Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3313

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
01/860094-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gebruik gemaakt van de diensten van een minderjarige prostituee. Hij is met haar in contact gekomen via een internetadvertentie waarin onder andere stond vermeld dat zij meerderjarig was. Verdachte heeft haar ook naar haar leeftijd gevraagd. Dit alles is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich

beter had moeten vergewissen van de daadwerkelijke leeftijd van het slachtoffer.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag en een taakstraf voor de duur van 220 uren subsidiair 110 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860094-17

Datum uitspraak: 10 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,

wonende te [postcode] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 mei 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 26 juni 2018 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2015 tot en met 11 januari 2015 te Tilburg, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboren op [1997] ), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van 18 jaren had bereikt, welke ontucht tekens bestond uit het:

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op 28 januari 2015 kwam bij de politie een spoed MMA-melding binnen dat de 17-jarige [slachtoffer] (hierna te noemen: het slachtoffer) gedwongen in de prostitutie zou werken. Ze zou (onder andere) worden aangeboden via een advertentie op [website] onder de werknaam “ [werknaam] ”. Het slachtoffer zou in Rotterdam in een woning verblijven, alwaar ze klanten ontving. Hierop kwam de politie direct in actie.

In de woning die in de MMA-melding was vermeld, trof de politie een slaapkamer aan die vermoedelijk was ingericht als afwerkkamer. In deze slaapkamer werden lingerie en condooms aangetroffen. Op het bed lag een ochtendjas met tijgerprint. In één van de zakken van de ochtendjas werd een mobiele telefoon aangetroffen van het merk Samsung. Deze telefoon met simkaart werd in beslag genomen voor verder onderzoek. Ook werden via de moeder van het slachtoffer nog telefoons aan de politie overhandigd voor nader onderzoek. Uit deze verschillende onderzoeken kwamen diverse klanten van het slachtoffer in beeld, waaronder verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van – onder meer – de bekennende verklaring van verdachte. Ook acht zij het meermalen plegen van ontucht wettig en overtuigend bewezen, nu verdachte en het slachtoffer in WhatsApp-berichten meermalen spreken over het ophalen van het slachtoffer. Aan de mastlocaties van beide telefoons is te zien dat zij zich bewegen naar een mast die de woning van verdachte bestrijkt.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het feit geen bewijsverweer gevoerd. Verdachte heeft bekend eenmalig (onveilig) seksueel contact te hebben gehad met het slachtoffer op 3 januari 2015. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank van de langere ten laste gelegde periode vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen als na te melden op grond van de volgende bewijsmiddelen:

het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , d.d. 17 april 2015, p. 20-27

de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 26 juni 2018

De rechtbank volstaat, gelet op het bepaalde in artikel 359, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen nu verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend.

Bijzondere overweging ten aanzien van het bewijs.

In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor het eenmalig plegen van ontucht. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt niet ondubbelzinnig dat verdachte en het slachtoffer meer dan eenmaal seksueel contact hebben gehad. Verdachte zal dan ook voor het meermalen plegen van ontucht met het slachtoffer partieel worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 3 januari 2015 te Tilburg eenmaal ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboren op [1997] ), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van 18 jaren had bereikt, welke ontucht tekens bestond uit het:

- brengen en houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Afwezigheid van alle schuld?

