Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3315

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
01/860545-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 2 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a van deze wet.

Het gaat om: doorrijden na een aanrijding en schuld in het verkeer waarbij ook sprake was van fors alcoholgebruik en met zwaar lichamelijk letsel voor het slachtoffer als gevolg.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 30 maanden met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860545-17

Datum uitspraak: 10 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1961] ,

wonende te [adres] , [postcode] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Daarnaast wordt verdachte verweten na het ongeval te zijn doorgereden terwijl hij wist of moest vermoeden dat een ander daardoor letsel of schade was toegebracht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 1 en feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de vaststelling dat verdachte op het moment van het ongeval de bestuurder was van zijn auto, de schade aan zijn auto en de gevonden auto-onderdelen op de plek van het ongeval, kan worden afgeleid dat verdachte bij het ongeluk was betrokken. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat verdachte niet is uitgeweken voor het slachtoffer. Uit de ademanalyse is gebleken dat verdachte heel erg veel had gedronken. Alles afwegende is er sprake van een ernstige mate van schuld van verdachte. Het slachtoffer heeft ten gevolge van het ongeluk zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Ten aanzien van feit 1, het doorrijden na aanrijding, heeft de officier van justitie aangevoerd dat het, gelet op de schade aan de auto en het letsel van slachtoffer, een evident enorme klap moet zijn geweest. Verdachte moet daarom op het moment van aanrijding hebben vermoed dat hij een aanrijding veroorzaakte.

Het standpunt van de verdediging.

Het wettig en overtuigend bewijs van de voor schuld vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid ontbreekt, zodat verdachte van het onder feit 2 primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Verdachte werd geconfronteerd met een tegenligger die groot licht voerde waardoor hij werd verblind. Daardoor heeft hij het slachtoffer in het geheel niet gezien. Dat verdachte het slachtoffer niet heeft opgemerkt, levert geen aanmerkelijke schuld op. Niet is komen vast te staan dat het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan indien verdachte nuchter zou zijn geweest. Verdachte heeft de auto voortdurend onder controle gehad.

Ook voor feit 1 heeft de raadsman van verdachte vrijspraak bepleit. Verdachte heeft niets gezien of gehoord dat zou kunnen duiden op een botsing. Toen verdachte geconfronteerd werd met de tegenligger is hij een verkeersdrempel over gegaan en toen hoorde hij de vogelkooitjes op de achterbank schudden. Er was op dat moment voor verdachte geen enkele aanleiding te denken dat hij ergens tegenaan zou zijn gereden. Immers, de kooitjes schudden steevast bij het passeren van een verkeersdrempel.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De bewijsmiddelen

Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 26 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 11-12):

Op zondag 26 november 2017 kwamen wij om 17.20 uur ter plaatse op de [straatnaam] te Zeeland. Wij zagen dat aan de linkerzijde van de weg een man in de berm lag. Het slachtoffer heet [slachtoffer] . Wij zagen dat [slachtoffer] bloed bij zijn neus had. Ik, [verbalisant 2] , sprak [slachtoffer] aan en zag en hoorde dat hij wauwelde en niet bij bewustzijn was. Wij zagen dat het rechteronderbeen van [slachtoffer] in een onnatuurlijke houding lag. Wij hoorden dat de veroorzaker van de aanrijding na de aanrijding was doorgereden. Ik, [verbalisant 1] , zag dat in de berm een aantal auto-onderdelen lagen. Ik zag dat het binnen- en buitenwerk van een buitenspiegel in de berm en op het wegdek lagen. Ik zag dat het buitenwerk grijs van kleur was. Verderop zag ik een kunststof strip in de berm liggen waarvan ik vermoedde dat deze van een voorbumper afkomstig is. [verbalisant 3] , welke ter plaatse gekomen was, zag dat op één van de onderdelen de inscriptie ‘Ford’ stond. Ik, [verbalisant 2] , werd aangesproken door een man die later opgaf [getuige 3] te heten. Ik hoorde dat [getuige 3] zei dat hij een vermoeden had wie er verantwoordelijk was voor de aanrijding. Ik hoorde dat hij zei dat het mogelijk ene [verdachte] uit Schaijk betrof. Ik hoorde dat hij zei dat [verdachte] door meerdere mensen in het clubhuis was aangesproken niet te gaan rijden omdat hij bezopen was. Ik hoorde dat [getuige 3] zei dat [verdachte] had gezegd toch te gaan rijden. Ik hoorde dat iemand van de eenheid doorgaf dat [verdachte] op de [adres] te Schaijk zou wonen. Ik hoorde deze collega tevens doorgeven dat deze [verdachte] een grijze stationwagen van het merk Ford, type Focus, op naam had staan, voorzien van het kenteken [kenteken] . Wij hoorden dat collega’s genoemde personenauto van het merk Ford op dit adres aangetroffen en zij overgingen tot aanhouding.

Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 26 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 13-18):

Op zondag 26 november 2017 omstreeks 17.42 uur kregen wij het verzoek te gaan naar Schaijk, [adres] . Daar zou [verdachte] wonen die zojuist betrokken zou zijn geweest bij een aanrijding van een voetganger op de [straatnaam] te Zeeland. [verdachte] zou mogelijk onder invloed zijn van alcohol en ter plaatse zijn tegengehouden door omstanders maar alsnog zijn weggereden. Het voertuig zou een Ford Focus betreffen, station, bruin of grijs van kleur en een zijspiegel missen. [verdachte] werd verdacht van het verlaten van plaats na verkeersongeval en het veroorzaken van een verkeersongeval. Wij kwamen omstreeks 17.55 uur ter plaatse en zagen een grijze Ford Focus voor de woning staan, voorzien van kenteken [kenteken] . Wij zagen dat aan de rechterzijde een zijspiegel ontbrak. Wij zagen dat deze was afgebroken en dat er nog elektriciteitsdraden uitstaken op de plek waar de zijspiegel moest zitten. Net voor het rechtervoorwiel zat een kras en deukschade op de voorbumper en het zijpaneel.

Wij zagen [verdachte] op de bank liggen in de woning. Wij zagen op de salontafel geen alcoholische dranken staan. Wij hoorden van zijn vrouw dat hij niets meer had gedronken sinds hij thuis was, Ik hoorde van zijn vrouw dat [verdachte] medicatie slikt die in combinatie met alcohol niet zo goed valt bij [verdachte] . [verdachte] vertelde ons in de auto het volgende: “Ik ben in Zeeland geweest voor een vogelshow. Ik was net thuis toen jullie kwamen. Jullie zeggen dat ik verdachte ben van het veroorzaken van een aanrijding, ik heb hier niets van gemerkt. Ik zeg jullie dat ik gedronken heb. Ik heb ongeveer vier tot vijf biertjes gedronken. Ik heb echt niets gemerkt van een aanrijding. Ik heb ook niet gezien dat mijn auto schade had. Ik zat alleen in de auto en ik was bestuurder. Ik drink wel vaker een paar biertjes en dan rijd ik ook nog met mijn auto. Na aankomst op het bureau is omstreeks 18.50 uur een ademanalyse afgenomen.

Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 6] d.d. 12 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 21-31):

Op zondag 26 november (2017) omstreeks 18.00 uur heb ik een onderzoek ingesteld naar de feiten en omstandigheden waaronder op die dag omstreeks 17.15 uur op de [straatnaam] te Zeeland een ongeval had plaatsgevonden tussen een personenauto en een persoon waarbij de personenauto was doorgereden. Tijdens het onderzoek zag ik en stelde ik het volgende vast.

Omschrijving plaats ongeval

Er wordt uitgegaan van de rijrichting van de personenauto, rijdende over de [straatnaam] , plaatselijk gelegen buiten de bebouwde kom van Zeeland, gemeente Landerd. De wettelijke toegestane maximumsnelheid bedroeg 60 km/h. De [straatnaam] bestaat uit één rijbaan met een totale breedte van 4,90 meter met aan beide zijden fietssuggestiestroken welke van de rijbaan werden gescheiden middels een onderbroken streep. Aan beide zijden van de rijbaan waren grasbermen gelegen.

Tijd/weergesteldheid/wegdek/straatverlichting

Het tijdstip van het ongeval was gelegen tussen zonsondergang en zonsopkomst. Ten tijde van het ongeval was het droog weer. Het wegdek bestond uit bitumen en was droog. De openbare straatverlichting was aanwezig en in werking. Het wegdek van de [straatnaam] verkeerde in goede staat van onderhoud.

