Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:320

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
17_2398
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag tot verlenging van een no-riskpolis terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2398

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2018 in de zaak tussen

Stichting Ruimte, te Eindhoven, eiseres

(gemachtigde: mr. C.J.M. van den Bos-Ackermans),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: P.M.W. van der Helm).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2017 heeft verweerder geweigerd de no-riskpolis van [naam] (de werknemer) met ingang van 1 april 2017 te verlengen.

Bij besluit van 18 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [naam] en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde partij is verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De werknemer ontvangt vanaf 13 juni 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), aanvankelijk gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en laatstelijk gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Op 1 april 2012 is de werknemer bij eiseres in dienst getreden als technisch medewerker voor 20 uur per week. De eerste vijf jaar van het dienstverband was een no-riskpolis van toepassing. Deze periode eindigde op 1 april 2017.

2. Op 2 februari 2017 heeft de werknemer verweerder verzocht de no-riskpolis te verlengen. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen sprake is van een verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten.

4. Eiseres voert - kort samengevat - aan dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de no-riskpolis van haar werknemer te verlengen. Verweerder heeft de werknemer niet onderzocht en zowel het primaire besluit als het bestreden besluit enkel op basis van dossierstudie genomen. Eiseres stelt, onder verwijzing naar een tussenuitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1941) dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, nu niet is onderzocht wat de precieze aard is van de klachten van de werknemer, wat de ernst is van de aandoening waaruit deze klachten voortvloeien, hoe deze aandoening zich, gelet op algemeen aanvaarde medische inzichten, pleegt te ontwikkelen en of bij deze werknemer bepaalde factoren een rol spelen die maken dat de verwachting ten aanzien van deze werknemer afwijkt van de verwachting in het algemeen. Bovendien zijn de verzekeringsartsen slechts uitgegaan van de informatie van 2016 en niet van de situatie van 2017. Ter zitting is verklaard dat de werknemer sinds 23 januari 2017 onafgebroken ziek is in verband met klachten voortkomend uit de autisme spectrum stoornis en uit de dysthyme stoornis.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. In artikel 29c van de ZW is sinds 1 augustus 2009 bepaald:

Indien ten aanzien van een werknemer als bedoeld in de artikelen 29b en 90 van deze wet bij aanvang van het dienstverband wordt vastgesteld dat hij lijdt aan een ziekte of een gebrek die respectievelijk dat maakt dat hij binnen de in artikel 29b, eerste en vierde lid, van deze wet bedoelde termijn van vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking respectievelijk na vaststelling van het recht op uitkering een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige gezondheidsklachten, wordt die termijn van vijf jaar voor afloop daarvan verlengd, indien op dat moment de ziekte of het gebrek dan wel het verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten naar het oordeel van het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen nog bestaat.

7. Zoals de CRvB heeft overwogen in de uitspraak van 13 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4119) was de verlenging van de no-riskperiode voorheen in vrijwel gelijke bewoording geregeld in artikel 20 van het Re-integratiebesluit (Besluit van

2 december 2005, Stb. 2005, nr. 622) en daarvoor in artikel 8 van het Arbeidsgehandicapte-besluit (Besluit van 20 juli 1998, Stb. 1998, nr. 488). Uit de nota van toelichting bij het Arbeidsgehandicaptebesluit blijkt dat voor verlenging aanleiding bestaat indien sprake is van personen met een progressieve aandoening of een sterk wisselend ziektebeeld met een ook dan nog bestaand aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten.

8. Zoals de CRvB in de hiervoor genoemde uitspraak van 10 juni 2015 heeft overwogen, volgt uit artikel 29c van de Ziektewet (ZW) niet dat de vraag of sprake is van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten is gebonden aan een bepaalde periode in het verleden. De tekst van artikel 29c van de ZW schrijft niet dwingend voor dat slechts de voorgaande no-riskperiode relevant is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten. Voor de beantwoording van de vraag of een no-riskpolis moet worden verlengd, kan dan ook niet worden volstaan met een beoordeling van wat zich heeft voorgedaan gedurende de laatste no-riskperiode. Op de datum waarop het al dan niet verlengen aan de orde is, dient een inschatting te worden gemaakt van het te verwachten risico. Daartoe dient zorgvuldig te worden onderzocht wat de precieze aard is van de klachten van de betrokken werknemer, wat de ernst is van de aandoening waaruit deze klachten voortvloeien, hoe deze aandoening zich, gelet op algemeen aanvaarde medische inzichten, pleegt te ontwikkelen en of bij deze werknemer bepaalde factoren een rol spelen die maken dat de verwachting ten aanzien van deze werknemer afwijkt van de verwachting in het algemeen. In dat kader dient zo nodig informatie te worden ingewonnen bij de behandelend sector. Bij het maken van een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen - een prognose - kan wat bekend is uit het verleden uiteraard een rol spelen, maar zoals hiervoor werd geoordeeld, is er geen aanleiding om daarbij alleen of specifiek te kijken naar wat in de laatste no-riskperiode is gebeurd en daaraan doorslaggevende betekenis toe te kennen. Voor een volledig beeld kunnen ook de dááraan voorafgaande periodes van belang zijn. Voorts kan het ook zo zijn dat de situatie aan het einde van de laatste no-riskperiode anders is dan die gedurende de rest van die periode. Er kan zich bijvoorbeeld tegen het einde van die periode een verslechtering hebben voorgedaan, die zich naar het zich laat aanzien zal voortzetten.

9. De rechtbank acht verweerders onderzoek voldoende zorgvuldig. Bij zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B) was de informatie bekend uit het dossier van de werknemer, waaronder het medisch onderzoeksverslag van 3 november 2016 in verband met een herbeoordeling van de beperkingen van de werknemer in het kader van de WIA. De verzekeringsartsen hebben bij hun beoordeling de aard van de klachten van de werknemer en de ernst van de aandoening waaruit de klachten voortvloeien, betrokken. Ook hebben zij beoordeeld hoe de aandoening zich pleegt te ontwikkelen. De verzekeringsarts B&B heeft bij zijn beoordeling ook gebruikgemaakt van de in bezwaar van eiseres verkregen medische informatie, te weten de brieven van casemanager A.C.J. van Gestel aan de huisarts van 7 september 2016, 2 december 2016 en 4 januari 2017 en informatie van de bedrijfsarts H.C. van Gassel van 3 april 2017, 8 mei 2017 en 5 juli 2017. De verzekeringsarts B&B heeft overwogen dat geen sprake was van een evidente wijziging in de gezondheidstoestand van de werknemer. Dat de verzekeringsartsen de werknemer niet zelf hebben gezien, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig is, nu zij de beschikking hadden over de gegevens uit het recente onderzoeksverslag van 3 november 2016, waarbij de verzekeringsarts de werknemer had gezien op het spreekuur van 31 oktober 2016. Dat een eigen onderzoek van de verzekeringsartsen van toegevoegde waarde zou zijn, is de rechtbank niet gebleken.

Eiseres kan niet worden gevolgd in haar stelling dat slechts informatie uit 2016 zou zijn betrokken, nu immers ook de medische informatie uit 2017 door de verzekeringsarts B&B is meegewogen. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de verzekeringsarts B&B aanvullend onderzoek had moeten verrichten.

10. Over de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende motivering overweegt de rechtbank als volgt. Bij de verzekeringsarts en de verzekeringsarts B&B was bekend dat bij de werknemer de diagnose autisme spectrum stoornis (PDD NOS) is gesteld en dat de werknemer mentale klachten heeft, waaronder dat hij stressgevoelig en verminderd stressbestendig is. De verzekeringsarts B&B heeft bovendien gewezen op de informatie van de bedrijfsarts van 11 juli 2017, waarin is aangegeven dat de beperkingen van de werknemer van blijvende aard zijn en niet zijn gewijzigd sinds het begin van het dienstverband. Hij concludeert daarom dat geen sprake is van een ernstige progressieve aandoening. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan dit oordeel, nu in de Nota van Toelichting bij het Arbeidsgehandicaptebesluit (Stb. 1998, nr. 488, p. 10-11) met betrekking tot ‘aanzienlijk verhoogde risico’s’ is opgenomen:

Het is de bedoeling dit criterium uitsluitend op die aandoeningen te betrekken, waarvan een ernstige progressie binnen de termijn van enkele jaren vaststaat. Het criterium is het biologische verloop van de aandoening en niet het veel moeilijker in te schatten verloop van de beperkingen in functioneren. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij bepaalde genetische aandoeningen, stofwisselingsziekten, spierziekten, infectieziekten en sommige progressieve neurologische aandoeningen en vormen van kanker. Anders gezegd: het betreft hier dus relatief zeldzame en duidelijke uitzonderingssituaties die betrekking hebben op ziekten met een sterk invaliderend verloop binnen enkele jaren of aanmerkelijke verkorting van de levensverwachting vóór het 65e levensjaar.

Het is daarom niet de bedoeling dat veel voorkomende, in het algemeen vaak op wat op langere termijn progressieve aandoeningen als hart- en vaatziekten, diabetes, artrose, reuma, psychiatrische aandoeningen en dergelijke onder dit criterium te vatten. Wel kunnen ook dan individuele gevallen toch aan het strikte criterium voldoen zoals in voorkomende gevallen zal blijken. De arts kan dus vrijwel nooit alléén maar op grond van de diagnose een arbeidshandicap aannemen of uitsluiten.

11. Gelet op de aandoening van de werknemer hebben de verzekeringsartsen naar het oordeel van de rechtbank terecht geoordeeld dat in beginsel geen sprake is van een aandoening die een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsschade met zich brengt. Op grond van de bij de verzekeringsartsen bekende stukken was er bovendien geen aanleiding te veronderstellen dat bij de werknemer sprake is van factoren die maken dat afwijking van de normale verwachting in de rede ligt. Uit de gedingstukken blijkt dat de werknemer zich over de periode vanaf 2013 tot en met 2016 negen keer ziek heeft gemeld, variërend van enkele dagen tot maximaal een week en eenmaal over de periode van 16 februari 2015 tot 2 maart 2015 twee weken. Zoals ook eiseres ter zitting heeft erkend, gaat het hier om korte ziekteperiodes. Dat de werknemer sinds 23 januari 2017 onafgebroken ziek is in verband met toegenomen klachten voortkomend uit de autisme spectrum stoornis, dan wel dysthyme stoornis, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat om die reden sprake is van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsschade. De bedrijfsarts heeft in de brief van 5 juli 2017 aangegeven dat de beperkingen van de werknemer niet zijn gewijzigd sinds het begin van het dienstverband. Er is dan ook geen sprake van een verslechtering van het ziektebeeld van de werknemer. Verder blijkt uit de verslagen van de periodieke evaluaties van de bedrijfsarts van 3 april 2017 en 8 mei 2017 dat de bedrijfsarts verwacht dat de werknemer op termijn weer geschikt is voor zijn eigen werkzaamheden. Gelet op de verklaring van de bedrijfsarts is er dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat de tijdelijke verslechtering in de situatie van de werknemer zich zal voortzetten. Eiseres heeft geen informatie ingebracht op grond waarvan de rechtbank zou moeten twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geoordeeld dat de werknemer niet voor verlenging van no-riskpolis als bedoeld in artikel 29c van de ZW in aanmerking komt.

12. Eiseres heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat zij, gelet op de contacten met verweerder en de afspraak die was gemaakt, ervan uitging dat zij geen risico liep bij het in dienst nemen van de werknemer omdat zij dacht dat de no-riskpolis na de eerste periode van 5 jaar zou blijven doorlopen. Verder heeft zij aangegeven dat de stichting, met een personeelsomvang van 4,5 fte, een vangnet nodig heeft.

13. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor een kleine onderneming zwaar weegt om het volledige risico van ziekte van de werknemer te dragen, is het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest het aantal gevallen waarin een uitzondering wordt gemaakt klein te houden. Vast staat dat de werknemer niet onder de uitzonderingsbepaling valt. Dat eiseres niet op de hoogte was van dit strenge criterium en ervan uitging dat de no-riskpolis ook na de eerste periode van 5 jaar zou doorlopen, dient voor haar risico te blijven.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman, voorzitter, en mr. F.M. Rijnbeek en mr. J.J.J. Sillen, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Meulemans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.