Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3446

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
01/860330-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurster van een personenauto een aanrijding met een fietser veroorzaakt. De fietser is als gevolg van dit ongeval overleden. Verdachter verkeerde onder invloed van amfetamine. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860330-17

Datum uitspraak: 19 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1986] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 13 maart 2018 en 5 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 februari 2018.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

zij op of omstreeks 02 februari 2017 te Schijndel, gemeente Meierijstad, als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden terwijl zij, verdachte, verkeerde onder invloed van amfetamine, en/of te rijden terwijl zij, verdachte, doordat er voorwerpen op het dashboard van dat motorrijtuig waren geplaatst, geen vrij zicht naar rechts had door de voorruit van dat door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig, en/of gekomen op de gelijkwaardige kruising van die weg en de weg, [straatnaam 2] , geen voorrang te verlenen aan een voor haar, verdachtes, rijrichting van rechts uit die [straatnaam 2] komende fietser en/of tegen die op het kruisingsvlak van die [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] rijdende fietser aan te rijden, waardoor een ander (te weten die fietser, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl zij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

A.

zij op of omstreeks 02 februari 2017 te Schijndel, gemeente Meierijstad, als bestuurder van een voertuig, (personen-/bestelauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl zij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat zij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

B.

zij op of omstreeks 02 februari 2017 te Schijndel, gemeente Meierijstad, als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1] , heeft gereden terwijl zij, verdachte, doordat er voorwerpen op het dashboard van dat motorrijtuig waren geplaatst, geen vrij zicht naar rechts had door de voorruit van dat door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig, en/of gekomen op de gelijkwaardige kruising van die weg en de weg, [straatnaam 2] , geen voorrang heeft verleend aan een voor haar, verdachtes, rijrichting van rechts uit die [straatnaam 2] komende fietser en/of tegen die op het kruisingsvlak van die [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] rijdende fietser is aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding
Op 2 februari 2017 heeft op de [straatnaam 1] binnen de bebouwde kom van Schijndel een ongeval plaatsgehad ter hoogte van de gelijkwaardige T-kruising met de [straatnaam 2] . Hierbij is een auto, waarin verdachte reed, in botsing gekomen met een fietser, de heer [slachtoffer] . De heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is ter plaatse overleden.

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Volgens hem heeft verdachte zich zeer onvoorzichtig gedragen in het verkeer door [slachtoffer] geen voorrang te verlenen,
door met een sporttas op het dashboard te rijden waardoor haar zicht naar rechts was belemmerd en door onder invloed van amfetamine te rijden. De officier van justitie heeft verder betoogd dat het causaal verband tussen het ongeval en de dood van [slachtoffer] voldoende vaststaat.

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman is niet boven elke twijfel verheven dat [slachtoffer] van rechts kwam. Het zou goed mogelijk zijn dat hij uit tegenovergestelde richting kwam en al slingerend tegen de auto van verdachte is gebotst of dat dit is gebeurd doordat hij, schuin overstekend vanaf de linkerzijde van de [straatnaam 1] , naar de rechterzijde van de [straatnaam 1] is gefietst. De verkeersongevallenanalyse en de aanvulling daarop sluiten dit niet uit en de schade aan de linkerbuitenspiegel van de auto is in lijn met deze twee alternatieve scenario’s, aldus de raadsman. Ook heeft hij aangevoerd dat het niet voorstelbaar is dat verdachte met de sporttas op het dashboard heeft gereden, omdat die dan zonder meer zou zijn gevallen bij de aanrijding. Verdachte heeft de tas op het dashboard gezet, toen zij na het ongeval het tasje van de Jumbo met daarin haar sigaretten uit de auto heeft gepakt. Daarnaast blijkt volgens de raadsman uit de foto in het dossier niet dat de sporttas op het dashboard het zicht naar rechts belemmerde, ervan uitgaande dat die er al stond toen verdachte reed. De raadsman voert verder aan dat verdachte geen amfetamine, maar door haar zelf gekochte dexamfetamine had gebruikt. Zij slikte al langer dexamfetamine als zelfmedicatie in verband met ADHD-klachten. De dexamfetamine die zij slikte, had zij gekocht via internet, na een tip daarover van een vriendin die dexamfetamine via de huisarts voorgeschreven kreeg. Dexamfetamine zorgt er bij mensen met ADHD juist voor dat zij alerter zijn en goed in staat zijn om auto te rijden, aldus de raadsman.
Hij heeft ook gesteld dat, voor zover in het bloed van verdachte amfetamine is aangetroffen, dit komt doordat de pillen dexamfetamine die zij had gekocht en gebruikt, vervuild moeten zijn geweest. Volgens de raadsman is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de door zijn cliënte aan het openbaar ministerie overgelegde pillen dexamfetamine. Tenslotte heeft de raadsman betoogd dat niet vaststaat dat de dood van [slachtoffer] het gevolg is geweest van het ongeval. Volgens hem is niet uit te sluiten dat [slachtoffer] is gestikt door het pepermuntje dat achter in zijn keel is aangetroffen.

