Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3314

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
C/01/316239 / HA ZA 17-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Beëindiging vennootschap onder firma. Oproeping als derde partij in een procedure in de zin van artikel 118 Rv.. Verdeling of toebedeling op grond van bepalingen van de vennootschapsakte of op grond van artikel 3:185 BW (verdeling door de rechter van een eenvoudige gemeenschap). Inbreng van economische eigendom van een perceel grond door de vennoten. Inbreng van het onverdeelde aandeel van dit perceel grond door twee vennoten in een door hen opgerichte B.V. ter volstorting van de aandelen, welke inbreng in strijd is met de vennootschapsakte. Verdeling voor drie jaar uitsluiten? Peildatum waarde van het perceel grond, uitleg bepalingen minnelijke regeling, gebruiksvergoeding, parkeerrecht, anti-speculatiebeding, verdeling saldo bankrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/910
OR-Updates.nl 2018-0129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/316239 / HA ZA 17-14

Vonnis van 11 juli 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.F.W. van Seumeren te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 5] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.A.H.J. Goyaerts te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna De B.V. en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden zullen, voor zover nodig, ieder afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] .

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 juli 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houdende wijziging van eis van de B.V. van 11 december 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2018, de daaraan gehechte spreekaantekeningen van de gemachtigden van beide partijen en de in dit proces-verbaal genoemde ingekomen stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De heer [naam vennoot 1 van VOF 1] (hierna aan te duiden als [naam vennoot 1 van VOF 1] ), zijn echtgenote en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op 15 juni 1990 een akte ondertekend, waarin bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de door hen met ingang van 1 februari 1990 gedreven vennootschap onder firma [naam VOF 1] (hierna: de VOF). Middels deze VOF werd een transportbedrijf geëxploiteerd. De akte zal hierna worden aangeduid als de VOF-akte 1990. [naam vennoot 1 van VOF 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn broers.

2.2.

In de artikelen 2, 12, 13 en 14 van de VOF-akte 1990 zijn onder meer regelingen opgenomen met betrekking tot de beëindiging van de vennootschap en voorzetting van de zaken na de beëindiging daarvan.

In artikel 2 staat het volgende:

“de vennootschap is aangegaan voor onbepaalde tijd. Iedere vennoot heeft het recht de vennootschap op te zeggen, met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden. De opzegging moet geschieden bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploit.”

In artikel 12 staat het volgende:

“De vennootschap eindigt:

  1. door een besluit tot ontbinding in onderling overleg;

  2. (…)

  3. (…)

  4. door het verstrijken van de opzeggingstermijn – bedoeld in artikel 2 – na opzegging door een vennoot;

  5. (…)

  6. (…)”

In artikel 13 staat het volgende:

“Indien de vennootschap eindigt door één van de oorzaken, vermeld in het vorige artikel onder 2, 3 en 5 (het overlijden van een vennoot, het van rechtswege door een vennoot verliezen van het beheer over zijn vermogen, het uitspreken van de tegen een vennoot uitgesproken ontbinding door de rechter – toevoeging rechtbank), heeft de andere dan de daar bedoelde vennoot het recht de zaken van de vennootschap alleen of met anderen voort te zetten.

Indien de vennootschap eindigt door opzegging door vennoot 1 ( [naam vennoot 1 van VOF 1] – opmerking rechtbank) komt het recht de zaken van de vennootschap alleen of met anderen voort te zetten toe aan vennoot 1. Indien de vennootschap eindigt door opzegging door een van de andere vennoten komt het recht de zaken van de vennootschap alleen of met anderen voort te zetten toe aan de andere dan de opzeggende vennoten.

(…)”

In artikel 14 staat het volgende:

“de vennoot die overeenkomstig het vorige artikel de zaken van de vennootschap voortzet, is gerechtigd al haar activa over te nemen of zich te laten toescheiden onder de gehoudenheid alle passiva van de vennootschap voor zijn rekening te nemen.

Die vennoot is alsdan gerechtigd de handelsnaam van de onderneming te blijven voeren.

Voor het maken van de afrekening tussen de vennoten wordt behalve een balans en een winst- en verliesrekening, opgemaakt naar de tevoren gebruikte maatstaven, een afzonderlijke balans opgemaakt.

Op laatstbedoelde balans worden de activa van de vennootschap opgenomen voor de gebruikswaarde. Deze waarde wordt in onderling overleg tussen de uittredende vennoot (…) enerzijds en de overblijvende vennoot anderzijds bepaald, terwijl er zo nodig ook een herwaardering der passiva plaats vindt. Komen zij omtrent de waardebepaling niet tot overeenstemming, dan wordt de waarde vastgesteld door drie deskundigen op verzoek van de meest gerede partij te benoemen door de Voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken waar de onderneming in het handelsregister is ingeschreven. Bij het optellen van de balans wordt rekening gehouden met goodwill.

(…)”

2.3.

In een aanhangsel bij de VOF-akte uit 1990, d.d. 27 maart 1992 (hierna het aanhangsel 1992), is vermeld dat [naam vennoot 1 van VOF 1] en zijn echtgenote in de VOF deelnemen via De B.V..

In een aanhangsel bij de VOF-akte uit 1990, d.d. 25 januari 1998 (hierna het aanhangsel 1998) is een afspraak over de winstverdeling gemaakt, welke er op neerkomt dat De B.V. 40% van de winst zal ontvangen en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ieder 30%.

2.4.

Een stuk grond gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend [kadastraal nummer] (hierna: de grond) is op 15 februari 2008 door De B.V. gekocht van mevrouw [naam verkoper grond] (de koopovereenkomst is door [gedaagden] als productie 3 bij conclusie van antwoord / eis in reconventie overgelegd). Vervolgens is, nadat een mondelinge koopovereenkomst tot stand is gekomen, het stuk grond op 17 juni 2008 door De B.V. geleverd aan De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] .

In de notariële leveringsakte staat:

“Verkoper heeft blijkens een met koper aangegane mondelinge koopovereenkomst aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze, ieder voor één/derde onverdeeld aandeel in hun hoedanigheden van vennoten van voornoemde vennootschap onder firma, aanvaardt (…)”

In een op 30 januari 2012 gedateerd uittreksel uit de kadastrale registers (productie 2 bij dagvaarding) is bij ieder van de drie gerechtigden in een aantekening vermeld: “verkregen ten behoeve van maatschap”.

2.5.

Op 3 september 2011 is een overeenkomst met de gemeente Maasdriel gesloten, welke onder meer inhoudt dat de onderneming van de VOF vanuit de kern van Kerkdriel naar het buitengebied (waar de grond is gelegen) zal worden verplaatst en dat op de grond een (nieuwbouw) bedrijfshal met kantoorruimte en een parkeerterrein zal worden gerealiseerd. Hiervoor is een (inmiddels onherroepelijke) bouwvergunning afgegeven. Met de gemeente is voorts afgesproken dat op de grond 15 parkeerplaatsen worden gerealiseerd als parkeervoorziening van vrachtwagens en opleggers ten behoeve van derden. Dit in verband met de wens van de gemeente dat in de bebouwde kom van Kerkdriel geen vrachtwagens meer geparkeerd worden. Deze overeenkomst is van de zijde van de VOF ondertekend door [naam vennoot 1 van VOF 1] .

2.6.

[naam vennoot 1 van VOF 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben in 2012 gesproken over een nieuwe overeenkomst van vennootschap onder firma.

Bij brief van 28 september 2012 heeft mr. J.L. Vissers (advocaat en bekende van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] en [naam vennoot 1 van VOF 1] ) een door hem opgestelde overeenkomst vennootschap onder firma aan De B.V. toegezonden (productie 12 bij dagvaarding). Als partijen zijn daarin vermeld [naam vennoot 1 van VOF 1] Beheer B.V. (hierna: de Beheer B.V. van [naam vennoot 1 van VOF 1] ), [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] . Deze overeenkomst is niet ondertekend.

2.7.

[naam vennoot 1 van VOF 1] heeft op 5 juli 2013 de overeenkomst van vennootschap onder firma opgezegd tegen 5 oktober 2013.

2.8.

In augustus 2013 hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] de vennootschap onder firma [naam VOF 2] opgericht.

2.9.

De B.V., [gedaagde sub 1] en [naam vennoot 1 van VOF 1] hebben een kort geding procedure bij de rechtbank Gelderland gevoerd over de beëindiging van de vennootschap en de verdeling van het vermogen. Tijdens de zitting van het kort geding van 26 juni 2014 hebben partijen een minnelijke regeling getroffen, waarbij onder meer afspraken zijn gemaakt over bedragen die partijen over en weer nog aan elkaar verschuldigd zijn. De gemaakte afspraken zien niet op de grond en op een geldbedrag dat op een geblokkeerde rekening staat in verband met een mogelijke uitkering inzake planschade.

In de minnelijke regeling (productie 3 bij de dagvaarding) staat met betrekking tot deze twee onderwerpen het volgende vermeld:

“8. Er resteert een geschil over een stuk grond aan de [adres] en een geblokkeerde rekening ten behoeve van de planschade. Hierover zullen partijen verder in onderhandeling treden. Wel zijn partijen het er over eens dat VOF [naam VOF 1] , zolang zij daar gevestigd is en een bedrijf uitoefent, gebruik moet kunnen blijven maken van de grond tegen vergoeding of niet. Ook zijn partijen het er over eens dat alle drie de vennoten, [eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in gelijke delen gerechtigd zijn tot de waarde van de grond zoals vastgesteld per ultimo 2012.”

Voorts staat in de minnelijke regeling:

“9. Ten behoeve van de nagekomen vorderingen en baten nemen partijen als uitgangspunt dat per 5 oktober 2013 [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen vennoten meer zijn van VOF [naam VOF 1] en dat [eiseres] per die datum de VOF [naam VOF 1] heeft voortgezet.

10. Partijen verklaren dat zij, behoudens hetgeen hiervoor onder punt 8 is opgenomen, niets van elkaar te vorderen hebben na nakoming van de overige hiervoor opgenomen artikelen. (…)”

2.10.

Op basis van de (onder punt 3 van de minnelijke regeling) gemaakte afspraken is op de grond een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot zekerheid voor de nakoming van betalingsafspraken door De B.V. in het kader van de minnelijke regeling.

2.11.

Bij akte van 29 april 2015 (productie 2 bij conclusie van antwoord / eis in reconventie) hebben [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] de besloten vennootschap [gedaagde sub 5] (gedaagde sub 5, [gedaagde sub 5] ) opgericht.

