Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3170

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-06-2018
Datum publicatie
02-07-2018
Zaaknummer
C/01/291597 / HA ZA 15-234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Mededingingsrecht. De zaak betreft de zogenoemde Beeldbuizenkartels. De Europese Commissie heeft bij besluit van 5 december twee afzonderlijke inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de sector voor kathodestraalbuizen vastgesteld. Volgens de Europese Commissie is er sprake geweest van een wereldwijd kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen (CRT) voor computerschermen. Daarnaast is er sprake geweest van een kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor televisieschermen. Afnemers van CRT’s spreken producenten civielrechtelijk aan tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden door de kartels. In dit vonnis is beslist op het door gedaagden aangevoerde ‘preliminair’ verweer dat de hele procedure jegens alle (verschenen) gedaagden strandt op verjaring naar Turks recht. Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de subjectieve (korte) verjaringstermijn van twee jaar uit de Turkish Code of Obligations (TCO). De rechtbank legt het begrip “bekendheid met schade en aansprakelijke persoon” naar Turks recht uit en oordeelt dat van verjaring op grond van de subjectieve verjaringstermijn geen sprake is. Partijen verschillen ook van mening over de ingangsdatum van de absolute (lange) verjaringstermijn van tien jaar uit de TCO. De Europese Commissie heeft vastgesteld dat gedurende een bepaalde periode sprake is geweest van een voortdurende inbreuk (“single and continuous infringement”) op het Europese mededingingsrecht door de kartels. Voor het vaststellen van de aanvang van de objectieve verjaringstermijn moet worden beoordeeld of het hier ook naar Turks recht gaat om een voortdurende overtreding, een “continuous act”. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Ook de daarop volgende vraag, of die “continuous act” ook een “continuous tortious act” oplevert naar Turks civiel recht, beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank is van oordeel dat de onrechtmatige gedraging de deelname aan het kartel is, en niet een daad die gecompleteerd wordt door de schade die ontstaat als gevolg van elke afzonderlijke afname van gekartelliseerde producten. Er is dus niet telkens een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen met elke afzonderlijke overeenkomst. Het gaat om één voortdurende onrechtmatige gedraging. Niet, zoals gedaagden wordt betoogd, om een onrechtmatige gedraging die met tussenpozen wordt voortgezet of herhaald. De rechtbank is van oordeel dat de objectieve verjaringstermijn pas is gaan lopen vanaf de datum van de beëindiging van de (gestelde) kartels in 2006. Ten tijde van de dagvaarding in 2016 was de objectieve verjaringstermijn nog niet verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/291597 / HA ZA 15-234

Vonnis van 27 juni 2018

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar Turks recht

VESTEL ELEKTRONIK SANAYI VE TICARET A.S.,

gevestigd te Istanbul, Turkije,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VESTEL HOLLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de rechtspersoon naar Russisch recht

VESTEL CIS LTD.,

gevestigd te Alexandrov, Rusland,

4. de rechtspersoon naar Turks recht

VESTEL TICARET A.S.,

gevestigd te Istanbul, Turkije,

5. de rechtspersoon naar Russisch recht

VESTEL TRADE LTD.,

gevestigd te Moscow, Rusland,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VESTEL BENELUX B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
7. de rechtspersoon naar Roemeens recht
VESTEL ELECTRONICA S.R.L.,
gevestigd te Boekarest, Roemenië,
8. de rechtspersoon naar Frans recht
VESTEL FRANCE S.A.S.,

gevestigd te Rungis Cedex, Frankrijk,
9. de rechtspersoon naar Spaans recht
VESTEL IBERIA S.L.,
gevestigd te Madrid, Spanje
10. de rechtspersoon naar Engels recht
VESTEL UK LIMITED,
gevestigd te Berkshire, Verenigd Koninkrijk

11. de rechtspersoon naar Duits recht
VESTEL GERMANY GMBH,
gevestigd te München, Duitsland,

eiseressen,

advocaat mr. M. Deckers te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHILIPS COMPONENTS B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagden,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

en tegen

3. de rechtspersoon naar Koreaans recht

SAMSUNG SDI CO., LTD.,

gevestigd te Gyeonggi-do, Zuid-Korea,

4. de rechtspersoon naar recht van Maleisië

SAMSUNG SDI (MALAYSIA) BERHAD,

gevestigd te Negeri Sembilan, Maleisië,

5. de rechtspersoon naar Hongaars recht

SAMSUNG SDI MAGYARORSZÁG ZRT.,

gevestigd te Göd, Hongarije,

gedaagden,

advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam,

en tegen

6. de rechtspersoon naar Koreaans rechtLG ELECTRONICS INC., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea, gedaagde,

7. de rechtspersoon naar Engels rechtLG ELECTRONICS WALES LTD., gevestigd te Cardiff, Groot-Brittannië, gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

en tegen

8. de rechtspersoon naar Frans rechtTECHNICOLOR S.A., gevestigd Issy-Les-Moulineaux, Frankrijk, gedaagde,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

en tegen


9. de rechtspersoon naar Frans recht
TTD INTERNATIONAL S.A.S.,
gevestigd te Boulonge-Billancourt, Frankrijk,

10 de rechtspersoon naar Pools recht TDP SP. Z O.O., gevestigd te Piaseczno, Polen, gedaagden,

thans zonder advocaat.

De gezamenlijke eisers zullen hierna “Vestel c.s.” worden genoemd. De verschenen gedaagden die het verjaringsverweer hebben gevoerd zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid met “Koninklijke Philips c.s.”.