Uitzicht

Het uitzicht ter plaatse voor de bestuurder van de personenauto ten opzichte van het wegverloop en ten opzichte van de voetgangers werd niet door vaste obstakels belemmerd.

Sporen

Op het wegdek werden door mij geen sporen aangetroffen welke konden leiden tot het vaststellen van de botsplaats tussen de voetganger en de personenauto. Op aanwijzing van de collega’s ter plaatse daar heb ik vastgesteld alwaar de voetganger lag nadat de aanrijding had plaatsgevonden. Ik zag in de rechterberm twee spiegelkappen van de behuizing van een buitenspiegel liggen. Deze kappen waren verplaatst. Deze kappen werden voorzien van SIN AAEY3115NL. Bij de spiegelkappen lag een kunststof deel vermoedelijk afkomstig van een bumper. Dit onderdeel was verplaatst en werd voorzien van SIN AAEY3118NL. Ik zag dat op ongeveer 16 meter na de plaats waar het slachtoffer lag een spiegelglas op het wegdek lag welke op ongeveer 1,50 meter uit de rijbaankant op het wegdek lag en voorzien van SIN AAEY3117NL. Hoogstwaarschijnlijk was dit onderdeel niet verplaatst. Op woensdag 29 november 2017 werd mij een deel van een voet van een buitenspiegel overhandigd welke op de plaats van de aanrijding was aangetroffen en voorzien van SIN AAEY3116NL.

Tactische informatie

(…)

Op woensdag 29 november 2017 werd door mij het voertuig Ford Focus met kenteken [kenteken] , kleur: grijs welke was aangetroffen op het woonadres van de bestuurder onderzocht. Ik zag dat de Ford aan de rechterzijde beschadigd was en dat de rechterbuitenspiegel ontbrak. Aan de hand van de linkerbuitenspiegel zag ik dat de door mij in beslag genomen spiegelkappen wat betreft vorm en kleur overeenkwamen. Ik zag dat een deel van de spiegelvoet een souche vormde met een van de spiegelkappen. Ik zag dat een deel van de spiegelvoet een souche vormde met het nog op de personenauto aanwezige deel van de spiegelvoet. Ik zag dat het door mij aangetroffen kunststof deel een souche vormde met de bumper aan de rechterzijde van de personenauto.

Resultaat

Gezien vorenstaande kan worden vastgesteld dat de op de plaats van de aanrijding aangetroffen onderdelen toebehoorden aan de in dit proces-verbaal genoemde personenauto.

Oorzaak, toedracht en gevolg

Oorzaak:

De bestuurder van de personenauto verleende een voetganger geen vrije doorgang.

Toedracht:

Uit technisch onderzoek is gebleken dat de voetganger in tegengestelde richting liep waar hij – gezien de looprichting – over de fietssuggestiestrook aan de linkerzijde van de rijbaan liep. Achter hem liepen nog een aantal andere voetgangers. Uit tegengestelde richting naderde een personenauto. De bestuurder daarvan verleende geen vrije doorgang aan de voetganger en raakte de voetganger met de rechtervoorzijde. De bestuurder van de personenauto reed na de aanrijding door.

Gevolg:

Ten gevolge van de aanrijding raakte de voetganger zwaargewond. De personenauto raakte aan de rechtervoorzijde en aan de rechterzijde beschadigd.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 26 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 32-33):

(…)

Ik was met mijn vogels bezig toen ik van andere leden hoorde dat [verdachte] in zijn auto wilde stappen om naar huis te rijden. Ik hoorde dat verschillende mensen hebben geprobeerd hem tegen te houden zodat hij niet in zijn auto kon stappen. Helaas is het deze mensen niet gelukt om [verdachte] tegen te houden. Toen ik dat hoorde ben ik naar buiten gerend, ik zag dat [verdachte] in zijn auto zat en weg reed.

