn aan het dossier toegevoegd en hebben aldus deel kunnen uitmaken van het juridische debat.

Door de verdediging wordt betoogd dat het emailverkeer tussen de officier van justitie en de getuige [verbalisant 5] vragen oproept; in feite werd (de eindversie van) het proces-verbaal niet opgesteld door de getuige [verbalisant 5] , maar door de officier van justitie. Voor wat betreft de gestelde beïnvloeding van de getuige [verbalisant 5] door de officier van justitie (de inmiddels gepensioneerde verbalisant [verbalisant 6] is niet gehoord) heeft de officier van justitie ter zitting aangevoerd dat van ongeoorloofde beïnvloeding van [verbalisant 5] geen sprake is geweest. Slechts uit oogpunt van kwaliteit en de beoogde helderheid van het door de rechtbank bevolen, nader op te maken proces-verbaal is er overleg geweest tussen hem en de [verbalisant 5] .

De rechtbank oordeelt als volgt. Blijkens de opdracht van de rechtbank als verwoord in het proces-verbaal ter terechtzitting van 17 februari 2016, diende het proces-verbaal in kwestie “een beschrijving te geven van de door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 5] met de Freecom HDD gehanteerde werkwijze. Voorts dienen zij, indien mogelijk, uit te leggen of het zou kunnen dat op de Freecom HDD mutaties zijn aangebracht en hoe dit zou kunnen zijn gebeurd”. Blijkens het dossier heeft [verbalisant 5] bij email van 17 maart 2016 hieromtrent een kort proces-verbaal van twee pagina’s aan de officier van justitie gestuurd. De email geeft in enkele zinnen een samenvatting van het onderzoek naar de Freecom HDD en sluit af met de zin “Ik hoor graag van u waar eventueel nog verdere uitleg nodig is”. De officier van justitie heeft hierop bij email van 18 maart 2016 het korte proces-verbaal teruggezonden met een elftal opmerkingen in de kantlijn. In de email meldt de officier “Bijgaand het PV met mijn verzoeken tot aanvulling/ aanpassing; dat is toch best wel wat. Het wordt echter een behoorlijk belangrijk PV, dus ik heb echt een heel scherp verhaal nodig”.

Door de verdediging wordt met name de door de officier van justitie gevolgde handelwijze fors bekritiseerd. Door de verdediging wordt echter niet aangegeven waar een en ander materieel tot een (poging tot) benadeling van de positie van de verdachten heeft geleid. Dat heeft de verdediging niet nader geëxpliciteerd, bijvoorbeeld aan de hand van de beide versies van het bewuste proces-verbaal. Bovendien heeft de verdediging de [verbalisant 5] over de inhoud van de van het proces-verbaal kunnen bevragen.

De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat het aangevoerde niet tot de conclusie leidt dat het beginsel van “fair trial” is geschonden, en dit geen beletsel vormt voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verdachten.

De rechtbank stelt vast dat de opmerkingen zich beperken tot verzoeken om nadere uitleg, een aanvulling ter verduidelijking of onderbouwing van een conclusie. De officier van justitie geeft geen inhoudelijke sturing aan de inhoud van het bevindingen. De belangrijkste aanvulling in het proces-verbaal is van EDP-audit medewerker [medewerker FIOD] medewerker van de FIOD , met daarin een overzicht en analyse van alle bestanden en mappen (63788) op het image van de Freecom HDD met daarin opgenomen de datum van de bestandskenmerken “created”, “modified” en “accessed” en een uitgebreidere conclusie. Van een ontoelaatbare beïnvloeding van [verbalisant 5] is geen sprake.

