Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3222

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
17_2768
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

4:6 Awb. Herhaalde WW-aanvraag van een naar Nederland verhuisde werknemer, die in België gewerkt heeft. Het Uwv heeft terecht besloten niet terug te komen van zijn weigeringsbesluit omdat geen sprake is van nova.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2768

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: T.P. Sanders),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M.G. Velten).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten niet terug te komen van het besluit van 3 oktober 2016, waarbij de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is afgewezen.

Bij besluit van 7 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft na het verweerschrift een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser had een dienstverband in België van 9 september 2013 tot en met 18 juli 2016. Tot

18 juli 2016 stond eiser als ingezetene ingeschreven in België. Met ingang van 18 juli 2016 heeft eiser zich met zijn vier kinderen in Nederland laten inschrijven op een adres in de gemeente Reusel-de Mierden.

Op 25 augustus 2016 heeft eiser bij verweerder een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 3 oktober 2016 (hierna: het weigeringsbesluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen recht heeft op een WW-uitkering in Nederland, omdat eiser voordat hij werkloos werd tot 19 juli 2016 in België werkte en daar ook woonde. Hij kan niet als grensarbeider worden aangemerkt in de zin van de EG-Verordening 883/2004 omdat hij niet dagelijks of minimaal één keer per week vanuit Nederland naar België heen en weer is gereden. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

2. Bij brief van 1 februari 2017 heeft eiser verzocht om herziening van het weigeringsbesluit. Bij besluit van 15 februari 2017 heeft verweerder dat herzieningsverzoek afgewezen, omdat niet was gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden.

3. Bij brief van 18 juni 2017 heeft eiser opnieuw verzocht om herziening van het weigeringsbesluit. Eiser geeft daarin aan dat zijn werkloosheid eerst is ingegaan op 19 juli 2016 en dat hij samen met zijn vier kinderen per 18 juli 2016 is ingeschreven in de gemeente Reusel-De Mierden. Hij verzoekt om toepassing te geven aan artikel 65, tweede lid van de EG-Verordening 883/2004. Dat heeft geleid tot de hier in geding zijnde besluitvorming, als geschetst onder het procesverloop.

4. Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat het weigeringsbesluit in rechte vast staat en dat hij alleen nog maar kan terugkomen van dat besluit als sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Daarvan is geen sprake. Verweerder stelt dat hij in het weigeringsbesluit immers heeft aangegeven dat eisers dienstverband met ingang van

19 juli 2016 is beëindigd. Dat eiser op de laatste dag van zijn dienstverband in Nederland is gaan wonen, betekent niet dat eiser kan worden aangemerkt als grensarbeider. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde dat hij tijdens zijn dienstverband heen en weer reisde tussen Nederland en België.

5. Eiser voert aan dat verweerder feiten en omstandigheden hanteert die strijdig zijn met de werkelijkheid. Hierdoor zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. Verweerder is er tot en met het primaire besluit van uitgegaan dat eiser pas na beëindiging van zijn dienstverband naar Nederland is verhuisd. In het bestreden besluit is de heroverweging beperkt tot de vraag of eiser grensarbeider is en is verweerder verwijtbaar niet toegekomen aan een beoordeling op grond van artikel 65, tweede lid, van de EG-Verordening 883/2004.

6. In geschil is of verweerder terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 3 oktober 2016.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op een verzoek om terug te komen van een besluit, en dus ook op eisers herzieningsverzoek van 18 juni 2017, artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat, op grond van het eerste lid van voormeld artikel, de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan, op grond van het tweede lid van voormeld artikel, het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd (zie bijvoorbeeld CRvB 11 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3773).

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de CRvB zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn en of wat is aangevoerd leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is

8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid naar voren heeft gebracht, die grond vormt voor het terugkomen van het rechtens onaantastbare weigeringsbesluit. Eiser heeft als nieuw feit naar voren gebracht dat verweerder tot en met het primaire besluit – tegen beter weten in – heeft volhard in zijn stelling dat eiser pas na beëindiging van zijn dienstverband naar Nederland is verhuisd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet te kwalificeren als een nieuw feit. Hier is slechts sprake van een feitelijke onjuistheid in het primaire besluit (en in het eerdere 4:6-besluit van 15 februari 2017), waarover in het bestreden besluit overigens terecht is overwogen dat in het weigeringsbesluit wel van de juiste datum is uitgegaan, te weten einde dienstverband per 19 juli 2016 en dat eiser ook onder die omstandigheden niet kan worden beschouwd als grensarbeider. Dat eiser zich op de laatste dag van zijn Belgische dienstverband in Nederland heeft gevestigd, is ook geen (nieuw) feit dat niet bekend was ten tijde van het weigeringsbesluit. Voor zover eiser meent dat het weigeringsbesluit op onjuiste feitelijke dan wel juridische gronden is genomen, betreft dat een standpunt en geen novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Dit is slechts anders indien een dergelijk standpunt steunt op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dat is hier niet het geval. Het had op eisers weg gelegen tegen het weigeringsbesluit bezwaar te maken. Dergelijke bezwaren kunnen in het kader van artikel 4:6 van de Awb niet (alsnog) worden beoordeeld.

Dit geldt eveneens voor het beroep dat door eiser is gedaan op de uitzondering zoals vermeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 22 september 1988, Bergemann, 236/87, voor de situatie dat de betrokken werknemer tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden zijn woonplaats om gezinsredenen overbrengt naar een andere lidstaat en nadien niet meer terugkeert naar de lidstaat van tewerkstelling om er zijn werkzaamheden uit te oefenen. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet expliciet is ingegaan op deze bezwaargrond, is van een novum geen sprake. Nu eiser door dit motiveringsgebrek niet is benadeeld, ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met het verwijzen naar de eerdere besluitvorming. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van een evidente onredelijkheid in het bestreden besluit op de herhaalde aanvraag.

10. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, wordt het verzoek om schadevergoeding (in de vorm van wettelijke rente) afgewezen.

11. De rechtbank ziet in het geconstateerde motiveringsgebrek, dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb is gepasseerd, wel aanleiding om te beoordelen of sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Gelet op het ingediende formulier proceskosten is daarvan naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Gemachtigde heeft op dit formulier aangegeven dat van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake is. De vermelde reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet immers, gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder c, enkel in vergoeding van proceskosten van een partij of een belanghebbende, niet in die van de gemachtigde. Nu eiser niet ter zitting is verschenen, is daarvan geen sprake.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. G.H. de Heer Schotman en mr. S. Croes, leden, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.