Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3290

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
C/01/334383 / KG ZA 18-276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot verwijdering BRK-registratie door kredietverlener toegewezen na belangenafweging. Eiser heeft een schone lei verkregen en zijn financiële situatie is stabiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/334383 / KG ZA 18-276

Vonnis in kort geding van 6 juli 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. S.G.L. Bremen te Landgraaf,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QANDER CONSUMER FINANCE B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

vertegenwoordigd door mr. A.H.G. van Delft.

Partijen zullen hierna [eiser] en Qander genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 4 juni 2018 met 7 producties

  • -

    de brief van mr. Bremen d.d. 26 juni 2018 met producties 8 tot en met 11

  • -

    de brief van Qander d.d. 26 juni 2018 met 3 producties

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft met ingang van 1 februari 1999 een doorlopend krediet afgesloten bij Qander.

2.2.

[eiser] is op enig moment in financiële problemen geraakt. Als gevolg daarvan was [eiser] niet meer in staat om aan zijn betalingsverplichtingen jegens Qander te voldoen en is een betalingsachterstand ontstaan.

2.3.

Qander heeft de betalingsachterstand op 10 januari 2003 laten registreren in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van Stichting Bureau Kredietregistratie (BKR). Het betreft een zogenaamde A-codering. Per 18 juli 2014 is sprake van een A3-codering.

2.4.

Op 17 mei 2011 is ten aanzien van [eiser] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) uitgesproken met benoeming van een bewindvoerder.

2.5.

Bij vonnis van 4 juni 2014 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de schuldsaneringsregeling beëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden en heeft aan [eiser] een schone lei verleend.

2.6.

Qander heeft als gevolg van de schuldsaneringsregeling een bedrag van tussen de € 4.300,-- en € 6.000,-- afgeboekt op haar vordering.

2.7.

In november 2017 heeft [eiser] bij het BKR een overzicht van op zijn naam staande registraties opgevraagd en ontvangen. Uit het overzicht blijkt dat de A3-codering van Qander nog de enige registratie in het BKR is.

2.8.

[eiser] heeft in januari 2018 samen met zijn partner een koopovereenkomst getekend voor de aankoop van een woning aan de [adres] te [plaats] tegen een koopprijs van € 145.000,--. Daarbij is een financieringsvoorbehoud overeengekomen.

2.9.

Rabobank heeft de door [eiser] verzochte hypothecaire financiering voor aankoop van de woning geweigerd in verband met de A3-codering van Qander.

2.10.

[eiser] heeft Qander via zijn advocaat verzocht de codering in het BKR te verwijderen. Qander heeft daar geen gehoor aan gegeven.

2.11.

[eiser] heeft vervolgens met een beroep op het financieringsvoorbehoud de koopovereenkomst ontbonden.

2.12.

[eiser] heeft inmiddels een bod gedaan op een andere woning, welk bod door de verkoper is geaccepteerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Qander te veroordelen om onverwijld, doch binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de A-coderingen in het CKI van het BKR te (doen) verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag met een maximum van € 50.000,--.

3.2.

[eiser] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Het belang van [eiser] bij verwijdering van de A-codering weegt zwaarder dan het maatschappelijke belang bij handhaving ervan. Handhaving is in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

[eiser] heeft in 2014 een schone lei gekregen en heeft sindsdien geen schulden gemaakt. Andere schuldeisers hebben hun coderingen wel verwijderd. Qander is de enige die de codering handhaaft.

De schulden waren destijds ontstaan omdat [eiser] werkloos was geraakt. De huidige situatie van [eiser] is stabiel. Hij heeft een vaste baan, een partner die ook een inkomen heeft en er is sprake van een gezonde financiële situatie.

[eiser] heeft er belang bij dat hij op korte termijn een woning kan kopen. Hij lijdt aan astma en kan vanwege vochtproblemen niet in zijn huidige huurwoning blijven wonen.

Als gevolg van de A-codering kan [eiser] met zijn partner geen hypothecaire lening verkrijgen die nodig is om de aankoop van een woning te kunnen financieren.

Qander heeft ook nooit een vooraankondiging aan [eiser] gedaan van de A-codering.

3.3.

Qander voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Het ontbreekt [eiser] aan voldoende spoedeisend belang. Hij wist al veel langer van de BKR-registratie maar heeft toch besloten eerst een woning te kopen alvorens de registratie te laten verwijderen.

Qander is wettelijke verplicht om de BKR-registratie te doen.

Het belang bij handhaving van de registratie weegt zwaarder dan het belang van [eiser] bij verwijdering. [eiser] heeft grote financiële problemen gehad en andere kredietverleners moeten dat kunnen zien.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heft voldoende spoedeisend belang. Hij stelt overeenstemming te hebben bereikt met de verkoper over de aankoop van een woning, maar kan als gevolg van de BKR-registratie niet een voor de aankoop benodigde hypothecaire geldlening afsluiten. Vast staat weliswaar dat [eiser] reeds op de hoogte was van de BKR-registratie toen hij de (vorige) woning kocht, maar [eiser] stelt dat de hypotheekadviseur destijds zou hebben aangegeven dat Rabobank verder zou kijken dan de BKR-registratie. Dat blijkt achteraf dus kennelijk anders te liggen. Dat [eiser] niet langer in zijn huidige woning kan blijven wonen is door Qander niet betwist.

4.2.

Hoewel dat door partijen niet met zoveel woorden gesteld en dit ook niet aanstonds uit de overgelegde stukken blijkt, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat Qander een aanbieder is van krediet in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Op grond van artikel 4:32 lid 1 Wft is Qander in die hoedanigheid verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Het CKI is het stelsel van kredietregistratie dat wordt bijgehouden door het BKR. Doel van het BKR is het bevorderen van een maatschappelijk verantwoorde financiële dienstverlening. Daarbij wil het BKR consumenten behoeden voor overkreditering en andere financiële problemen. Daarnaast levert het BKR voor haar zakelijke klanten een bijdrage aan het beperkten van de financiële risico’s bij kredietverlening en aan het voorkomen van misbruik en fraude.

4.3.

In dit geval is sprake van een zogenaamde A3-codering. Die codering brengt tot uitdrukking dat sprake is van een achterstand in de betaling van de maandelijkse termijnen van een kredietfaciliteit (A) waarbij de kredietverstrekker een bedrag van €250,- of meer heeft afgeboekt van de openstaande vordering (3). Een A3-codering blijft nog vijf jaar zichtbaar op de door het BKR verstrekte overzichten nadat bij het BKR een herstelmelding of melding van de aflossing van de schuld is gedaan. In het geval van [eiser] zou de codering nog ruim een jaar zichtbaar blijven.

4.4.

Aan de orde is de vraag of Qander de A3-codering uit het BKR moet (laten) verwijderen. Die vraag dient niet te worden beantwoord door een afweging van de belangen tussen [eiser] en Qander, maar aan de hand van een toetsing van het doel van de registratie van de A3-codering aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het belang van [eiser] bij verwijdering van de codering dient aldus afgewogen te worden tegen het achterliggende belang van (handhaving van) de registratie van de codering.

4.5.

Uitgangspunt bij de hierboven bedoelde belangenafweging is dat vast staat dat [eiser] in een problematische schuldensituatie heeft verkeerd en dat de BRK-registratie door Qander destijds terecht heeft plaatsgevonden. Daar staat tegenover dat [eiser] nadien succesvol een schuldsaneringstraject heeft doorlopen en dat aan hem in dat kader in juni 2014 door de rechtbank een schone lei is verleend. [eiser] heeft voorts onweersproken gesteld dat sindsdien geen nieuwe schulden zijn ontstaan. De financiële situatie van [eiser] lijkt nu stabiel te zijn. Het ontstaan van de schulden had destijds kennelijk ook een concrete aanleiding, namelijk het feit dat [eiser] werkloos was geraakt. [eiser] heeft thans een vaste baan met een inkomen van ongeveer € 1.500,-- netto per maand en hij heeft inmiddels ook een vaste relatie met een partner die zelf een inkomen geniet zo is door hem onweersproken gesteld. [eiser] heeft daarmee laten zin dat hij zijn leven in financiële zin op de rit heeft en dat hij zich met succes heeft ingespannen om nieuwe schulden te voorkomen.

4.6.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat de BKR-registratie nodig is om [eiser] te behoeden voor overkreditering en andere financiële problemen. Hij lijkt wat dat betreft zijn lesje wel te hebben geleerd. Weliswaar stelt Qander terecht dat zij een aanzienlijk bedrag heeft moeten afboeken op haar vordering (stelt dat het gaat om ruim € 4.300,-- en volgens Qander gaat het zelfs om bijna € 6.000,--) en zou de BKR-registratie als waarschuwing voor zakelijke klanten wellicht nog enige functie hebben. Dat belang weegt echter gelet op de door [eiser] geleverde succesvolle inspanningen om uit de schulden te komen en te blijven niet zo zwaar als het belang van [eiser] bij verwijdering van de registratie. Daarbij is ook belang dat [eiser] bezig is met de aankoop van een woning en de BKR-registratie aan het verkrijgen van de voor de aankoop benodigde hypothecaire geldlening in de weg staat. [eiser] heeft in dat kader onweersproken gesteld dat hij vanwege astmaklachten niet in zijn huidige huurwoning, die te kampen heeft met vochtproblemen, kan blijven wonen. Qander heeft niet betwist dat het inkomen van [eiser] en zijn partner toereikend is om de voor de aankoop van de door [eiser] beoogde woning benodigde hypothecaire geldlening te kunnen verkrijgen. Enkel de A-codering in het BKR lijkt nog een struikelblok.

4.7.

Slotsom is dat de vordering van [eiser] gelet op het vorenstaande zal worden toegewezen en dat Qander zal worden veroordeeld om de A-codering(en) uit het CKI van het BKR te (doen) verwijderen. De voorzieningenrechter zal Qander daarvoor een termijn van drie werkdagen na betekening van dit vonnis geven. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke termijn daarvoor ontoereikend is. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als na te melden.

4.8.

Quander zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 79,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.157,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Qander om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de A-codering(en) bij de registratie van de kredietovereenkomst met contractnummer [nummer] in het CKI van het BKR te (doen) verwijderen,

5.2.

veroordeelt Qander om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,-- is bereikt,

5.3.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

5.4.

veroordeelt Quander in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.157,01,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2018.