Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3309

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
01/860096-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het hebben van seks met een minderjarige prostituee. Hij is met haar in contact gekomen via een internetadvertentie waarin onder meer stond vermeld dat zij meerderjarig was. De rechtbank is echter niet gebleken dat verdachte op enige wijze de leeftijd van het slachtoffer heeft gecontroleerd.

De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag en tot een taakstraf van 220 uren subsidiair 110 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860096-17

Datum uitspraak: 10 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1986] ,

wonende te [postcode] , [adres] .

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 mei 2018.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 januari 2015 te Oosterhout, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboren op [1997] ), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, welke ontucht telkens bestond uit:

- (tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of;

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Op 28 januari 2015 kwam bij de politie een spoed MMA-melding binnen dat de 17-jarige [slachtoffer] (hierna te noemen: het slachtoffer) gedwongen in de prostitutie zou werken. Ze zou (onder andere) worden aangeboden via een advertentie op [website] onder de werknaam “ [werknaam] ”. Het slachtoffer zou in Rotterdam in een woning verblijven, alwaar ze klanten ontving. Hierop kwam de politie direct in actie.

In de woning die in de MMA-melding was vermeld, trof de politie een slaapkamer aan die vermoedelijk was ingericht als afwerkkamer. In deze slaapkamer werden lingerie en condooms aangetroffen. Op het bed lag een ochtendjas met tijgerprint. In één van de zakken van de ochtendjas werd een mobiele telefoon aangetroffen van het merk Samsung. Deze telefoon met simkaart werd in beslag genomen voor verder onderzoek. Ook werden via de moeder van het slachtoffer nog telefoons aan de politie overhandigd voor nader onderzoek. Uit deze verschillende onderzoeken kwamen diverse klanten van het slachtoffer in beeld, waaronder verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van – onder meer – de bekennende verklaring van verdachte. Ook acht zij het meermalen plegen van ontucht wettig en overtuigend bewezen, nu verdachte aan het slachtoffer een WhatsApp-bericht heeft verzonden waarin hij spreekt over het weer van school ophalen van het slachtoffer.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen als na te melden op grond van de volgende bewijsmiddelen:

het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , d.d. 17 april 2015, p. 20-27

het proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 10 augustus 2015, p. 47-52

De rechtbank volstaat, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen nu verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend.

Bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor het eenmalig plegen van ontucht. Uit het dossier blijkt niet ondubbelzinnig dat verdachte en het slachtoffer meer dan eenmaal seksueel contact hebben gehad. Verdachte zal dan ook voor het meermalen plegen van ontucht met het slachtoffer partieel worden vrijgesproken.

Evenmin blijkt uit het dossier dat er sprake is geweest van tongzoenen, zodat dit niet vastgesteld kan worden. Ten aanzien van het feit dat verdachte het slachtoffer heeft gezoend kan niet worden gezegd dat dit een ontuchtige handeling betreft, waardoor verdachte voor dit deel van de tenlastelegging partieel wordt vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op of omstreeks 6 januari 2015 in Nederland, eenmaal ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboren op [1997] ), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, welke ontucht telkens bestond uit:

- brengen en houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, waarbij zij zich onder meer heeft gebaseerd op het taakstrafverbod van artikel 22b Sr en de Richtlijn van het Openbaar Ministerie met betrekking tot artikel 248b Sr.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gebruik gemaakt van de diensten van een minderjarige prostituee. Hij is met haar in contact gekomen via een internetadvertentie. In deze advertentie werd onder meer vermeld dat zij meerderjarig was. Verdachte heeft met haar een afspraak gemaakt bij hem thuis. Bij het seksueel contact is sprake geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer. Niet is gebleken dat verdachte op enige wijze de leeftijd van het slachtoffer heeft gecontroleerd. Door het handelen van verdachte is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het hebben van seks met een minderjarige prostituee, hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht. In dit artikel staat de bescherming van minderjarigen centraal. Minderjarigen moeten kunnen opgroeien in een veilige omgeving en zich veilig kunnen ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Blootstelling aan prostitutie op jonge leeftijd heeft grote gevolgen voor de minderjarige op langere termijn en gezien hun jeugdige leeftijd kan niet worden verwacht dat zij deze op dat moment kunnen overzien. Gebruikmaking van jeugdprostitutie is een ernstig zedendelict. Verdachte heeft door zijn handelwijze bijgedragen aan het in stand houden van jeugdprostitutie en dit kan hem ook worden aangerekend.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad (uittreksel Justitiële Documentatie) van verdachte van 23 mei 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Strafmodaliteit

Ingevolge artikel 22b Sr mag in geval van veroordeling voor jeugdprostitutie geen taakstraf worden opgelegd, tenzij daarnaast ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. Het uitgangspunt volgens de wetsgeschiedenis is een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hetgeen gelet op de ernst van het feit ook gerechtvaardigd is. Hierin zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte al verdisconteerd. Slechts bij bijzondere omstandigheden waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden is afwijking van dit artikel mogelijk.

De rechtbank overweegt dat zij het aannemelijk acht dat verdachte heeft gedwaald omtrent de leeftijd van het slachtoffer en dat hij er vanuit ging dat zij minimaal 18 jaar was. Uit het dossier is niet aannemelijk geworden dat verdachte bewust op zoek is geweest naar een minderjarige prostituee. Er waren geen bijzondere situationele omstandigheden op grond waarvan hij gespitst had moeten zijn op de mogelijke minderjarigheid van het slachtoffer. Op basis van het uiterlijk van het slachtoffer was kennelijk ook niet zonder meer duidelijk dat zij nog geen 18 jaar was. Dit alles neemt echter niet weg dat verdachte zich wel degelijk van de leeftijd van het slachtoffer had moeten vergewissen. Dat hij met een minderjarige prostituee had afgesproken, was dan ook zijn eigen verantwoordelijkheid die niet wordt weggenomen door een leeftijdsaanduiding in een advertentie of mededelingen van de prostituee zelf.

Zonder ook maar iets af te doen aan de ernst van het strafbare feit en de gevolgen voor het slachtoffer, is het verwijt dat deze verdachte kan worden gemaakt minder groot dan in het geval dat iemand welbewust op zoek is gegaan naar een minderjarige of wist respectievelijk gegronde reden had te vermoeden dat zij minderjarig was.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf een te zware strafmodaliteit. Zij acht een taakstraf het meest passend. Op grond van artikel 22b Sr is het uitsluitend opleggen van deze strafmodaliteit voor dit strafbare feit niet mogelijk. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van één dag opleggen in combinatie met een taakstraf.

Overschrijding redelijke termijn

Het tijdsverloop tussen de aanvang van de redelijke termijn en de uitspraak bedraagt ongeveer 3,5 jaar. De rechtbank weegt als bijzondere omstandigheid mee dat er op 23 januari 2017 reeds een vonnis is gewezen door de rechtbank Rotterdam, die zich onbevoegd heeft verklaard te oordelen over hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd. Vervolgens zijn onderzoekswensen ingewilligd door de advocaat van een medeverdachte. Elke verdediging heeft het recht onderzoekswensen op te geven en bij de vaststelling van een algemene redelijke termijn van twee jaar, is dit in bepaalde mate ook verdisconteerd. De rechtbank volgt de officier van justitie dan ook niet in de stelling dat in dit geval de onderzoekswensen als bijzondere omstandigheid geldt die rechtvaardigt dat de redelijke termijn wordt opgerekt.

Nu de rechtbank van oordeel is dat deze gang van zaken niet volledig voor rekening en risico van de verdachte mag komen, houdt zij hier in het kader van de overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte rekening mee. De rechtbank is van oordeel dat een strafkorting toegepast dient te worden en zal de hoogte van de taakstraf met 20 uur verminderen. Alles afwegende zal de rechtbank in plaats van oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uur, dan ook aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 220 uur.

Concluderend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van één dag in combinatie met een taakstraf voor de duur van 220 uur.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d en 248b.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen

Gevangenisstraf voor de duur van 1 dag

Taakstraf voor de duur van 220 uren subsidiair 110 dagen hechtenis

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.C.E. Winfield, voorzitter,

mr. W. Brouwer en mr. C.M. Zandbergen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.J. Huijskens, griffier,

en is uitgesproken op 10 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een proces-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het eindproces-verbaal met dossiernummer RTRCC/15/107 in het onderzoek “BEAR” van de politie eenheid Rotterdam, afdeling Vreemdelingen Identificatie en Mensenhandel, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van p. 1 tot en met p. 240.