De verdediging betoogt (punt 188 tot en met 197 van de pleitnota van mr. Boone) dat de officier van justitie de rechter-commissaris heeft misleid bij de aanvraag van de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag. De officier wist namelijk dat het in zijn email van 12 februari 2013 genoemde kassaldo van [verdachte] (hierna ook: ‘ [verdachte] ’) geen € 159.280,34 maar € 423.140,- bedroeg , aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt als volgt. De bedrijfsactiviteiten van de Handelonderneming betreffen de handel in [goederen] , waarbij een flink deel van de omzet (onder meer blijkens de door verdachte als bewijsstuk 54 overgelegde brief van de accountant) contant wordt (aan-)betaald. De bevindingen in het proces-verbaal van [verbalisant 7] (pagina’s 593 en 594 van het deeldossier ‘witwassen’) die ten grondslag hebben gelegen aan de machtiging conservatoir beslag, geven een reconstructie van het legale kassaldo per de datum van de doorzoeking op 4 december 2012. Daarbij wordt uitgegaan van een door (verwerking van) facturen en boekingen vast te stellen kassaldo per 1 december 2012 van € 100.530,34 in kas te vermeerderen met enige bedragen die bij medeverdachte [medeverdachte 2] op 4 december 2012 thuis werden aangetroffen. Uitgaande van de verklaring van verdachte [medeverdachte 2] dat dit opbrengsten van verkopen betroffen, heeft dit geresulteerd in een gereconstrueerd hoger legaal kassaldo van € 159.280,34. Door de verdediging wordt evenwel ter betwisting verwezen naar een kassaldo van latere datum, namelijk van 13 december 2012, bedragende € 423.140,- . Omdat [verdachte] niet is stilgelegd en kassaldi door verkopen/ontvangsten enerzijds en afstortingen anderzijds per dag kunnen fluctueren komt het betoog van de raadsman, door het vergelijken van het kassaldo van 4 december 2012 met dat van 13 december 2012, neer op het vergelijken van appels met peren.

De rechtbank verwerpt daarom dit verweer, alleen al omdat de argumentatie onbegrijpelijk is. Het staat daarmee niet aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg.

Conclusie.
Gelet op al het hiervoor overwogene dient het door de verdediging gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de daartoe aangevoerde gronden, zowel op zichzelf beschouwd als cumulatief en in onderling verband en samenhang bezien, te worden verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn voor het overige geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan in de vervolging van verdachte worden ontvangen.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat beide ten laste gelegde feiten worden bewezen verklaard, met dien verstande dat het in feit 1 genoemde totaalbedrag € 2.836.597,- dient te zijn en het bedrag ad € 259.074,66 (onder het derde gedachtestreepje) vervangen dient te worden door € 259.005,-.

Het standpunt van de verdediging.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het strafrechtelijk vooronderzoek niet voldoet aan de minimale eisen van betrouwbaarheid, hetgeen op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te leiden tot bewijsuitsluiting (de rechtbank begrijpt: van alle bewijsmiddelen). Ter onderbouwing hiervan is verwezen naar de onrechtmatige aanvang van het onderzoek (zie hierboven onder 1.), het door verbalisanten opmaken van onjuiste processen-verbaal en het in strijd met de waarheid verklaren (zie hierboven onder 2.) alsmede het door de zaaksofficier van justitie opzettelijk beïnvloeden van verbalisanten en misleiden van de rechter-commissaris (zie hierboven onder 5.).

Tevens is door de verdediging aangevoerd dat de onderzoeksresultaten met betrekking tot de Freecom HDD, gelet op de vormverzuimen die in verband daarmee zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek, op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafrecht van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daarnaast is aangevoerd dat, vanwege de met betrekking tot de Freecom HDD begane vormverzuimen, de betrouwbaarheid van het onderzoeksmateriaal wezenlijk is aangetast, zodat de onderzoekresultaten reeds om die reden buiten beschouwing gelaten moeten worden.