Op pagina 20 van deze oprichtingsakte staat onder B “overeenkomst tot storting”:

1. wijze van storting:

  1. Namens de bij deze akte opgerichte vennootschap (hierna te noemen de vennootschap) is met elke oprichter-vennootschap (hierna te noemen de oprichter of de inbrenger) overeengekomen dat de oprichter de door haar genomen aandelen zal volstorten door inbreng in de vennootschap van haar één derde (1 /3) onverdeeld aandeel in de eigendom van een perceel grond aan de [adres] , (…), onder de verplichting voor de vennootschap voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen alle passiva van die op de ingebrachte onroerende zaak rusten, waaronder begrepen de voorziening voor planschade, zoals deze vermeld zijn op de hierna sub 3.a gemelde inbrengbalans, zulks onder de hierna sub 2, 3, 4 en 5 opgenomen bepalingen.

  2. De sub a bedoelde inbreng geschiedt op de voet van artikel 14 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de in dat artikel bedoelde nader gestelde voorwaarden (hierna te noemen de voorwaarden).

2. inbreng (algemeen):

  1. De onroerende zaak wordt geacht van één januari tweeduizend vijftien (01-01-2015) af voor rekening en risico van de vennootschap te zijn geëxploiteerd.

  2. Van de sub a bedoelde datum af tot de dag van oprichting zullen de winst en het verlies van de onroerende zaak ten bate en ten laste van de vennootschap zijn.

  3. De oprichter is tot onverwijlde inbreng verplicht. De inbreng zal nader bij afzonderlijke akte worden geëffectueerd.

(…)”

In een op 6 februari 2017 gedateerd uittreksel uit de kadastrale registers (productie 1 bij conclusie van antwoord / eis in reconventie) is met betrekking tot de grond bij De B.V. vermeld 1/3 eigendom alsmede “verkregen ten behoeve van de maatschap” en bij [gedaagde sub 5] 2/3 eigendom.

2.12.

Omdat partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming hebben kunnen komen over de grond en het saldo op de geblokkeerde bankrekening, zijn procedures aanhangig gemaakt bij de rechtbank Gelderland en het gerechtshof Arnhem. Uitkomst van deze procedures is dat rechtbank Gelderland en het gerechtshof Arnhem onbevoegd zijn om van het geschil kennis te nemen. Vervolgens hebben partijen de afspraak gemaakt het geschil in volle omvang en op alle grondslagen voor te leggen aan de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De B.V. vordert na eiswijziging samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de grond toe zal scheiden aan de huidige vennoten van de VOF, althans aan De B.V. en [gedaagden] zal veroordelen om uiterlijk binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis mee te werken aan de notariële levering en overdracht van het twee/derde onverdeelde aandeel in de grond, onbezwaard en mitsdien vrij van hypotheken, beslagen, inschrijvingen, huur en/of andere verplichtingen primair: aan de huidige vennoten van de VOF (zijnde De B.V. en de twee zonen van [naam vennoot 1 van VOF 1] ) via een daartoe door De B.V. aan te wijzen notaris, die de daarvoor benodigde akte(n) zal opstellen en passeren en subsidiair aan De B.V. via een daartoe door De B.V. aan te wijzen notaris, die de daarvoor benodigde akte(n) zal opstellen en passeren, primair en subsidiair op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagden] met dit gebod in gebreke blijven, en meer subsidiair: een zodanige verdeling zal gelasten als de rechtbank juist voorkomt;

  2. zal bepalen dat het in deze te wijzen vonnis, waarin aan [gedaagden] het hiervoor onder 1 gevorderde gebod wordt opgelegd, in de plaats kan treden van de bij akte van levering vereiste wilsverklaring van [gedaagden] ;

  3. zal verklaren voor recht dat de boekwaarde van de onverdeelde aandelen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] (en [gedaagde sub 5] ) in de grond reeds in het kader van de financiële afwikkeling van de VOF is verdeeld en vereffend tussen de vennoten en dat thans nog bij levering en overdracht van twee/derde (2/3) aandeel in de grond door [gedaagde sub 5] de stille reserve ten opzichte van de (getaxeerde) waarde van de grond per ultimo 2012 zal dienen te worden vergoed en dit bedrag vast te stellen op € 100.614,00 (€ 50.307,00 voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ieder conform de berekening als opgenomen onder punt 45 van de dagvaarding);

  4. zal verklaren voor recht dat het saldo van de geblokkeerde rekening reeds in het kader van de financiële afwikkeling van de VOF is verdeeld en vereffend tussen de vennoten en dat dit saldo toekomt aan de VOF en voorts [gedaagden] , althans [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] als vennoten, te veroordelen om binnen één maand na betekening van het ten deze te wijzen vonnis hun onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de vrijgave door de Rabobank Bommelerwaard U.A. van het saldo van de geblokkeerde rekening ten behoeve van de VOF en daartoe alle noodzakelijke handelingen te verrichten, één en ander op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat gedaagden met dit gebod in gebreke blijven;

  5. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen van af bedoelde termijn voor voldoening;

  6. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de kosten van het beslag, bestaande uit salaris advocaat en verschotten, welke verschotten bestaan uit het griffierecht van € 618,00 alsmede de beslagkosten van in totaal € 416,55.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagden] vorderen na eiswijziging samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A- Voorwaardelijk: (voor zover de rechtbank van oordeel is dat De B.V. ontvankelijk is in haar vordering(en) jegens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ):

a.

Primair: de verdeling zal gelasten door overbedeling ex artikel 3:185 lid 1 juncto lid 2 sub b BW van het perceel, alsmede (het saldo van) de geblokkeerde rekening met rekeningnummer [rekeningnummer] (inclusief spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] ), hierna “de rekening” aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , tegen vergoeding van de overwaarde, door uw rechtbank na taxatie in goede justitie te bepalen, waarbij De B.V. wordt veroordeeld om binnen vier weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis mede te werken aan de notariële overdracht en levering van haar onverdeeld aandeel in het perceel aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , een en ander te effectueren door een door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan te wijzen notaris, alsmede medewerking te verlenen aan de overdracht van de rekening aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat

De B.V. hiermee in gebreke blijft;

Subsidiair: de verdeling zal gelasten door toedeling van een gedeelte aan ieder der deelgenoten ex artikel 3:185 lid 1 juncto lid 2 sub a BW, naar rato van een ieders aandelen:

  • -

    Voor wat betreft het perceel: 2/3e deel aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gezamenlijk en 1/3e deel aan De B.V. op de wijze zoals afgetekend op de als productie 17 bij “de akte ter comparitie houdende wijziging c.q. aanvulling van eis in (voorwaardelijke / onvoorwaardelijke) reconventie, tevens houdende akte overlegging producties” van [gedaagden] overgelegde tekening;

  • -

    Voor wat betreft de rekening: 1/3e deel aan [gedaagde sub 1] , 1/3e deel aan [gedaagde sub 2] en 1/3e deel aan De B.V..

Met veroordeling van De B.V. om haar medewerking te verlenen aan de kadastrale splitsing en inschrijving in de registers, een en ander voor zoveel nodig te effectueren door een door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan te wijzen notaris, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat De B.V. in gebreke blijft om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan het bovenstaande te voldoen;

Meer subsidiair: de verdeling zal gelasten door toedeling van een gedeelte aan ieder der deelgenoten ex artikel 3:185 lid 1 juncto lid 2 sub a BW:

  • -

    Voor wat betreft het perceel: op de wijze zoals afgetekend op de als productie 18 bij “de akte ter comparitie houdende wijziging c.q. aanvulling van eis in (voorwaardelijke / onvoorwaardelijke) reconventie, tevens houdende akte overlegging producties” van [gedaagden] overgelegde tekening, waarbij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zo nodig financieel worden gecompenseerd in geval van “onderbedeling”, rekening houdende met fiscale aspecten daarvan,

  • -

    Voor wat betreft de rekening: 1/3e deel aan [gedaagde sub 1] , 1/3e deel aan [gedaagde sub 2] en 1/3e deel aan De B.V.,

Met veroordeling van De B.V. om haar medewerking te verlenen aan de kadastrale splitsing en inschrijving in de registers, een en ander voor zoveel nodig te effectueren door een door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan te wijzen notaris, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat De B.V. in gebreke blijft om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan het bovenstaande te voldoen;

Nog meer subsidiair: de verdeling van de grond en de rekening zal bepalen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 BW;

Primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair: zal bepalen dat de kosten van de notaris voor rekening dienen te komen van de partij waaraan het perceel geheel of deels wordt toegescheiden;

b.

Als de rechtbank mocht oordelen dat de grond aan De B.V. moet worden toegescheiden voor een bedrag door de rechtbank na taxatie in goede justitie te bepalen bedrag, te oordelen dat de vordering van De B.V. tot verdeling op basis van het bepaalde in artikel 3:178 lid 3 BW voor drie jaren wordt uitgesloten, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, en waarbij alle kosten ter zake, waaronder de kosten van de notaris, voor rekening van De B.V. dienen te komen en waarbij De B.V., [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] schadeloos dient te stellen voor hun onderbedeling;

c.

De B.V. te gebieden, althans te gehengen en te gedogen, dat aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor hun vrachtauto’s (thans) 2 parkeerplaatsen naar keuze op de grond toegewezen krijgen en voorts een sleutel van de toegangspoort van de grond ter beschikking krijgen, zulks voor onbepaalde tijd en om niet, dan wel tegen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen huurprijs, te vermeerderen met omzetbelasting en geen belemmeringen daartoe op te werpen, alsmede tot het opnemen van een anti-speculatiebeding, een en ander zoals in onderdeel 6 van “de akte ter comparitie houdende wijziging c.q. aanvulling van eis in (voorwaardelijke / onvoorwaardelijke) reconventie, tevens houdende akte overlegging producties” van [gedaagden] staat vermeld, een en ander op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,00 per dag dat De B.V. daarmee in gebreke blijft na zeven dagen na het betekenen van het in deze te wijzen vonnis;

d.