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu verdachte niet wist dat het slachtoffer minderjarig was. Verdachte heeft aangevoerd dat er in zijn geval sprake was van een uitzonderlijke situatie en hem daarom een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de advertentie van het slachtoffer op een 18+ website stond en hierin stond aangegeven dat ze 19 jaar was. Voorts heeft hij aangevoerd dat het slachtoffer had verteld dat ze een “aardig” klantenbestand had en dat er geen pooier bij haar was toen ze met de trein arriveerde. Verdachte heeft haar gevraagd of ze 19 jaar was hetgeen ze bevestigde en haar uiterlijke verschijning gaf hem geen enkele aanleiding tot twijfel aan die leeftijd. Ook de politie gaf in het politieverhoor aan dat ze mogelijk 19 jaar oud had kunnen zijn.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte aangevoerd dat de meerderjarigheid in artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een geobjectiveerd bestanddeel is. Uit de jurisprudentie volgt dat er niet zomaar mag worden afgegaan op de leeftijd die in een advertentie op een website staat of op hetgeen het slachtoffer zelf over haar leeftijd heeft verklaard. Daarbij komt dat door dergelijke websites geen controle wordt uitgeoefend.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. De wetgever heeft met artikel 248b Sr de bescherming van minderjarigen voorop gesteld. Om die reden is de minderjarigheid geobjectiveerd en hoeft geen opzet of schuld van de verdachte voor dit bestanddeel te worden bewezen. Voor bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging is dus voldoende dat objectief komt vast te staan dat het slachtoffer op het moment van het ten laste gelegde minderjarig was.

Van de verdachte mocht worden verlangd dat hij zich ervan zou vergewissen - alvorens enige seksuele handeling plaatsvond - of het een legale seksafspraak was, onder meer ten aanzien van de daadwerkelijke leeftijd van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich hiervan onvoldoende heeft vergewist. Verdachte is afgegaan op hetgeen in de advertentie was aangegeven en heeft hij nog naar haar leeftijd gevraagd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hierdoor niet alle zorg betracht die van hem kon worden gevergd. Hij heeft een ongeoorloofd risico genomen door bij deze jeugdige prostituee niet nader onderzoek te verrichten naar haar ware leeftijd. Hierdoor kan niet worden gesproken van afwezigheid van alle schuld. Hetgeen de raadsvrouw van verdachte verder nog heeft aangevoerd doet evenmin een beroep op afwezigheid van alle schuld slagen. De rechtbank verwerpt het verweer.

Nu geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de bewezen verklaarde ontucht met een minderjarige.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, waarbij zij zich onder meer heeft gebaseerd op het taakstrafverbod van artikel 22b Sr en de richtlijn van het Openbaar Ministerie met betrekking tot artikel 248b Sr. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank bij de straftoemeting rekening te houden met de grote impact die de zaak voor verdachte heeft. Verdachte slaapt slecht, heeft concentratieproblemen en het feit dat hij seks met een minderjarige heeft gehad heeft hem zeer aangegrepen. Ook heeft de zaak een grote impact gehad op zijn huidige relatie.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gebruik gemaakt van de diensten van een minderjarige prostituee. Hij is met haar in contact gekomen via een internetadvertentie. In deze advertentie werd onder meer vermeld dat zij meerderjarig was. Verdachte heeft met haar een afspraak gemaakt bij hem thuis. Bij het seksueel contact is sprake geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer zonder daarbij gebruik te maken van een condoom. Door het handelen van verdachte is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Minderjarigen moeten kunnen opgroeien in een veilige omgeving en zich veilig kunnen ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Blootstelling aan prostitutie op jonge leeftijd heeft grote gevolgen voor de minderjarige op langere termijn en gezien hun jeugdige leeftijd kan niet worden verwacht dat zij deze op dat moment kunnen overzien. Het risico op (ernstige) seksueel overdraagbare aandoeningen en ongewenste zwangerschappen is aanwezig bij seks zonder condoom. De gebruikmaking van jeugdprostitutie is een ernstig zedendelict. Verdachte heeft door zijn handelwijze bijgedragen aan het in stand houden van jeugdprostitutie en dit kan hem ook worden aangerekend.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad (uittreksel Justitiële Documentatie) van verdachte van 23 mei 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Over verdachte is op 19 december 2017 een rapport opgemaakt door Reclassering Nederland. Uit dit rapport blijkt dat er geen problemen zijn op de diverse leefgebieden. Verdachte heeft een langdurige relatie, huisvesting en een vaste baan. Er is geen sprake van middelenproblematiek of schulden. Ook zijn er gedragsmatig geen problemen geconstateerd. Wel valt de psychische impact van de zaak bij verdachte op. Bij een eventuele veroordeling is een reclasseringstoezicht niet geïndiceerd.