(…)

Ik kan u vertellen dat [verdachte] straalbezopen was en als ik eerder had geweten dat hij in de auto wilde stappen ik hem zeker had tegen gehouden omdat het niet verantwoord was dat hij ging rijden.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 27 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 34-35):

(…)

Ik zag dat [verdachte] onvast ter been was en alles uit zijn handen liet vallen. Ook zag ik dat [verdachte] een keer was gevallen. Ik heb vervolgens wel 10 keer gezegd: ‘ [verdachte] , jij gaat niet in de auto rijden, ik ga jouw vrouw bellen’. Hierop reageerde [verdachte] : ‘Dat hoef je niet te doen want die is toch niet thuis’. Vervolgens heb ik gezegd dat ik iemand ging regelen die zijn auto naar huis zou rijden, zodat ik er achteraan kon rijden en die persoon weer mee terug kon nemen. [verdachte] reageerde hier als volgt op: ‘Ik ben niet dronken, dit doen de medicijnen’. Ik zei vervolgens: ‘Al is dat zo, dan is dat net zo erg’. [verdachte] zei vervolgens: ‘ [getuige 4] , maakt u niet zo druk, ik ben een volwassen mens, ik kan nog handig rijden’. Ik reageerde vervolgens weer dat dit echt niet kon en dit herhaalde ik nog wel een aantal keer.

(…)

Op een gegeven moment kwam iemand, ik weet niet meer wie, tegen mij zeggen dat [verdachte] toch zelf was weggereden. Iets later was ik mijn eigen vogels aan het inladen in mijn auto. Op dat moment hoorde ik de sirenes van een ambulance. Vervolgens ben ik de auto ingestapt en ben ik gaan zoeken waar er iets was gebeurd. Ik had er namelijk geen goed gevoel bij dat [verdachte] toch in zijn auto was gestapt en weg was gereden.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 27 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 40-46):

Op zondag 26 november 2017 rond 17.15 uur liep ik samen met mijn man [slachtoffer] en onze drie kinderen over de [straatnaam] in Zeeland. [slachtoffer] liep voorop. Ik zag dat [slachtoffer] links van de weg liep, op de rode suggestiestrook. Het was droog en het begon te schemeren. We liepen zo ver mogelijk naar links, van de weg af in de berm. Ik zag vanuit de richting van Zeeland een auto aan komen rijden. Ik zag dat de auto zijn verlichting aan had. Ik zag dat de auto in onze richting kwam gereden. Ik zag dat die auto over de suggestiestrook reed. Ik zag dat die auto in de richting van [slachtoffer] reed. Ik zag dat het een langzame beweging was naar rechts en hij dus in de richting reed van [slachtoffer] . Ik riep toen naar [slachtoffer] : “kijk uit, die auto”. Het was een fractie van een seconde. Het volgende moment hoorde en zag ik dat die auto [slachtoffer] aanreed. Ik zag dat [slachtoffer] daardoor werd weggeslagen. Ik zag dat die auto niet remde, maar doorreed met dezelfde snelheid en niet is gestopt. Ik zag dat [slachtoffer] op de rijbaan lag met letsel. Hij verblijft nu in het ziekenhuis met een hoofdwond, hersenkneuzing, gebroken rechterkuit- en onderbeen en hij mist een aantal tanden.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 27 november 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 57-58):

Op zondag 26 november 2017 om 17.00 uur kwamen wij, [slachtoffer] , zijn vrouw [getuige 1] en hun drie kinderen gelopen vanaf de Heische Tip in Zeeland. Wij liepen over de, naar later bleek, de [straatnaam] richting de bebouwde kom van Zeeland. Omdat het schemerig aan het worden was, hebben we ook bewust aan de linkerzijde van de weg gelopen. [slachtoffer] liep voorop over de rode strook en links van hem liep, in de berm, [kind 1] . Achter [slachtoffer] liepen [kind 2] en [kind 3] . Ik zag half op het rode gedeelte en half op de weg. Daarachter liepen [getuige 1] en ik. [getuige 1] aan de bermkant. Ik zag toen uit tegenovergestelde richting een auto komen aanrijden. Ik zag dat hij harder reed dan stapvoets maar een normale snelheid voor daar. Ik zag dat het een lichtkleurige auto betrof. Merk weet ik niet. Ik zag dat de auto, gezien zijn rijrichting, op het rechtergedeelte reed, dus ook op het rode gedeelte. Ik hoorde toen [getuige 1] roepen “ [slachtoffer] pas op”. Vrijwel direct hoorde en zag ik dat die auto [slachtoffer] aanreed. [slachtoffer] heeft ook niet gereageerd. Ik zag dus dat [slachtoffer] werd aangereden door die auto met de rechter voor-/zijkant van de auto. Ik zag dat [slachtoffer] daardoor werd weggeslingerd en in de berm terecht kwam. Ik zag vervolgens dat die auto doorreed, hij is niet gestopt en heeft ook niet afgeremd. Ik zag dat hij doorreed in de richting van de Heische Tip. Later heb ik nog gehoord dat de politie nog een spiegel had gevonden. De bestuurder is doorgereden en is dus niet gestopt. Over inzittenden kan ik niets verklaren.

Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] d.d. 20 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 74-77):

(…)

Ik heb twee breuken in mijn rechteronderbeen en mijn kniebanden zijn afgescheurd. Ik mis drie voortanden rechtsvoor en er is een stukje van één van mijn tanden af. Tevens heb ik een bloeding in mijn hersenen gehad: een soort van hersenkneuzing volgens mij. Vier tenen van mijn rechtervoet kan ik niet of nauwelijks bewegen. Mijn rechterscheenbeen is ook gevoelloos.

(…)

Ik kan mijn werkzaamheden als ambulant verpleegkundige bij GGZ Oost-Brabant niet uitvoeren. Ik volg op dit moment een opleiding tot SPV. Ik kan deze opleiding nu niet afronden door mijn ongeval. Dit kost mij en mijn werkgever tijd en geld. Als ik niet meer auto kan rijden, kan ik mijn werkzaamheden niet meer uitvoeren. Ik krijg dan ontslag voor deze functie.

Proces-verbaal rijden onder invloed verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7] , d.d. 29 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 93-96):

Ik, [verbalisant 5] , had op zondag 26 november 2017 om 18.00 uur het eerste directe contact met de bestuurder die leidde tot de verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Ik rook dat de adem van de bestuurder naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank riekte, ik hoorde dat de bestuurder met dubbele tong sprak en ik zag dat de bestuurder onvast ter been was. De verdachte gaf mij op te zijn: [verdachte] , geboren [1961] te Berghem en wonende op de [adres] te Schaijk. Op zondag 26 november 2018 om 18.54 uur heb ik, [verbalisant 7] , verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, het onderzoeksresultaat van de ademanalyse bedroeg 785 ug/l.

Aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer] J. van der Heijden (arts) d.d. 1 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 78):

Medische informatie betreffende [slachtoffer] . Datum onderzoek: 26 november 2017.

Omschrijving van het letsel

A. Uitwendig waargenomen letsel:

Tanden bovenkaak afgebroken + rechtersnijtand

Zwelling hoofd links frontaal

Zwelling rechteronderbeen verdacht voor fractuur.

Gering uitwendig bloedverlies

Vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel.

Geen vermoeden inwendig bloedverlies

Geen psychische stoornis en/of stoornissen in het bewustzijn.

Medische verklaring K. van Heugten (coassistent neurologie), J. van der Heijden (ANIOS neurologie), J. Lion (neuroloog) d.d. 7 december 2017, voor zover inhoudende (p. 79-82):

Patiënt [slachtoffer] , 19 maart 1975 was van 26 november 2017 tot 8 december 2017 opgenomen in het Bernhoven Ziekenhuis te Uden. Opname-indicatie: auto-ongeval, voetganger vs. auto op 26 november 2017 met als gevolg:

1. Crurisfractuur rechts

2. Laterale bandruptuur en avulsiefractuur proximale fibula rechts

3. Subduraal hematoom links met subarachnoïdaal bloed

4. Afgebroken gebitselementen

Conclusie:

Het betreft een 42-jarige patiënt die werd opgenomen naar aanleiding van een auto-ongeval (voetganger vs. auto) op 26 november 2017 met als gevolg:

1. Crurisfractuur rechts waarvoor penfixatie op 27-11-2017.

2. Laterale bandruptuur en avulsiefractuur proximale fibula rechts waarvoor operatieve reconstructie op 29-11-2017.

3. Subduraal hematoom links met subarachnoïdaal bloed, waarbij de grootte van het hematoom en de hoeveelheid bloed op de CT-cerebrum van 04-12-2017 waren afgenomen ten opzichte van 26-11-2017.