Door de verdediging is verder gewezen op het een alternatieve scenario waarin niet [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar hun zoon c.q. broer [betrokkene 2] verantwoordelijk is voor de (vermeende) hennepkwekerij aan de [adres 2] te [gemeente 3] en tevens verantwoordelijk kan zijn voor het plaatsen dan wel bewerken van bestanden op de Freecom HDD. Dit scenario is niet strijdig met de inhoud van de bewijsmiddelen, maar wel onverenigbaar met een bewezenverklaring. De verdediging concludeert dat op grond hiervan vrijspraak dient te volgen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het beweerdelijk bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen, nu [verdachte] als verdachte is aangemerkt terwijl op er op dat moment geen enkel redelijk vermoeden van schuld bestond (punt 112 tot en met 118 pleitnotitie mr. Knoops). Om deze reden dienen de Freecom HDD en de overige bewijsmiddelen die door middel van het onrechtmatige onderzoek zijn verkregen, uitgesloten te worden van het bewijs.

Tot slot heeft de verdediging een aantal bewijsverweren gevoerd en heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde gedragingen, voor zover bewezen, niet aan verdachte – zijnde een rechtspersoon – kunnen worden toegerekend.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen als bijlage aan dit vonnis gehecht (pagina’s 21 tot en met 27). De inhoud van deze bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsmiddelen dienen in onderlinge samenhang te worden beschouwd.

Geen bewijsuitsluiting.

In aanmerking nemende hetgeen de rechtbank bij de bespreking in het kader van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de afzonderlijk aangevoerde gronden 1., 2. en 5. heeft overwogen, waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van onrechtmatigheden op grond waarvan de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ziet de rechtbank in die besproken gronden evenmin aanleiding voor bewijsuitsluiting.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging, inhoudende dat er jegens [verdachte] geen redelijk vermoeden van schuld bestond op het moment dat zij als verdachte werd aangemerkt, overweegt de rechtbank het navolgende. Vooropgesteld dient te worden dat de doorzoekingen ter inbeslagneming in de woning aan de [adres 3] te [gemeente 2] , de woning aan de [adres 4] te [gemeente 2] en het bedrijfspand aan de [adres 1] te [gemeente 4] op 4 december 2012, plaatsvonden in het kader van de jegens [medeverdachte 1] (zoon) en [medeverdachte 2] , de indirect aandeelhouders en bestuurders van [verdachte] , gerezen verdenking. De tijdens de op 4 december 2012 verrichte doorzoekingen geconstateerde bevindingen hebben aanleiding gegeven om ook [verdachte] als verdachte aan te merken. Dat [verdachte] voorafgaand aan de doorzoeking van 4 december 2012 nog niet als verdachte was aangemerkt, doet aan de rechtmatigheid van de doorzoeking in het bedrijfspand aan de [adres 1] te [gemeente 4] niet af. Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast staat, zoals hieronder nader uiteengezet zal worden, dat de Freecom HDD in de woning van [medeverdachte 1] is aangetroffen. Het verweer wordt verworpen.

Betrouwbaarheid van de Freecom HDD.

Mr. Knoops heeft aangevoerd (onder punt 73 van diens pleidooi) dat de betrouwbaarheid van de Freecom HDD door de schending van de voorschriften voor veiligstelling van de digitale gegevens wezenlijk is aangetast en daarom buiten beschouwing gelaten dient te worden.

De rechtbank ziet geen reden om de digitale gegevens op de Freecom HDD uit te sluiten van het bewijs. De rechtbank verwijst daarbij allereerst naar hetgeen hierboven onder niet-ontvankelijkheidsgrond 3. is opgemerkt. Aanvullend wordt het volgende overwogen. Op de Freecom HDD zijn 68.755 bestanden aangetroffen. Daarvan heeft slechts een klein aantal (177) bestanden van de bestandskenmerken “created” of “modified” een datum van na de dag van inbeslagname (4 december 2012) te weten 8 of 9 januari 2013. Zoals hierboven reeds is overwogen betekent het feit dat deze bestanden na 4 december 2012 zijn toegevoegd of gewijzigd geenszins dat er ook een inhoudelijke wijziging van de gegevens op de Freecom HDD heeft plaatsgevonden. Hoewel dit volgens [deskundige 2] niet kan worden uitgesloten acht de rechtbank het, gelet op de verklaring van [verbalisant 5] en het feit dat verdachte niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat ook de door een persoon interpreteerbare inhoud van de gegevens op de bestanden is gewijzigd, aannemelijk dat alleen de binaire inhoud van het digitale materiaal is gewijzigd.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de Freecom HDD, zoals door [verbalisant 4] en de Belastingdienst beschreven.