De B.V. te veroordelen tot het betalen – zonder opschorting of verrekening – van een huurprijs dan wel gebruiksvergoeding voor het gebruik van de grond van € 7,50 per m2 per jaar exclusief omzetbelasting ( € 3.021 per maand voor twee / derde aandeel), te vermeerderen met 21% omzetbelasting, te rekenen vanaf 15 september 2014 tot een datum, in goede justitie door de rechtbank te bepalen;

e.

indien de vorderingen van zowel De B.V als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden afgewezen en de onverdeeldheid in stand blijft, De B.V. te veroordelen tot het betalen van de onder d. genoemde huurprijs zolang het gebruik van de grond strekt (geïndiceerd), de bedragen per maand zonder opschorting of verrekening vooraf te betalen, uiterlijk op de eerste van de maand van de periode waarop de betaling betrekking heeft, dan wel, in beide gevallen, een huurprijs in goede justitie door de rechtbank te bepalen, te vermeerderen met omzetbelasting);

B- Onvoorwaardelijk:

  1. De B.V. zal veroordelen tot de betaling aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van een bedrag van € 1.545,64 aan rente, te vermeerderen met rente en kosten;

  2. De B.V. zal veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de (proces)advocaat van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de vijftiende dag na de dag van de uitspraak en te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot voldoening van de nakosten ter hoogte van een bedrag van € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen onder de voorwaarde dat De B.V. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het in dezen te wijzen vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,” met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

3.5.

De B.V. voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie.

4.1.

Partijen zijn het over een aantal kwesties oneens. Hierover zal eerst een beslissing moeten worden genomen, alvorens op de vorderingen van partijen te kunnen beslissen. De verschillende onderwerpen waarover partijen van mening verschillen zullen hierna achtereenvolgens worden besproken.

Is De B.V. ontvankelijk in haar vordering(en) met betrekking tot de grond?

4.2.

[gedaagden] (althans [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] en hun Beheer B.V.’s) stellen zich op het standpunt dat De B.V. niet ontvankelijk is haar vorderingen met betrekking tot de grond, zoals bij dagvaarding ingesteld tegen gedaagden 1-4, aangezien de onverdeelde aandelen in de grond van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn ingebracht ter volstorting van de aandelen in het vermogen van [gedaagde sub 5] , welke B.V. op 29 april 2015 is opgericht. De vorderingen van De B.V. inzake de grond zijn niet ingediend tegen [gedaagde sub 5] , maar slechts tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (en subsidiair tegen hun Beheer B.V.’s).

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de B.V., met het oog op dit verweer, na verkregen toestemming bij incidenteel vonnis van de rechtbank, [gedaagde sub 5] heeft opgeroepen als derde partij in deze procedure, als bedoeld in artikel 118 Rv.

De daarbij tegen [gedaagde sub 5] ingestelde vorderingen zijn grotendeels gelijk aan de bij inleidende dagvaarding ingestelde vorderingen en zien in ieder geval op de grond. Daarna heeft De B.V. haar eis nog gewijzigd, welke eiswijziging gericht was tegen alle gedaagden. Alleen al om die reden slaagt het verweer van [gedaagden] niet.

Welke vennootschapsovereenkomst is tussen partijen geldend?

4.4.

Tussen partijen is in geschil welke afspraken met betrekking tot de VOF tussen hen geldend zijn.

4.5.

De B.V. stelt zich op het standpunt dat de geldende afspraken in de VOF-akte 1990 en de aanhangsels 1992 en 1996 staan. De B.V. bevestigt dat er in 2012 een concept-akte is opgesteld, maar stelt dat deze concept-akte slechts een discussiestuk was, welke bovendien nooit werkelijk is besproken. Er is nooit overeenstemming bereikt over wezenlijke punten zoals ondernemersloon, verdeling van de winst, de bevoegdheid van de vennoten en de verdeling van de werkzaamheden. Zij wijst er op dat deze concept-akte nooit definitief is geworden en dat de concept-akte nooit is ondertekend. Voorts wijst zij er op dat een aantal punten in de concept-akte nog niet eens zijn ingevuld en dat de concept-akte op naam staat van Beheer B.V.’s die in 2012 nog niet eens bestonden. Deze Beheer B.V.’s, althans [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] zijn pas op 29 april 2015 opgericht (De B.V. verwijst naar productie 1 bij dagvaarding).

Als reactie op een door [gedaagden] overgelegd stuk (productie 7 bij antwoord / eis in reconventie) verwijst De B.V. naar haar productie 14.

4.6.

[gedaagden] betwisten niet dat de verplichtingen van de vennoten jegens elkaar waren vastgelegd in de VOF-akte van 1990, het aanhangsel 1992 en het aanhangsel 1996. Zij stellen zich echter op het standpunt dat op of omstreeks 28 september 2012 een nieuwe VOF-overeenkomst tot stand is gekomen, waar partijen sindsdien aan gebonden zijn. Zij verwijzen daarvoor naar de als productie 12 bij dagvaarding overgelegde akte en stellen dat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over een nieuwe overeenkomst. Hoewel deze overeenkomst niet is ondertekend en een aantal bepalingen niet zijn ingevuld, is toch volledige (mondelinge) overeenstemming bereikt. Ter onderbouwing van deze laatste stelling verwijzen [gedaagden] naar een door hen overgelegde (productie 7 bij antwoord / eis in reconventie) verklaring van mr. Vissers waaruit dat in hun visie blijkt, alsmede naar productie 8 (een lijst met gerealiseerde actiepunten). Zij bieden zo nodig bewijs aan van hun stelling dat tussen partijen volledige overeenstemming is bereikt over de nieuwe overeenkomst van vennootschap onder firma.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat partijen (even in het midden latend welke partijen dat dan zijn) tot volledige overeenstemming zijn gekomen over een nieuwe of gewijzigde vennootschapsovereenkomst.

De stukken die door [gedaagden] overgelegd zijn, bieden daarvoor geen steun. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de bij dagvaarding overgelegde vennootschapsakte uit 2012 niet ondertekend is en bovendien deels niet is ingevuld. Deze niet ingevulde punten betreffen bovendien essentiële afspraken, zoals welke vennoot bevoegd is de VOF voor welk bedrag te binden (artikel 6), de verdeling van de werkzaamheden tussen de vennoten (artikel 7), de verdeling van de winst (artikel 9), en de wijze waarop afgerekend wordt (artikel 14).

De verklaring van mr. Vissers, waar [gedaagden] naar verwijzen, is onvoldoende aangezien deze alleen inhoudt dat mr. Vissers van mening is dat sprake is van een nieuwe VOF-overeenkomst, zonder daarbij te vermelden waar deze mening op is gebaseerd.

Productie 8 van [gedaagden] leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is dit geen lijst met gerealiseerde actiepunten, maar een gespreksverslag van een gesprek dat plaatsgevonden heeft op 31 juli 2013. Voorts volgt uit de inhoud van dit verslag niet dat partijen tot definitieve afspraken zijn gekomen over een nieuwe vennootschapsovereenkomst. Integendeel, uit dit gespreksverslag volgt juist dat partijen hebben gesproken over de voorwaarden waaronder de bestaande VOF zou worden beëindigd. Opvallend punt is ook dat de broers [(familie)naam] kennelijk geen van drieën bij het gesprek aanwezig waren.

In reactie op de verwijzing van [gedaagden] naar productie 7 heeft De B.V. verwezen naar haar productie 14 (bij conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houdende wijziging van eis in conventie). Middels deze productie 14 wordt een e-mail van [naam vennoot 1 van VOF 1] van 6 juli 2013 (verzonden 20.15 uur) overgelegd, waarbij hij reageert op de hiervoor genoemde verklaring van mr. Vissers van diezelfde dag (en verzonden 18.06 uur) - productie 7 van [gedaagden] . [naam vennoot 1 van VOF 1] schrijft aan mr. Vissers, kort samengevat, dat het enige waar partijen het over eens waren, het opstellen van een nieuw VOF contract was. Dat er ook totale overeenstemming was over de voorwaarden waaronder een nieuw contract zou worden gesloten blijkt daar niet uit, integendeel, [naam vennoot 1 van VOF 1] geeft duidelijk aan niet meer met zijn broers verder te willen en de VOF te willen ontbinden.

Dat overeenstemming is bereikt volgt dan ook niet uit de overgelegde stukken.

De rechtbank overweegt voorts dat ook uit de stellingen van [gedaagden] niet volgt wanneer precies, op welke wijze en over welke punten dan overeenstemming is bereikt. Zij hebben hun stellingen dan ook onvoldoende onderbouwd, mede gelet op de overgelegde summiere stukken en de betwisting van De B.V. en de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding hen tot bewijslevering toe te laten.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de VOF-akte 1990 en de aanhangsels 1992 en 1998 de tussen partijen geldende afspraken weergeven.

Is de vennootschap onder firma, zoals deze bestond tussen De B.V., [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , geëindigd, zo ja wanneer en op welke wijze?

4.8.

[gedaagden] bevestigen (zie alinea 7 conclusie van antwoord / eis in reconventie) dat [naam vennoot 1 van VOF 1] , naar de rechtbank aanneemt als bestuurder van De B.V., bij brief van 5 juli 2013 de tussen De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] bestaande vennootschap onder firma heeft opgezegd.

De vennootschap is dan ook, gelet op het bepaalde in de artikelen 2 en 12 aanhef en onder 4 van de VOF-akte 1990, geëindigd met ingang van 5 oktober 2013.

Dat partijen na 5 oktober 2013 nog overleg hebben gehad over een minnelijke regeling, leidt er, anders dan [gedaagden] kennelijk menen, niet toe dat aan de opzegging door De B.V. geen rechtsgevolgen worden verbonden.

Partijen hebben bovendien in de minnelijke regeling opgenomen (punt 9 van deze regeling) dat als uitgangspunt heeft te gelden dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] per 5 oktober 2013 geen vennoten meer zijn van de VOF. Ook om die reden kan de VOF als geëindigd worden beschouwd met ingang van 5 oktober 2013.

Wat zijn de consequenties van de beëindiging van de VOF per 5 oktober 2013.

4.9.

Gevolg van de beëindiging van de VOF per 5 oktober 2013 is dat partijen zullen moeten overgaan tot afwikkeling en verdeling of toebedeling van de lasten en baten van de VOF.

4.10.

Zij hebben dat ook (grotendeels) gedaan, welke afspraken zijn vastgelegd in de minnelijke regeling zoals overeengekomen ter zitting van de kort geding rechter op 26 juni 2014 (productie 3 bij dagvaarding). Daarbij is met betrekking tot de grond en de geblokkeerde rekening vastgesteld dat daarover nog een geschil bestaat en dat partijen daarover nog in onderhandeling zullen treden. De in de minnelijke regeling opgenomen afspraken en de overeengekomen finale kwijting zien dan ook niet op de grond en de geblokkeerde rekening.