Bewijsmiddelen 1
Onderstaande door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn telkens zakelijk en samengevat weergegeven.

Verkeersongevallenanalyse
De Dienst Regionale Recherche van de Politie Eenheid Oost-Brabant, afdeling Specialistische Ondersteuning - Verkeersongevallenanalyse, heeft onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 13 maart 2017. In dit proces-verbaal is vermeld dat op 2 februari 2017 twee voertuigen betrokken waren bij een ongeval, te weten een personenauto van het merk Ford en een fiets van het merk Koga. Het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de gelijkwaardige T-kruising van wegen gevormd door de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] , gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Schijndel. Onderzoeker trof de Ford aan in een parkeerhaven, voorbij de plaats van het ongeval. Het voertuig was daar achtergelaten door de bestuurster. Op de rechterzijde van het dashboard van de Ford trof onderzoeker een tas en een trui aan. Deze tas en trui ontnamen een deel van het uitzicht dat de bestuurster had op de rijbaan. Op de Ford werden de volgende schade/sporen aangetroffen. Het glas van de linker koplamp unit was gescheurd en deze koplamp unit was naar achteren gedrukt. Op het glas van de linker koplamp unit zaten veegsporen. Op het linker voorspatbord van de Ford, direct naast de linker koplamp unit zaten twee horizontale krassen. Het plaatwerk bij die krassen was gedeukt. Dit was allemaal recente schade. De linker buitenspiegel was afgebroken en hing aan de bedrading. Aan een afdruk op de ruit van het linker portier en een beschadiging van het portier ter hoogte van de ruit was te zien dat de spiegel tegen die delen was aangeslagen. Aan de fiets was de linkerzijde van de bevestigingsplaat van de hydraulische achterrem bekrast. Er zaten veegsporen op het onderste deel van de bagagedrager en op de linker fietstas. Ook op de linkerzijde van de hydraulische remklauw van de achterrem trof onderzoeker een veegspoor aan. De bovenste horizontale kras/deuk op het linker spatbord van de Ford werd volgens de onderzoeker waarschijnlijk veroorzaakt door een deel van de bagagedrager van de fiets. De remklauw van de velgrem van het achterwiel van de fiets veroorzaakte waarschijnlijk de onderste horizontale kras/deuk en veegsporen. De veegsporen op het glas van de linker koplamp unit werden waarschijnlijk veroorzaakt door de linker fietstas van de Koga. De Koga is waarschijnlijk met de linkerzijde van het stuur tegen de linker buitenspiegel van de Ford geslagen.


Op foto 7 in het proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse is te zien dat er een sporttas op het dashboard van de auto van verdachte ligt. Ook is op die foto te zien dat er rechts naast de sporttas een trui ligt en links ervan diverse paperassen2.

Het slachtoffer werd geïdentificeerd als [slachtoffer] . Op basis van de actuele beschikbare gegevens beschouwde de schouwarts het overlijden als ‘niet-natuurlijk’3.

Toxicologische onderzoeken
Zoals blijkt uit het proces-verbaal rijden onder invloed, heeft verdachte toestemming gegeven voor het verrichten van een bloedonderzoek4. Nadat bij verdachte bloed is genomen, heeft het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) onderzoek verricht naar het bloed van verdachte.
In het rapport van 7 maart 2017 heeft NFI-deskundige dr. I.J. Bosman gerapporteerd dat in het bloed van verdachte een hoge concentratie amfetamine (27 milligram per liter bloed) is gemeten. Een werkzame concentratie amfetamine begint bij 0,03 milligram per liter bloed. Het gebruik van amfetamineachtige stoffen kan de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden door onder andere vermindering van oplettendheid en van onjuiste risico-inschatting, aldus het rapport. Op grond van de resultaten van het toxicologisch onderzoek is geconcludeerd dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was.
Dat is de hoogste schaal van waarschijnlijkheid bij de door het NFI gehanteerde conclusieschaal5.