Door mr. Boone en mr. Hoevers is, onder verwijzing naar een van de verdediging zelf afkomstige foto (“bewijsstuk 32” bij de pleitnota) aangevoerd dat blijkens het etiket op dit zakje de Freecom HDD is aangetroffen bij de doorzoeking van het bedrijfspand van [verdachte] op [adres 1] te [gemeente 2] , en derhalve niet in de woning verdachte. Volgens nadere toelichting van de verdediging is het op de foto afgebeelde zakje met inhoud op deze wijze aan verdachte teruggegeven. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat, zouden deze goederen daadwerkelijk op deze wijze zijn geretourneerd, daaruit niets blijkt omtrent de wijze of de plaats van inbeslagname. De rechtbank acht het niet uitgesloten dat de Freecom HDD, nadat deze werd aangetroffen in eerder (onder IBN-code [code] ) in de woning van verdachte in beslag was genomen die, niet in een zakje voorzien van een etiketje is gestopt maar later wel in een (ander) zakje aan verdachte is geretourneerd. De rechtbank merkt daarbij op dat hetgeen op het etiket van het zakje staat vermeld – te weten een USB-stick en een geheugenplaatje – niet correspondeert met de inhoud van het zakje zoals op de foto weergegeven. De rechtbank ziet hierin en ook overigens geen reden te twijfelen aan de bevindingen van [verbalisant 4] dat de Freecom HDD op 10 december 2012 is aangetroffen in de op 4 december 2012 in de woning van verdachte aangetroffen tas.

Het alternatieve scenario.

De rechtbank acht het door de verdediging geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk en overweegt daartoe als volgt. [betrokkene 2] – zijnde de zoon van medeverdachte [medeverdachte 2] en de broer van [medeverdachte 1] – heeft door middel van een door zijn raadsman opgestelde brief d.d. 21 januari 2014 kenbaar gemaakt samen met [betrokkene 3] verantwoordelijk te zijn voor de oprichting van de hennepkwekerij aan de [adres 2] te [gemeente 3] alsmede voor het aldaar aanleggen van een extra stroomkabel. Naar eigen zeggen zou deze openbaring mede zijn ingegeven door de wijze waarop zijn vader (medeverdachte [medeverdachte 2] ) te lijden had onder de tegen hem gerezen verdenking. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 januari 2015 heeft [betrokkene 2] in dezelfde lijn verklaard.

De rechtbank acht deze verklaringen van [betrokkene 2] niet geloofwaardig. Allereerst zou het naar het oordeel van de rechtbank zonder meer voor de hand hebben gelegen dat [betrokkene 2] zijn verklaring reeds in een veel eerder stadium naar buiten had gebracht, en niet pas ruim een jaar nadat zijn vader als verdachte in deze strafzaak was aangemerkt, mede in aanmerking genomen de zwaarwegende gevolgen die die verdenking op de verdachten en hun onderneming hebben gehad. Bovendien hecht de rechtbank er belang aan dat het procesdossier geen concrete aanknopingspunten biedt voor rechtstreekse betrokkenheid van [betrokkene 2] bij de ten laste gelegde hennepteelt en diefstal van stroom. Daartegenover staat dat het dossier wel wezenlijke aanknopingspunten biedt voor de betrokkenheid van medeverdachte bij deze feiten, zoals vervat in de gebezigde bewijsmiddelen.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog dat voor het scenario dat [betrokkene 2] verantwoordelijk zou zijn voor het plaatsen dan wel bewerken van bestanden op de Freecom HDD (vóór de inbeslagname van die gegevensdrager door de politie), zoals door de verdediging is aangevoerd, in het dossier geen enkele steun te vinden is. Noch in de brief van de raadsman van [betrokkene 2] , noch in het verhoor van [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris is in dit verband iets naar voren gebracht. De rechtbank is van oordeel dat dit scenario reeds om die reden als onaannemelijk terzijde geschoven dient te worden.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, stelt de rechtbank het navolgende vast.