Strafmodaliteit

Ingevolge artikel 22b Sr mag in geval van veroordeling voor jeugdprostitutie geen taakstraf worden opgelegd, tenzij daarnaast ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. Het uitgangspunt volgens de wetsgeschiedenis is een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hetgeen gelet op de ernst van het feit ook gerechtvaardigd is. Hierin zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte al verdisconteerd. Slechts bij bijzondere omstandigheden waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden is afwijking van dit artikel mogelijk.

De rechtbank overweegt dat zij het aannemelijk acht dat verdachte heeft gedwaald omtrent de leeftijd van het slachtoffer en dat hij er vanuit ging dat zij minimaal 18 jaar was. Uit het dossier is niet aannemelijk geworden dat verdachte bewust op zoek is geweest naar een minderjarige prostituee. Er waren geen bijzondere situationele omstandigheden op grond waarvan hij gespitst had moeten zijn op de mogelijke minderjarigheid van het slachtoffer. Op basis van het uiterlijk van het slachtoffer was kennelijk ook niet zonder meer duidelijk dat zij nog geen 18 jaar was. Dit alles neemt echter niet weg dat verdachte zich wel degelijk van de leeftijd van het slachtoffer had moeten vergewissen. Dat hij met een minderjarige prostituee had afgesproken, was dan ook zijn eigen verantwoordelijkheid die niet wordt weggenomen door een leeftijdsaanduiding in een advertentie of mededelingen van de prostituee zelf.

Zonder ook maar iets af te doen aan de ernst van het strafbare feit en de gevolgen voor het slachtoffer, is het verwijt dat deze verdachte kan worden gemaakt minder groot dan in het geval dat iemand welbewust op zoek is gegaan naar een minderjarige of wist respectievelijk gegronde reden had te vermoeden dat zij minderjarig was.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf een te zware strafmodaliteit. Zij acht een taakstraf het meest passend. Op grond van artikel 22b Sr is het uitsluitend opleggen van deze strafmodaliteit voor dit strafbare feit niet mogelijk. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van één dag opleggen in combinatie met een taakstraf.

Overschrijding redelijke termijn

Het tijdsverloop tussen de aanvang van de redelijke termijn en de uitspraak bedraagt ongeveer 3,5 jaar. De rechtbank weegt als bijzondere omstandigheid mee dat er op 23 januari 2017 reeds een vonnis is gewezen door de rechtbank Rotterdam, die zich onbevoegd heeft verklaard te oordelen over hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd. Vervolgens zijn onderzoekswensen ingewilligd door de advocaat van een medeverdachte. Elke verdediging heeft het recht onderzoekswensen op te geven en bij de vaststelling van een algemene redelijke termijn van twee jaar, is dit in bepaalde mate ook verdisconteerd. De rechtbank volgt de officier van justitie dan ook niet in de stelling dat in dit geval de onderzoekswensen als bijzondere omstandigheid geldt die rechtvaardigt dat de redelijke termijn wordt opgerekt.

Nu de rechtbank van oordeel is dat deze gang van zaken niet volledig voor rekening en risico van de verdachte mag komen, houdt zij hier in het kader van de overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte rekening mee. De rechtbank is van oordeel dat een strafkorting toegepast dient te worden en zal de hoogte van de taakstraf met 20 uur verminderen. Alles afwegende zal de rechtbank in plaats van oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uur, dan ook aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 220 uur.

Concluderend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van één dag in combinatie met een taakstraf voor de duur van 220 uur.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d en 248b.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen:

Gevangenisstraf voor de duur van 1 dag.

Taakstraf voor de duur van 220 uren subsidiair 110 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.C.E. Winfield, voorzitter,

mr. W. Brouwer en mr. C.M. Zandbergen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.J. Huijskens, griffier,

en is uitgesproken op 10 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een proces-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het eindproces-verbaal met dossiernummer RTRCC/15/107 in het onderzoek “BEAR” van de politie eenheid Rotterdam, afdeling Vreemdelingen Identificatie en Mensenhandel, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van p. 1 tot en met p. 240.