Voor zover aan de orde zullen de verschenen gedaagden ook nog als volgt worden aangeduid:

  • -

    Koninklijke Philips N.V. en Philips Components B.V. gezamenlijk: Philips

  • -

    Samsung SDI Co. Ltd., Samsung SDI (Malaysia) Berhad en Samsung SDI Magyarország ZRT gezamenlijk: Samsung

  • -

    LG Electronics Inc., LG Electronics Wales Ltd. (in liquidatie) gezamenlijk: LG

  • -

    Technicolor S.A.: Technicolor

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 29 juni 2016 (ECLI:NL:RBOBR:2016:3484),

  • -

    de pleidooien en het daarvan opgemaakte proces-verbaal met de daarin genoemde (proces)stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij besluit van 5 december 2012 (hierna: het Besluit), op dezelfde datum bekendgemaakt in een persbericht (hierna: het persbericht), heeft de Europese Commissie twee afzonderlijke inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de sector voor kathodestraalbuizen vastgesteld. Volgens de Europese Commissie is er sprake geweest van een wereldwijd kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor computerschermen, ook wel genoemd Colour Display Tubes (hierna: CDT en het CDT-kartel). Daarnaast is er sprake geweest van een kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor televisieschermen, ook wel genoemd Colour Picture Tubes (hierna: CPT en het CPT-kartel). Volgens Vestel c.s. hebben alle gedaagden op de een of andere manier, direct dan wel indirect, deelgenomen aan het CDT- en/of het CPT-kartel. Vestel c.s. zijn afnemers van CDT’s en CPT’s en stellen schade te hebben geleden als gevolg van de kartels. Vestel c.s. leggen artikel 101 VWEU en het daaruit voortvloeiende recht op vergoeding van schade als gevolg van schending van het Europese mededingingsrecht aan hun vordering ten grondslag. Bij gebreke van specifieke procesregels om dat recht uit te oefenen, moet de vordering van Vestel c.s. nader worden ingevuld door toepassing van het materiële Turkse recht, voor zover de toepassing van het Turkse recht niet ongunstiger is dan toepassing van het Nederlandse recht op soortgelijke vorderingen en voor zover door toepassing van Turks recht het recht op vergoeding van alle schade niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, aldus Vestel c.s. Zij stellen dat zowel op grond van het Turkse mededingingsrecht (overtreding kartelverbod) als het Turkse civiele recht (onrechtmatige daad) gedaagden aansprakelijk zijn voor de door Vestel c.s. geleden schade. Vestel c.s. vorderen daarom in de hoofdzaak:

A. dat de rechtbank zal verklaren voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de door Vestel c.s. geleden schade als gevolg van het CDT- en CPT-kartel;

B. hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een schadevergoeding van € 2.053.200.000,- plus wettelijke rente vanaf 1 december 2014;

C. hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding, inclusief de nakosten.

2.2.

In het proces-verbaal van de regiezitting, gehouden op 28 oktober 2015, is bepaald dat eerst vonnis zal worden gewezen in de bevoegdheids- en vrijwaringsincidenten, en vervolgens (onder voorbehoud van nadere verweren te dien aanzien in een later stadium van de procedure) aan de orde zal komen de vraag of de vorderingen van Vestel c.s. zijn verjaard naar Turks recht. Het debat tussen partijen na het vonnis van 29 juni 2016 is dus beperkt tot het door Koninklijke Philips c.s. gevoerde verjaringsverweer, en de beoordeling in dit vonnis zal ook daartoe zijn beperkt. Het gaat erom of in dit stadium van de procedure kan worden vastgesteld dat de vorderingen van Vestel c.s. tegen alle (verschenen) gedaagden naar Turks recht hoe dan ook geheel zijn verjaard. Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, kunnen eventuele individuele verjaringsverweren van afzonderlijke gedaagden in een later stadium van de procedure nog aan de orde komen.

2.3.

Het Turkse burgerlijk recht kent verschillende verjaringstermijnen. Allereerst is er een (korte) subjectieve verjaringstermijn van één of twee jaar, afhankelijk van de vraag of de oude of de nieuwe Turkish Code of Obligations (TCO) van toepassing is. Daarnaast is er een objectieve (lange) verjaringstermijn van tien jaar. Tot slot is er, afhankelijk van de vraag of in dit geval de mededingingsrechtelijke inbreuk ook een strafbaar feit oplevert, mogelijk sprake van een exceptionele verjaringstermijn van acht jaar. Koninklijke Philips c.s. stellen dat de vorderingen van Vestel c.s. zijn verjaard op grond van de subjectieve verjaringstermijn. Bovendien zijn volgens Koninklijke Philips c.s. de vorderingen van Vestel c.s. voor een (groot) deel hoe dan ook verjaard op grond van de absolute verjaringstermijn. De exceptionele verjaringstermijn van acht jaar is volgens hen in dit geval niet van toepassing. Vestel c.s. betwisten dat hun vorderingen zijn verjaard.

2.4.

De subjectieve en de objectieve verjaringstermijn zijn neergelegd in één artikel van de TCO. Partijen hebben ieder verschillende Engelse vertalingen van de betreffende artikelen overgelegd, die op ondergeschikte punten iets van elkaar afwijken. Dit is verder niet van invloed op de beoordeling. De exceptionele verjaringstermijn van acht jaar waarop Vestel c.s. zich beroepen is ontleend aan artikel 20 van de Turkse Law on Misdemeanors.

2.4.1.

Tot 1 juli 2012 gold artikel 60 TCO (oud). Dat artikel luidt in de Engelse vertaling die door Koninklijke Philips c.s. wordt gehanteerd als volgt:

A claim for damages and losses or non-pecuniary damages is barred after one year from the date that a party incurring damage has become aware of the damage and the identity of the person liable, but in any case after ten years from the date the act causing the damage took place.

Insofar, where a claim for damages and losses arises from a punishable act for which the criminal law provides a longer statute of limitations, then the latter shall also apply to the civil claim.

De door Vestel c.s. overgelegde vertaling luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

An action for the indemnification of a loss and damage or immaterial damage, in cash, shall not be filed after one year as of the date on which the damaged party became aware of the loss and the party that caused such loss, and in any event, upon ten years as of the date on which such act was committed.