Op de bij [medeverdachte 1] in beslag genomen Freecom HDD zijn onder meer Excel-bestanden aangetroffen.

Onder de naam “Verwerking 2011”:

- een overzicht van 632 [goederen] , inkoop, verkoop winst, zogenaamd winstoverzicht en - een overzicht ontvangsten en uitgaven vanaf november 2011.

Onder de naam “Verwerking 2012”:

- een overzicht met 673 [goederen] , inkoop, verkoop, winst; genaamd winstoverzicht

- een overzicht ontvangsten en uitgaven tot en met november 2012.

De inhoud van deze bestanden zijn door de Belastingdienst onderzocht en vergeleken met de (officiële) cijfers uit de boekhouding die in beslag is genomen bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] thuis, op hun bedrijf en bij hun accountant.

Uit dit onderzoek volgt onder meer dat in de winstoverzichten, welke deel uitmaken van de Excel-bestanden “Verwerking 2011” en “Verwerking 2012”, vrachtwagentransacties worden vermeld die eveneens terugkomen in de officiële, “witte” administratie. Daarbij staat echter het merendeel van de verkooptransacties voor beduidend hogere bedragen in de winstoverzichten opgenomen dan de verkoopbedragen op de verantwoorde verkoopfacturen vermelden. Op grond van deze vergelijking wordt geconcludeerd dat over de periode van 1 januari 2011 tot en met november 2012 een substantieel deel van de door [verdachte] met de handel in [goederen] gerealiseerde winst niet is verantwoord. Over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 betreft het een bedrag van € 351.407,- en over de periode van 1 januari 2012 tot en met november 2012 gaat het om een bedrag van € 1.704.220-. In totaal een bedrag van € 2.055.627,-.

Ter zake van de voornoemde geldbedragen acht de rechtbank bewezen dat deze zijn omgezet, nu deze gelden kennelijk door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , de indirect aandeelhouders en bestuurders van [verdachte] , bij de handel in [goederen] zijn geherinvesteerd en tevens in privé door hen zijn uitgegeven.

De in de tenlastelegging genoemde bedragen die zouden zijn witgewassen omvatten behalve de niet geadministreerde opbrengsten van de in- en verkoop van bedrijfswagens tevens de niet verantwoorde opbrengst uit andere activiteiten die door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn gepleegd, zoals de opbrengst van een hennepkwekerij. Hoewel het op basis van het dossier aannemelijk is dat via het bedrijf niet alleen de zwarte opbrengst van de onderneming, maar ook andere bedragen zijn witgewassen, zijn, omdat de tenlastelegging zich beperkt tot de niet officieel geadministreerde opbrengsten en/of geadministreerde omzet uit de in- en verkoop van bedrijfswagens, de bedragen in de bewezenverklaring naar beneden toe bijgesteld.

Daarnaast is er op 4 december 2012 in de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 3] te [gemeente 2] en de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] aan de [adres 4] te [gemeente 2] in totaal € 418.285,- aan contant geld aangetroffen en inbeslaggenomen. Gelet op het tot en met 30 oktober 2012 bijgewerkte kasboek van [verdachte] , alsmede de facturen van na die datum en de verklaring van [medeverdachte 2] over enkele laatste transacties, diende het kassaldo van de onderneming op 4 december 2012 (afgerond) € 159.280,- te bedragen. Derhalve is het verschil van € 259.005,- aan te merken als onverklaarbaar geld en is dit geldbedrag het voorwerp van witwassen. Omdat niet kan worden bewezen dat [medeverdachte 1] dit bedrag in de hoedanigheid van directeur onder zich had, dient verdachte te worden vrijgesproken ter zake van de verfeitelijking onder het derde gedachtestreepje.

