Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3234

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
18_254 T
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak gaat over een vergunning voor de overkapping van een mestkuil bij een champignonkwekerij. Hier wordt de dikke fractie van mest aan gebruikte champost toegevoegd. De rechtbank beschouwt dit niet als mestverwerking en de regels van de provinciale Verordening ruimte zijn hierop niet van toepassing. Het plan voldoet niet aan het beeldkwaliteitsplan. Daardoor is het in strijd met het bestemmingsplan door de daarin opgenomen koppeling met het beeldkwaliteitsplan. Al zou het Beeldkwaliteitsplan slechts een richtlijn zijn, dan nog biedt het verweerder slechts beoordelingsruimte, maar geen beleidsruimte om op basis van een belangenafweging van het beeldkwaliteitsplan af te wijken. Als verweerder had willen afwijken van het Beeldkwaliteitsplan (en daarmee het bestemmingsplan) op basis van een belangenafweging, dan had verweerder dat moeten doen door middel van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo. Dat had verweerder niet goed gezien. Verweerder krijgt de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/747
JBO 2018/199 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JGROND 2018/204 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/254, SHE 18/262

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2018 in de zaken tussen

[eiser] en [eiser] , te [woonplaats] , eisers 1,

(gemachtigde: mr. J. Schoneveld),

de Stichting Mens, Dier & Peel, gevestigd te Gemert-Bakel, eiseres 2,

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel, verweerder,

(gemachtigde: mr. P. Fermont).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Champignonkwekerij Gemert B.V. te Gemert, vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. J. van Groningen).

Procesverloop

In het besluit van 20 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Champignonkwekerij Gemert B.V. (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het overkappen van een mestkuil (9,5 meter hoog en voorzien van een plat dak) op de locatie Beeksedijk 10 te Gemert voor de activiteiten “bouwen van een bouwwerk”, “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan” en “het in werking hebben van een inrichting”.

Tegen dit besluit hebben eisers afzonderlijk bezwaar gemaakt.

In het besluit van 12 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de voorwaarde bij het primaire besluit inzake het beplantingsplan aangepast.

Eisers hebben afzonderlijk een beroepschrift ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018. Eisers 1 zijn gekomen, samen met hun gemachtigde. Namens eiseres 2 zijn [naam] en de gemachtigde gekomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Namens vergunninghoudster is [naam] gekomen, evenals [naam] en de gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze uitspraak worden eerst wat feiten op een rij gezet. Daarna gaat de rechtbank op enkele formele punten in. Vervolgens worden de beroepsgronden inhoudelijk beoordeeld. De regelgeving, die in de uitspraak wordt genoemd, staat zoveel mogelijk in de bijlage bij de uitspraak.

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

  • -

    Op 6 februari 2014 heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een installatie voor het duurzaam bewerken van champost. Hierbij is ook een open mestkuil vergund. Deze vergunning is onherroepelijk.

  • -

    Op 16 maart 2017 is het bestemmingsplan “Beeksedijk 10” vastgesteld. Dit bestemmingsplan verandert de vorm van het bouwblok zo, dat alle bebouwing van de champignonkwekerij in het bouwblok is gelegen. In het bestemmingsplan “Beeksedijk 10” heeft het perceel de bestemming “Agrarisch-Agrarisch bedrijf” (artikel 4), de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 5” (artikel 8) en de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch-niet grondgebonden bedrijf”.

  • -

    In november 2017 heeft vergunninghoudster bij verweerder een aanvraag ingediend voor het overdekken van de bestaande kuil voor het mengen en laden en lossen van meststoffen. Hierdoor ligt de mestkuil in een loods van ongeveer 9 meter hoogte.

  • -

    Eisers 1 wonen in Gemert op meer dan 1.000 meter afstand van de champignonkwekerij. Zij kunnen het bedrijf niet zien.

  • -

    Vergunninghoudster heeft de vergunning inmiddels gebruikt en de mestkuil overkapt. Op de champignonkwekerij is door een brand (een week voor de zitting) een groot deel van de champignoncellen verwoest maar niet de overkapping van de mestkuil.