In zijn nadere rapport van 2 juli 2018, dat is opgesteld naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting van 13 maart 2018, heeft NFI-deskundige dr. I.J. Bosman gerapporteerd dat in het bloed van verdachte ongeveer twee keer zoveel levoamfetamine als dexamfetamine is aangetoond. Dit past volgens de deskundige niet bij therapeutisch gebruik van dexamfetamine. In dat geval zou er voornamelijk dexamfetamine zijn aangetoond in het bloed. De resultaten passen bij gebruik van amfetamine6.
Getuigenverklaring [getuige 1]
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] de ochtend van 2 februari 2017 bij hem is geweest aan de [adres 2] . [getuige 1] is gepensioneerd kapper en heeft een paar klanten die hij nog knipt. [slachtoffer] is daar één van. [getuige 1] zag [slachtoffer] , toen hij wegging, de [straatnaam 2] op fietsen in de richting van de [straatnaam 1] . 7.
Getuigenverklaring [getuige 2]
Getuige [getuige 2] was op de ochtend van het ongeval werkzaam op de ambulance en kreeg de melding dat er een aanrijding had plaatsgevonden op de [straatnaam 1] in Schijndel. Ter plaatse zag zij een man op zijn linkerzij liggen. Hij had bloed rond zijn hoofd en in zijn mond8.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 13 maart 2018
Op weg naar de school van haar zoontje hoorde verdachte, terwijl zij reed op de [straatnaam 1] ter hoogte van de gelijkwaardige T-kruising met de [straatnaam 2] , een tik tegen de linker buitenspiegel en zag zij een fietser. Verdachte had de fietser daarvoor niet gezien. Zij wist waar zij reed, kende Schijndel goed en wist dat zij het verkeer dat voor haar van rechts kwam voorrang moest verlenen9.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Voor het oordeel dat verdachte schuld heeft gehad in de zin van artikel 6 van de WVW, is vereist dat wordt vastgesteld dat de gedragingen van verdachte roekeloos, dan wel zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend zijn geweest. Hierbij zijn volgens vaste jurisprudentie verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de door verdachte gemaakte overtreding of overtredingen en de omstandigheden waaronder die overtredingen zijn begaan. Verder verdient opmerking dat niet uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer alleen kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Ook moet de vraag worden beantwoord of de dood van [slachtoffer] is veroorzaakt door het ongeval.

De rechtbank overweegt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen het volgende.

Voorrang

Bij de verkeersongevallenanalyse zijn de auto van verdachte en de fiets van [slachtoffer] op elkaar ingepast aan de hand van de geconstateerde schade aan beide voertuigen. Op basis van de inpassing heeft de onderzoeker het volgende geconcludeerd. De Ford (de auto van verdachte) reed over de [straatnaam 1] komende uit de richting van de [straatnaam 3] en gaande in de richting van de [straatnaam 4] . De Koga (de fiets van [slachtoffer] ) reed over de [straatnaam 2] gaande in de richting van de [straatnaam 1] . Bij de T-kruising gevormd door de [straatnaam 2] en de [straatnaam 1] was de bestuurder van de Koga waarschijnlijk voornemens linksaf de [straatnaam 1] op te rijden in de richting van de [straatnaam 3] . Bij het oprijden van het kruispunt zag de bestuurster van de Ford de bestuurder van de Koga waarschijnlijk niet of te laat. De Ford reed met de linker voorzijde tegen de linker achterzijde van de Koga. De bestuurder van de Koga kwam hierdoor ten val.