De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde gedragingen, te weten het witwassen van betreffende bedragen, aan verdachte zijn toe te rekenen, nu het gaat om een handelen door personen (te weten: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) die beiden, vanuit hun functie als indirect directeur en bestuurder, werkzaam waren binnen de verdachte rechtspersoon. De gedragingen passen binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte, te weten de handel in [goederen] . Verder waren de gedragingen verdachte dienstig, nu immers de buiten de boeken gehouden geldstroom meer financiële ruimte bood voor herinvesteringen, dan wanneer er over die geldstroom belasting zou zijn afgedragen. Daarnaast heeft verdachte over de gedragingen beschikt en deze aanvaard, nu de bestuurders op de hoogte waren van de gedragingen en hierin niet hebben ingegrepen.

Het in dit verband door mr. Knoops gevoerde verweer, inhoudende dat de gedragingen niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, vindt zijn weerlegging in de andere visie van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het witwassen als gewoontewitwassen kan worden aangemerkt, gelet op de structurele aard ervan alsmede de duur van de periode waarbinnen die witwashandelingen hebben plaatsgevonden.

Vrijspraakoverweging ten aanzien van feit 2.

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van de onder feit 2 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie, dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijk samenwerkingsverband in de onderhavige zaak geen sprake is, en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld kan worden dat [medeverdachte 1] schuldig is aan het telen van hennep in een loods op het perceel [adres 2] te [gemeente 3] . Tevens kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 2] hieraan medeplichtig is, door de loods ter beschikking te stellen en mee te delen in de uit de hennepteelt afkomstige winst. Van enige feitelijke betrokkenheid van verdachte bij de hennepteelt is niet gebleken. Datzelfde geldt voor de natuurlijke personen [medeverdachte 3] en [betrokkene 3] (die overigens niet bij naam in de tenlastelegging zijn vermeld), van wie slechts kan worden vastgesteld dat zij als katvangers op het genoemde perceel hebben verbleven. Evenmin is gebleken van betrokkenheid van [betrokkene 1] .

Voorts is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geldbedragen en goederen hebben witgewassen, al dan niet als feitelijk leidinggever van verdachte. Verder staat vast dat een gedeelte van deze geldbedragen afkomstig is uit vorengenoemde hennepteelt. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgen geen concrete aanwijzingen voor enige betrokkenheid van [betrokkene 3] of [betrokkene 1] bij dit witwassen. Op grond van het dossier wel kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 3] een bijdrage aan dit witwassen heeft geleverd, door onder het mom van huurbetalingen geldbedragen naar [medeverdachte 1] (en [medeverdachte 2] over te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is deze omstandigheid evenwel onvoldoende om een structureel (crimineel) samenwerkingsverband met deze [medeverdachte 3] aan te nemen. De rechtbank neemt daarbij ook in overweging dat het door [medeverdachte 3] overgemaakte bedrag (ad € 64.875,-), afgezet tegen de achtergrond van het totale financiële belang van het verweten witwassen, beperkt te achten is.

Gelet op de omstandigheid dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beiden (indirect) bestuurder zijn van verdachte en over exclusieve formele zeggenschap beschikken, en in aanmerking genomen dat verdachte zich in beginsel bezighoudt met de legale verkoop van [goederen] en opleggers, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesproken van een structureel samenwerkingsverband – als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht – tussen de [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] .