4.11.

Daar zullen dan ook afzonderlijke afspraken over moeten worden gemaakt, dan wel, als partijen het daar niet over eens hebben kunnen worden, beslissingen door de rechtbank over moeten worden genomen.

Dient verdeling of toebedeling plaats te vinden op grond van de bepalingen uit de VOF-akte 1990 of op grond van artikel 3:185 BW (verdeling door de rechter van een eenvoudige gemeenschap)?

4.12.

Voor de beantwoording van deze vragen is allereerst van belang of en in hoeverre voorbijgegaan moet worden aan bepalingen van de VOF-akte 1990 omdat, zoals [gedaagden] stellen, artikel 14 van deze akte nietig, vernietigbaar, dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid is.

4.13.

[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat artikel 14 van de VOF-akte uit 1990 een niet-rechtsgeldige bepaling is, in de zin dat deze nietig of vernietigbaar is, dan wel dat deze bepaling in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (alinea 28 van hun conclusie van antwoord / eis in reconventie). Zij verwijzen ter onderbouwing van deze stelling onder meer naar de in deze alinea genoemde literatuur en stellen dat er ten gevolge van deze bepaling sprake is van een uitstotingsrecht, dat in strijd is met het beginsel van gelijkheid van vennoten. [naam vennoot 1 van VOF 1] kon eenvoudig [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uitstoten door de overeenkomst op te zeggen, waarna [naam vennoot 1 van VOF 1] , op grond van het bepaalde in artikel 14, gerechtigd is de activa en passiva van de vennootschap over te nemen.

4.14.

Dit standpunt wordt door De B.V. betwist. Namens de B.V. is ter zitting aangevoerd dat in artikel 14 van de VOF-akte 1990 wordt geregeld wat rechtens is als één van de vennoten de VOF voortzet en op welke wijze er moet worden afgerekend tussen de vennoten. Van een uitstotingsrecht is dan ook geen sprake.

Dat in artikel 13 is bepaald dat in geval van opzegging door [naam vennoot 1 van VOF 1] , hij ook het recht heeft de VOF voort te zetten is evenmin nietig of vernietigbaar, dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid gelet op de verhouding waartoe de vennoten in het kapitaal gerechtigd waren, de inbreng van de vennoten bij de start van de VOF ( [naam vennoot 1 van VOF 1] / De B.V.

€ 526.000,00 en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] nihil) en de meest recente waarden van de kapitaalrekeningen van de vennoten (in 2012 voor De B.V. € 464.000,00 en voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ieder € 108.000,00).

De B.V. wijst er voorts op dat deze discussie niet relevant is aangezien in de minnelijke regeling al is afgesproken dat De B.V. de VOF zal voortzetten.

4.15.

De rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan De B.V. stelt, de discussie over nietigheid, vernietigbaarheid of strijd met de redelijkheid en billijkheid, ondanks de minnelijke regeling waarbij is afgesproken dat De B.V. de VOF zal voortzetten, wel van belang is. Uiteindelijk dient immers beslist te worden of het stuk grond zal moeten worden verdeeld, dan wel aan één der partijen moet worden toebedeeld. Daarbij is van belang of de bepalingen in de VOF-akte 1990 geldend zijn.

4.16.

De rechtbank stelt vast dat artikel 14, in samenhang met artikel 13 gelezen, er inderdaad op neer komt dat aan De B.V. (vennoot 1), na opzegging van de vennootschapsovereenkomst, het recht toekomt de zaken van de vennootschap voort te zetten. Gevolg hiervan is weer dat De B.V. gerechtigd is de activa van de vennootschap over te nemen, onder de gehoudenheid alle passiva van de vennootschap voor haar rekening te nemen.

In zoverre volgt de rechtbank het standpunt van [gedaagden] dat De B.V. er op eenvoudige wijze voor kan zorgen dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] geen deel meer uitmaken van de onderneming.

De vraag is echter of deze bepalingen nietig of vernietigbaar zijn, dan wel in strijd zijn met maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

4.17.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van nietigheid, vernietigbaarheid, dan wel strijd met de redelijkheid en billijkheid hebben [gedaagden] er alleen op gewezen dat sprake is van een eenzijdig “uitstotingsrecht” dat afbreuk doet aan het beginsel van gelijkheid van vennoten.

Daar staat tegenover dat De B.V. heeft aangevoerd dat voor een dergelijke clausule goede redenen zijn, alleen al gelet op de omstandigheid dat bij aanvang van de overeenkomst de inbreng van De B.V. (toen nog [naam vennoot 1 van VOF 1] en zijn echtgenote) veel groter was dan de inbreng van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , € 526.000,00 tegenover twee maal nihil. [gedaagden] hebben dat niet weersproken en hebben ook overigens niets aangevoerd waarom de genoemde bepalingen zo onredelijk zijn.

De rechtbank acht daarbij nog van belang dat uit de stellingen van [gedaagden] niet volgt dat vervolgens, dat wil zeggen na het overnemen van de activa en passiva van de vennootschap door De B.V., op grond van de VOF-akte 1990 niet of op onredelijke wijze financieel zou moeten worden afgerekend tussen de vennoten.

Voorts betrekt de rechtbank bij de beslissing de omstandigheid dat in het kader van de minnelijke regeling partijen de afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] geen vennoten meer zullen zijn van de VOF en dat De B.V. de onderneming zal voortzetten. Ook is afgesproken dat De B.V. aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] een uitkoopbedrag zal betalen. Ook hieruit kan niet worden afgeleid dat aanleiding bestaat om de artikelen 13 en 14 van de VOF-akte 1990, die tot een vergelijkbaar resultaat leiden, voor nietig, vernietigbaar of onredelijk te houden.

4.18.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag op welke wijze nog niet verdeelde activa moeten worden verdeeld of toebedeeld in beginsel uitgegaan dient te worden van de bepalingen in de VOF-akte 1990.

Maakt de grond deel uit van het vennootschapsvermogen?

4.19.

Tussen partijen is voorts in geschil of de grond deel uitmaakt van het vennootschapsvermogen van De VOF, dan wel aan ieder der vennoten in privé toebehoort.

4.20.

De B.V. stelt zich op het standpunt dat de grond deel uitmaakt van het vennootschapsvermogen en verwijst naar de notariële akte van 17 juni 2008 (productie 13 bij haar conclusie van antwoord in reconventie). Zij stelt dat de grond, nadat zij deze heeft gekocht van mevrouw [naam verkoper grond] , door haarzelf is verkocht aan de drie vennoten van de VOF, in hun hoedanigheden van vennoten van de VOF. De B.V. verwijst voorts naar het als productie 2 bij dagvaarding overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel, waarin staat dat de grond is verkregen ten behoeve van de maatschap. Ook op de balans van de VOF (De B.V. verwijst naar haar productie 21) staat de grond vermeld bij de activa van de VOF. Ter zitting is namens de B.V. verklaard dat de grond is betaald uit de kapitaalrekening van de VOF.

4.21.

[gedaagden] stellen dat de grond nimmer in de VOF is ingebracht. De grond is door [naam vennoot 1 van VOF 1] gekocht en (onverdeeld) voor 2/3e deel aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in privé doorverkocht. Er is ook nooit een overeenkomst tussen partijen opgemaakt waarin is bepaald dat de grond in de VOF is ingebracht. De jaarstukken zijn in dat verband niet leidend, aangezien [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zich niet bemoeiden met de financiële aspecten van de VOF. De grond dient gekwalificeerd te worden als buitenvennootschapsrechtelijk vermogen.

Er is bovendien tussen de broers, na opzegging door [naam vennoot 1 van VOF 1] van de vennootschapsovereenkomst, overeenstemming bereikt over de inbreng van de grond in een onroerende zaak B.V.. Dit overleg heeft plaatsgevonden in de periode juli 2013 tot en met begin 2014 en ging zowel over de datum van beëindiging van de VOF als over de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen. Ter onderbouwing van hun stelling dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen, verwijzen [gedaagden] naar de bij productie 6 bij hun conclusie van antwoord / eis in reconventie overgelegde correspondentie van adviseurs van beide partijen. Zij bieden bovendien aan confraternele correspondentie in het geding te brengen, nadat zij daarvoor toestemming van de deken zullen hebben gekregen.

Als de grond al als ingebracht in de VOF moet worden beschouwd, dan is deze slechts economisch ingebracht. Zoals ook in de minnelijke regeling is overeengekomen, komt aan ieder van de vennoten 1/3e deel van de waarde van de grond toe.

4.22.

De rechtbank stelt vast dat de grond, na aankoop door De B.V. (en niet door [naam vennoot 1 van VOF 1] in privé) middels de notariële akte van 17 juni 2008, nadat een mondelinge koopovereenkomst is gesloten, is geleverd door de verkoper (De B.V.) aan de kopers ( [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] en De B.V.) en wel aan ieder van hen voor 1/3e onverdeeld deel. De rechtbank stelt voorts vast dat in de notariële akte van levering (op pagina 1) staat dat De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] de enige vennoten zijn van de VOF, alsmede dat kopers (De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ) de grond ieder voor één/derde onverdeeld aandeel in hun hoedanigheden van vennoten van voornoemde vennootschap onder firma aanvaarden.

De rechtbank leidt hieruit af dat de grond is aangekocht door de drie vennoten van de VOF met de bedoeling deze grond te gebruiken (lees: in te brengen in) ten behoeve van de VOF. Ter zitting is namens De B.V. bovendien onweersproken aangevoerd dat de koopsom voor de grond, al bij aankoop van de grond door De B.V. van mevrouw [naam verkoper grond] , is betaald uit de kapitaalrekening van de VOF.

Dat de grond is gekocht om in te worden gebracht in de VOF wordt voorts bevestigd door de vermelding in het kadastrale uittreksel (productie 2 bij dagvaarding) waarin met betrekking tot de grond staat vermeld dat de grond door De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] is verkregen ten behoeve van de Maatschap. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de grond in de jaarstukken staat vermeld bij de activa van de VOF. De enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] stellen geen bemoeienis te hebben gehad met de financiële aspecten van de VOF leidt niet tot een andere conclusie, nu de vennoten, of zij daar nu bemoeienis mee hebben gehad of niet, geacht worden mede verantwoordelijk te zijn voor de vastlegging van de financiële stand van zaken van de VOF.