4. Afgebroken gebitselementen waarvoor de kaakchirurg in behandeling werd gevraagd en behandeling via de eigen tandarts moet volgen.

In overleg met de revalidatiearts werd besloten patiënt op 08-12-2017 met ontslag te laten gaan naar de Tolbrug (opname klinische revalidatie).

Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 26 juni 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…)

Ik kwam eens in de twee maanden op de [straatnaam] . Ik reed daar alleen als ik naar een vogelshow ging. Er lopen daar regelmatig mensen in de berm. Ik zie niet altijd voetgangers in de berm, maar wel vaak. Het is een drukke weg.

(…)

Bijzondere overweging ten aanzien van het bewijs.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Bij de beantwoording van die vraag komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In beginsel is het begaan van één enkele verkeersfout onvoldoende om dergelijke ‘schuld’ aan te nemen, tenzij er sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden.

Op zondagmiddag 26 november 2018 heeft een ongeval plaatsgevonden op de [straatnaam] in Zeeland. Het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , liep met zijn gezin en een vriend aan de – voor hen – linkerkant van de weg. Het slachtoffer liep op de rode suggestiestrook. Het was droog en het was al donker, maar de straatverlichting was aanwezig en in werking. Op enig moment naderde verdachte met zijn personenauto hen vanuit de tegengestelde richting. Verdachte reed de toegestane snelheid op deze weg, zo’n 60 km/u. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft gezien. Op het moment dat verdachte het slachtoffer naderde, heeft hij zijn snelheid niet aangepast en is hij niet naar links uitgeweken. Verdachte heeft het slachtoffer vervolgens met de rechtervoorkant en rechterzijkant van zijn auto geraakt. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij regelmatig over de [straatnaam] rijdt en dat hij uit ervaring weet dat daar vaak voetgangers aan de zijkant van de weg lopen. Verdachte was er dan ook van op de hoogte dat hij voetgangers zou kunnen tegenkomen op deze weg en dat hij daarvoor oplettend moest zijn. Door het slachtoffer geen vrije doorgang te verlenen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een verkeersfout gemaakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij over een verkeersdrempel reed en werd verblind door een tegenligger. Op dat moment zou het ongeval volgens verdachte moeten hebben plaatsgevonden. Deze verklaring van verdachte wordt op geen enkele wijze in het dossier ondersteund. De auto-onderdelen zijn gevonden nabij de locatie waar het slachtoffer na de aanrijding lag. Op basis hiervan moet worden vastgesteld dat het ongeval aldaar, of daar dichtbij in de buurt, heeft plaatsgevonden. Op de plek van de aanrijding is geen verkeersdrempel gelegen. Evenmin is gebleken dat er op het moment van de aanrijding een voor verdachte tegemoetkomende auto passeerde. Verdachte is de enige die daarover verklaart.

Alcoholgebruik

Verdachte reed terug naar huis na een bijeenkomst van zijn vogelvereniging. Meerdere getuigen hebben verklaard dat verdachte erg dronken was toen hij bij de vogelvereniging wilde vertrekken. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij aan verdachte heeft voorgesteld om zijn vrouw te bellen of om iemand anders zijn auto naar huis te laten rijden. Uit de getuigenverklaring komt naar voren dat verdachte van dit alles niets wilde weten. Op enig moment is verdachte in zijn auto gestapt en vertrokken. Kort na het ongeval hebben verbalisanten verdachte in zijn woning opgehaald. Zij hebben verklaard dat de adem van verdachte op dat moment naar alcoholhoudende drank riekte, hij met een dubbele tong sprak en onvast ter been was. Verbalisanten hebben vervolgens een ademanalyseonderzoek afgenomen bij verdachte. Het onderzoeksresultaat hiervan bedroeg 785 ug/l. Dit percentage is ruim drie keer zo hoog als is toegestaan.