Formele punten

3. In het primaire besluit is in één vergunning toestemming verleend voor het bouwen van de overkapping, het afwijken van het bestemmingsplan met gebruik van een daartoe opgenomen bevoegdheid en het milieuneutraal veranderen van de werking van het bedrijf (zonder extra nadelige gevolgen voor het milieu). Deze toestemmingen staan genoemd in artikel 2.1, eerste lid onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard, naar eigen zeggen met aanvulling van de motivering. In het bestreden besluit worden echter enkele voorwaarden bij het primaire besluit vervangen. De rechtbank ziet het bestreden besluit daarom als een herroeping van het primaire besluit.

4. De rechtbank onderzoekt zelf eerst of beide eisers wel op alle onderdelen kunnen procederen tegen het bestreden besluit. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat alleen belanghebbenden beroep kunnen instellen. Hiervoor moet je een rechtstreeks betrokken belang hebben. Dat kan als je feitelijk iets voelt, ziet, hoort of ruikt door het vergunde project. Niet zomaar iets, het moet wel ergens over gaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) heeft dit uitgewerkt in uitspraken van 16 maart 20161 en 23 augustus 20172.

5. Eisers 1 kunnen het bedrijf niet zien of horen. Ze zeggen dat ze het bedrijf wel kunnen ruiken en dat ze zelfs ziek zijn geworden door het bedrijf. Het project waar het hier om gaat is echter de overkapping van de mestkuil. De rechtbank kijkt alleen naar de gevolgen van het project, niet naar de gevolgen van het hele bedrijf. Het project wordt uitgevoerd om de geuroverlast van het bedrijf tegen te gaan. Gelet op de grote afstand tussen het bedrijf en eisers, snapt de rechtbank niet dat eisers iets substantieels merken van dit project. Eisers wonen weliswaar ten noordoosten van het bedrijf, maar dat alleen is voor de rechtbank onvoldoende. Dan is er niets waarin eisers verschillen van willekeurige andere personen. Zij hebben geen rechtstreeks betrokken belang. Bovendien hebben eisers 1 geen beroep ingesteld tegen de toestemming voor het veranderen van de inrichting maar alleen tegen de toestemming voor het afwijken van het bestemmingsplan en het bouwen van de overkapping. Het enkele herhalen van bezwaargronden, beschouwt de rechtbank niet als het instellen van beroep tegen de betreffende toestemming. Verweerder had het bezwaar van eisers in het bestreden besluit niet-ontvankelijk moeten verklaren. In de einduitspraak zal de rechtbank deze fout zelf herstellen.

6.1

Verweerder heeft ook aangegeven dat eiseres 2 pas in beroep heeft gesteld dat het project in strijd is met de Verordening ruimte Noord-Brabant (de VrNB) en de beeldkwaliteitseisen in het bestemmingsplan maar dat eiseres 2 dat niet heeft gezegd in de bezwaarfase. Volgens verweerder heeft eiseres 2 in de bezwaarfase geen bezwaar gemaakt tegen de toestemming voor het afwijken van het bestemmingsplan.

6.2

De rechtbank leest in het bezwaarschrift van eiseres 2 dat zij vond dat de overkapping niet mag worden gebouwd, omdat dit in strijd is met de VrNB, ook omdat een grote inbreuk wordt gemaakt op de Groenblauwe mantel (een gebiedssoort waar de champignonkwekerij in ligt). Ook wordt geklaagd over de goothoogte van het gebouw en er wordt bestreden dat de overkapping past in het beeldkwaliteitsplan. Dit wordt aangegeven in de samenvatting van de bezwaargronden in het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie. Eiseres 2 heeft volgens de rechtbank daarmee wel degelijk bezwaar gemaakt tegen de toestemming voor bouwen en voor afwijken van het bestemmingsplan. Eiseres 2 voert in de beroepsfase nieuwe argumenten aan. Dit is bij beroepen bij de rechtbank toegelaten. Het beroep van eiseres 2 is niet in strijd met artikel 6:13 van de Awb.

Inhoudelijke beoordeling beroepsgronden eiseres 2

7. Het beroep van eiseres 2 richt zich niet tegen de toestemming voor het milieuneutraal veranderen van de werking van het bedrijf.

