Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3454

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
01/881058-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor afpersing in vereniging gepleegd (met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp in de nachtelijke uren in de woning van de slachtoffers gepleegd).

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Aan de twee slachtoffers dient schade te worden vergoed. Hoofdelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/881058-17

Datum uitspraak: 23 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1988] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam] ,

thans gedetineerd te: P.I. Zuid Oost, HvB Roermond.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2018 en 9 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 mei 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 9 juli 2018 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 november 2017 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een grote hoeveelheid) kleding en/of een geldbedrag (ongeveer 550 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

hij op of omstreeks 18 november 2017 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van (een grote hoeveelheid) kleding en/of een geldbedrag (ongeveer 550 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s), -die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond en/of die [slachtoffer 1] met dit vuurwapen, althans met dit voorwerp heeft/hebben geslagen en/of

-dit vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezet/gehouden en/of -die [slachtoffer 1] veelvuldig, althans meerdere malen tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of

-die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "waar is dat geld" en/of "we weten dat hier geld ligt, dus geef ons dat geld, anders schieten we je door je hoofd heen" en/of

-gezegd dat ze geld en/of sierraden en/of kleding wilden hebben en/of -die [slachtoffer 1] gezegd hij zich moest uitkleden en/of op zijn knieën moest gaan zitten en/of (vervolgens) dat hij, [slachtoffer 1] , een vinger in zijn anus moest brengen;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 november 2017 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] bij de nek te pakken en/of vervolgens met zijn hoofd krachtig tegen het aanrecht te slaan/duwen en/of meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam te slaan en/of stompen en/of schoppen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, te weten afpersing in vereniging gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 18 november 2017 om 01.45 uur samen met [slachtoffer 2] in zijn woning in Valkenswaard was. Hij hoorde getik op het rolluik van zijn woning, waarop hij de voordeur opende.2 Hij zag twee mannen staan, van wie er één - een lange blanke man - een vuurwapen vasthield. Aangever kreeg direct klappen van de man die het vuurwapen vasthield. De man sloeg aangever met het vuurwapen. Daarna kreeg aangever constant klappen van beide mannen. De mannen riepen dat ze “die 4.000 euro” wilden hebben.

Aangever zag dat de blanke man het vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer 2] zette. De getinte man sloeg aangever met zijn vuisten over zijn gehele lijf. Aangever zei dat hij die 4.000 euro al uitbetaald had aan mensen en dat hij nog 550 euro over had.3

Aangever moest vervolgens al zijn kleding in een dekbedovertrek stoppen. De getinte man gooide aangever op de grond en heeft lang op hem ingetrapt. De blanke man sloeg aangever met het vuurwapen tegen zijn rechteroog. Hij haalde het magazijn met kogels uit het wapen en liet het aan aangever zien. Aangever moest zichzelf geheel uitkleden van beide mannen en vervolgens naar de getinte man toe kruipen. De getinte man heeft hem toen tegen zijn hoofd geschopt.4

Bij aangever wordt letsel waargenomen, te weten: roodheid thorax, ter hoogte van rechtertepel, zwelling en hematoom bij rechterwenkbrauw en schaafwonden op beide knieën.5

Tevens is vastgesteld dat er sprake was van hematomen in het gelaat, op de borstkas en contusie (kneuzing) van de hals.6

Aangever heeft verklaard dat de overvallers een geldbedrag van 550 euro mee hebben genomen. Dit geld had aangever nog niet uitbetaald aan [slachtoffer 3] .7 Aangever heeft verklaard dat het bedrag dat is weggenomen, 540 euro betrof. Het bedrag zat in een boterhamzakje waarop de naam [slachtoffer 3] stond geschreven. De overvallers riepen meerdere keren dat ze voor 4.000 euro kwamen.8

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard zij op 18 november 2017 bij [slachtoffer 1] in zijn woning was en hoorde dat er om 01.45 uur werd geklopt. [slachtoffer 1] maakte de voordeur open en aangeefster hoorde vervolgens een worsteling. Aangeefster ging kijken en zag [slachtoffer 1] op de grond liggen. Zij zag ook twee mannen, van wie er één een wapen in zijn handen had.9 De man zonder wapen bleef met zijn vuist constant op [slachtoffer 1] inslaan. In haar beleving kreeg [slachtoffer 1] overal klappen; op zijn gezicht en op zijn lijf. Aangeefster zag en voelde dat de man met het wapen dit wapen tegen haar hoofd zette. Hij schreeuwde: “waar is dat geld?”.