De rechtbank neemt de conclusies uit de verkeersongevallenanalyse over en maakt deze tot de hare. Op basis van de bevindingen in de verkeersongevallenanalyse concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] voor verdachte van rechts moet zijn gekomen vanuit de [straatnaam 2] . Deze conclusie wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] die [slachtoffer] bij hem vandaan, aan de [straatnaam 2] , heeft zien wegrijden in de richting van de [straatnaam 1] . De door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario’s, waarbij [slachtoffer] uit tegenovergestelde richting zou zijn gekomen, vinden geen steun in het dossier. Als [slachtoffer] daadwerkelijk uit tegenovergestelde richting zou zijn gekomen dan had verdachte hem naar het oordeel van de rechtbank bovendien al langere tijd hebben moeten zien fietsen. Dit ondersteunt de conclusie dat [slachtoffer] van rechts moet zijn gekomen des te meer. Nu is vastgesteld dat [slachtoffer] van rechts kwam, staat ook vast dat verdachte hem ten onrechte geen voorrang heeft verleend. Hierdoor is het verkeersongeval ontstaan.

Belemmerd zicht
De rechtbank acht het verder aannemelijk dat verdachte ten tijde van het ongeval geen vrij zicht naar rechts had doordat er voorwerpen op het dashboard van haar auto lagen. De rechtbank schuift de verklaring van verdachte, dat zij de sporttas op het dashboard zou hebben gelegd toen zij na het ongeval een tasje van de Jumbo, met daarin haar sigaretten en het appeltje voor haar zoontje, uit de auto heeft gepakt, als ongeloofwaardig terzijde. Zij heeft namelijk ook verklaard dat de sporttas op de grond stond en dat het tasje van de Jumbo op de bijrijdersstoel lag. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet logisch en evenmin aannemelijk dat verdachte, toen zij het tasje van de Jumbo van de bijrijdersstoel ging pakken, de sporttas vanaf de grond op het dashboard zou hebben gelegd. Dat was niet nodig om het tasje van de Jumbo te kunnen pakken. Dat de sporttas al op het dashboard lag, vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in het feit dat er nog andere spullen op het dashboard lagen, zoals een trui en diverse paperassen. Hieruit leidt de rechtbank af dat het voor verdachte kennelijk niet ongebruikelijk was om spullen op het dashboard te hebben liggen. De rechtbank is van oordeel dat niet alleen de sporttas, maar ook de trui, die rechts naast de sporttas op het dashboard lag, het zicht naar rechts belemmerden. Dat het zicht naar rechts werd belemmerd, wordt ondersteund door de verklaring van verdachte dat zij

[slachtoffer] niet heeft gezien.

Amfetamine
Op grond van de toxicologische onderzoeken door het NFI, neergelegd in de rapporten van 7 maart 2017 en 2 juli 2018, stelt de rechtbank tevens vast dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van een hoge dosis amfetamine reed. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de NFI-deskundige dat de rijvaardigheid van de verdachte ten tijde van het ongeval door de hoge dosis amfetamine waarschijnlijk dit is de hoogste door het NFI gehanteerde schaal van waarschijnlijkheid, nadelig was beïnvloed.

De rechtbank vindt de verklaring van verdachte, dat zij uitsluitend de door haar zelf gekochte dexamfetamine had geslikt, gelet op beide toxicologische onderzoeken, ongeloofwaardig. Ook in het geval dat dit voor juist zou moeten worden gehouden en de door haar gekochte pillen dexamfetamine vervuild zijn geweest met amfetamine, zoals door de verdediging is gesteld, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit voor rekening en risico van verdachte moet komen. Zij gebruikte immers de door haar via internet gekochte pillen zonder doktersvoorschrift in een door haarzelf gekozen dosering en zonder te weten wat er in zat.

Schuld in de zin van zeer onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag
Verdachte kan worden verweten dat zij een auto is gaan besturen terwijl zij onder invloed verkeerde van een hoge concentratie amfetamine waardoor haar rijvaardigheid waarschijnlijk negatief was beïnvloed. Het is de verantwoordelijkheid van iedere verkeersdeelnemer om zich ten behoeve van de verkeersveiligheid te (laten) informeren over wat de invloed op de rijvaardigheid is van zowel illegaal als legaal verkregen medicijnen. Uit het feit dat verdachte zonder doktersvoorschrift via internet gekochte pillen gebruikte in een door haarzelf gekozen dosering, leidt de rechtbank af dat zij zich zelfs geen enkele rekenschap heeft kunnen geven van de vraag of het gebruik van deze pillen invloed had op haar rijvaardigheid. Verder kan haar worden verweten dat zij reed met een sporttas en een trui op het dashboard waardoor haar zicht naar rechts werd belemmerd. Door de combinatie van deze omstandigheden heeft verdachte [slachtoffer] op geen enkel moment waargenomen en heeft zij hem ten onrechte geen voorrang verleend. Door het verzuim voorrang aan hem te verlenen is het verkeersongeval ontstaan.

De rechtbank komt tot het oordeel dat op grond van deze omstandigheden in samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, in de zin dat zij schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval. De gradatie van schuld bestaat naar het oordeel van de rechtbank uit zeer onvoorzichtig en onoplettend gedrag, nu uit het handelen van verdachte blijkt van een grotere mate van onvoorzichtigheid en onoplettendheid dan het maken van één of meer verkeersfouten.


Causaal verband verkeersongeval en overlijden [slachtoffer]
Voor het redelijkerwijs toerekenen van een gevolg aan een gedraging van een verdachte is ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot dit gevolg hebben geleid en dat aannemelijk is dat dit gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van deze verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer er sprake is van een dergelijke mate van waarschijnlijkheid zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van dit gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (ECLI: NL:HR:2012:BT6362).

De rechtbank is van oordeel dat het niet verlenen van voorrang door verdachte aan

[slachtoffer] een onmiskenbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot zijn dood hebben geleid. Door de botsing die hierdoor is ontstaan is [slachtoffer] op de grond gevallen waarna hij ter plaatse is overleden. De rechtbank acht het aannemelijk dat [slachtoffer] ten gevolge van de botsing en de val is overleden vanwege het bloed dat ter plaatse van het ongeval in zijn keel en rondom zijn hoofd aanwezig was, zoals blijkt uit de verklaring van [getuige 2] . Dat, naar de verdediging heeft gesteld, de directe doodsoorzaak niet kon worden vastgesteld door de lijkschouwer en dus niet is uitgesloten dat [slachtoffer] door een in zijn keel aangetroffen pepermuntje is gestikt, betekent niet dat het overlijden niet aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank acht het aannemelijk dat het in de keel van [slachtoffer] aangetroffen pepermuntje daar juist is ingeschoten door de klap die is ontstaan toen hij tegen de auto van verdachte botste en op de grond viel. Het overlijden van [slachtoffer] is dan ook redelijkerwijs aan verdachte toe te rekenen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Primair:

op 02 februari 2017 te Schijndel, gemeente Meierijstad, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te rijden terwijl zij, verdachte, verkeerde onder invloed van amfetamine, en te rijden terwijl zij, verdachte, doordat er voorwerpen op het dashboard van dat motorrijtuig waren geplaatst, geen vrij zicht naar rechts had door de voorruit van dat door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig, en gekomen op de gelijkwaardige kruising van die weg en de weg, [straatnaam 2] , geen voorrang te verlenen aan een voor haar, verdachtes, rijrichting van rechts uit die [straatnaam 2] komende fietser en tegen die op het kruisingsvlak van die [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] rijdende fietser aan te rijden, waardoor een ander (te weten die fietser, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl zij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden wordt opgelegd. Daarnaast heeft hij de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gevorderd voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft gevraagd, in het geval de rechtbank tot een veroordeling zou komen, om aan verdachte, gelet op haar persoonlijke omstandigheden, uitsluitend een voorwaardelijke gevangenisstraf en mogelijk daarnaast een taakstraf op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou niet passen bij het feit dat verdachte op de dag van het ongeval al is heengezonden. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om een ontzegging van de rijbevoegdheid niet langer te laten duren dan de tijd dat zij haar rijbewijs al kwijt is geweest. In dit verband heeft hij naar voren gebracht dat verdachte 40 uur per week werkt en dat zij voor dat werk afhankelijk is van haar rijbewijs. Tevens wijst hij er op dat verdachte haar rijbewijs al langere tijd terug heeft.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, let de rechtbank op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 2 februari 2017 als bestuurster van een personenauto, terwijl zij verkeerde onder invloed van amfetamine, zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden waardoor een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij een fietser, de heer [slachtoffer] , is overleden. De rechtbank rekent de verdachte aan dat zij had moeten weten en begrijpen dat het gebruik van amfetamine een nadelige invloed op haar rijvaardigheid zou hebben door onder andere vermindering van oplettendheid en van onjuiste risico-inschatting. Dit heeft haar er niet van weerhouden in de auto te stappen.

Door haar handelen heeft verdachte schuld aan een dodelijk verkeersongeval.De nabestaanden ondervinden nog dagelijks de gevolgen van het ongeval en het overlijden van de heer [slachtoffer] . Tijdens de zitting op 5 juli 2018 is dit heel duidelijk geworden uit de door meerdere nabestaanden voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen. Voor de nabestaanden en voor de maatschappij brengt een dergelijk verkeersongeval gevoelens van onbegrip, boosheid en angst met zich. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele straf het leed dat is veroorzaakt kan compenseren.

De rechtbank houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat verdachte zelf ook is getroffen door de gevolgen van het door haar gepleegde strafbare feit in die zin dat zij verder zal moeten leven met het gegeven dat zij een zeer ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij de heer [slachtoffer] is overleden. Dat verdachte dit moeilijk vindt is de rechtbank tijdens de zitting duidelijk geworden. Zij heeft haar spijt betuigd aan de nabestaanden van [slachtoffer] en zij heeft zich bereid verklaard een schadevergoeding aan hen te betalen.

De rechtbank heeft wat betreft de persoon van de verdachte gezien dat zij niet eerder voor een verkeersmisdrijf is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het over verdachte opgestelde reclasseringsadvies d.d. 6 maart 2018, opgemaakt door

[reclasseringsmedewerker] . Daaruit blijkt dat verdachte aanhoudende psychische klachten heeft, zowel voortkomend uit het ongeval en deze strafzaak als uit problemen in de relationele sfeer. Zij heeft zich vrijwillig gemeld bij de Reinier van Arkelgroep. Daar is bij haar de diagnose ADHD gesteld. Sindsdien is zij ingesteld op dexamfetamine als medicatie. Verdachte krijgt begeleiding vanuit Novadic Kentron en doet daarbij aan EDMR therapie. Verdachte heeft zich gemotiveerd getoond voor voortzetting van de begeleiding van zowel de Reinier van Arkelgroep als Novadic Kentron. Nu er meer zicht en grip is op de problematiek van verdachte wordt de kans op recidive als laag ingeschat. Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling.


De rechtbank heeft ook gelet op de landelijke oriëntatiepunten.
Alles afwegende, is de rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf zouden geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen, naast de algemene voorwaarden, de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Hoewel verdachte zelf al hulp heeft gezocht voor haar problemen, vindt de rechtbank het belangrijk dat zij de komende twee jaar verplicht wordt een ambulante behandeling te ondergaan en dat zij in die tijd onder toezicht van de reclassering staat. De rechtbank acht dit van belang, omdat het haar zorgen baart dat verdachte met een hoge concentratie amfetamine aan het verkeer heeft deelgenomen. Gelet hierop acht de rechtbank naast de (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar passend en geboden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 14d,

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primairovertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige, verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze wet.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen:

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen

die worden gegeven door de reclassering;

- zich binnen 48 uren na het onherroepelijk worden van dit vonnis tussen 09.00

uur en 12.00 uur telefonisch via telefoonnummer 088-8041504 zal melden bij de

Reclassering Nederland, en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht; - zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zal laten behandelen door de Reinier van Arkelgroep en/of Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, een en ander te bepalen door de reclassering, en zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, waarbij het innemen van medicatie onderdeel kan zijn van de behandeling,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronderbegrepen) voor de duur van 2 (twee) jaar met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E.L. Hendriks, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. W. Heijninck, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 19 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, District ’s-Hertogenbosch, Basisteam Meierij, genummerd PL2100-2017022920, gesloten d.d. 22 juni 2017, aantal pagina’s: 132.

2 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, d.d. 13 maart 2017, p. 106.

3 Verslag betreffende een niet natuurlijke dood d.d. 2 februari 2017 van [naam] , lijkschouwer van de gemeente Schijndel.

4 Proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 16 maart 2017, p. 69 – 71.

5 Toxicologisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 maart 2017 door dr. I.J. Bosman, apotheker-toxicoloog, p. 77-79.

6 Toxicologisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 1 juli 2018 door dr. I.J. Bosman, apotheker-toxicoloog, zonder doornummering.

7 Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 28 maart 2018, zonder doornummering.

8 Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 2 februari 2017, p. 43.

9 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, op 13 maart 2018, p. 1 en 2.