8.1

Eiseres 2 stelt in de eerste plaats dat het bewerken van champost en mest op de locatie van het bedrijf niet is toegestaan in het bestemmingsplan. Bovendien is het vergroten van de gebruiksoppervlakte van bebouwing voor mestbewerking in strijd met de VrNB.

8.2

Verweerder merkt op dat het verwerken van champost van buiten de inrichting inderdaad niet is toegestaan. In het bedrijf wordt echter alleen de champost van het eigen bedrijf bewerkt, waarbij ook dierlijke mest van buiten de inrichting wordt verwerkt. Dit is volgens verweerder een nevenactiviteit die is toegestaan in het bestemmingsplan. De aanvoer van dierlijke mest van buiten de inrichting is al vergund in de omgevingsvergunning van 6 februari 2014.

8.3

Vergunninghoudster heeft een beschrijving gegeven van het bewerkingsproces. Zij houdt champost (grond met meststoffen die is gebruikt om champignons op te laten groeien) over uit haar champignonkwekerij. Deze champost gaat in de mestkuil. Hier wordt de dikke fractie van mest van veehouderijen bij gedaan (in een verhouding 70/30) en dit wordt gemengd. Er vindt geen mestscheiding plaats op het bedrijf van vergunninghoudster; dat is al gebeurd op de veehouderijbedrijven. Het mengsel gaat een tunnel in. Het gaat bij een temperatuur van 70 graden broeien en er komt warmte vrij die wordt gebruikt voor energieopwekking. Hierbij wordt het mengsel gehygiëniseerd. Na een week wordt het mengsel afgevoerd en als product voor de akkerbouw aan het buitenland geleverd. De overkapping is over de betonnen randen van de mestkuil heen gebouwd door een verankering aan de buitenkant van de wanden. De mestkuil is niet vergroot.

8.4

Eerst bekijkt de rechtbank wat er in 2014 nu precies is vergund. Ook de rechtbank moet daar wat langer naar kijken dan normaal en de rechtbank begrijpt de verwarring bij eisers. Daartegenover staat dat van vergunninghoudster en verweerder niet kan worden verlangd dat zij alle facetten van een complexe installatie noemen in de omschrijving. Van misleiding is hier in ieder geval geen sprake. Deze vergunning ziet op het toestaan van de bouw, het afwijken van het bestemmingsplan en het wijzigen van de inrichting voor het oprichten van een installatie voor het duurzaam bewerken van champost (een upcyclingsinstallatie). In de tekst van de vergunning wordt geen melding gemaakt van de aanvoer van mest, maar er zijn wel voorschriften over de opslag van mest opgenomen. In de aanvraag voor de vergunning is in tabel 22 duidelijk aangegeven dat er 7.800 ton dikke fractie wordt aangevoerd en niet wordt opgeslagen maar gelijk wordt verwerkt. De rechtbank stelt vast dat de aanvoer van dikke fractie mest van derden in 2014 is vergund. Daarmee verschaft de omgevingsvergunning van 2014 al een titel voor het aanvoeren en gebruiken van de dikke fractie mest van derden tot de aangegeven hoeveelheid ten behoeve van het bewerken van champost.

8.5

In het geldende bestemmingsplan “Beeksedijk 10” is volgens de rechtbank de upcyclingsinstallatie zoals die is vergund in 2014, ook positief bestemd. De upcyclingsinstallatie kan worden beschouwd als een voorziening ten behoeve van de duurzame ontwikkeling en exploitatie als bedoeld in artikel 4.1 onder 8, van de planregels. In de planregels zelf is niet duidelijk omschreven wat er allemaal valt onder dit soort voorzieningen. Er worden wel wat voorschriften genoemd. Daarom kijkt de rechtbank ook naar de toelichting op het bestemmingsplan. In paragraaf 7.4 van de toelichting is duidelijk aangegeven dat de verwerking van champost van derden niet positief is bestemd. De aanvoer en het gebruik van dikke fractie mest van derden is niet verboden.

8.6

De rechtbank concludeert dat de aanvoer en het gebruik van dikke fractie mest van derden niet in strijd is met het bestemmingsplan. Er is bovendien al eens een vergunning voor verleend.

