Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:3073

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-06-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
17_2286
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding PGS 15; onduidelijke last onder dwangsom.

Verweerder heeft beoogd om een last onder dwangsom op te leggen voor elke op dat moment bestaande en toekomstige overtreding van een willekeurig voorschrift uit de PGS 15, waardoor eiseres meteen een dwangsom verbeurt als zij een ander voorschrift van de PGS 15 overtreedt dan de voorschriften van de PGS 15 die zijn opgenomen in het bij het primaire besluit gevoegde “Verslag bestuurlijke hercontrole”. Dit is in strijd met de Awb. De rechtbank herroept de last gedeeltelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2286

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2018 in de zaak tussen

Lakspuiterij De Uitkomst B.V., te Geldrop, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigden] ).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens handelen in strijd met het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (lees: het Activiteitenbesluit milieubeheer) en de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (PGS 15).

Bij besluit van 4 juli 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De uitspraak is enige tijd aangehouden om eiseres in de gelegenheid te stellen aan verweerder aan te tonen dat de inrichting nog steeds in werking is overeenkomstig de voorschriften van de PGS 15, in welk geval verweerder bereid was tot opheffing van de last.

De controle heeft echter niet tot het beoogde resultaat geleid.

Bij brieven van 22 februari 2018 en 12 april 2018 hebben verweerder respectievelijk eiseres toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen.
De rechtbank heeft het onderzoek op 16 april 2018 gesloten.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres, die een industrieel lakspuitbedrijf exploiteert, is op 7 oktober 2017 door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant gecontroleerd op naleving van de milieuregels. Geconstateerd werd dat de Activiteitenregeling milieubeheer niet volledig werd nageleefd, omdat niet werd voldaan aan diverse voorschriften van de PGS 15.
Verweerder heeft eiseres bij brief van 2 november 2016 verzocht dit voor
1 december 2016 op te lossen. Omdat tijdens een hercontrole op 7 december 2016 is geconstateerd dat de opslag van gevaarlijke stoffen nog steeds niet overeenkomstig de PGS 15 plaatsvond, heeft verweerder op 29 december 2016 een voornemen tot handhaving aan eiseres toegezonden. Bij een hercontrole op 13 januari 2017 is geconstateerd dat eiseres onvoldoende maatregelen heeft getroffen. Weliswaar is een aantal tekortkomingen inmiddels ongedaan gemaakt, maar de opslag van gevaarlijke en CMR-stoffen in verpakking vindt niet geheel overeenkomstig de PGS 15 plaats. Bij besluit van 2 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres gelast om dit vóór 13 maart 2017 op te lossen (en opgelost te houden), anders verbeurt zij een dwangsom van € 4.000,- per geconstateerde overtreding/per dag, met een maximum van € 24.000,-. Bij een hercontrole op 13 maart 2017 is gebleken dat er geheel werd voldaan aan de lastgeving. Bij besluit op bezwaar van 2 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
Intrekking last

2. Eiseres stelt dat zij vóór het verstrijken van de begunstigingstermijn alle in het primaire besluit genoemde overtredingen had beëindigd en dat in de periode tussen de hercontrole op 13 maart 2017 en het nemen van het bestreden besluit geen nieuwe of herhaalde overtredingen zijn vastgesteld. Voor het opleggen van een preventieve last onder dwangsom bestond geen grond. Verweerder was daarom niet langer bevoegd handhavingsmaatregelen te treffen, zodat verweerder de last onder dwangsom bij het bestreden besluit had moeten intrekken.