4.23.

Aldus is de conclusie dat sprake is van inbreng van de grond in de VOF. Partijen zijn het er, voor het geval de rechtbank tot die conclusie zou komen, wel over eens dat hierbij sprake is van inbreng van de economische waarde van de grond.

4.24.

[gedaagden] stellen voorts nog dat, áls er al van uitgegaan moet worden dat de grond in de VOF is ingebracht, partijen na opzegging door [naam vennoot 1 van VOF 1] van de vennootschapsovereenkomst overeenstemming hebben bereikt over de inbreng van de grond in een onroerende zaak B.V.. Dit standpunt wordt niet door De B.V. gedeeld, die zich op het standpunt stelt dat de grond op basis van de VOF-akte 1990 aan de B.V. moet worden toebedeeld.

4.25.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken waar [gedaagden] naar verwijzen weliswaar volgt dat partijen in overleg waren over een oplossing in der minne en dat onderdeel van deze oplossing het onderbrengen van de grond in een aparte B.V. was, maar dat nergens uit blijkt dat ook daadwerkelijk volledige overeenstemming is bereikt. De laatste e-mail die in dit verband is overgelegd (de e-mail van 22 oktober 2013, 16.40 uur – onderdeel van productie 6 bij conclusie van antwoord / eis in reconventie) is afkomstig van de adviseur van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . In deze e-mail staat dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zich grotendeels kunnen vinden in het voorstel van De B.V. en worden op een aantal punten tegenvoorstellen gedaan, waaronder een voorstel met betrekking tot het aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] te betalen bedrag. Partijen zaten op dat moment dan ook nog midden in de onderhandelingen.

4.26.

Zijdens [gedaagden] wordt nog verwezen naar confraternele correspondentie en wordt aangeboden deze in het geding te brengen. De rechtbank gaat hieraan voorbij, nu niet valt in te zien dat deze correspondentie niet al eerder had kunnen worden overgelegd. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 9 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU9204) waarbij is overwogen dat een partij die zich beroept op correspondentie waarover zij beschikt, verlangd mag worden dat zij die correspondentie uit zichzelf in het geding brengt, ook als het vertrouwelijke correspondentie tussen advocaten betreft, voor het overleggen waarvan de toestemming van de (toenmalige) advocaat van de wederpartij dan wel (advies van – toevoeging rechtbank) de deken nodig is. De rechter hoeft partijen daarvoor niet in de gelegenheid te stellen.

Wat betekent het dat de grond is ingebracht in de VOF als economisch eigendom?

4.27.

Zoals hiervoor al vastgesteld, zijn partijen het er over eens dat niet slechts het genot van de grond is ingebracht, in welk geval de volledige eigendom van de grond bij De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in privé zou zijn gebleven, maar dat het economisch eigendom van de grond is ingebracht in de VOF, met als gevolg dat waardestijgingen of -dalingen voor rekening komen van de vennootschap.

Bij het einde van de vennootschap komt het ingebrachte in beginsel weer geheel ter vrije beschikking van de inbrenger en vindt er, zo nodig, een verrekening plaats van het verschil tussen de gecrediteerde waarde ten tijde van de inbreng en de waarde ten tijde van de beëindiging.

In het onderhavige geval hebben De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ieder 1/3e deel van de grond, althans de economische eigendom daarvan, ingebracht. Na beëindiging van de vennootschap komt aan ieder van hen weer 1/3e onverdeeld deel van de grond toe.

Aan wie komt het stuk grond (geheel of gedeeltelijk) toe / aan wie moet de grond (geheel of gedeeltelijk worden overgedragen? En wat is de consequentie van de omstandigheid dat de onverdeelde aandelen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in de grond inmiddels zijn ingebracht in [gedaagde sub 5] ?

4.28.

De rechtbank zal allereerst bespreken wat op grond van de VOF-akte 1990 met de grond had moeten gebeuren. Daarna zal de rechtbank ingaan op de omstandigheid dat de aandelen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] inmiddels zijn ingebracht in [gedaagde sub 5] .

4.29.

In artikel 14 van de VOF-akte 1990 staat dat de vennoot die de zaken van de vennootschap voortzet (in dit geval de B.V.) gerechtigd is al haar activa over te nemen of zich te laten toescheiden. De term “overnemen” heeft betrekking op zaken waarvan slechts het gebruik is ingebracht (en waarvan dus de eigendom bij (geheel of gedeeltelijk) bij een ander dan de vennoot die de zaken van de vennootschap voortzet berust). De term “zich te laten toescheiden” heeft betrekking op zaken die de vennoten gezamenlijk toebehoren.

4.30.

Met betrekking tot de grond kan dan ook vastgesteld worden dat De B.V. ingevolge artikel 14 van de VOF-akte 1990 gerechtigd is de onverdeelde aandelen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in de grond aan zich te laten toescheiden.

4.31.

De volgende vraag die dan beantwoord moet worden is wat de consequentie is van de omstandigheid dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hun onverdeelde aandelen in de grond, in het kader van hun volstortingsverplichting van de aandelen, hebben ingebracht in [gedaagde sub 5] .

4.32.

Op grond van het bepaalde in artikel 6 (Beheer en vertegenwoordiging) tweede alinea en onder a van de VOF-akte 1990 hadden [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] met betrekking tot het vervreemden van onroerende zaken de medewerking en schriftelijke goedkeuring van De B.V. nodig. Naar het oordeel van de rechtbank blijft deze bepaling ook na de beëindiging van de VOF gelden. De VOF-akte 1990 ziet immers ook op de verplichtingen van de vennoten over en weer na beëindiging van de vennootschap.

Niet gebleken is dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] deze medewerking en schriftelijke goedkeuring van De B.V. hebben gekregen voor wat betreft de inbreng van hun onverdeelde aandelen in de grond in [gedaagde sub 5] . Dit laat echter onverlet dat de inbreng, kennelijk wel rechtsgeldig tot stand is gekomen (dat dit anders zou zijn volgt niet uit de stellingen van partijen), zodat thans als uitgangspunt heeft te gelden dat er sprake is van een eenvoudige gemeenschap tussen De B.V. enerzijds en [gedaagde sub 5] anderzijds.

Ook hiervoor geldt dat iedere deelgenoot ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 3:178 BW te allen tijde verdeling kan vorderen.

4.33.

De B.V. heeft ook daadwerkelijk verdeling, in de vorm van toebedeling aan haar tegen vergoeding van een geldsom, gevorderd. De rechtbank zal dan ook, rekening houdend met de belangen van de bij deze verdeling betrokken partijen (De B.V. en [gedaagde sub 5] ) dienen te bepalen of de grond dient te worden verdeeld en op welke wijze dat dan dient te gebeuren. Geldend zijn hierbij de bepalingen inzake de verdeling van een eenvoudige gemeenschap (boek 3, titel 7 BW).

4.34.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , via hun Beheer B.V.’s, middellijk aandeelhouders en bestuurders zijn van [gedaagde sub 5] . De rechtbank ziet geen aanleiding om met betrekking tot de vraag of en hoe de grond verdeeld dient te worden anders te oordelen dan in de situatie waarin de grond nog in onverdeelde eigendom aan de gewezen vennoten van de VOF toebehoorde. De rechtbank verwijst voor een onderbouwing naar hetgeen hiervoor is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.29 en 4.30. De rechtbank acht hierbij nog van belang dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , in strijd met de bepalingen in de VOF-akte 1990, hun aandelen hebben ingebracht in [gedaagde sub 5] en dat de enige reden voor de oprichting van [gedaagde sub 5] en de inbreng van de aandelen in de grond het besparen van belasting was (zo volgt uit de inhoud van de brief van de belastingadviseur van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] – productie 11 bij hun conclusie van antwoord / eis in reconventie).

De aan [gedaagde sub 5] toebehorende onverdeelde aandelen in de grond zullen dan ook aan De B.V. worden toebedeeld.

De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat de grond zal worden toegescheiden aan de vennoten van de huidige/nieuwe VOF [naam VOF 1] (met als vennoten De B.V. en de twee zonen van [naam vennoot 1 van VOF 1] ), aangezien in de onderhavige zaak de verdeling en toebedeling van de activa en passiva van de oude VOF [naam VOF 1] , zoals deze bestond tot en met 5 oktober 2013 en met als vennoten De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , aan de orde is.

De verdeling voor drie jaar uitsluiten?

4.35.

De volgende vraag die beantwoord moet worden, nu de rechtbank voornemens is de grond aan De B.V. toe te bedelen, is of aanleiding bestaat de verdeling voor drie jaar uit te sluiten op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 3:178 BW.

4.36.

[gedaagden] voeren in dit verband aan dat zij met een aanzienlijk fiscaal nadeel zullen worden geconfronteerd omdat hun aandeel van de grond inmiddels is ingebracht in [gedaagde sub 5] . Als [gedaagde sub 5] de grond binnen drie jaren na de inbreng daarvan in de vennootschap verkoopt, waarbij toescheiding aan De B.V. aan verkoop wordt gelijkgesteld, dan wordt de winst die zij maken op de grond belast tegen 52% inkomstenbelasting. Bij inbreng in de B.V. is de belastingdruk aanzienlijk lager. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] besparen daarbij ieder een bedrag van ruim € 9.000,00 aan belastingheffing. Ter onderbouwing van hun stellingen verwijzen [gedaagden] naar productie 11 bij hun conclusie van antwoord / eis in reconventie, zijnde een advies van hun belastingadviseur.

Voorts voeren [gedaagden] aan dat verdeling dient te worden uitgesloten tot het moment waarop [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] adequate parkeerruimte voor hun vrachtauto’s hebben gevonden.

4.37.

De B.V. stelt zich op het standpunt dat dit verzoek haaks staat op het belang dat partijen hebben om spoedig tot een verdeling van de grond te komen. De B.V. wijst er op dat de door [gedaagden] genoemde termijn waarbinnen sprake zou zijn van fiscaal nadeel op 29 april 2018 verstrijkt. Het gestelde fiscale nadeel weegt bovendien niet op tegen de grotere belangen van De B.V. om spoedig over de grond te beschikken, zodat zij de plannen tot realiseren van een bedrijfsgebouw en parkeerplaatsen op de grond kan verwezenlijken, zoals met de gemeente Maasdriel is overeengekomen. De B.V. voert voorts aan dat er geen juridische grondslag is op grond waarvan De B.V. nadat de grond aan haar is toebedeeld, gehouden zou zijn parkeerplaatsen te realiseren ten behoeve van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Gelet op slechte verhouding tussen de broers dient elke ontmoeting te worden vermeden, aldus de B.V..