8.7

Is het project in strijd met de VrNB? In artikel 34 van de VrNB is een rechtstreeks werkende regel over mestbewerking opgenomen. Deze regel geldt als het bestemmingsplan niet (tijdig) is aangepast aan de VrNB. Hier moet de toestemming voor het bouwen van de overkapping dan aan worden getoetst. Dan moet er wel sprake zijn van mestbewerking in de zin van de VrNB. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. In artikel 1.56 van de VrNB is mestbewerking omschreven als de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan, met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest. Het gebruik van dikke fractie mest als grondstof in een productieproces dat vooral is gericht op de verwerking van champost valt niet onder deze begripsomschrijving. De begripsomschrijving ziet veel meer op onbewerkte mest, niet op de afzonderlijke producten die na de bewerking van mest ontstaan. De ruimere, door eiseres 2 bepleite uitleg, zou ertoe leiden dat alle bedrijven die zich bezig houden met bestanddelen van mest, dus bijvoorbeeld ook mestkorrelfabrieken, vallen onder de werkingssfeer van de rechtstreeks werkende bepaling van artikel 34 van de VrNB. Dit artikel verwijst echter naar artikelen in de VrNB die zien op veehouderijen en agrarisch technische hulpbedrijven. Dit heeft in de verste verte niets te maken met een champignonkwekerij of mestkorrelfabriek. Dat de champost (en dus ook de daarmee vermengde dikke fractie mest) in het productieproces van vergunninghoudster wordt gehygiëniseerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de overkapping van de mestkuil niet leidt tot een vergroting van de gebruiksoppervlakte van de mestkuil want de mestkuil zelf wordt niet groter.

De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 34 van de VrNB.

9.1

Volgens eiseres had verweerder geen toestemming mogen verlenen voor de afwijking van de planologisch toegelaten goothoogte, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van waarden van omliggende bestemmingen. Het gebied heeft niet alleen een agrarische bestemming, maar maakt ook deel uit van de Groen-Blauwe mantel. De hierin gelegen bestemmingen strekken tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van onder meer ecologische en landschappelijke waarden. De agrarische productiefunctie blijft niet in stand en er is sprake van ontoelaatbare hinder op woningen. De landschappelijke waarden worden met het bouwplan ontoelaatbaar aangetast.

9.2

Verweerder stelt dat de omliggende bestemmingen niet onevenredig worden aangetast.

De huidige bestemming is ‘Agrarisch bedrijf’ en dit blijft onveranderd door het realiseren van de overkapping. De omliggende bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Verkeer’ worden niet aangetast door de nieuwe bebouwing. De belangen van de omliggende bestemmingen worden door de gewijzigde goothoogte niet onevenredig geschaad.

9.3

Verweerder mag alleen toestemming verlenen voor afwijking van de toegelaten goothoogte als aan de voorwaarden wordt voldaan die hiervoor zijn gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Verkeer’ niet worden aangetast door de nieuwe bebouwing. De gebruiksmogelijkheden van deze bestemmingen worden door de hogere overkapping niet minder. Er is geen sprake van strijd met artikel 4.3.3, eerste lid, van de planregels. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10.1

Eiseres 2 voert ook aan dat het bouwplan niet past in de aard van de omgeving en in strijd is met het beeldkwaliteitsplan. Het perceel ligt in een beekdal en het beeldkwaliteitsplan zegt hierover, dat bijgebouwen moeten worden georiënteerd met een nok loodrecht op de as van de weg en dat bijgebouwen een langwerpige vorm moeten hebben met meer dak dan gevel. Zij wijst verder op de aantasting van het kampen- en essenlandschap dat zijn openheid zou moeten houden, volgens het beeldkwaliteitsplan. De vergunde loods staat echter midden in het open gebied. Dit is volgens eiseres 2 in strijd met van artikel 4.3.3 derde lid, onder a en d, van de planregels. Eiseres 2 mist in dit verband ook een integrale afweging en een inrichtingsplan, zoals dat is vereist in artikel 11 van de planregels.