However, if an action for loss and damage arises from an act which requires a longer limitation period under criminal laws, such longer limitation period applies to that particular action.

2.4.2.

Met ingang van 1 juli 2012 geldt artikel 72 TCO (nieuw). Het relevante deel daarvan luidt in de door Koninklijke Philips c.s. gebezigde Engelse vertaling als volgt:

The statute of limitations to claim compensation shall expire after two years starting from the date the party incurring damage becomes aware of the damage and the person liable for compensation and in any case after ten years starting from the date of the act.

However, if the compensation arises from a punishable act for which the criminal law provides for a longer statute of limitations, this statute of limitations shall be applicable.

De door Vestel c.s. overgelegde vertaling luidt voor zover hier van belang als volgt:

The right to claim compensation is time barred after two years starting from the date on which the claimant became aware of the damage and the person liable for compensation and in any case after ten years starting from the date on which the act had been committed. However, in case the compensation arises from an act requiring a penalty for which criminal laws set forth a longer limitation period, this longer limitation period applies.

2.5.

De Turkse Law on the Effectiveness and Application of the Turkish Code of Obligations bevat in artikel 5 het overgangsrecht met betrekking tot de bepalingen over verjaring. De Engelse vertaling van dat artikel luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

The lapses of time and statutes of limitations that started running before the Turkish Code of obligations entered into force shall remain subject to the provisions of the former Code.

2.6.

Voor het antwoord op de vraag of de vorderingen van Vestel c.s. op grond van de subjectieve verjaringstermijn zijn verjaard, is het van belang vast te stellen welk verjaringsregime van toepassing is. Voor de vraag naar de objectieve verjaringstermijn speelt dat geen rol omdat de wetswijziging in die termijn geen wijziging heeft gebracht.

subjectieve verjaringstermijn

2.7.

Vestel c.s. hebben Koninklijke Philips c.s. gedagvaard bij exploot van 26 november 2014. Als de subjectieve verjaringstermijn is aangevangen vóór 1 juli 2012, dan is de vordering van Vestel c.s. dus verjaard op grond van artikel 60 TCO (oud). Als de subjectieve verjaringstermijn is aangevangen ná 1 juli 2012, maar vóór 26 november 2012, dan is de vordering van Vestel c.s. verjaard op grond van artikel 72 TCO (nieuw).

2.8.

Partijen zijn het erover eens dat voor de aanvang van de verjaringstermijn zowel onder het oude als het nieuwe regime van de TCO is vereist dat de benadeelde partij bekend is met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De tekstuele verschillen in de door partijen gebezigde Engelse vertalingen van de relevante artikelen uit de TCO doen daar niet aan af. Partijen zijn het er ook over eens dat bekendheid met de precieze omvang van de schade niet is vereist, maar dat het erom gaat dat de benadeelde over voldoende concrete informatie beschikt met betrekking tot schade en aansprakelijke partij om een gerechtelijke procedure tot schadevergoeding te kunnen starten.

2.9.

Partijen verschillen van mening over het tijdstip waarop de verjaringstermijn is gaan lopen. Partijen hebben deskundigen benaderd en gevraagd om hun opinie te geven over verjaring naar Turks recht. De volgende opinies zijn in het geding gebracht:

- LG: opinie prof. dr. H. Ercüment Erdem van 31 oktober 2016 (hierna: opinie Erdem). Erdem is advocaat van LG in de procedure die bij de Turkse rechter aanhangig is.

- Philips: opinie Elig Attorneys at Law van 31 oktober 2016 (hierna: opinie Elig). Elig staat Philips bij in de procedure die bij de Turkse rechter aanhangig is.

- Samsung: opinie Gedik & Eraksoy van 28 oktober 2016 (hierna: opinie Gedik & Eraksoy). Gedig & Eraksoy staat Samsung bij in de procedure die bij de Turkse rechter aanhangig is.

- Technicolor: opinie Hergüner, Bilgen & Özeke van 31 oktober 2016 (hierna: opinie Hergüner). Hergüner, Bilgen & Özeke staat Technicolor bij in de procedure die bij de Turkse rechter aanhangig is.

- Koninklijke Philips c.s.: opinie prof. dr. Atilla Altop van 28 september 2017 (hierna: opinie Altop). Altop is alleen in het kader van deze procedure benaderd om een opinie te geven en niet betrokken bij de procedure in Turkije;

opinie prof. dr. Gamze Öz van 28 september 2017 (hierna: opinie Öz). Öz is alleen in het kader van deze procedure benaderd om een opinie te geven en niet betrokken bij de procedure in Turkije.

- Vestel c.s.: opinie prof. dr. Ismail Yilmaz Aslan van 30 maart 2017 (hierna: opinie Aslan I). Aslan is als advocaat van Vestel c.s. betrokken bij de procedure die bij de Turkse rechter aanhangig is;

opinie prof. dr. Ismail Yilmaz Aslan van 20 november 2017 (hierna: opinie Aslan II);

opinie prof. dr. Osman Berat Gürzumar en prof. dr. Kerem Cem Sanli van 14 maart 2017 (hierna: opinie Gürzumar en Sanli I). Gürzumar en Sanli zijn alleen in het kader van deze procedure benaderd om een opinie te geven en zijn niet betrokken bij de procedure in Turkije;

opinie prof. dr. Osman Berat Gürzumar en prof. dr. Kerem Cem Sanli van 19 november 2017 (hierna: opinie Gürzumar en Sanli II).

2.10.

Uit de hiervoor opgesomde opinies blijkt dat partijen het niet eens zijn over hoe het begrip “bekendheid met schade en aansprakelijke persoon” moet worden opgevat. Volgens Vestel c.s. moet het gaan om daadwerkelijke, subjectieve bekendheid. Vestel c.s. hebben in de dagvaarding gesteld dat van daadwerkelijke, subjectieve bekendheid eerst na 5 december 2012 sprake was. Koninklijke Philips c.s. stellen op de eerste plaats dat Vestel c.s. die kennis al ruim voor het persbericht van 5 december 2012 hadden. Daarnaast is volgens Koninklijke Philips c.s. ook aan het vereiste van bekendheid voldaan ingeval van objectieve wetenschap: als de benadeelde het had kunnen of moeten weten.

2.11.

De rechtbank volgt het standpunt van Vestel c.s. op dit punt: de verjaringstermijn vangt pas aan als sprake is van daadwerkelijke, subjectieve bekendheid. Hiervoor is het volgende redengevend. De door Vestel c.s. overgelegde opinie Gürzumar en Sanli I bevat een overtuigende weergave van het Turkse recht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat beide rechtsgeleerden niet betrokken zijn aan de zijde van Vestel c.s. in de procedure voor de Turkse rechter en dat de opinie Gürzumar en Sanli I bevestiging vindt in de door Koninklijke Philips c.s. overgelegde opinie Altop. Anders dan de overige auteurs van de door Koninklijke Philips c.s. bij de conclusies inzake de verjaring overgelegde opinies is Altop ook niet betrokken bij de Turkse procedure. Dat geldt overigens ook voor Öz, maar in de opinie Öz wordt niet ingegaan op de subjectieve verjaringstermijn die hier aan de orde is. Ook sluit deze interpretatie het meest aan bij de letterlijke bewoordingen van de betreffende bepalingen in de (Engelse vertalingen van de) TCO (oud en nieuw): “has become aware”, “became aware”, “becomes aware” en (nogmaals) “became aware”.

2.12.

In de opinie Gürzumar en Sanli I staat over de vereiste bekendheid het volgende:

3 Interpretation and application of the phrases "becoming aware" and "the

moment of becoming aware" in relation to the relative period

a. a) The fact, that the claimant has only learned of the damaging act, does not suffice for the commencement of the relative limitation period. The stated period starts to run upon becoming aware of both the damage and the identity of the person liable for it. If these both kinds of awareness have not occurred on the same day, the period starts running on the day of such kind of awareness which has occurred after the other one.

b) The phrase "becoming aware" must be, and is, understood literally; i.e. the aggrieved person must have actually become aware of the damage and the identity of the liable person. The fact that the aggrieved person should have become aware of the damage and the identity of the person liable for it does not suffîce for the commencement of the period, let alone the fact that he or she could have become aware thereof.

c) Therefore, in Turkish law, (apart from the exceptional application of Article 2 TCC

(see below (d)) neither the features of the facts in a specific case, nor the general normative duty of the merchants to act as a prudent businessman can cause the judge, in determining the commencement date of the relative prescription period, to consider the question, whether the claimant should or could have become aware of the damage and the liable person.

c.1. We do not think that the passage quoted from the decision of the 4th Civil Chamber of the Swiss Court of Appeal (“SCA") dated 22 January 2015 in one of the Memoranda within the file indicates the contrary. Using the translation made in the said Memorandum, the said Chamber states that

''The claimant being a merchant, has to act as a prudent merchant, and has to commence execution proceedings or file the case against the offender for his damage that he recognized by each damage report before the statute limitations of the 1-year regulated under Article 60 of the Code of Obligations expires."

(emphasis added)

In our understanding, this decision indicates the following:

Since the claimant became aware of his every single damage with the receipt of the relevant report on such damage, he, as a merchant who has to act as a prudent business man, had to commence execution proceedings and accordingly file his case before the elapse of the one year period provided for under Article 60 FCO.

(…)

c.3. In conclusion, we repeat that the phrase "becoming aware" of Article 60 FCO and

Article 72 NTCO must be and is understood literally. The fact that the aggrieved person should have become aware of the damage and the identity of the person liable for it, does not suffice for the commencement of the short prescription period in Turkish law, let alone the fact that he or she could have become aware thereof.”

2.13.

In de opinie Altop staat over de vereiste bekendheid het volgende:

“20.a) For the short (relative) time-limit to start running, it is necessary that the aggrieved party has actually become aware of the damage and the party liable for compensation, and it is not sufficient that he could have found out the same:

"... For the time-limit to start running, the moment when the loss was actually found out is decisive; being in a position to become aware of is not taken into consideration ..." (Assoc. Prof. Dr. Mehmet ERDEM, Lapse of Time in Private Law, Istanbul 2010, p.175-176).”

2.14.

Hoewel voor het voorliggende verjaringsvraagstuk materieel wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van Turks recht, is wel het Nederlandse procesrecht van toepassing. Het is aan degene die zich op de verjaring beroept, Koninklijke Philips c.s., om voldoende onderbouwd te stellen en zo nodig te bewijzen dat de wederpartij over de wetenschap beschikte die is vereist om de verjaringstermijn te laten beginnen. Volgens Koninklijke Philips c.s. waren Vestel c.s. al (ruim) voor 5 december 2012, de datum van publicatie van het persbericht van de Europese Commissie, bekend met de schade en de daarvoor aansprakelijke partijen. Koninklijke Philips c.s. voeren daartoe aan dat Vestel c.s. in de dagvaarding hebben aangegeven dat zij op basis van het persbericht van de Europese Commissie bekend zijn geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke personen. Dat persbericht voegt volgens Koninklijke Philips c.s. echter niets toe aan de eerdere berichten die over de CPT- en CDT-kartels in de internationale media zijn verschenen. Al in november 2007 verschenen de eerste berichten in de media over onderzoeken naar mededingingsbeperkende afspraken op de markt voor CRT’s, gevolgd door berichten over procedures tegen producenten en door mededingingsautoriteiten aan producenten opgelegde boetes. Volgens Koninklijke Philips c.s. valt niet in te zien wat maakt dat Vestel c.s. naar aanleiding van alle eerdere in de internationale media verschenen berichten over beide kartels nog niet beschikten over de vereiste wetenschap, maar na het verschijnen van het persbericht van de Europese Commissie wel.

2.15.

Vestel c.s. hebben bij pleidooi toegelicht dat zij in de dagvaarding hebben gekozen voor de datum van publicatie van het persbericht (5 december 2012) als startpunt voor de verjaring, om discussie over de exacte datum te vermijden. Vestel c.s. hebben – wederom bij pleidooi – gesteld dat zij op enig moment na 5 december 2012 ermee bekend zijn geraakt dat in de vertrouwelijke versie van het Besluit de naam Vestel werd genoemd en dat in het Besluit specifieke passages aan Vestel waren gewijd. Vestel c.s. stellen derhalve niet dat zij door het persbericht bekend zijn geraakt met de wetenschap die is vereist om de verjaringstermijn te laten beginnen; Vestel c.s. stellen dat de vereiste bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon pas (kort) na publicatie van het persbericht is gekomen, naar aanleiding van de door een derde partij verstrekte relevante informatie. Uit die nadere informatie, die aan Vestel c.s. werd verstrekt naar aanleiding van het persbericht, bleek pas dat de kartels ook op Turkije waren gericht en dat Vestel c.s. in de vertrouwelijke versie van het Besluit werden genoemd. De datum van publicatie van het persbericht moet daarom volgens Vestel c.s. als conservatief uitgangspunt worden genomen voor aanvang van de verjaringstermijn. De hier vereiste wetenschap is verkregen door de combinatie van het persbericht en informatie die daar juist niet in staat.

2.16.

De rechtbank volgt Koninklijke Philips c.s. niet in hun stelling dat Vestel c.s. hun koers met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn na het uitbrengen van de dagvaarding hebben gewijzigd. In de dagvaarding onder randnummer 145 stellen Vestel c.s. uitsluitend dat zij pas ná 5 december 2012, de datum van publicatie van het persbericht, met het bestaan van het kartel bekend zijn geworden en dat de verjaring van de vordering dus eerst op die datum kan zijn aangevangen. Daarmee is door Vestel c.s. niet gezegd dat zij dóór (alleen) het persbericht bekend waren met alle relevante feiten, maar alleen dat de verjaringstermijn dus in ieder geval niet vóór die datum kan zijn aangevangen. De toelichting die zijdens Vestel c.s. bij pleidooi is gegeven heeft een en ander voldoende duidelijk gemaakt. Het is overigens ook niet aan Vestel c.s. om te stellen hoe en wanneer zij de vereiste bekendheid hadden. Het is aan Koninklijke Philips c.s. – die een beroep doen op verjaring – om dat te doen.

2.17.

Koninklijke Philips c.s. hebben evenwel geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die, mits bewezen, leiden tot de conclusie dat Vestel c.s. daadwerkelijk (ruim) vóór 5 december 2012 bekend waren met de schade en de daarvoor aansprakelijke partijen in die zin dat zij beschikten over voldoende concrete informatie om een vordering te kunnen instellen. Koninklijke Philips c.s. baseren die stelling op niet meer dan een vergelijking van de inhoud van het persbericht met die van uitingen in de media, andere persberichten van mededingingsautoriteiten en eigen berichtgeving (deels in jaarverslagen) van Koninklijke Philips c.s. Dat is niet voldoende om te kunnen concluderen dat Vestel c.s. over voldoende concrete informatie beschikten om een procedure te kunnen starten. Het is uit de door Koninklijke Philips c.s. aangehaalde berichten bijvoorbeeld niet voldoende duidelijk om welke geografische markt(en) het gaat. Dat is wel nodig voor Vestel c.s. om te kunnen bepalen of zij mogelijk door mededingingsbeperkende afspraken zijn benadeeld. Dat de anonieme bron van Vestel c.s. hen al vóór de publicatie van het persbericht zou hebben benaderd met de benodigde informatie is pure speculatie van Koninklijke Philips c.s. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij.

2.18.

Koninklijke Philips c.s. stellen onder verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:3166) dat van Vestel c.s. verwacht mag worden dat zij de ontwikkelingen op de CRT-markt in de gaten houdt. Verder vloeit dit volgens Koninklijke Philips c.s. voort uit de omstandigheid dat Vestel c.s. naar Turks recht moeten handelen als een “prudent merchant”. De rechtbank heeft vastgesteld dat het er naar Turks recht om gaat dat een partij daadwerkelijk kennis heeft van de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, niet dat men die kennis had moeten of kunnen hebben. Dat Vestel c.s. als “prudent merchant” al voor de publicatie van het persbericht op de hoogte hadden moeten zijn van wat er precies speelde rond het CRT-kartel, en meer in het bijzonder dat zij als gevolg daarvan schade hadden geleden, volgt de rechtbank niet. Verwezen wordt naar het hiervoor onder 2.12. weergegeven citaat uit de opinie Gürzumar en Sanli I. De rechtbank sluit zich aan bij de uitleg in de opinie Gürzumar en Sanli I onder c.1, waaruit volgt dat de maatstaf van de “prudent merchant” niet zozeer ziet op het verkrijgen van de voor aanvang van de verjaringstermijn vereiste wetenschap, maar veeleer op het handelen naar aanleiding van die eenmaal verkregen wetenschap.

2.19.

De omstandigheid dat aan Vestel c.s. in het kader van een vooronderzoek door de Turkse Mededingingsautoriteit (hierna: TMA) naar een kartel op de Turkse markt voor CPT’s vragen zijn gesteld, kan evenmin de conclusie dragen dat Vestel c.s. beschikten over de vereiste wetenschap. In de brief van 22 oktober 2009 van TMA met onderwerp “Information request for preliminary investigation” wordt in slechts één pagina algemene informatie gevraagd over onder meer het productieproces voor beeldbuizen, het aantal door de geadresseerde geleverde CRT’s, het marktaandeel van de geadresseerde in vergelijking met andere leveranciers van CPT’s in de periode van 1996 tot het eerste halfjaar van 2009, “television sales volumes” op de Turkse markt en “estimations and plans of your company for the future domestic CPT television market”. Uit deze algemene vragen blijkt nog niet van het vermoeden van het bestaan van een CRT-kartel op de Turkse markt, laat staan van het bestaan zelf en welke partijen daarbij betrokken zouden zijn. Uiteindelijk heeft de TMA bovendien in haar besluit van 18 november 2009 besloten dat er geen grond was voor een onderzoek naar overtreding van de Turkse mededingingswet. Het valt niet in te zien hoe Vestel c.s. op basis hiervan genoeg kennis hadden omtrent schade en daarvoor aansprakelijke persoon om een procedure te kunnen starten (zodat daarmee de verjaringstermijn zou beginnen te lopen), ook niet wanneer het vooronderzoek door de TMA wordt bezien in combinatie met de na dat vooronderzoek nog verschenen persberichten van andere mededingingsautoriteiten. Er was voor de TMA immers kennelijk destijds geen grond om nader onderzoek te doen naar een inbreuk op het mededingingsrecht op de Turkse markt.

2.20.

Koninklijke Philips c.s. wijzen er ook nog op dat naar Turks recht sprake kan zijn van een bewijsvermoeden met betrekking tot de vereiste wetenschap omtrent schade en aansprakelijke persoon. De opinie Gürzumar en Sanli I bevestigt dit onder 3e (p. 22):

“e) Related to the matter discussed under the items from (b) to (d) above, the following

possibility must also be taken into consideration:

In some cases, the respondent’s assertion that the claimant could or should have become aware of the damage (and/or of the liable person for it), may be understood as an assertion of a (rebuttable) presumption of fact. If a relevant fact, that is already evident, really causes such a presumption, then the claimant must be deemed to have become aware of his damage (and/or the liable person), provided that he could not prove the contrary. On the other hand, a fact, that the claimant proves and relies on, may also constitute a rebuttable presumption of fact that is relevant for the determination of the date of becoming aware.”

Ook de opinie Altop gaat daarop in, met verwijzing naar de hiervoor weergegeven passage uit de opinie Gürzumar en Sanli I.

“20. b) However, the court may, after evaluating all the evidence concerning the particular case, assume (accept) that the party injured by the tortious act became aware of the loss and the responsible party on a certain date. In fact, Prof. Dr. Osman Berat Gürzumar and Assoc. Prof. Dr. Kerem Cem Sanli also clearly accept and declare this point principally in their legal opinion of 14 March 2017 (…)”

2.21.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval uit te gaan van een bewijsvermoeden als hiervoor bedoeld. Voor het aannemen van een bewijsvermoeden moet er volgens de Turkse rechtsgeleerden eerst sprake zijn van “evident” en “relevant facts” die dat vermoeden rechtvaardigen. Dit geldt ook naar het toepasselijke Nederlands bewijsrecht. Het enkele feit dat er al voor 5 december 2012 berichten in de (internationale) media en persberichten van mededingingsautoriteiten over nationale onderzoeken naar de kartelvorming in hun respectievelijke nationale jurisdicties waren verschenen, rechtvaardigt dat vermoeden niet, ook niet bezien in combinatie met het feit dat Vestel c.s. internationaal actief zijn, nu Koninklijke Philips c.s. niet (voldoende) concreet hebben gemaakt uit welke bericht(en) Vestel c.s. dit dan zouden hebben moeten kunnen afleiden en waarom.

2.22.

De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat de verjaringstermijn al (ruim) voor 5 december 2012 is gaan lopen. Dat betekent (zie hiervoor onder 2.4.2. en 2.7.) dat de tweejarige verjaringstermijn van artikel 72 TCO (nieuw) van toepassing is en dat de vorderingen van Vestel c.s. in ieder geval niet op grond van dat artikel zijn verjaard.

objectieve (absolute) verjaringstermijn

2.23.

De objectieve verjaringstermijn bedraagt zowel onder artikel 60 TCO (oud) als artikel 72 TCO (nieuw) tien jaar. Partijen verschillen ook wat betreft deze verjaringstermijn van mening over het tijdstip waarop die is aangevangen en onderbouwen hun standpunten met onder meer de hiervoor (onder 2.9.) al genoemde opinies over verjaring naar Turks recht. De discussie tussen partijen concentreert zich rond de uitleg van het begrip “tortious act”.

2.24.

De vaststellingen door de Europese Commissie zijn voor de gerechten in de lidstaten, waaronder deze rechtbank, alleen bindend voor zover zij betrekking hebben inbreuken op het mededingingsrecht binnen de EER. De bevoegdheid van de Commissie ter zake van het handhaven van het Europese mededingingsrecht beperkt zich immers tot dit geografische gebied. Vestel c.s. stellen in de dagvaarding dat dezelfde kartels ook de “Turkse markt” voor CRT’s hebben beïnvloed. Vrijwel alle aankopen zijn van Vestel Elektronik in Turkije uitgegaan en het handelen van Koninklijke Philips c.s. was er ook specifiek op gericht om de prijzen van CRT’s op de Turkse markt te beïnvloeden en zo Vestel c.s. als belangrijke klant te benadelen, aldus Vestel c.s.

2.25.

De Turkish Commercial Act (TCA) bevat het kartelverbod naar Turks recht. Artikel 4 TCA is grotendeels gelijk aan artikel 101 VWEU. De rechtbank gaat – uitsluitend voor de beoordeling van het onderhavige preliminaire verjaringsverweer – veronderstellenderwijs uit van de juistheid van de stellingen van Vestel c.s. dat de door de Commissie vastgestelde kartels de mededinging in de geografische markt(en) voor CRT’s waarvan Turkije deel uitmaakt hebben beïnvloed. Uitgaande van die hypothese zouden de kartels een overtreding van artikel 4 TCA zijn.

2.26.

De Europese Commissie heeft vastgesteld dat gedurende een bepaalde periode sprake is geweest van een voortdurende inbreuk (“single and continuous infringement”) op het Europese mededingingsrecht door beide kartels.

De vraag of het hier ook naar Turks recht gaat om een voortdurende overtreding, een “continuous act”, beantwoordt de rechtbank bevestigend. De aard van de in het Besluit beschreven gedragingen, bestaande uit een complex van praktijken, die niet alleen overeenkomsten (“agreements”) maar ook onderling afgestemde feitelijke gedragingen (“concerted practices”) omvatten, door de Commissie gekwalificeerd als “single and continuous infringement”, is zodanig dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een “continuous act”. Bevestiging voor dit oordeel wordt gevonden in de opinie Gürzumar en Sanli I. Ook de opinie Aslan I gaat daarvan uit. Het merendeel van de opinies van de door Philips c.s. geraadpleegde rechtsgeleerden gaat niet op dit punt in. Voor zover dat wel het geval is, in de opinie Erdem en in de opinie Elig, blijkt daaruit niet dat een kartel niet als een voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht kan worden beschouwd.

2.27.

De volgende vraag is dan of die “continuous act” ook een “continuous tortious act” oplevert naar Turks civiel recht. Dit is relevant voor het vaststellen van de aanvang van de verjaringstermijn.

2.28.

Het standpunt van Koninklijke Philips c.s. daaromtrent komt – samengevat – hierop neer. Verjaring is gekoppeld aan een vorderingsrecht. Een vorderingsrecht tot schadevergoeding ontstaat pas wanneer schade is geleden als gevolg van onrechtmatig handelen. Een kartelafspraak veroorzaakt op zichzelf nog geen schade. De kartelafspraak moet eerst worden geïmplementeerd. De schade ontstaat pas wanneer een afnemer het product dat onderwerp is van het kartel afneemt van de leverancier, tevens karteldeelnemer. De kartelafspraak en de daaropvolgende verkoop en afname zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen gezamenlijk de onrechtmatige handeling (de “tortious act”) als basis voor het civiele vorderingsrecht. Elke afzonderlijke verkooptransactie doet dus een aparte verjaringstermijn aanvangen voor de vordering tot schadevergoeding als gevolg van die specifieke onrechtmatige daad.

2.29.

Vestel c.s. geven een andere uitleg aan het begrip “tortious act”. Volgens Vestel c.s. is de deelname aan het kartel als zodanig de “tortious act”. De afzonderlijke overeenkomsten waarbij de gekartelliseerde producten worden verkocht bevestigen alleen het bestaan van de schade die het gevolg is van het verhoogde prijsniveau als gevolg van het kartel. Omdat het kartel een doorlopend karakter had, moet de deelname aan het kartel worden gezien als een “continuous tortious act”. Dit pleit ervoor dat de objectieve verjaringstermijn pas gaat lopen zodra die voortdurende onrechtmatige daad is beëindigd, zijnde vanaf de einddatum van het kartel, aldus Vestel c.s.

2.30.

In de opinie Gürzumar en Sanli I staat het volgende (p. 39 en 41):

“(…)

a) To our best knowledge, there are no decisions of the SCO that have specifically dealt with the interpretation and application of the terms "continuous act" and "continuous and/or developing damage" with respect to the prescription periods of damage claims relying on competition law infringements.

(…)

d) To begin with, we need to state that, so far, the specific question, whether the cartels represent a continuous character in relation to the commencement date of the prescription periods of damage claims in civil law or not, has not been arisen in cases, that have been dealt with by the SCA. To our knowledge, the Turkish legal doctrine has not elaborated this question till to date either. Therefore, with respect to this specifîc question, we can only explain our own opinion in light of the explanations made above about the term of continuous act and its relevance to the commencement date of the prescription periods in Turkish liability law.

(…)”.

Koninklijke Philips c.s. betwisten het vorenstaande niet. Ook uit de opinies van de door Koninklijke Philips c.s. geraadpleegde rechtsgeleerden blijkt niet dat er sprake is van richtinggevende jurisprudentie van Turkse rechters op dit punt. Dat betekent dat de rechtbank op basis van de door partijen verstrekte inlichtingen over Turks recht een knoop moet doorhakken.

2.31.

De rechtbank knoopt aan bij de opinie Gürzumar en Sanli I en II en is van oordeel dat de onrechtmatige gedraging de deelname aan het kartel is, en niet een daad die gecompleteerd wordt door de schade die ontstaat als gevolg van elke afzonderlijke afname van gekartelliseerde producten. Het gaat om één voortdurende onrechtmatige gedraging. Niet, zoals door Koninklijke Philips c.s. onder verwijzing naar de opinie Altop wordt betoogd, om een onrechtmatige gedraging die met tussenpozen wordt voortgezet of herhaald. Laatstgenoemde redenering verdraagt zich overigens ook niet met het feit dat in de rechtspraak met betrekking tot kartelschade op grond van onrechtmatige daad algemeen aanvaard is, en door Koninklijke Philips c.s. als algemeen uitgangspunt – los van haar specifieke verweren in de onderhavige zaak – ook niet is bestreden, dat karteldeelnemers hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor door het kartel veroorzaakte schade. Dit uitgangspunt geldt ook als deze schade niet voortvloeit uit hun “eigen” verkopen maar uit die van andere karteldeelnemers. Bovendien geldt dat zelfs schade die is ontstaan in verband met verkopen van door een kartel bestreken producten door niet-karteldeelnemers (schade als gevolg van het zogenoemde “umbrella pricing”) voor vergoeding in aanmerking kan komen. Indien, zoals Koninklijke Philips c.s. betogen, niet de deelname aan het kartel maar “iedere verkooptransactie” als de naar Turks civiel recht relevante onrechtmatige daad moet worden beschouwd, zou vergoeding van de hiervoor genoemde schadecomponenten naar Turks recht per definitie niet mogelijk zijn, omdat dan immers die schade niet in causaal verband zou staan met een door de individuele karteldeelnemer gepleegde onrechtmatige daad. Prof. dr. Erdem heeft tijdens de pleidooizitting op 19 december 2017, op een vraag van de rechtbank hierover, bevestigd dat naar Turks recht hoofdelijke aansprakelijkheid voor kartelschade mogelijk is. Hij heeft daarnaast verklaard dat naar Turks recht geen sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid wanneer een inbreuk op het mededingingsrecht niet leidt tot schade wegens het ontbreken van het uitvoeren daarvan door een transactie. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de onrechtmatige daad samenvalt met de transactie in kwestie. Er bestaat immers een onderscheid tussen aansprakelijkheid en (het daarvoor vereiste maar daarmee niet gelijk te stellen element van) de onrechtmatige gedraging.

Pas met het einde van de voortdurende onrechtmatige gedraging (beïnvloeding van de markt door kartelgedragingen) komt er een eind aan de schadeveroorzakende handeling (het feit dat door die gedragingen (uiteindelijk) hogere prijzen worden gevraagd en (moeten worden) betaald voor producten). Het al of niet ontstaan van het vorderingsrecht (door de specifieke transacties) is in de onderhavige omstandigheden niet relevant voor de aanvang van de objectieve verjaringstermijn.

2.32.

Koninklijke Philips c.s. verwijzen ter onderbouwing nog naar artikel 3:310 lid 1 BW en het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2007 (ECLI:NL:RBROT:BA0926 (CEF/X)) omdat daaruit zou volgen dat de verjaringstermijn ook bij oneerlijke mededinging telkens per afzonderlijke transactie gaat lopen. Dit betreft echter een geval van subjectieve verjaring, niet objectieve verjaring. Verder ziet het vonnis in kwestie op Nederlands (materieel) recht, dat hier niet van toepassing is. Bovendien heeft de rechtbank Amsterdam in het recentere vonnis van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:3166 (CDC/Kemira)) wel het einde van het kartel als uitgangspunt voor aanvang van de objectieve verjaringstermijn genomen.

2.33.

De rechtbank is dan ook van oordeel, op basis van de voor de beoordeling van het preliminaire verjaringsverweer gehanteerde uitgangspunten als hiervoor uiteengezet onder 2.25. en 2.26., dat de objectieve verjaringstermijn pas is gaan lopen vanaf de datum van de beëindiging van de (gestelde) kartels. Dat is op 14 maart 2006 voor het CDT-Kartel en 12 november 2006 voor het CPT-Kartel. De dagvaarding in deze zaak is uitgebracht op 26 november 2014. Op dat moment was de objectieve verjaringstermijn nog niet verstreken.

exceptionele verjaringstermijn

2.34.

De exceptionele verjaringstermijn van acht jaar is niet relevant. Als deze verjaringstermijn moet worden gezien als een subjectieve verjaringstermijn, dan komt de rechtbank aan deze verjaring niet toe omdat al geen sprake is van verjaring op grond van de korte tweejarige subjectieve verjaringstermijn.

2.35.

Als de exceptionele verjaringstermijn moet worden gezien als een objectieve verjaringstermijn, dan speelt die in dit geval ook geen rol. De afwijking van artikel 60 TCO (oud) en artikel 72 TCO (nieuw) houdt in dat de civielrechtelijke verjaringstermijn wordt verlengd indien de verjaringstermijn uit het strafrecht langer is. Dat is in dit geval echter niet aan de orde. De civielrechtelijke objectieve verjaringstermijn bedraagt tien jaar, en is daarmee dus juist langer dan de verjaringstermijn uit de Turkse Law on Misdemeanours.

tot slot

2.36.

LG stelt dat Vestel c.s. niet aan de substantiëringsplicht hebben voldaan. Conform de door de rechtbank gegeven instructies vastgelegd in het proces-verbaal van 28 oktober 2015 dienden Vestel c.s. aan Koninklijke Philips c.s. alle gegevens te verstrekken die in redelijkheid nodig zijn om het beroep op verjaring toe te lichten. De door Vestel c.s. verstrekte informatie voldoet daar niet aan volgens LG.

2.37.

Niet valt in te zien dat voor de beoordeling van het preliminaire verjaringsverweer zoals dat nu aan de orde is, Vestel c.s. meer informatie hadden moeten verstrekken dan zij hebben gedaan. Ook zonder die gegevens is LG in staat gebleken het beroep op verjaring van een uitgebreide onderbouwing te voorzien. Voor wat betreft de subjectieve verjaring spelen gegevens van Vestel c.s. over volumes, prijzen en orders, anders dan LG kennelijk meent, geen enkele rol. Dat geldt ook voor de objectieve verjaring, nu voor de aanvang van daarvan, zoals hiervoor is overwogen, uitsluitend bepalend is de datum waarop aan de inbreuk op het mededingingsrecht een einde is gekomen.

2.38.

Zoals al eerder aangegeven, was de bedoeling van het preliminaire verjaringsverweer om ter beoordeling voor te leggen of de hele procedure strandt op verjaring jegens alle (verschenen) gedaagden. Dat is blijkens het vorenstaande niet het geval. Met partijen is afgesproken dat zij eventuele individuele verjaringsverweren alsnog kunnen aanvoeren. Daarbij zal het in ieder geval niet kunnen gaan om de subjectieve verjaringstermijn. Subjectieve verjaring is hoe dan ook niet aan de orde, voor geen van gedaagden.

2.39.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door Vestel c.s. over wat naar hun inzicht de volgende stap(pen) in de procedure moet(en) zijn. Koninklijke Philips c.s. zullen daarop kunnen reageren. Daarna zal de rechtbank daarover een beslissing geven.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 juli 2018 voor het nemen van een akte door Vestel c.s. over hetgeen is vermeld onder 2.39, waarna Koninklijke Philips c.s. op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kunnen nemen,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. E. Boerwinkel en mr. K.A. Maarschalkerweerd, bijgestaan door mr. J.P.W. Manders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2018.