4.38.

De rechtbank stelt vast dat de belastingadviseur van [gedaagden] in productie 11 schrijft dat een wachttijd van 36 maanden geldt, na de datum van oprichting van [gedaagde sub 5] , welke B.V. is opgericht op 29 april 2015. De door de belastingadviseur genoemde wachttijd van 36 maanden is derhalve op 29 april 2018 verstreken, zodat aan het argument dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een groot bedrag aan belasting kunnen besparen als de grond voorlopig niet aan De B.V. wordt toebedeeld, niet meer opgaat.

De rechtbank ziet ook geen reden om verdeling uit te sluiten totdat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] beschikken over parkeerplaatsen voor hun vrachtauto’s.

Peildatum voor de waardering van de grond? Waarde van de grond?

Is al een deel van de waarde van de grond al betaald in het kader van de minnelijke regeling?

4.39.

Vervolgens dient te worden vastgesteld welke waarde aan de grond moet worden toegekend en wat, met het oog op deze waardebepaling, daarvoor de peildatum is.

4.40.

De B.V. stelt zich op het standpunt dat de waarde van de grond dient te worden bepaald per einde 2012 en verwijst daarvoor naar punt 8 van de minnelijke regeling. De boekwaarde van de grond op de balans per 31 december 2012 was € 132.310,00. De vennoten hebben de boekwaarde al, in het kader van de afwikkeling van de VOF, zoals neergelegd in de minnelijke regeling, in de verhouding 40%, 30% en 30% ontvangen. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben dan ook al ieder € 44.103,33 ontvangen. Dat betekent dat thans alleen nog de stille reserve dient te worden verdeeld, middels eenzelfde verdeelsleutel.

Voor wat betreft de waarde van de grond verwijst De B.V. naar de door haar (productie 10 en 11 bij dagvaarding) overgelegde taxatierapporten van september 2013. De ene taxateur komt tot een waarde van € 290.000,00 en de andere taxateur van € 300.000,00 per datum taxatie. De B.V. neemt aan dat de waarde van de grond in de periode eind 2012 tot september 2013 is gestegen, maar is bereid uit te gaan van de hoogst gewaardeerde waarde per september 2013. Voor de aandelen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] dient derhalve aan ieder van hen thans nog een bedrag van € 50.307,00 te worden betaald.

Voor wat betreft de positie van [gedaagde sub 5] heeft De B.V. ter zitting nog aangevoerd dat het niet zo is dat De B.V. enkel en alleen vanwege de inbreng van de aandelen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in de grond aan [gedaagde sub 5] de volledige waarde van de grond zou moeten betalen.

4.41.

[gedaagden] stellen dat als peildatum voor wat betreft de waarde van de grond de datum van dit vonnis van de rechtbank moet worden aangehouden (HR 22 september 2000, NJ 2000, 643).

Voorts stellen zij zich op het standpunt dat de waarde van de grond (waarmee zij kennelijk de boekwaarde bedoelen) buiten het bedrag van € 150.000,00 valt.

In de visie van [gedaagden] dient te worden uitgegaan van de minnelijke regeling, tenzij wordt vastgesteld dat [gedaagde sub 5] daarbij geen partij is.

4.42.

De rechtbank stelt vast dat in punt 8 van de minnelijke regeling staat dat De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in gelijke delen gerechtigd zijn tot de waarde van de grond zoals vastgesteld per ultimo 2012. Conform deze minnelijke regeling heeft als peildatum dan ook te gelden de datum 31 december 2012 en zijn De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ieder voor 1/3e deel gerechtigd in de opbrengst van de grond. Partijen zijn hiermee afgeweken van de in de VOF-overeenkomst overeengekomen verdeelsleutel van 40%-30%-30%.

[gedaagden] hebben de stellingen van de B.V. met betrekking tot de waarde die per die datum aan de grond moet worden toegekend niet weersproken. De rechtbank gaat dan ook uit van een waarde van de grond per 31 december 2012 van € 300.000,00.

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat De B.V. er in haar berekening ten onrechte van uit is gegaan, waarbij zij zich kennelijk heeft gebaseerd op de in de VOF-overeenkomst vermelde verdeelsleutel, dat aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] slechts 30% van de waarde van de grond toekomt, welke berekening kennelijk is gebaseerd op de in de VOF-overeenkomst genoemde verdeelsleutel.

4.43.

Partijen zijn het er niet over eens of aangenomen moet worden dat aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] de boekwaarde van de grond al is uitbetaald, middels het in punt 3 van de minnelijke regeling genoemde afgesproken bedrag.

4.44.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het komt hierbij neer op de uitleg van de minnelijke regeling en dan met name punt 8 van de regeling. De rechtbank stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635).

In punt 8 van de minnelijke regeling staat dat er nog een geschil resteert over een stuk grond en een geblokkeerde rekening. Deze zinsnede kan voor wat betreft de grond worden uitgelegd in de zin dat de in de minnelijke regeling neergelegde overige afspraken totaal niet zien op de grond en dat over alle aspecten die samenhangen met de grond (dus ook de financiële) nog nadere afspraken moeten worden gemaakt, maar ook dat de afspraken slechts nog zien op de vraag aan wie de grond moet worden toebedeeld. Als partijen hadden bedoeld die laatste variant af te spreken, dan is het vreemd dat daarbij geen voorbehoud is gemaakt voor wat betreft de financiële afrekening voor het geval dat uiteindelijk de grond geheel of gedeeltelijk aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zou worden toebedeeld. De uitleg van De B.V. volgend, leidt er immers toe dat aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] al een deel van de waarde van de grond zou zijn uitbetaald, gelet op het in punt 3 genoemde uitkoopbedrag.

Een vergelijkbare discussie wordt tussen partijen gevoerd over het saldo van de geblokkeerde rekening. Ook met betrekking tot deze rekening stelt De B.V. zich op het standpunt dat het aandeel van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] al is inbegrepen in voornoemd bedrag van

€ 150.000,00.

De rechtbank overweegt dat, terwijl bij het onderwerp “de grond” nog wel kan worden ingezien waarom de betreffende clausule zou zijn opgenomen als de uitleg van De B.V. wordt gevolgd, dit in het geheel niet geldt voor het saldo van de geblokkeerde rekening. Als het aandeel van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] al is inbegrepen in de uitkoopsom van € 150.000,00 dan is het voorbehoud in punt 8 van de minnelijke regeling zinledig.

De rechtbank stelt ook vast dat in punt 8 van de minnelijke regeling staat dat alle drie de vennoten in gelijke delen gerechtigd zijn tot de waarde van de grond. Een voorbehoud met betrekking tot een eventueel al uitbetaald of verrekend deel wordt hierbij niet gemaakt.

4.45.

Uitgaande van de tekst van punt 8 van de minnelijke regeling komt de rechtbank tot de conclusie dat punt 8 van de minnelijke regeling dient te worden begrepen op de wijze die [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] voorstaan.

De inhoud van productie 21 (een berekening van de heer [naam] - bij conclusie van antwoord in reconventie / akte wijziging eis) waar De B.V. naar verwijst acht de rechtbank niet overtuigend genoeg om tot een andere conclusie te komen. De minnelijke regeling is immers de uitkomst van onderhandelingen, die tot een ander resultaat hebben kunnen leiden dat uit berekeningen op basis van de balans en/of jaarrekening zou volgen. Daarbij verwijst de rechtbank ook nog naar productie 6 van [gedaagden] (bij de conclusie van antwoord / eis in reconventie) waaruit kan worden afgeleid dat De B.V. op enig moment heeft voorgesteld om [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] een bedrag uit te betalen van € 128.905,00 (kennelijk ook gebaseerd op een berekening van de heer [naam] ), terwijl [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] daarnaast nog aanspraak zouden kunnen maken op de grond die in een aparte B.V. zou worden ondergebracht en waaraan, uitgaande van de bijgevoegde bijlagen, een waarde van

€ 196.667,00 werd toegekend. In het kader van onderhandelingen tussen partijen zijn derhalve wel vaker bedragen genoemd die afwijken van de balans en/of jaarrekening.

Overige omstandigheden op grond waarvan de rechtbank tot de conclusie zou moeten komen dat partijen, kort gezegd, hadden moeten of mogen begrijpen dat punt 8 van de minnelijke regeling op een andere wijze moet worden uitgelegd, zijn niet aangevoerd.

4.46.

Op grond van de minnelijke regeling zou aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , in het kader van de toebedeling van de grond aan De B.V., ieder voor hun aandeel in de grond een bedrag van

€ 100.000,00 moeten worden uitbetaald.

4.47.

De onverdeelde aandelen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn echter, ten gevolge van de inbreng in [gedaagde sub 5] , niet meer het eigendom van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , maar van [gedaagde sub 5] .

De minnelijke regeling is echter niet tussen De B.V. en [gedaagde sub 5] tot stand gekomen, althans daarvan is de rechtbank niet gebleken. Strikt genomen zou dit tot de conclusie moeten leiden dat De B.V. aan [gedaagde sub 5] 2/3e deel van de waarde per heden zou moeten betalen. Aangenomen kan worden dat De B.V. dan een hoger bedrag zou moeten betalen dan het bedrag dat zij, op grond van de minnelijke regeling, aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] verschuldigd zou zijn. In een dergelijk geval zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , die hun aandeel in de grond, weliswaar zakenrechtelijk bevoegd, in strijd met de contractuele bepalingen uit de VOF-akte 1990 hebben ingebracht in [gedaagde sub 5] , schadeplichtig geworden. Het zou dan op hun weg leggen om De B.V. een schadevergoeding te betalen bestaande uit het verschil tussen het bedrag dat De B.V. op grond van de minnelijke regeling aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] had moeten betalen en het bedrag dat De B.V. in het kader van de verdeling en waardebepaling per heden aan [gedaagde sub 5] zou moeten betalen. In zoverre komt De B.V. wellicht een vorderingsrecht op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] toe. Dit leidt wellicht tot een nieuwe tussen partijen te voeren procedure, hetgeen de rechtbank in het belang van geen van de partijen acht.

Bovendien acht de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als De B.V. de financiële gevolgen zou moeten dragen van de (contractuele) onbevoegde inbreng door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] van hun aandeel in de grond in [gedaagde sub 5] , terwijl deze inbreng vooral was ingegeven om [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] belasting te laten besparen.

4.48.

De rechtbank zal om die reden de verdeling van de grond als volgt vaststellen:

  • -

    de onverdeelde (2/3e) aandelen van aanvankelijk [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , thans [gedaagde sub 5] , in de grond zullen worden toebedeeld aan De B.V.;

  • -

    De B.V. zal aan [gedaagde sub 5] , in het kader van over- / onderbedeling, het aanvankelijk aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] toekomende bedrag van € 200.000,00 moeten betalen;

  • -

    Aan [gedaagde sub 5] wordt voorts, in het kader van over- / onderbedeling, toebedeeld het vorderingsrecht dat De B.V. wellicht op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] heeft uit hoofde van de contractueel onbevoegde inbreng door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] van hun onverdeelde (2/3e) aandeel in de grond in [gedaagde sub 5] ;

Aldus is het aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] om met elkaar een oplossing te vinden voor de wellicht bestaande vordering uit hoofde van schadevergoeding.

Dient De B.V. een gebruiksvergoeding te betalen voor de grond?

4.49.

De rechtbank stelt vast dat De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in de minnelijke regeling hebben afgesproken dat de VOF (hiermee werd de nieuwe VOF met als vennoten De B.V. en de zonen van [naam vennoot 1 van VOF 1] bedoeld) gebruik moet kunnen blijven maken van de grond, tegen vergoeding of niet.

In de minnelijke regeling is derhalve geen afspraak opgenomen over het betalen van een gebruiksvergoeding door De B.V. (zijnde één der vennoten van de nieuwe VOF) aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] .

4.50.

[gedaagden] vorderen dat De B.V. wordt veroordeeld tot het betalen van een vergoeding voor het gebruik van de grond, vanaf 15 september 2014 (de datum waarop het feitelijk gebruik door De B.V. is gestart) tot aan een door de rechtbank te bepalen datum, in ieder geval voor de duur van het gebruik van de grond door De B.V.. [gedaagden] voeren aan dat de grond voor hen als mede-eigenaren een kostenpost vormt en dat zij niet profiteren van eventuele opbrengsten. Zij gaan er van uit dat De B.V., die derden op de grond laten parkeren, daar wel een vergoeding voor ontvangt.

4.51.

De B.V. wijst er op dat het de (nieuwe) VOF is die de grond gebruikt, zodat een eventuele vordering tegen de nieuwe VOF moet worden ingesteld.

Daarnaast stelt zij, voor zover thans nog van belang, dat de VOF alle lasten met betrekking tot de grond draagt en ook zorg heeft gedragen en de kosten heeft betaald voor het toegankelijk maken van de grond voor gebruik. Voor zover De B.V. een gebruiksvergoeding zal moeten gaan betalen, doet De B.V. een beroep op verrekening met het aandeel dat [gedaagden] in voornoemde kosten. [gedaagden] hebben nooit eerder, dan bij de conclusie van eis in reconventie, aanspraak gemaakt op een gebruiksvergoeding. Tengevolge van de proceshouding van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] heeft de verdeling van de grond lang geduurd. Het is in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid om nu nog, over zo’n lange periode een gebruiksvergoeding op te leggen. Een dergelijke gebruiksvergoeding zou bovendien hooguit kunnen zien op 1/3e deel van de grond, nu de nieuwe VOF slechts 1/3e deel van de grond gebruikt. Voorts, zo stelt De B.V., is het door [gedaagden] gevorderde bedrag te hoog.

4.52.

De rechtbank stelt vast dat uit dit vonnis volgt dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] na de beëindiging van de VOF, de grond, op grond van artikel 14 van de VOF-akte 1990 hadden moeten overdragen aan De B.V.. Als zij gedaan hadden wat zij hadden moeten doen, dan was de grond op of kort na 5 oktober 2013 overgedragen aan De B.V.. Een door De B.V. te betalen gebruiksvergoeding over een periode ver gelegen na de overdracht van de grond zou dan niet aan de orde zijn. De rechtbank ziet niet in waarom [gedaagden] thans nog aanspraak zouden kunnen maken op een gebruiksvergoeding vanaf 15 september 2014 enkel en alleen omdat de grond formeel nog niet is toegedeeld aan De B.V..

Komt aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] een recht toe om hun vrachtwagens op de grond te mogen parkeren?

4.53.

[gedaagden] vorderen dat de rechtbank zal bepalen dat zij per direct het recht krijgen om hun vrachtauto’s (thans twee in totaal) op de grond te (mogen) parkeren en dat zij een sleutel van de toegangspoort zullen krijgen, zodat zij van dit recht ook daadwerkelijk gebruik kunnen maken, primair zonder daarvoor een vergoeding te betalen, subsidiair tegen een door de rechtbank te bepalen vergoeding. Zij stellen dat deze vordering dient te worden toegewezen, op grond van de redelijkheid en billijkheid, alsmede op grond van het algemeen belang. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] parkeren nu hun vrachtwagens voor hun woning, hetgeen niet is toegestaan.

4.54.

De B.V. stelt zich op het standpunt dat een juridische grondslag voor toewijzing van deze vordering ontbreekt. Na toescheiding van het onverdeeld aandeel van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in de grond aan De B.V. is het aan De B.V. om te bepalen op welke wijze zij over de grond zal gaan beschikken. De B.V. wijst voorts op de slechte verstandhouding tussen de broers. De B.V. ziet ook niet in waarom [gedaagden] niet gewoon parkeerplaatsen huren, zoals ook veel andere bedrijven die vrachtwagens hebben doen.

4.55.

De rechtbank overweegt dat geen juridische grondslag bestaat voor toewijzing van deze vordering. Dit volgt niet uit de wet en evenmin uit de tussen partijen gemaakte contractuele afspraken.

Moet aan De B.V. een anti-speculatiebeding worden opgelegd?

4.56.

[gedaagden] vorderen dat aan De B.V. een anti-speculatiebeding moet worden opgelegd, inhoudende dat als De B.V. de grond binnen 5 jaar na datum vonnis zal verkopen, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ieder 25% zullen ontvangen van de koopprijs boven het bedrag dat zij van De B.V. in het kader van deze procedure zullen ontvangen.

4.57.

De B.V. voert aan dat daar geen aanleiding voor bestaat omdat zij niet voornemens zijn de grond te verkopen. Voorts voeren zij aan dat zij niet in de toekomst kunnen kijken en vrij moeten zijn om de grond geheel of gedeeltelijk te kunnen verkopen als daar om onverwachte redenen aanleiding voor zou zijn.

4.58.

Deze vordering zal worden afgewezen, nu uit de stellingen van [gedaagden] niet volgt wat de juridische grondslag is voor deze vordering.

Op welke wijze dient het saldo op de geblokkeerde bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] te worden verdeeld?

4.59.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in r.o. 4.44 en 4.45 is overwogen, stelt de rechtbank vast dat er niet van uitgegaan wordt dat het aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] toekomende deel van het saldo van de geblokkeerde bankrekening al is betrokken in de in punt 3 van de minnelijke regeling. Het saldo van de geblokkeerde bankrekening dient dus nog te worden verdeeld.

4.60.

De B.V. stelt (alinea 43 dv) dat het saldo van de geblokkeerde rekening eind 2012 € 35.571,00 bedroeg.

4.61.

[gedaagden] noemen (alinea 2 van hun conclusie van antwoord / eis in reconventie met een verwijzing naar productie 12) een bedrag van € 36.522,56 en stellen dat dit dient te worden verhoogd met eventueel nog betaalde rente.

4.62.

De geblokkeerde rekening zag, zo leidt de rechtbank af uit de stellingen van partijen, op een getroffen voorziening voor het geval er een planschadevergoeding zou moeten worden betaald als gevolg van de bestemmingsplanwijziging van de grond. Beide partijen gaan er van uit dat er geen planschadeclaim meer zal volgen, zodat het saldo verdeeld kan worden. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het verloop van deze rekening, maar gelet op het feit dat sprake is van een geblokkeerde rekening, die slechts met instemming van De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] uitgekeerd gaat worden, gaat de rechtbank er van uit dat het gehele saldo van deze rekening (hoofdsom op datum einde VOF (= 5 oktober 2013 en de daarna bijgeboekte rente) tussen De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] verdeeld dient te worden en dat aan ieder van hen, zoals [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] onweersproken stellen, 1/3e deel toekomt. In het midden kan dan ook blijven wat de exacte hoogte van het saldo van de bankrekening is of was.

Hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] een vordering op De B.V. op grond van nog niet uitbetaalde rente van spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] ?

4.63.

De B.V. wijzen er op dat het hier gaat om een rentebijschrijving in 2014 van

€ 2.273,54. Deze rentebijschrijving valt in het vermogen van de VOF. Dit vermogen is verdeeld conform de in de minnelijke regeling neergelegde afspraken en partijen hebben elkaar vervolgens finale kwijting verleend, waarbij slechts een uitzondering is gemaakt voor de grond en het saldo op de geblokkeerde rekening. Er valt, gelet op deze finale kwijting, dan ook niets meer van De B.V. te vorderen.

De Beheer B.V.’s en [gedaagde sub 5] komt in ieder geval geen vordering toe, nu zij geen gewezen vennoten zijn.

4.64.

Ter zitting is namens [gedaagden] aangevoerd dat het gaat over een privé-rekening van partijen, waar de minnelijke regeling niet op ziet, dat het gaat om een rentebedrag van

€ 2.318,45 en dat [naam vennoot 1 van VOF 1] dit bedrag zonder toestemming heeft opgenomen. [gedaagden] verwijzen ter onderbouwing van hun stellingen naar productie 15 bij conclusie van antwoord / eis in reconventie.

4.65.

De rechtbank overweegt dat de stelling dat sprake zou zijn van een privé-rekening op naam van de B.V. en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , die buiten de minnelijke regeling valt, van de zijde van [gedaagden] onvoldoende is onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat deze bankrekening, nu deze op naam stond van de drie vennoten van de VOF, een rekening was ten behoeve van de VOF.

Om die reden komt aan de Beheer B.V.’s en [gedaagde sub 5] in ieder geval geen vorderingsrecht toe.

De B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben elkaar, blijkens punt 10 van de minnelijke regeling, finale kwijting verleend. Dat leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , behoudens voor wat betreft de grond en de geblokkeerde rekening, niets meer van de B.V. te vorderen te hebben.

De vordering met betrekking tot de spaarrekening met nr. [rekeningnummer] zal dan ook worden afgewezen.

Wat betekent het voorgaande nu voor de vorderingen van partijen?

in conventie:

voor wat betreft de vordering onder 1.

4.66.

Uit het voorgaande volgt dat de grond dient te worden toegedeeld aan De B.V..

De [gedaagden] wijzen er op dat er ingevolge punt 3 van de minnelijke regeling ten behoeve van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] en ten laste van De B.V. een recht van hypotheek is gevestigd, zodat onbezwaard leveren, waaronder mede wordt verstaan vrij van hypotheken, niet mogelijk is. De rechtbank stelt vast dat dit hypotheekrecht kennelijk ziet op het aandeel van De B.V. in de grond, maar zal zekerheidshalve en ter voorkoming van misverstanden bepalen dat deze voorwaarde niet geldt voor het ten laste van De B.V. en ten gunste van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] gevestigde hypotheekrecht. Dit hypotheekrecht is, ingevolge de minnelijke regeling, gevestigd om [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zekerheid te geven met betrekking tot de in de toekomst nog door De B.V. te verrichten betalingen ingevolge punt 3 van de minnelijke regeling.

De rechtbank is er hiervoor, evenals partijen, van uitgegaan dat [gedaagde sub 5] de eigenaar is van het 2/3e onverdeelde aandeel in de grond. Voor het geval bij de inbreng van de grond in [gedaagde sub 5] toch iets mis is gegaan (in de vennootschapsakte van 29 april 2015 staat op pagina 21 onder 2c dat de inbreng nader bij afzonderlijke akte zal worden geëffectueerd) zal de rechtbank bepalen dat iedere gedaagde, voor zover eigenaar van het onverdeelde aandeel in de grond dient mee te werken aan de notariële levering.

4.67.

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen zoals hierna nader bepaald.

Aan de gevorderde dwangsom zal een maximum en een matigingsbevoegdheid van de hierna te melden inhoud worden verbonden.

De dwangsommen zullen vatbaar zijn voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding.

voor wat betreft de vordering onder 2.

4.68.

De vordering inhoudende dat het in deze te wijzen vonnis, voor zover daarbij het aan [gedaagden] onder 1 gevorderde gebod wordt opgelegd, in de plaats kan treden van de bij akte van levering vereiste wilsverklaring van [gedaagden] , zal worden toegewezen.

voor wat betreft de vordering onder 3.

4.69.

Nu de rechtbank heeft beslist dat niet is komen vast te staan dat de boekwaarde van de onverdeelde aandelen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in de grond reeds in het kader van de financiële afwikkeling van de VOF is verdeeld en vereffend, zal de onder 3 gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen.

voor wat betreft de vordering onder 4.

4.70.

Nu de rechtbank heeft beslist dat niet is komen vast te staan dat de boekwaarde van de geblokkeerde rekening reeds in het kader van de financiële afwikkeling van de VOF is verdeeld en vereffend, zal de onder 3 gevorderde verklaring voor recht slechts worden toegewezen als volgt. Voor recht zal worden verklaard dat 1/3e deel van het saldo van de geblokkeerde rekening met rekeningnummer [rekeningnummer] toekomt aan De B.V..

Voorts zullen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] worden veroordeeld om binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis hun onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de vrijgave door de Rabobank Bommelerwaard U.A. van 1/3e deel van het saldo van deze geblokkeerde rekening ten behoeve van De B.V. en daartoe alle noodzakelijke handelingen te verrichten. De daaraan verbonden dwangsom zal worden toegewezen als hierna vermeld.

voor wat betreft de vordering onder 5. en 6.

4.71.

Over de proceskosten, de beslagkosten en de nakosten zal hierna een beslissing worden genomen.

in reconventie.

4.72.

Nu de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, van oordeel is dat De B.V. ontvankelijk is in haar vorderingen jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , komt de rechtbank ook toe aan het voorwaardelijk onder A. gevorderde in reconventie.

Voor wat betreft het gevorderde onder A-a., primair, subsidiair, meer-subsidiair en nog meer subsidiair.

4.73.

Nu de rechtbank heeft bepaald dat de onverdeelde (2/3e) aandelen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , dan wel [gedaagde sub 5] , zullen worden toegedeeld aan De B .V., zullen de vorderingen van [gedaagden] onder a. primair, subsidiair en meer-subsidiair worden afgewezen.

Voor wat betreft het onder a. nog meer subsidiair gevorderde heeft de rechtbank, hiervoor al, het volgende bepaald:

  • -

    de onverdeelde (2/3e) aandelen van aanvankelijk [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , thans [gedaagde sub 5] , in de grond zullen worden toegedeeld aan De B.V.;

  • -

    De B.V. zal aan [gedaagde sub 5] , in het kader van over- / onderbedeling, het aanvankelijk aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] toekomende bedrag van € 200.000,00 moeten betalen;

  • -

    Aan [gedaagde sub 5] wordt voorts, in het kader van over- / onderbedeling, toebedeeld het vorderingsrecht dat De B.V. wellicht op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] heeft uit hoofde van de contractueel onbevoegde inbreng door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] van hun onverdeelde (2/3e) aandeel in de grond in [gedaagde sub 5] ;

De vordering onder a. nog meer subsidiair zal op deze wijze en in zoverre worden toegewezen.

Nu daartegen geen verweer is gevoerd zal de rechtbank bepalen dat de kosten van de notaris voor rekening dienen te komen van de partij waaraan de grond geheel of gedeeltelijk wordt toegescheiden, zijnde De B.V., waarbij de rechtbank tevens zal bepalen dat de notaris door De B.V. mag worden aangewezen.

voor wat betreft het gevorderde onder A-b.

4.74.

Zoals hiervoor overwogen zal de vordering om de verdeling van de grond voor drie jaar uit te sluiten worden afgewezen.

voor wat betreft het gevorderde onder A-c.

4.75.

Zoals hiervoor overwogen zal de vordering inzake de 2 parkeerplaatsen en de sleutel van de toegangspoort, de daaraan gekoppelde geboden en de vordering tot opleggen van een anti-speculatiebeding worden afgewezen. De op deze vorderingen ziende gevorderde dwangsom zal eveneens worden afgewezen.

voor wat betreft het gevorderde onder A-d.

4.76.

Zoals hiervoor overwogen wordt de gevorderde huurprijs dan wel gebruiksvergoeding afgewezen.

voor wat betreft het gevorderde onder A-e.

4.77.

Nu de onverdeeldheid niet in stand blijft, bestaat alleen al om die reden geen aanleiding om De B.V. te veroordelen tot het betalen van een huurprijs. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

voor wat betreft het onvoorwaardelijk onder B-1 gevorderde.

4.78.

Zoals hiervoor al overwogen zal de rechtbank de vordering met betrekking tot het bedrag van € 1.545,64 met rente en kosten afwijzen.

Voor wat betreft het onvoorwaardelijk onder B-2 gevorderde.

4.79.

Over de proceskosten en de nakosten zal hierna een beslissing worden genomen.

in conventie en in reconventie.

4.80.

Gelet op de familierelatie tussen partijen en gelet op de omstandigheid dat partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten zal dragen;

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie.

5.1.

bepaalt dat het onverdeelde (aanvankelijk aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] toekomende) 2/3e aandeel in de grond wordt toegedeeld aan De B.V.;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] , ieder van hen slechts voor zover hij of zij eigenaar is van het onverdeelde (aanvankelijk aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] toekomende) 2/3e aandeel in de grond, om uiterlijk binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, mee te werken aan de notariële levering en overdracht van het onverdeelde (aanvankelijk aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] toekomende) 2/3e aandeel in de grond, onbezwaard en mitsdien vrij van hypotheken (uitgezonderd het ingevolge punt 3 van de minnelijke regeling ten laste van het aandeel van De B.V. en ten gunste van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] gevestigde hypotheekrecht op de grond), beslagen, inschrijvingen, huur en/of andere verplichtingen aan De B.V. via een daartoe door De B.V. aan te wijzen notaris, die de daarvoor benodigde akte(n) zal opstellen en passeren.

5.3.

bepaalt dat dit vonnis, voor zover daarbij het aan [gedaagden] onder 1 gevorderde gebod wordt opgelegd, in de plaats kan treden van de bij akte van levering vereiste wilsverklaring van [gedaagden] ;

5.4.

verklaart voor recht dat 1/3e deel van het saldo van de geblokkeerde rekening met rekeningnummer [rekeningnummer] toekomt aan De B.V.;

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] om binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis hun onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de vrijgave door de Rabobank Bommelerwaard U.A. van 1/3e deel van het saldo van deze geblokkeerde rekening ten behoeve van De B.V. en daartoe alle noodzakelijke handelingen te verrichten;

5.6.

gebiedt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , voor zichzelf, dan wel in hun hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] mee te werken aan de hiervoor onder 5.2. en 5.5. geformuleerde veroordelingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat de overtreding vanaf twee werkdagen na betekening van dit vonnis voortduurt, tot een maximum van

€ 300.000,00 is bereikt;

5.7.

bepaalt dat geen dwangsom zal worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, (mede) gelet op de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.9.

verklaart dit vonnis in conventie voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie.

5.10.

bepaalt dat het onverdeelde (aanvankelijk aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] toekomende en later aan [gedaagde sub 5] toekomende) 2/3e aandeel in de grond wordt toegedeeld aan De B.V.;

5.11.

verstaat dat de kosten van de, voor de levering van het onverdeelde aandeel in de grond, in te schakelen notaris voor rekening komen van De B.V. en dat De B.V. de notaris mag aanwijzen;

5.12.

veroordeelt De B.V. tot betaling aan [gedaagde sub 5] , in het kader van overbedeling van de B.V. en onderbedeling van [gedaagde sub 5] , het aanvankelijk aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] toekomende bedrag van € 200.000,00;

5.13.

bepaalt dat aan [gedaagde sub 5] wordt toebedeeld het vorderingsrecht dat De B.V. wellicht op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] heeft uit hoofde van de contractueel onbevoegde inbreng door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] van hun onverdeelde (2/3e) aandeel in de grond in [gedaagde sub 5] ;

5.14.

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.15.

verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie en in reconventie.

5.16.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten zal dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.