Gelet op bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat er, naast de door verdachte begane verkeersfout, sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden, die het oordeel rechtvaardigen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen en het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is, zoals bedoeld in artikel 6 WVW. Voor een hogere mate dan ‘aanmerkelijke’ schuld is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs.

Zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een causaal verband tussen de verweten gedraging en het verkeersongeval alsmede tussen het verkeersongeval en het lichamelijk letsel en de pijnklachten van het slachtoffer. Als gevolg van het onvoorzichtig en onoplettend handelen van verdachte is er immers een aanrijding ontstaan tussen zijn personenauto en het slachtoffer, waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Het letsel bestaat uit afgescheurde kniebanden, een beenbreuk, een hersenkneuzing en afgebroken tanden. Het slachtoffer heeft hiervoor een lange periode in een revalidatiekliniek verbleven. Hij heeft zijn studie niet kunnen afronden en zijn werk tot op heden niet kunnen hervatten. Aangezien het slachtoffer lange tijd hinder zal ondervinden van het letsel dat hij heeft opgelopen, is de rechtbank van oordeel dat dit letsel, naar algemeen spraakgebruik, kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Doorrijden na aanrijding

Verdachte heeft verklaard dat hij de aanrijding niet heeft gemerkt. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de rechterspiegel van de auto volledig van de auto is afgeslagen. Uit de auto van verdachte staken enkel nog de elektriciteitsdraadjes van deze spiegel. Ook zat op de rechtervoorkant van de auto een deuk. Gelet op deze schade en ook op het letsel van het slachtoffer, moet de aanrijding een behoorlijke klap hebben gegeven. Naar algemene ervaringsregels moet worden aangenomen dat een bestuurder van een personenauto een dergelijke klap niet kan ontgaan. Verdachte moet de aanrijding dus hebben opgemerkt. Desalniettemin is verdachte na de aanrijding doorgereden. De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. als degene door wiens gedraging (als bestuurder van een personenauto) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Zeeland, gemeente Landerd, op de [straatnaam] , op 26 november 2017 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht;

2. (primair)

op 26 november 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam te handelen als volgt:

verdachte heeft met een door hem bestuurde (personen)auto, rijdende op de [straatnaam] (richting [naam] ), een hem tegemoetkomende (over de aan de linkerzijde van de rijbaan gelegen fietssuggestiestrook lopende) voetganger (genaamd [slachtoffer] ) niet opgemerkt en is (daardoor) niet (naar links) uitgeweken en heeft niet afgeremd en is (vervolgens) tegen (het lichaam van) die [slachtoffer] gereden,

waardoor een ander (te weten die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een crurisfractuur en een laterale bandruptuur en avulsiefractuur proximale fibula en subduraal hematoom links en afgebroken tanden werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

zulks terwijl verdachte zijn voertuig (personenauto) bestuurde na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden en een rijontzegging voor de duur van 48 maanden. De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij hierbij acht heeft geslagen op de richtlijnen die voor de WVW zijn voorgeschreven. Gelet op het feit dat verdachte zoveel had gedronken, staat in de richtlijnen geen andere straf omschreven dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De officier van justitie heeft verbeurdverklaring verzocht van de voorwerpen waarop nog beslag rust.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat bij een eventuele bewezenverklaring een gevangenisstraf een te forse en te ingrijpende straf is voor verdachte. Verdachte kan zich vinden in het opleggen van een rijontzegging , maar de raadsman acht een rijontzegging voor de duur van 48 maanden, als door de officier van justitie gevorderd, erg hoog. De raadsman heeft verzocht om teruggave van de voorwerpen waarop nog beslag rust, omdat de toegevoegde waarde ontbreekt van verbeurdverklaring van deze voorwerpen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 26 november 2017 een verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte had een grote hoeveelheid alcohol gedronken. Het is zeer aannemelijk dat de genuttigde alcohol van invloed is geweest op het waarnemingsvermogen van verdachte. Een ieder weet dat het niet is toegestaan om na het nuttigen van zoveel alcoholhoudende drank achter het stuur te gaan zitten en tot welke ernstige gevolgen dit kan leiden. Verdachte heeft zich hier echter niets van aangetrokken en zich er geenszins om bekommerd dat hij ook andere mensen in gevaar kon brengen.

Daarbij komt dat meerdere mensen bij de vogelvereniging hem hebben gezegd dat hij niet moest rijden. Er is zelfs voorgesteld dat iemand anders zijn auto thuis zou brengen of dat zijn vrouw hem zou komen ophalen. Desondanks is verdachte achter het stuur gaan zitten. En alhoewel het al enige tijd is geleden, is verdachte in het verleden twee keer eerder veroordeeld voor rijden onder invloed. Verdachte was in meerdere opzichten een gewaarschuwd man.

De gevolgen van de aanrijding zijn voor het slachtoffer aanzienlijk. De grote impact van het ongeval is de rechtbank gebleken uit de slachtofferverklaring die het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgedragen. Hijzelf en zijn gezin moeten nog iedere dag leven met de gevolgen van het ongeluk. Dit valt hen zwaar. Het slachtoffer zal ook nog lange tijd worden geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval.

De rechtbank heeft voor de straftoemeting gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht met betrekking tot overtreding van artikel 6 WVW. De categorie die de rechtbank in het onderhavige geval het meest vindt passen, is de categorie ‘aanmerkelijke schuld bij een adem/alcoholgehalte bij meer dan 570 ug/l, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende’. Bij deze categorie hoort een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren. De rechtbank neemt deze strafmaat als uitgangspunt.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ondanks zoveel waarschuwingen toch is gaan rijden en de rechtbank rekent ook mee dat zij bewezen acht dat verdachte na de aanrijding is doorgereden. De rechtbank is daarom van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts zal de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 30 maanden. Met deze ontzegging wordt eveneens beoogd te voorkomen dat verdachte opnieuw op een dergelijke wijze aan het verkeer zal deelnemen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Ten aanzien van feit 2 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a van deze wet. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair:Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair:Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronderbegrepen) voor de duur van 30 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: - 2 spiegelkappen autospiegel, kleur: grijs (G1284166);

- 1 autospiegelgedeelte buitenspiegel rechts, kleur: grijs (G1284169);

- 1 spiegelglas autospiegel (G1284171); - 1 bumperdeel, kleur: grijs (G1284175).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,

mr. W.C.E. Winfield en mr. W. Brouwer, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 10 juli 2018.

BIJLAGE 1

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, als degene door wiens gedraging (als bestuurder van een personenauto) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Zeeland, gemeente Landerd, op/aan [straatnaam] , op of omstreeks 26 november 2017 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;

2.

hij op of omstreeks 26 november 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te handelen als volgt :

verdachte heeft met een door hem bestuurde (personen)auto, rijdende op de [straatnaam] (richting [naam] ), een hem tegemoetkomende (over de aan de linkerzijde van de rijbaan gelegen fietssuggestiestrook lopende) voetganger (genaamd [slachtoffer] ) niet, althans niet tijdig opgemerkt en/of is (daardoor) niet, althans niet tijdig (naar links) uitgeweken en/of heeft niet, althans niet tijdig afgeremd en/of is (vervolgens) op die [slachtoffer] ingereden en/of tegen (het lichaam van) die [slachtoffer] gereden/gebotst,

waardoor een ander (te weten die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een crurisfractuur en/of een laterale bandruptuur en/of avulsiefractuur proximale fibula en/of subduraal hematoom links en/of afgebroken tanden, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

zulks terwijl verdachte zijn voertuig (personenauto) bestuurde na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 785 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 november 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft verdachte toen aldaar met een door hem bestuurde (personen)auto, rijdende op de [straatnaam] (richting [naam] ), een hem tegemoetkomende ( over de aan de linkerzijde van de rijbaan gelegen fietssuggestiestrook lopende ) voetganger (genaamd [slachtoffer] ) niet, althans niet tijdig opgemerkt en/of is (daardoor) niet, althans niet tijdig (naar links) uitgeweken en/of heeft niet, althans niet tijdig afgeremd en/of is (vervolgens) op die [slachtoffer] ingereden en/of tegen (het lichaam van) die [slachtoffer] gereden/gebotst;

(artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994);

en/of

hij op of omstreeks 26 november 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 785 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

(artikel 8 Wegenverkeerswet 1994)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, afdeling Infrastructuur, genummerd 2017242946, aantal pagina’s: 128.