Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3414

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
18 _ 152
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2000, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan voor een lichtmast en een weegbrug. Omgevingsvergunning voor een uitrit. Weegbrug voor handel in zand, grond, puin/granulaat en mest in strijd met 'agrarisch loonbedrijf' en 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' omdat handelen in zand, grond en mest en opslag van mest van derden geen werk is dat verricht wordt voor derden. Geen definitie in bestemmingsplan daarom aansluiting bij spraakgebruik. Geen bescherming door overgangsrecht. Geen toepassing artikel 2.7 Wabo maar de uitrit kon worden geweigerd omdat niet gekozen is voor verschillende activiteiten afzonderlijk een omgevingsvergunning aan te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/212 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/152

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2018 in de zaak tussen

[Eiseres 1] , [Eiseres 2] en

[Eiser 3] , te [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk, verweerder

(gemachtigden: C.M.A.P. Burgman-Linssen LLB en E.D.M. van Grinsven).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

[Naam 1] ,

(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz),

[Naam 2] en [Naam 3],

(gemachtigde: mr. E.T. Stevens)

en [Naam 4].

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van het plaatsen van een lichtmast en een weegbrug op de [adres] . Verder is daarbij vergunning verleend voor het aanleggen van een uitrit op dit perceel.

Bij besluit van 12 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partijen gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit van
30 mei 2017 herroepen en de omgevingsvergunning voor een lichtmast, weegbrug en een uitrit alsnog geweigerd.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Namens eisers zijn de gemachtigde en [Eiser 3] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Van derde-partij zijn verschenen [Naam 2] en [Naam 3] , bijgestaan door hun gemachtigde.
De zaak is gevoegd behandeld met de zaak SHE 18/59, die ziet op het besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen wegens het gebruik van de weegbrug door derden.

Overwegingen

Feiten
1. Het bedrijf van eisers betreft een rundveehouderij, loonwerk- en mesttransportbedrijf. Eisers hebben op 26 januari 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van een reeds gebouwde weegbrug en lichtmast en voor het aanleggen van een uitrit. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Buitengebied 2010, Herziening 2016”. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch" toegekend met de functieaanduidingen 'agrarisch loonbedrijf' en 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’. Verweerder heeft de gevraagde vergunning bij het bestreden besluit alsnog geweigerd, omdat gezien de toelichting bij de aanvraag aannemelijk is dat de weegbrug zal worden gebruikt voor activiteiten die op grond van het bestemmingsplan niet zijn toegelaten, te weten het handelen in zand, grond, puin/granulaat en mest alsmede de opslag van mest.

Relevante regelgeving
2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Ontvankelijkheid bezwaar
3. Eisers stellen dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het bezwaar van sommige bezwaarmakers ontvankelijk heeft geacht, omdat de activiteiten die bij het primaire besluit waren vergund geen impact hebben op de omgeving van al deze bezwaarmakers. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat mevrouw [naam5] geen zicht heeft op het bedrijf.

4. Verweerder heeft het advies van de commissie bezwaarschriften aan zijn besluit ten grondslag gelegd. Hierin is gesteld dat iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt als hij zicht heeft op de betreffende locatie en als er sprake is van ruimtelijke impact. Volgens de commissie is het in deze situatie aannemelijk dat iemand belanghebbende is bij het besluit tot vergunningverlening, indien hij binnen een afstand van 300 meter tot de locatie [adres] woont. Aangezien de woning van mevrouw [naam5] op
188 meter afstand van deze locatie staat, is zij belanghebbende bij het besluit tot vergunningverlening en is haar bezwaar daarom ontvankelijk. Ter zitting heeft verweerder gesteld niet alleen het zicht bij de belanghebbendheid te hebben betrokken maar ook de verkeersbewegingen.

5. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2109), moet voor het zijn van belanghebbende aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden van de activiteit waarop de vergunning ziet. Gezien de afstand van de woning van mevrouw [naam5] tot het bedrijf van eisers is aannemelijk dat mevrouw [naam5] ter hoogte van haar woning geen gevolgen van enige betekenis kan ervaren van de weegbrug, de lichtmast en de uitrit. Niet is betwist dat mevrouw [naam5] geen zicht heeft op deze bouwwerken. Evenmin is aannemelijk geworden dat de verkeersbewegingen van en naar de inrichting ten gevolge van het gebruik van de weegbrug zodanig toenemen dat ter plaatse van de woning van mevrouw [naam5] hiervan hinder zal worden ondervonden. Het belang van mevrouw [naam5] was daarom niet rechtstreeks bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning betrokken. Verweerder had haar bezwaar bij het bestreden besluit daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Deze beroepsgrond slaagt.

Strijd met bestemmingsplan
6. Eisers betwisten dat de activiteiten zoals de handel in zand, grind, grond, puin/granulaat en mest en de opslag van mest die niet afkomstig is van het bedrijf zelf in strijd zijn met het bestemmingsplan. Zo worden de activiteiten, zoals de handel in mest, in de praktijk door het hele land door onder andere loonbedrijven als dat van eisers uitgevoerd. Nu er geen definitie in het bestemmingsplan is gegeven van loonbedrijf maar wel de aanduiding van agrarisch loonbedrijf op het perceel van eisers rust, kan volgens hen niet worden gesteld dat de activiteiten verboden zijn. Verder is volgens eisers van belang dat het bestemmingsplan wel een definitie kent van het begrip ‘agrarisch technisch hulpbedrijf‘, waaronder de activiteiten van eisers wel zouden vallen, maar binnen het plangebied op geen enkel perceel deze aanduiding rust, terwijl de niet gedefinieerde aanduiding ‘agrarisch loonbedrijf’ wel rust op percelen binnen het plangebied. De termen ‘agrarisch loonbedrijf’ en ‘agrarisch technisch hulpbedrijf’ liggen erg dicht bij elkaar en de activiteiten zijn ook vergelijkbaar. Gezien de plansystematiek en de sinds jaren aanwezige activiteiten heeft de planwetgever met het bestemmingsplan niet beoogd de mesthandelsactiviteiten uit te sluiten, aldus eisers.

7. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘agrarisch loonbedrijf’ niet is gedefinieerd in het bestemmingsplan. Verweerder heeft voor de uitleg van dit begrip daarom aansluiting mogen zoeken bij wat hieronder in het gangbaar spraakgebruik wordt verstaan en hierbij kunnen aansluiten bij Van Dale, groot woordenboek van de Nederlandse taal. Daarin wordt onder ‘loonbedrijf’ verstaan: ‘bedrijf dat tegen loon werk verricht voor derden, met name in de landbouw’. Verweerder heeft terecht gesteld dat het handelen in zand, grond, puin/granulaat en mest en de opslag van mest die niet afkomstig is van het bedrijf zelf niet is aan te merken als werk dat verricht wordt voor derden. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat eisers ter zitting hebben aangegeven dat mest die afkomstig is van derden in eigendom overgaat naar eisers indien deze mest op hun perceel wordt opgeslagen.
Ook is de stelling van verweerder dat genoemde activiteiten in strijd zijn met artikel 3.1 van de planregels juist. Gelet op de omschrijving van het begrip ‘agrarisch bedrijf’ mag alleen mest afkomstig van het eigen bedrijf op de locatie worden verwerkt.
Voor zover eisers onder verwijzing naar het begrip ‘agrarisch technisch hulpbedrijf‘ betogen dat de planwetgever niet heeft beoogd om mesthandelsactiviteiten uit te sluiten overweegt de rechtbank als volgt.
Anders dan eisers stellen is de aanduiding ‘agrarisch technisch hulpbedrijf’ wel toegepast in het plangebied, maar alleen bij percelen waaraan de bestemming “Bedrijf” is toegekend. De rechtbank deelt de mening van eisers dat de begrippen ‘agrarisch technisch hulpbedrijf’ en ‘agrarisch loonbedrijf’ vergelijkbare activiteiten mogelijk maken niet, omdat het begrip ‘agrarisch technisch hulpbedrijf’ veel ruimer is dan het begrip ‘agrarisch loonbedrijf’. Nu aan het perceel van eisers de aanduiding ‘agrarisch loonbedrijf’ is toegekend en niet de aanduiding ‘agrarisch technisch hulpbedrijf’ is de rechtbank van oordeel dat de planwetgever wel heeft beoogd de mesthandelsactiviteiten die bij een agrarisch loonbedrijf niet zijn toegelaten uit te sluiten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Eisers brengen verder naar voren dat de bedrijfsactiviteiten legaal zijn op grond van het overgangsrecht.

9. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van
21 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3228) is het aan degene die een beroep doet op het overgangsrecht van een bestemmingsplan om aannemelijk te maken dat het met het plan strijdige gebruik op de peildatum plaatsvond, nadien ononderbroken is voortgezet en het strijdige gebruik niet is vergroot.

Verweerder heeft terecht gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de in overweging 6 genoemde activiteiten onder het overgangsrecht vallen. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat uit het document ‘Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. bouwvlakvergroting [adres] in [plaats] ’ van 12 mei 2010, waarin de op dat moment bestaande bedrijfsactiviteiten worden beschreven, niet blijkt dat de hier aan de orde zijnde bedrijfsactiviteiten toen plaatsvonden of op afzienbare termijn zouden gaan plaatsvinden. Dit nog daargelaten of deze activiteiten, als eisers aannemelijk hadden gemaakt dat deze wel plaatsvonden vóór de inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan, dan onder het overgangsrecht zouden zijn gevallen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Vertrouwensbeginsel
10. Ten aanzien van de stelling van eisers dat de in geschil zijnde bedrijfsactiviteiten reeds lange tijd met medeweten en met nadrukkelijke toestemming van verweerder plaatsvinden, overweegt de rechtbank als volgt. Dat verweerder gedurende een bepaalde tijd geen aanleiding heeft gezien om handhavend op te treden, betekent niet dat hij de verleende vergunning niet had mogen herroepen. Niet is gebleken dat er aan verweerder toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan tot vergunningverlening door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Deze beroepsgrond faalt.

Afwijken van het bestemmingsplan
11. Eisers stellen verder dat voor zover er al sprake mocht zijn van strijd met het bestemmingsplan, verweerder had moeten bezien of toch vergunning kon worden verleend voor de aangevraagde activiteiten door af te wijken van het bestemmingsplan. Daarbij hebben eisers gewezen op artikel 3.5.1 van de planregels en de mogelijkheid om buitenplans af te wijken.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft onderkend dat de aanvraag van eisers op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moest worden aangemerkt als een verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet bezien of hij medewerking wilde verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan om zo alsnog de weegbrug en lichtmast te kunnen legaliseren. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo. Deze beroepsgrond slaagt.

13. Uit het verweerschrift is evenwel gebleken dat verweerder niet bereid is om van het bestemmingsplan af te wijken. In het verweerschrift is gesteld dat toepassing geven aan artikel 3.5.1, onder d, van de planregels niet mogelijk is. Aan de voorwaarden voor het kunnen toepassen van deze planregel, te weten een maximale oppervlakte van 400 m² aan agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven en het behoud van de agrarische functie als hoofdfunctie, wordt niet voldaan. Verweerder wenst voorts niet mee te werken aan een buitenplanse afwijking, omdat hij het toestaan van mesthandel en mestopslag in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder acht van belang dat de agrarische functie als hoofdfunctie herkenbaar blijft, wat bij een verdere uitbreiding van de niet-agrarische activiteiten niet meer het geval zal zijn. Daarnaast vindt verweerder het bij de afweging om al dan niet van het bestemmingsplan af te wijken van belang dat het vergunnen van mestopslag en mesthandel op deze locatie niet in lijn is met de Verordening ruimte Noord-Brabant, waaruit blijkt dat mestbewerking een industriële activiteit is die in beginsel thuishoort op een daartoe geschikt bedrijventerrein.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft gesteld dat aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 3.5.1 onder d, van de planregels niet wordt voldaan.
Ten aanzien van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid overweegt de rechtbank het volgende. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gezien de motivering in het verweerschrift zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen medewerking behoeft te worden verleend aan de afwijking van het bestemmingsplan. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
Onlosmakelijke activiteiten
15. Ten slotte betogen eisers dat de lichtmast en de uitrit niet specifiek aan de gestelde strijdige activiteiten zijn gebonden, zodat verweerder de hiervoor verleende vergunning in stand had moeten laten.

16. In de aanvraag is gesteld dat de lichtmast zal worden gebruikt voor het verlichten van de weegbrug. Aangezien de weegbrug, zoals reeds in het vorenstaande is overwogen, blijkens de toelichting op de aanvraag (ook) zal worden gebruikt voor activiteiten die ter plaatse op grond van het bestemmingsplan niet zijn toegelaten, heeft verweerder de vergunning voor de lichtmast eveneens op deze grond kunnen weigeren. De rechtbank wijst in dit verband naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 31 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4746), waaruit volgt dat bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts moet worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Een bouwwerk moet in strijd met de bestemming worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

17. Met betrekking tot de uitrit overweegt de rechtbank het volgende. Ter zitting heeft verweerder gesteld de aanleg van de uitrit te hebben geweigerd vanwege het feit dat deze activiteit met dezelfde aanvraag is aangevraagd als de bouw van de weegbrug en de lichtmast en hierdoor een onlosmakelijke samenhang bestaat tussen deze activiteiten. Omdat de vergunning voor de weegbrug en de lichtmast is geweigerd, kon volgens verweerder ook geen vergunning worden verleend voor de uitrit.

18. De gevraagde aanleg van een uitrit betreft geen activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.7 gelezen in samenhang met artikel 1.1 van de Wabo. De bouw van de weegbrug, de lichtmast en het maken van de uitrit zijn fysiek van elkaar te onderscheiden activiteiten en kunnen daarom los van elkaar worden gezien.
Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo is dus niet van toepassing. Dit neemt evenwel niet weg dat verweerder de gevraagde vergunning voor het maken van een uitweg heeft kunnen weigeren, omdat eisers er immers niet voor hebben gekozen om voor verschillende activiteiten een afzonderlijke omgevingsvergunning aan te vragen. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1697. Deze beroepsgrond faalt.

18. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten aanzien van de weegbrug, lichtmast en uitrit in stand te laten.

19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat het bezwaar van mevrouw [naam5] niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit voor het overige in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,00 aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
    € 1.002,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en

mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
(…).

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Artikel 7:1
Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij (…).

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 1.1
1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…);
onlosmakelijke activiteit: activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2;
(…).

Artikel 2.7
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. (…).


Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

(…)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
(…).
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…).

artikel 2.21???

Bestemmingsplan Buitengebied 2010, Herziening 2016


Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
(…)

agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren, al dan niet met voorzieningen onder andere ten behoeve van de verwerking/vergisting van mest afkomstig van het eigen bedrijf, waarbij onderscheid wordt gemaakt in:
a. een (vollegronds)teeltbedrijf;
b. een glastuinbouwbedrijf;
c. een veehouderij;
d. een overig agrarisch bedrijf;
e. paardenhouderij.
(…)

agrarisch technisch hulpbedrijf
bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking. Voorbeelden van agrarisch technische hulpbedrijven zijn: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven.

Artikel 3 Agrarisch

3.1

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
(…)
waarbij niet meer dan een agrarisch bedrijf aanwezig mag zijn per bouwvlak.

3.5.1

Afwijking nevenfuncties en/of verbrede landbouw
Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 onder b voor nevenfuncties en/of verbrede landbouw, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. (….);
b. De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven.
c. Nevenfuncties en/of de uitoefening van functies in het kader van de verbrede landbouw bij agrarische bedrijven zijn enkel toegestaan binnen het bouwvlak.
d. De volgende nevenfuncties en/of de uitoefening van functies in het kader van de verbrede landbouw bij het agrarische bedrijf zijn toegestaan:
1. agrarisch technisch hulpbedrijven, agrarische verwante bedrijven, waarvan de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 400 m2 en ter plaatse van de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie’ niet meer dan 600 m2;
(…).


Algemene Plaatselijke Verordening Cuijk

Artikel 2.12 (Omgevings)vergunning voor het maken, veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg- of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:
a. Indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren een aanvraag heeft ingediend bij het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie;
b. indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
(…).
3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg:
a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door re wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van het uiterlijk aanzien van de omgeving.
(…).