Aangeefster zag dat deze man voor [slachtoffer 1] ging staan en tegen hem schreeuwde: “we weten dat hier geld ligt, dus geef ons dat geld, anders schieten we je door je hoofd heen.” Terwijl hij dit zei, hield hij het pistool voor het gezicht van [slachtoffer 1] . De andere man begon later weer op [slachtoffer 1] in te slaan.10

Aangeefster heeft een plastic zakje met geld uit de kast gepakt en dit aan de man met het wapen gegeven.11 Aangeefster zag vervolgens dat de man zonder wapen een dekbedhoes droeg met daarin kleding van [slachtoffer 1] , van haarzelf en van haar kinderen. Ze hoorde dat de man [slachtoffer 1] aan het commanderen was dat hij zijn kleren uit moest trekken.12

Een van de mannen zei tegen [slachtoffer 1] dat hij op zijn knieën moest gaan zitten. Aangeefster zag dat de man zonder wapen [slachtoffer 1] met twee handen om zijn keel pakte. Aangeefster zag dat de man met de dekbedhoes -waarin de kleding zat- naar de gang liep. Toen aangeefster boven kwam, zag zij dat er alleen nog maar werkkleding van [slachtoffer 1] lag. Verder was de hele kast leeg.13

Op 20 november 2017 is de woning van aangever doorzocht op forensisch technische sporen en ter inbeslagname. Op de overloop van de woning stond een kast met vier schappen. De bovenste twee schappen waren leeg; alleen op de onderste twee schappen lag wat kinderkleding.

Er werden geen andere kledingkasten of andere opslagmogelijkheden in de woning aangetroffen.14

Verdachte heeft verklaard dat hij op 18 november 2017 omstreeks 01.45 uur samen met medeverdachte in de woning van aangever is geweest. Verdachte is boos geworden op aangever en heeft een geweldshandeling toegepast.15

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte inderdaad samen met [medeverdachte] op voormeld tijdstip in de woning van aangever aanwezig is geweest, omdat hij daar cocaïne wilde kopen.

Verdachte stelt dat hij boos werd op aangever, omdat hij te weinig cocaïne zou hebben verstrekt, waarna verdachte aangever met zijn hoofd tegen het aanrecht zou hebben geslagen.

De raadsman acht de verklaringen van aangever en aangeefster onbetrouwbaar vanwege inconsistenties en heeft in dit kader ook aangevoerd dat getuige [getuige1] bij de rechter-commissaris op 19 juni 2018 heeft verklaard dat niemand [slachtoffer 1] gelooft of vertrouwt.

De rechtbank acht de verklaringen die aangevers meteen na het incident hebben afgelegd, gedetailleerd, authentiek en in overwegende mate overeenstemmend.

Naar het oordeel van de rechtbank worden deze verklaringen ondersteund door het bij aangever [slachtoffer 1] geconstateerde letsel en de lege schappen van de kast die bij de doorzoeking van de woning van aangever worden waargenomen.

De rechtbank zal de verklaringen van aangever en aangeefster daarom als uitgangspunt nemen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte- die pas in een later stadium is afgelegd- ongeloofwaardig en gaat hieraan voorbij. Deze verklaring wordt bovendien op geen enkele manier ondersteund.

De rechtbank is van oordeel dat de onder het vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde bewoordingen weliswaar zijn gezegd en de onder het zesde gedachtestreepje ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden, maar dat deze niet zijn aan te merken als bedreiging met geweld of geweldshandelingen.

De rechtbank spreekt verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrij.

Gelet op de rol van verdachte en medeverdachte tijdens de overval is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte. Zo hebben beide verdachten de hierboven vermelde uitvoeringshandelingen verricht en daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd aan de overval en aan het (dreigen met) geweld.

De rechtbank acht bewezen hetgeen hierna onder de bewezenverklaring is vermeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 18 november 2017 te Valkenswaard, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hebben gedwongen tot de afgifte van kleding en een geldbedrag (ongeveer 550 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader, -die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en die [slachtoffer 1] met dit vuurwapen, althans met dit voorwerp heeft geslagen en

-dit vuurwapen, althans dit voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gezet en -die [slachtoffer 1] veelvuldig tegen het lichaam heeft geslagen en gestompt en getrapt en

-die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "waar is dat geld" en/of "we weten dat hier geld ligt, dus geef ons dat geld, anders schieten we je door je hoofd heen".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van primair:

-een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In dit kader heeft de raadsman verzocht om de voorlopige hechtenis, gelet op het bepaalde in artikel 67a, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering, op te heffen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan afpersing waarbij zij in de nachtelijke uren een woning zijn binnengedrongen en de slachtoffers met een vuurwapen (althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) hebben bedreigd.

Het mannelijke slachtoffer is daarbij veelvuldig geschopt, geslagen en vernederd. Uiteindelijk hebben verdachte en medeverdachte de woning verlaten, waarbij zij kleding en een geldbedrag van ongeveer 550 euro hebben buitgemaakt.

Het behoeft geen betoog dat deze woningoverval voor de slachtoffers een zeer traumatische ervaring is geweest, waarbij een ernstige inbreuk op de psychische en fysieke integriteit van de slachtoffers is gemaakt. Dit te meer omdat de slachtoffers zijn overvallen in hun eigen woning, de plek waar iemand zich juist veilig moet kunnen voelen.

Verdachte en medeverdachte hebben op een zeer grove wijze gehandeld zonder enige rekening te houden met de gevolgen voor de slachtoffers. Op dergelijk gedrag kan slechts worden gereageerd met oplegging van een forse vrijheidsbenemende straf en kan niet volstaan worden met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur die door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dan ook afwijzen.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 16.000, - bestaande uit € 15.000,- immateriële schade en

€ 1.000,- materiële schade. De officier van justitie heeft verzocht om dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een immateriële schadevergoeding, een bedrag dat de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid begroot op € 5.000,- ,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade en de gevorderde materiële schade. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen tot een bedrag van € 7.000,-. De officier van justitie heeft verzocht om dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een immateriële schadevergoeding, een bedrag dat de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid begroot op € 2.500,- ,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f, 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf en maatregelen:

t.a.v. primair: gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

t.a.v. primair: maatregel van schadevergoeding van € 5000,- subsidiair 60 dagen hechtenis;

legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 5000,- , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis; het bedrag bestaat uit immateriële schade;

verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald;

de toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 5000,-, te weten immateriële schade;

het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;

t.a.v. primair: maatregel van schadevergoeding van € 2500,- subsidiair 35 dagen hechtenis;

legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 2500 ,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis; het bedrag bestaat uit immateriële schade;

verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald;

de toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 2500 ,-, te weten immateriële schade;

het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. L.R.H. Koekoek, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 23 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, districtsrecherche Helmond (onderzoek Kyllburg), genummerd OB3R017097, aantal pagina’s: 336. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier

2 Verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 18 november 2017, proces-verbaal pag. 106.

3 Verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 18 november 2017, proces-verbaal pag. 107.

4 Verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 18 november 2017, proces-verbaal pag. 108.

5 Geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1] d.d. 18 november 2017, proces-verbaal pag. 124.

6 Geneeskundige verklaring Spoedeisende hulp d.d. 19 november 2017, proces-verbaal pag.127.

7 Verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 12 december 2017, proces-verbaal pag. 146.

8 Verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 4 januari 2018, proces-verbaal pag. 159.

9 Verklaring van [slachtoffer 2] d.d. 18 november 2017, proces-verbaal pag. 164.

10 Verklaring van [slachtoffer 2] d.d. 18 november 2017, proces-verbaal pag. 165.

11 Verklaring van [slachtoffer 2] d.d. 18 november 2017, proces-verbaal pag. 165-166.

12 Verklaring van [slachtoffer 2] d.d. 18 november 2017, proces-verbaal pag. 166.

13 Verklaring van [slachtoffer 2] d.d. 18 november 2017, proces-verbaal pag. 167.

14 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 20 november 2017, proces-verbaal pag. 204-205.

15 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 9 juli 2018.