Concluderend zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat

1. de rechtspersoon [verdachte] in de periode van 01 januari 2011 tot en met 01 januari 2013 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, [verdachte] , één of meer hierna te noemen geldbedragen, tot een totaalbedrag van € 2.055.627,--, voorhanden gehad en omgezet, bestaande dat voorhanden hebben en omzetten uit de navolgende geldbedragen:

- over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 geldbedragen van in totaal € 351.407,-- en

- over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 november 2012 geldbedragen van in totaal € 1.704.220,--

zijnde niet officieel geadministreerde opbrengsten en/of geadministreerde omzet van in- en verkoop van bedrijfswagens, zulks terwijl zij, [verdachte] wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 250.000,-. Daarnaast heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van het bedrag van € 2.836.597,-, zijnde het totaal van de niet-verantwoorde winst over 2011 en 2012 plus het “onverklaarbare” kasgeld dat bij de doorzoeking is aangetroffen. Subsidiair is de verbeurdverklaring gevorderd van de specifieke ten laste gelegde vermogensbestanddelen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie c.q. vrijspraak bepleit en heeft zich niet uitgelaten over de op leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte exploiteert een bedrijf waarin tweedehands [goederen] worden ingekocht en verkocht, Verdachte had naast de officiële boekhouding een schaduwboekhouding. Uit die schaduwboekhouding bleek dat de [goederen] voor een belangrijk deel voor hogere prijzen zijn ingekocht en verkocht dan in de witte boekhouding is opgenomen. Op deze manier is een belangrijk deel van de omzet niet verantwoord in de administratie en onttrokken aan het zicht van de belastingdienst. De belastingdienst is voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. Door herinvestering van het zwarte geld in het bedrijf en door middel van allerlei schimmige constructies is het zwarte geld bovendien witgewassen. Er ontstond een vermenging van de inkomsten uit de legale onderneming met de illegale/ criminele inkomsten.

Deze wijze van witwassen vormt een ernstige bedreiging voor en ondermijning van de legale economie en tast de integriteit aan van het financiële en economische verkeer aan.

Hoewel vanwege de geschetste ernst van de door verdachte gepleegde feiten een boete als door de officier van justitie is geëist passend zou kunnen zijn, wijkt de rechtbank daarvan in het voordeel van verdachte af. De rechtbank weegt ten gunste van verdachte mee dat een groot deel van het uit misdrijf verkregen voordeel door de navordering door de belastingdienst van verdachte zal worden ontnomen. Verder weegt mee dat de verdachten die de feitelijke handelingen hebben uitgevoerd een gevangenisstraf van enkele jaren is opgelegd en dat bij hen het voordeel via een ontnemingsvordering en verbeurdverklaring is ontnomen.

Omdat reeds met vele factoren in het voordeel van verdachte is rekening gehouden ziet de rechtbank geen aanleiding om in verband met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet worden afgerond, de op te leggen boete te matigen. De rechtbank volstaat met de vaststelling dat de termijn is overschreden.

Verbeurdverklaring.

De rechtbank stelt voorop dat uit de wet en uit de vaste rechtspraak volgt dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is ten aanzien van een voorwerp waarop

hetzij beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering rust, hetzij dat door de verdachte kan worden uitgeleverd als er geen beslag op rust.

Noch uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte het bedrag van € 2.836.597,- waarvan de officier van justitie de verbeurdverklaring vordert, thans nog – contant dan wel giraal – voorhanden heeft. Uitlevering ex artikel 34 van het wetboek van Strafrecht kan niet worden gevorderd. De rechtbank concludeert dan ook dat voormeld geldbedrag niet voor verbeurdverklaring vatbaar is.

Voor het overige is de rechtbank niet gebleken van voorwerpen die op grond van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2. ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart het onder 1. ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. feit 1:een gewoonte maken van witwassen, begaan door een rechtspersoon-verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- legt op de volgende straf:

t.a.v. feit 1:Geldboete van € 150.000,00 (honderdvijftigduizend euro) waarvan € 100.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. A.M. Kooijmans-de Kort, leden,

in tegenwoordigheid van mr P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 19 juli 2018.

1 Zie in dit verband het proces-verbaal ter terechtzitting van 21 juli 2014 in de zaak van verdachte [medeverdachte 1] (parketnummer 01/849324-12).