3.
De rechtbank stelt vast dat met de oplegging van de last onder dwangsom is beoogd om de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden. Verweerder heeft geen preventieve last onder dwangsom opgelegd.
Niet in geschil is dat op het moment dat het primaire besluit werd genomen sprake was van overtredingen, zodat verweerder bevoegd was tot handhavend optreden. De enkele omstandigheid dat de overtredingen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit waren beëindigd, wat erop neerkomt dat gevolg is gegeven aan het handhavingsbesluit, is geen reden voor herroeping van dat besluit. Daarmee zou het doel van de last onder dwangsom, die erop is gericht de overtreder ertoe te bewegen zelf een einde te maken aan de illegale situatie binnen een bepaalde termijn, immers teniet worden gedaan. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:610. Evenmin behoeft vast te staan dat er opnieuw overtredingen zullen plaatsvinden om een last onder dwangsom in bezwaar in stand te laten. De stelling van eiseres dat verweerder met het primaire besluit niet zou hebben beoogd om een herhaling van de overtreding(en) te voorkomen deelt de rechtbank niet. In het primaire besluit wordt duidelijk vermeld dat een dwangsom wordt verbeurd als eiseres op of na 13 maart 2017 niet tijdig of niet volledig voldoet en blijft voldoen.
Ook het feit dat eiseres vóór het nemen van het primaire besluit stappen had gezet om een einde te maken aan één van de gestelde overtredingen en dit aan verweerder had meegedeeld, maakt niet dat verweerder geen last onder dwangsom had mogen opleggen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat bij eerdere controles al is meegedeeld door verweerder wat de gebreken waren, de geconstateerde overtredingen nogbestonden op het moment van het nemen van het primaire besluit, het meerdere overtredingen betrof en aannemelijk is geworden dat de begunstigingstermijn voldoende ruim was om de overtredingen te kunnen beëindigen zonder verbeuring van een dwangsom. Deze grond slaagt niet.

Onduidelijke last

4. Eiseres stelt dat zij bij handhaving van het bestreden besluit het risico loopt dat bij elke toekomstige overtreding, hoe klein ook, verweerder overgaat tot invordering van een verbeurde dwangsom. In tegenstelling tot andere, vergelijkbare bedrijven heeft zij na vaststelling van een overtreding dan niet meer de gelegenheid om de overtreding ongedaan te maken zonder dat zij een dwangsom verbeurt.

5.
Verweerder heeft hierover gesteld dat hij de last onder dwangsom bewust algemeen heeft gehouden, omdat het gaat om ‘good housekeeping’ en om dynamische processen. Het bedrijf is zelf verantwoordelijk voor het oplossen van de tekortkomingen, ook al zijn die niet in alle details genoemd. Volgens verweerder is het lastig om de precieze overtreding van de PGS 15 aan te geven, men moet zich aan dit document houden. Een professionele ondernemer kan volgens verweerder hiermee uit de voeten.

6.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 20 april 2018
(ECLI:NL:RVS:2018:1316), vereist het rechtszekerheidsbeginsel dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd dient te worden dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.

7.
Uit de last onder dwangsom, zoals opgenomen in het primaire besluit, blijkt niet duidelijk of deze ziet op elke mogelijke (toekomstige) overtreding van een willekeurig voorschrift uit de PGS 15 of alleen op de voorschriften van de PGS 15 zoals die zijn opgenomen in het ‘Verslag bestuurlijke hercontrole’ die als bijlage bij het primaire besluit is gevoegd.
Uit het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat verweerder heeft beoogd om een last onder dwangsom op te leggen voor elke op dat moment bestaande en toekomstige overtreding van een willekeurig voorschrift uit de PGS 15. Dit zou betekenen dat eiseres meteen een dwangsom verbeurt indien zij een ander voorschrift van de PGS 15 overtreedt dan de voorschriften van de PGS 15 zoals die zijn opgenomen in genoemd ‘Verslag bestuurlijke hercontrole’. Dit is in strijd met artikel 5:31d en artikel 5:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat ervan uitgaat dat een last onder dwangsom alleen kan worden opgelegd indien sprake is van een overtreding of van een overtreding die klaarblijkelijk dreigt, waarvan in dit geval geen sprake was. Bovendien is het in strijd met artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb, omdat eiseres dan niet meer de gelegenheid heeft om de (nieuwe) overtreding ongedaan te maken zonder verbeuring van een dwangsom. Deze beroepsgrond slaagt.

8. De overige gronden behoeven hierom geen bespreking.

9.
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen, voor zover het betrekking heeft op andere voorschriften van de PGS 15 dan de voorschriften die zijn opgenomen in het ‘Verslag bestuurlijke hercontrole’ die als bijlage bij het primaire besluit is gevoegd.

10.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseresgemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 501,- en een wegingsfactor 1). Verder bestaat aanleiding de door eiseres genoemde reis- en verblijfkosten van € 16,22 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover het betrekking heeft op andere voorschriften van de PGS 15 dan de voorschriften die zijn opgenomen in het ‘Verslag bestuurlijke hercontrole’ die als bijlage bij het primaire besluit is gevoegd;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
    € 2.020,22.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. M.J.H.M Verhoeven en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.