Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3292

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
SHE 18/872, SHE 18/783, SHE 18/784, SHE 18/785 en SHE 18/786
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsverdeling rechtbank-Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De beroepen zijn gericht tegen zes afzonderlijke lasten onder dwangsom, vervat in één besluit. De rechtbank beschouwt deze lasten als 6 zelfstandige besluitonderdelen. Twee lasten zien op overtredingen van twee wetten maar op één handeling en zijn daarom niet splitsbaar. Niet de rechtbank maar de Afdeling is bevoegd over de beroepen tegen deze lasten onder dwangsom te oordelen, omdat de lasten mede zijn gebaseerd op artikel 13 van de Wet bodembescherming respectievelijk op artikel 10.1 van de Wet milieubeheer. De Afdeling is ook bevoegd te oordelen over de samenhangende besluitonderdelen van de invorderingsbesluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/205 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 18/782, SHE 18/783, SHE 18/784, SHE 18/785 en SHE 18/786

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2018 in de zaken tussen

[eisers] , eisers,

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren, verweerder.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 30 mei 2017 (de primaire besluiten I) heeft verweerder eisers diverse lasten onder dwangsom opgelegd in verband met meerdere overtredingen op het perceel [het perceel] .

Bij afzonderlijke besluiten van 24 juli 2017 (de primaire besluiten II) heeft verweerder besloten tot invordering van door eisers verbeurde dwangsommen, vanwege het niet beëindigen van de overtredingen binnen de begunstigingstermijnen.

Bij afzonderlijke besluiten van 22 februari 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de opgelegde lasten onder dwangsom en de daarmee samenhangende invorderingsbesluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben, ieder afzonderlijk, tegen het aan hen gerichte bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of zij bevoegd is tot kennisneming van de aan haar voorgelegde geschillen. Dit onderzoek geschiedt ambtshalve.

2. Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het beroep worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.

3. Ingevolge artikel 2 van hoofdstuk 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, opgenomen in bijlage 2 bij de Awb, kan tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

4. Aan de dwangsombesluiten van 30 mei 2017 heeft verweerder, naast overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Woningwet, het Bouwbesluit en de gemeentelijke Bouwverordening, een overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming en van artikel 10.1 van de Wet milieubeheer ten grondslag gelegd.
Voor zover deze besluiten betrekking hebben op handhaving van de Wabo, Woningwet, Bouwbesluit en Bouwverordening, is ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de Awb de rechtbank bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de beroepen. Voor zover deze besluiten betrekking hebben op handhaving van artikel 13 Wet bodembescherming en artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, is de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd kennis te nemen van de beroepen.

5. De dwangsombesluiten van 30 mei 2017 bevatten zes verschillende lasten onder dwangsom die zien op de volgende handelingen die verweerder stelt te hebben geconstateerd op 3 oktober 2016:

1) Het storten van een vracht grond met een biels;
2) De aanwezigheid van een open pompput met een slang eruit;
3) Een open mesthoudend water aan de achterzijde van het stallencomplex;
4) De aanwezigheid van stukken van golfplaten en andere materialen aan de rechterzijde van het stallencomplex;
5) Hoog onkruid op het buitenterrein;
6) De opslag van dierlijke mest in de stallen.

De eerste handeling is volgens verweerder een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
De tweede handeling is volgens verweerder een overtreding van artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet.
De derde handeling is volgens verweerder een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en van artikel 13 van de Wet bodembescherming.
De vierde handeling is volgens verweerder een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en artikel 10.1 van de Wet milieubeheer.
De vijfde handeling is volgens verweerder een overtreding van artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 en van artikel 5.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening 2010.
De zesde handeling is volgens verweerder een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo.

Er zijn zes afzonderlijke lasten onder dwangsom opgelegd in het primaire besluit om eisers te bewegen de betreffende handelingen te beëindigen dan wel ongedaan te maken.

De rechtbank beschouwt de zes afzonderlijke lasten als zelfstandige besluitonderdelen en beziet per besluitonderdeel of zij bevoegd is.

Het beroep tegen de derde last ziet op overtredingen van twee wetten maar betreft één en dezelfde handeling. Deze last is daarom niet splitsbaar. Dit geldt ook voor het beroep voor zover dit betrekking heeft op de last om de golfplaten en andere materialen op de locatie [het perceel] , zoals weergegeven op de foto die als bijlage 5 aan het besluit is gehecht, te verwijderen en verwijderd te houden (last 4).
Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 20181 is niet de rechtbank maar de Afdeling bevoegd over de beroepen tegen deze lasten onder dwangsom te oordelen. De rechtbank is bevoegd om in eerste aanleg te oordelen over de overige vier lasten.

6. Hoewel artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak invorderingsbesluiten als zodanig niet expliciet benoemt, is de rechtbank onder verwijzing naar artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, van oordeel dat de beroepen die zijn gericht tegen de invorderingsbesluiten die samenhangen met de lasten onder dwangsom waarover de Afdeling bevoegd is te oordelen, eveneens bij de Afdeling thuishoren. In dat artikel is immers bepaald dat een aangewend rechtsmiddel tegen de last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

7.
De rechtbank komt tot de slotsom dat zij onbevoegd is kennis te nemen van de aan haar voorgelegde geschillen voor zover die betrekking hebben op de in overweging 5 onder 3 en 4 genoemde lasten onder dwangsom en daarmee samenhangende invorderingsbesluiten. Daarom zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren uitspraak te doen op de beroepen met betrekking tot de lasten 3 en 4 en de beroepen in zoverre - met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb - ter behandeling als beroepen in eerste aanleg doorzenden aan de Afdeling. De rechtbank acht zich wel bevoegd te oordelen over de beroepen tegen de overige lasten onder dwangsom en daarmee samenhangende invorderingsbesluiten. Deze zullen naar verwachting worden behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 9 oktober 2018.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen voor zover gericht tegen de lasten onder dwangsom en daarmee samenhangende invorderingsbesluiten met betrekking tot de handelingen drie en vier, zoals genoemd in rechtsoverweging 5;
- zendt de beroepschriften, met daarbij behorende stukken, in zoverre ter behandeling als beroepen in eerste aanleg door aan de Afdeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. J.D. Streefkerk, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2018:905