Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3197

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
02-07-2018
Zaaknummer
01/881194-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van diefstal met bedreiging met geweld.

Bewijswaarde van de herkenning van verdachte door het slachtoffer tijdens een meervoudige fotoconfrontatie is onder de gegeven omstandigheden onvoldoende. Het slachtoffer had naar eigen zeggen het gevoel dat hij iemand moest aanwijzen. De rechtbank kan daarom niet uitsluiten dat het slachtoffer verdachte heeft aangewezen omdat zijn foto, als één van de weinige foto's in de set, voldeed aan het eerder door het slachtoffer opgegeven signalement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/881194-17

Datum uitspraak: 02 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1981] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 maart 2018 en 18 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 februari 2018.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij,

op of omstreeks 11 november 2017 te Cuijk

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval een

ander of anderen,

heeft weggenomen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te

maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers

aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

door:

- aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een vuurwapen, in elk geval een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en/of

- (vervolgens) dit vuurwapen door te laden en/of

- (vervolgens) dit vuurwapen te richten op (het hoofd van) die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of

- (vervolgens) op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te zeggen dat

zij moeten blijven zitten en/of niets moeten doen en/of nooit meer terug

moeten komen, in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking;

2.

hij,

op of omstreeks 13 december 2017 te Wijchen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 34,61 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj,

in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Redengevend voor dit oordeel is de herkenning van verdachte door getuige [slachtoffer 2] bij een enkelvoudige fotoconfrontatie, de kerkenning door aangever [slachtoffer 1] bij een meervoudige fotoconfrontatie en het feit dat bij verdachte schoenen en een petje zijn aangetroffen van hetzelfde merk als de schoenen en petje die volgens getuige [slachtoffer 2] door de tweede overvaller gedragen werden tijdens de overval.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit conform hetgeen is opgetekend in het proces-verbaal van de zitting. Kernpunten daarbij zijn dat verdachte ontkent dat hij op de plaats delict geweest is, dat de beide fotoconfrontaties niet als bewijs kunnen worden gebezigd en dat de aangetroffen pet en schoenen niet onderscheidend zijn om als bewijs te dienen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende bewijs bevindt waaruit vast komt te staan dat verdachte de onder 1 tenlastegelegde diefstal met geweld heeft begaan en acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt:

Op zaterdag 11 november 2017 ontving de politie een melding van een bedreiging met een vuurwapen. Ter plaatse bleek dat [slachtoffer 1] onder bedreiging van een vuurwapen (althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) was beroofd van een kilo hennep. Van beide daders werd een signalement opgegeven. Van de eerste dader werd een voornaam en een kenteken genoteerd. Deze gegevens leidden naar [medeverdachte] . De andere dader werd omschreven als licht getint. Dit signalement werd verspreid door het onderzoeksteam. Door een politiemedewerker werd vermoed dat verdachte de onbekende dader zou kunnen zijn, omdat verdachte in het verleden (onder andere) openstaande boetes heeft betaald voor [medeverdachte] . Naar aanleiding hiervan zijn getuige [slachtoffer 2] en aangever [slachtoffer 1] geconfronteerd met foto’s van verdachte. Beiden hebben verdachte aangewezen als dader.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van een enkelvoudige fotoconfrontatie aan de herkenning van verdachte door getuige [slachtoffer 2] slechts een beperkte bewijswaarde toekomt.