10.2

Volgens verweerder is de bebouwing in massa en materiaalgebruik afgestemd op het reeds bestaande en vergunde hoofdgebouw. Om een discussie over de beeldkwaliteit te voorkomen is een advies van een welstandscommissie gevraagd. Volgens de welstandscommissie past het plan in de omgeving. De locatie Beeksedijk 10 ligt in het Beekdal. Het bouwplan voldoet niet helemaal aan het Beeldkwaliteitsplan. Het Beeldkwaliteitsplan vormt een geobjectiveerd toetsingskader voor de beoordeling van welstandsaspecten en geeft daarbij richtlijnen. De richtlijnen zien niet op de feitelijk aanwezige situatie op de locatie Beeksedijk 10 te Gemert. Dit heeft ook de welstandscommissie onderkend. Omdat het Beeldkwaliteitsplan slechts richtlijnen geeft, vindt verweerder dat er toch ook mag worden gekeken naar de uitgangspunten van dat plan. Verweerder ziet het realiseren van de overkapping als een gewenste ontwikkeling om op deze manier de stankoverlast in de omgeving te verminderen. Verweerder verwijst verder naar het bij de aanvraag gevoegde inpassingsplan. In het bestreden besluit wordt hierover (letterlijk) het volgende gezegd: Wij passen de voorwaarde als volgt aan: “de beplanting (zie bijlage 1) voor 9 oktober 2018 gerealiseerd is en nadien ook in stand wordt gehouden.”

10.3

Verweerder moet kijken naar de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen en het Beeldkwaliteitsplan, op basis van artikel 4.3.3 derde lid, onder a en d, van de planregels. Deze regels strekken mede tot bescherming van de Groen-Blauwe mantel. De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit dit aspect onvoldoende aandacht heeft gehad. In algemene zin is aangegeven dat rekening is gehouden met de kwaliteitseisen door middel van een beplantingsplan, maar de rechtbank mist een inhoudelijke beoordeling van dit beplantingsplan op de aanwezige landschappelijke waarden in het omliggende gebied. In het beplantingsplan zelf wordt aangegeven dat wordt gekozen voor gebiedseigen beplanting aan één zijde van de loods en een haag en enkele alleenstaande bomen aan de voorzijde van de loods. Dit verklaart echter niet waarom geen enkele beplanting is voorzien aan de achterkant van de loods om de loods af te schermen van het achterliggende landschap en beter in te passen. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd.

10.4

Op basis van artikel 4.3.3, derde lid onder d, en vooral artikel 11, eerste lid, van de planregels, moet het bouwplan voldoen aan het Beeldkwaliteitsplan. Daar voldoet het bouwplan niet aan. Dus is het bouwplan ook in strijd met het bestemmingsplan door de automatische koppeling in de planregels met het Beeldkwaliteitsplan. Al zou het Beeldkwaliteitsplan slechts een richtlijn zijn, dan biedt het verweerder slechts beoordelingsruimte, maar geen beleidsruimte om op basis van een belangenafweging van het beeldkwaliteitsplan af te wijken. Als verweerder had willen afwijken van het Beeldkwaliteitsplan (en daarmee het bestemmingsplan) op basis van een belangenafweging, dan had verweerder dat moeten doen door middel van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo. Het bestemmingsplan zelf biedt namelijk geen basis om af te wijken van artikel 11 van de planregels. Artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) biedt ook geen mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan voor een bouwwerk buiten de bebouwde kom met een oppervlakte van meer dan 150 m2. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie

11. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en artikel 7:12 van de Awb.

12. De rechtbank geeft verweerder de gelegenheid om dit gebrek te herstellen. Dit herstel kan met een nieuw besluit op bezwaar, waarbij verweerder zal moeten bezien of hij bereid is om af te wijken van het bestemmingsplan om de strijd met artikel 11 en artikel 4.3.3, derde lid, onder a en d, van de planregels op te heffen. Als verweerder hiertoe bereid is, dan zal verweerder (al dan niet in overleg met vergunninghoudster en bij voorkeur met eiseres 2 en na aanpassing van de aanvraag met een toereikend inpassingsplan) aanvullend vergunning moeten verlenen. Dit is een afweging die verweerder zelf zal moeten motiveren en zelf mag maken. De rechtbank zal bepalen dat hoofdstuk 3:4 van de Awb en de artikelen 3:10 tot en met 3:13 van de Wabo buiten toepassing blijven. Als verweerder besluit alsnog vergunning te verlenen en hiervoor een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van Gemert-Bakel is vereist, dan behoeft een ontwerp van deze verklaring niet eerst ter inzage te worden gelegd. Als verweerder besluit vergunning te verlenen, dan zal verweerder een afweging moeten maken tussen de belangen van het bedrijf, de omgeving en de belangen die het Beeldkwaliteitsplan beoogt te beschermen. Ook zal een duidelijk inrichtingsplan aan het herstelbesluit moeten worden verbonden met een termijn voor uitvoering en een instandhoudingsverplichting. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op 10 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

13. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres 2 en vergunninghoudster in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

14. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- bepaalt dat hoofdstuk 3:4 van de Awb en de artikelen 3:10 tot en met 3:13 van de Wabo buiten toepassing blijven

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage

VrNB

Artikel 34 Mestverwerking (rechtstreekse werking)

1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 6.3, vierde lid, artikel 6.4, vierde lid, artikel 7.3, vierde lid, artikel 7.11, tweede lid en artikel 25.1, derde lid, geldt dat een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte van bebouwing voor mestbewerking alleen is toegestaan als wordt voldaan aan de voorwaarden van:

a. artikel 6.3, vierde lid, of

b. artikel 7.3, vierde lid, of

c. artikel 7.11, tweede lid.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, derde lid, wordt onder de bestaande gebruiksoppervlakte van bebouwing voor mestbewerking in het eerste lid, verstaan de gebruiksoppervlakte die:

a. op 13 juni 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 13 juni 2017 verleende vergunning.

Bestemmingsplan “Beeksedijk 10”

Artikel 1. 2.9 Agrarisch bedrijf”:

Een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en /of het houden van dieren en dat een omvang heeft van tenminste 8 Nederlandse grootte eenheden (Nge).

Artikel 4 Agrarisch- Agrarisch bedrijf :

4.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch- Agrarisch bedrijf aangewezen gronden zijn algemeen bestemd voor:

1. de uitoefening van één agrarisch bedrijf;

2. t/m 5. (..)

6. voorzieningen zoals mestopslagsilo's, voer- en mestplaten, mest- of waterbassins van folie,

permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;

7. (..);

8. voorzieningen ten behoeve van een duurzame ontwikkeling en exploitatie van het desbetreffende bedrijf zoals mestverwerking, energie – opwekking en biovergisting;

9. (..);

10. (..);

en specifiek bestemd voor:

11. een niet grondgebonden agrarisch bedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – niet grondgebonden'.

Specifieke afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen voor de gronden met de bestemming “Agrarisch- Agrarisch bedrijf” bij omgevingsvergunning afwijken van de maximaal toegestane maatvoering met betrekking op de goot- en bouwhoogte die geldt voor de bedrijfsgebouwen en de bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouw zijnde mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden dat:

1. de hogere maat is noodzakelijk in verband met een doelmatige bedrijfsvoering;

2. er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de waarden van omliggende bestemmingen;

3. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen: a. landschappelijke inpassing: er dient een kwalitatieve landschappelijke inpassing plaats te vinden; de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;

b. zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag;

c. ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt;

d. bebouwing: de bebouwing is passend bij de aard van de omgeving (hoogte, massa en architectonische kwaliteit) en voldoet aan de uitgangspunten van het beeldkwaliteitplan.

Artikel 11 Algemene bouwregels

11.1

Algemeen

1. Bouwplannen worden integraal getoetst wat betreft situering, verschijningsvorm, erfbeplanting, inpassing en waterhuishouding. Voor bouwplannen geldt dat deze dienen te voldoen aan de criteria van het beeldkwaliteitplan. Dit dient onder andere te blijken uit een inrichtingsplan.

2. t/m 5. (..).

11.2

Bouwverboden

Naast het bepaalde bij de afzonderlijke bestemmingen is het verboden te bouwen:

1. Enig bouwwerk met een afstand van minder dan 10 meter vanaf de weg of waarbij de voorgevelrooilijn wordt overschreden;

2. (..);

3. (..).

1 uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737

2 uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.