Aangever [slachtoffer 1] heeft, anders dan [slachtoffer 2] , de foto van verdachte aangewezen in een meervoudige fotoconfrontatie. Tijdens deze meervoudige fotoconfrontatie zijn aan [slachtoffer 1] acht verschillende foto’s getoond. De foto van verdachte was daarbij de eerste foto in de reeks. Bij het tonen van deze eerste foto was de reactie van [slachtoffer 1] : “Wow, het kan zo maar zijn dat hij het was. De persoon op foto 1 lijkt er wel op”. Nadat alle acht foto’s waren getoond, heeft [slachtoffer 1] verdachte aangewezen als de overvaller die hem bedreigde met het vuurwapen. De rechtbank acht de eerste reactie van [slachtoffer 1] op de foto van verdachte weliswaar authentiek, maar leest hierin ook enig voorbehoud. [slachtoffer 1] zegt immers ‘de persoon op foto 1 lijkt er wel op’ in plaats van dat hij direct stellig aangeeft dat hij deze persoon herkend als de overvaller met het wapen. Verder is van belang dat het uiterlijk van de mannen op de andere zeven foto’s die werden getoond te sterk uiteen lopen waardoor meerdere foto’s niet of in mindere mate beantwoorden aan het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgegeven signalement en de mannen op deze foto’s niet dan wel onvoldoende lijken op verdachte. Nu de foto van verdachte de eerste was die de getuige zag, is de getuige – door de sterk wisselende beelden daarna onvoldoende uitgedaagd om zijn waarneming te herzien. Met andere woorden: de foto van verdachte stond te veel op zichzelf en vond onvoldoende overlap met andere foto’s in de set. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank grote afbreuk aan de bewijswaarde van de herkenning door [slachtoffer 1] bij deze meervoudige fotoconfrontatie. Temeer nu [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris heeft aangegeven dat hij er vanuit ging dat de foto van de overvaller erbij zou zitten en zich, ondanks de ter zitting door de officier van justitie getoonde standaardinstructie bij een fotoherkenning, naar eigen zeggen het gevoel had dat hij iemand moest aanwijzen. De rechtbank kan daarom niet uitsluiten dat [slachtoffer 1] verdachte heeft aangewezen omdat zijn foto, als één van de weinige foto’s in de set, voldeed aan het eerder door hem opgegeven signalement.

Door de officier van justitie is aangevoerd dat deze herkenningen ook worden ondersteund door het feit dat tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte schoenen en een pet van hetzelfde merk zijn gevonden als de schoenen en de pet die de overvaller met het wapen volgens getuige [slachtoffer 2] droeg tijdens de overval. De rechtbank stelt echter vast dat het uiterlijk van de schoen zoals afgebeeld op het door getuige [slachtoffer 2] aan de politie overhandigde print-screen van internet niet overeenstemt met het uiterlijk van de schoenen die bij verdachte thuis zijn aangetroffen. Het petje van het merk Stone Island heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende specifieke kenmerken om te kunnen dienen als bewijs.

Voorts is van belang dat getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat dader met het wapen kleiner was dan de overvaller met de voornaam [medeverdachte] . De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [medeverdachte] de overvaller met de voornaam [medeverdachte] was. De rechtbank stelt vast dat verdachte niet kleiner, maar juist langer is dan [medeverdachte] .

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat verdachte betrokken was bij de overval, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs (feit 2). 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal drugstest d.d. 14 december 2017, p. 1 en 2 (einddossier 258-259);

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 18 juni 2018.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

2. op 13 december 2017 te Wijchen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 34,61 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft als integrale straf voor beide feiten 24 maanden gevangenisstraf geëist

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is gericht op vrijspraak, maar heeft bij veroordeling gepleit voor 8 maanden gevangenisstraf. Verder is verzocht om aan te sluiten bij de landelijke oriëntatiepunten, rekening te houden met de voorlopige hechtenis en deze op te heffen als die gelijk is aan de op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank hecht er aan hier te herhalen dat zij niet tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 ten laste gelegde. Verdachte zal alleen straf worden opgelegd voor het Opiumwetfeit onder 2. Dat maakt dat de rechtbank zeer sterk afwijkt van de eis van de officier van justitie.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Softdrugs als hasjiesj en hennep kunnen gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Het telen van hennep gaat steeds meer gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit.

De uitdraai van de justitiële documentatie van verdachte vertoont eerdere Opiumwet-gerelateerde veroordelingen. Dat weegt de rechtbank ten nadele mee in haar overweging.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het bezit van hennep geldt dat tussen de 31 en 100 gram een geldboete van 200 euro wordt opgelegd.

Alle feiten en omstandigheden afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een geldboete van euro 200,-- met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 23, 24, 24c, 27

Opiumwet art. 3, 11.

DE UITSPRAAK

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 1 verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf :

T.a.v. feit 2:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbodDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 2:Geldboete van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstigartikel 27 Wetboek van Strafrecht

Met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarbij de rechtbank een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag waardeert op € 50,- .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. J.J.A. Donkersloot en mr. M. de Vries, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Meurs, griffier,

en is uitgesproken op 2 juli 2018.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, districtsrecherche ‘s- Hertogenbosch, genummerd 2017233062 (OB1RO17138 [naam] ), aantal pagina’s: 348. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier..