Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2698

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
C/01/322540 / HA ZA 17-420
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Zorgplicht Waterschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/322540 / HA ZA 17-420

Vonnis van 30 mei 2018

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.M.M. Menu te Tilburg,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

WATERSCHAP DE DOMMEL,

zetelend te Boxtel,

gedaagde,

advocaat mr. R.M. Pieterse te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en WDD genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 oktober 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 maart 2018 in deze zaak en in zes andere zaken

  • -

    de faxberichten van 14 mei 2018 van mrs. Menu en Teerink en mr. Pieterse (mede namens mr. Jacobse) waarin zij hun opmerkingen naar aanleiding van het (buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte) proces-verbaal kenbaar maken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.2.

Het beheersgebied van WDD telt 840.000 ingelanden. In het beheersgebied bevinden zich ongeveer 30.000 km aan watergangen in beheer en ongeveer 2.350 km aan watergangen in onderhoud.

In het beheersgebied bevinden zich 44 waterbeheersingsgemalen, 976 stuwen, bodemvallen etc. WDD is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van A-watergangen in zijn beheersgebied. B-watergangen zijn de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de aangrenzende percelen.

2.3.

[eiseres] exploiteert een gemengd landbouwbedrijf. Het bedrijf is 115 ha groot en bestaat uit een melkveehouderij met een veestapel van 300 melkkoeien en 200 stuks jongvee en een akkerbouwbedrijf.

Op het perceel, kadastraal bekend [kadastraal nummer] (hierna ook perceel A te noemen), teelt [eiseres] suikerbieten. Op het perceel, kadastraal bekend [kadastraal nummer] (hierna ook perceel B te noemen), teelt [eiseres] gras evenals op de percelen kadastraal bekend [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] (hierna gezamenlijk ook percelen D te noemen) en op de percelen rondom het kasteel Heeze, kadastraal bekend [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] (hierna gezamenlijk ook percelen C te noemen). Op de percelen, kadastraal bekend [kadastraal nummer] , [kadastraal nummer] en [kadastraal nummer] (hierna gezamenlijk ook percelen E te noemen), teelt [eiseres] maïs.

Perceel A en percelen D bevinden zich niet in de nabijheid van watergangen die in beheer zijn bij WDD. De in de nabijheid gelegen B-watergangen staan benedenstrooms in verbinding met de A-watergangen GA75 en GA77 die in beheer zijn bij WDD. Perceel B grenst met de noordwestelijke zijde aan de Groote Aa (GA1), een A-watergang in beheer bij WDD. De percelen C liggen in een beekdal dat als natuurlijk overstromingsgebied is aangemerkt in het stroomgebied van de Groote Aa en de Kleine Dommel (KD1). De percelen E liggen in het stroomgebied van de Groote Aa, naast de watergang GA78.

2.4.

In de periode van eind mei tot 1 juli 2016 is er in Oost-Brabant heel veel neerslag gevallen. Op veel plaatsen in het beheersgebied van WDD vielen in die periode kort na elkaar opeenvolgende, zware (onweers)buien. Op veel plaatsen in het beheersgebied van WDD viel in die periode meer dan 200 mm en soms wel 300 mm neerslag, terwijl het gemiddelde van het in de nabijheid van de percelen gelegen neerslagstation Leende voor de hele maand juni 66,6 mm bedraagt.
In de omgeving van de percelen van [eiseres] is ook veel neerslag gevallen. Op 1 en 2 juni 2016 was sprake van extreme neerslaghoeveelheden en op 23 juni 2016 trokken opnieuw zware onweersbuien over het gebied waar de percelen van [eiseres] liggen. De herhalingskans van de buien lag tussen de T=5 (eens in de 5 jaar) en T=20 (eens in de 20 jaar). Neerslagstation Leende registreerde op 23 juni 2016 een neerslaghoeveelheid van 32,8 mm.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - een verklaring voor recht dat WDD jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat WDD zijn wettelijke onderhouds- en beheersverplichtingen niet tijdig en niet deugdelijk is nagekomen, waardoor wateroverlast in 2016 is ontstaan, alsmede dat WDD aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade, met veroordeling van WDD tot vergoeding van die schade op te maken bij staat, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

WDD voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat WDD zijn zorgplicht heeft geschonden door niet tijdig en/of onvoldoende maatregelen te treffen ter voorkoming en beperking van de wateroverlast en de daardoor ontstane schade. Zij stelt dat haar percelen in juni 2016, met name op 1 en 23 juni 2016, (deels) onder water zijn komen te staan, waardoor de gewassen en het grasland schade hebben geleden. Onder verwijzing naar het deskundigenrapport van ing. P.J.A. Wilders van Agro Expertise (hierna: Agro) van 30 september 2016 en het aanvullend rapport van Agro van 27 februari 2018 stelt [eiseres] dat WDD zijn zorgplicht heeft geschonden door:

  1. niet te voldoen aan de NBW-normen

  2. geen actie te ondernemen naar aanleiding van de melding code oranje van het KNMI

  3. onvoldoende schonen van de (grond langs de) beek waardoor er zand en bomen in de beek terecht zijn gekomen

  4. het aanpassen en handhaven van duikers die de waterdoorgangen te veel verkleinen

  5. het onvoldoende en niet tijdig naar beneden laten van de stuwen

  6. het onvoldoende opschonen, maaien en onderhouden van de watergangen.

Op de zitting heeft de heer [naam vennoot] (vennoot van [eiseres] ) voorts verklaard dat, zo begrijpt de rechtbank, het gebied waarin de percelen van [eiseres] nabij het kasteel liggen, de graslandpercelen C, zijn gebruikt als waterberging om Eindhoven en Geldrop te ontlasten.

De rechtbank zal dit punt hierna bespreken als:

percelen van [eiseres] te gebruiken als waterberging.

4.2.

WDD bestrijdt dat hij niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Bovendien ontbreekt volgens WDD het causaal verband tussen de gestelde schending van de zorgplicht en de schade. Volgens WDD heeft de extreme neerslag in juni 2016 de wateroverlast bij [eiseres] veroorzaakt. Daarnaast heeft [eiseres] volgens WDD te laat geklaagd, is sprake van rechtsverwerking en eigen schuld. Ter ondersteuning van zijn verweren heeft WDD een deskundigenrapport overgelegd van ing. J.J. Velthuijs van Lemkes & Velthuijs BV (hierna: Velthuijs) van 6 september 2017.

4.3.

Het geschil spitst zich ten eerste toe op de vraag of WDD tegenover [eiseres] is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als waterbeheerder.

4.4.

Bij de beantwoording van die vraag stelt de rechtbank het volgende voorop.

Op grond van artikel 1 lid 1 van de Waterschapswet heeft een waterschap de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel. Artikel 1 lid 2 van de Waterschapswet draagt waterschappen onder meer de zorg voor het watersysteem op. Het watersysteem is een samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken (art. 1.1. Waterwet). Bij de uitoefening van zijn taken moet het waterschap rekening houden met verschillende waterstaatkundige belangen. [eiseres] geeft die belangen te beperkt weer. Zij stelt dat waterschappen de stand van het oppervlaktewater en grondwater moeten beheren, opdat de ingelanden geen schade zullen ondervinden van een overmatige toevloed van hemel- of oppervlaktewater of door uitdroging van landbouwgronden. Waterschappen moeten echter meer belangen in aanmerking nemen. Gelet op artikel 2.1. van de Waterwet is het waterbeheer gericht op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

4.5.

De rechtbank zal hierna op de afzonderlijke stellingen ingaan.

Ad. a. schending van de normen voor wateroverlast

4.6.

[eiseres] stelt zich kennelijk op het standpunt dat de waterhuishouding in het werkgebied van WDD niet voldoet aan de normen opgenomen in de NBW-richtlijn.

4.7.

WDD stelt, onder verwijzing naar het rapport van Velthuijs, dat ten aanzien van de verschillende (clusters van) percelen van [eiseres] verschillende beschermingsnormen gelden en op sommige (delen van) percelen geen normen van toepassing zijn. Voor zover de normen van toepassing zijn op de (clusters van) percelen van [eiseres] , werd en wordt daaraan voldaan.

4.8.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De zorgplicht van een waterschap wordt ingekaderd door wettelijke normen voor wateroverlast. De normen (door partijen aangeduid als NBW-normen) drukken de hoogst toelaatbare kans op overstroming uit.

4.9.

Op grond van artikel 2.8. van de Waterwet worden bij provinciale verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, normen gesteld met betrekking tot de gemiddelde kans op overstroming van daarbij aangewezen gebieden. Uit de toelichting op deze bepaling blijkt dat deze normen de voor de verschillende vormen van landgebruik hoogst toelaatbare kans op overstroming uitdrukken. Het gaat om het gewenste beschermingsniveau. Uit het gewenste beschermingsniveau worden dimensionering, inrichting en het beheer van het watersysteem afgeleid. Ook worden daar de maatregelen uit afgeleid die moeten worden genomen om het watersysteem aan de norm te laten voldoen (Kamerstukken II 2006/07, 30818, nr. 3, p.93).

4.10.

De normen voor wateroverlast zijn vastgelegd in artikel 2.3. van de Verordening water Noord-Brabant (hierna: de Verordening) en de daarbij behorende bijlage II. Op grond van artikel 2.3 lid 2, aanhef en onder c en d, van de Verordening geldt buiten de bebouwde kom van een gemeente als norm een overstromingskans van 1x per 25 per jaar voor akkerbouw en 1x per 10 jaar voor grasland.

In lid 4 van artikel 2.3 van de Verordening is bepaald dat buiten de bebouwde kom aan sommige gebieden, aangegeven op bijlage II bij de Verordening, geen norm gekoppeld wordt, dan wel een hogere of een lagere norm.

In de toelichting op de Verordening (Provinciaal Blad, 2009, 230) staat dat voor (natuurlijke beekdalen en natuurgebieden geen norm geldt. Het betreft gebieden die behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Daarnaast geldt het zogenaamde maaiveldcriterium. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied niet aan de norm hoeft te voldoen. Voor grasland is dat 5%, voor akkerbouw 1% en voor bebouwd gebied 0%, aldus de toelichting op de Verordening.

4.11.

WDD heeft gesteld dat ten aanzien van percelen A en E de norm 1/25 geldt, voor de percelen B deels geen beschermingsnorm geldt en voor het andere deel een norm geldt van 1/10, voor de percelen C geen norm geldt en voor de percelen D een norm van 1/10 geldt. Dat is door [eiseres] niet weersproken. WDD heeft voorts ook onweersproken gesteld dat uit de uitkomsten van de watersysteemtoets van 2013 afgeleid kan worden dat de percelen van [eiseres] , voor zover daarvoor een norm geldt, daaraan voldeden. De rechtbank gaat daar ook vanuit.

4.12.

[eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat het watersysteem in 2016 niet meer aan de norm voldeed. Dat, zoals in het aanvullend rapport van Agro wordt opgemerkt, de percelen alleen al in juni 2016 twee keer onder water zijn komen te staan (op 1 en 23 juni), is daarvoor onvoldoende. De wateroverlastnormen drukken de hoogst toelaatbare kans op overstroming uit. In deze zaak gaat het om de kans dat er een overstroming optreedt bij een situatie die zich statistisch gezien eens in de 10 (percelen B (deels) en D), respectievelijk 25 jaar (percelen A en E) voordoet. In het gebied waarin de percelen van [eiseres] zich bevinden, was in de periode van 31 mei tot en met 3 juni 2016 sprake van neerslag die statistisch gezien eens in de 25 tot 100 jaar voorkomt. In en om Heeze heeft het binnen een etmaal (23 op 24 juni) 40 tot 100 mm geregend, terwijl het gemiddelde van het naburige weerstation Leende voor de hele maand juni 66,6 mm is. WDD heeft onweersproken gesteld dat de grond/percelen van [eiseres] door de hevige neerslaggebeurtenissen dermate verzadigd zijn geraakt dat de opname van water sterk werd beperkt. De gestelde omstandigheid dat de percelen in juni 2016 twee keer onder water zijn komen te staan, leidt in de gegeven omstandigheden niet tot de conclusie dat sprake zou zijn van schending van de normen van wateroverlast. In zoverre heeft [eiseres] niet aan haar stelplicht voldaan.

4.13.

Agro verwijst in zijn rapporten nog naar een afvoernorm van 14 mm per etmaal, welke opgenomen zou zijn in het Cultuurtechnisch Vademecum. Uit het in rechtsoverweging 4.9 en 4.10. opgenomen toetsingskader volgt echter niet dat die norm nog naast de in de Verordening vastgelegde normen afzonderlijk van toepassing is. Bovendien heeft Agro niet gesteld dat aan die norm niet voldaan is. De verwijzing van Agro leidt dus niet tot een ander oordeel.

4.14.

De stelling dat niet is voldaan aan de normen voor wateroverlast (de NBW-normen) mist daarom een voldoende feitelijke grondslag.

Ad. b. geen actie ondernemen naar aanleiding van de melding code oranje van het KNMI

4.15.

[eiseres] stelt dat WDD tijdig actie had moeten ondernemen naar aanleiding van de melding (code oranje) van het KNMI. Als WDD dat gedaan had zou het onder water lopen van een groot gedeelte van de percelen van [eiseres] beperkt zijn gebleven en de schade niet zijn geleden althans verwaarloosbaar zijn geweest.

4.16.

WDD stelt zich op het standpunt dat niet van hem verwacht mag en kan worden dat hij naar aanleiding van elke waarschuwing van het KNMI actie onderneemt. Ter toelichting voert WDD aan dat de weerswaarschuwingen van het KNMI betrekking hebben op een provincie of groter deel van het land en extreme neerslag juist zeer lokaal voorkomt. Bovendien krijgt WDD de weerswaarschuwingen pas 24 uur (code oranje) of 12 uur (code rood) van te voren. Anticiperend handelen is niet eenvoudig en vaak ook onwenselijk, gelet op het korte tijdsbestek van de waarschuwingen, de onnauwkeurigheid daarvan, de tijd die de maatregelen vergen en de potentiële kans op schade als de neerslag elders valt of in veel mindere hoeveelheden.

4.17.

Ook deze stelling van [eiseres] slaagt niet

Door [eiseres] is niet aangegeven wanneer de weerswaarschuwing (code oranje) voor het gebied waarin haar percelen zijn gelegen door het KNMI is afgegeven. Door mrs. Menu en Teerink is op de zitting (spreekaantekeningen punt 13) in zijn algemeenheid gesteld dat het KNMI waarschuwingen heeft gegeven voor Noord-Brabant op 30 mei 2016 en 2 juni 2016 en voor Limburg op 30 mei 2016, 2 juni 2016 en 7 juni 2016. Ook heeft [eiseres] niet aangegeven welke (concrete) maatregelen WDD, rekening houdend met alle bij het waterbeheer betrokken belangen, had moeten nemen. Ook als het KNMI inderdaad kort voor de wateroverlast een waarschuwing heeft afgegeven voor het betreffende gebied, is dan ook, gelet op de door WDD gegeven toelichting, onvoldoende onderbouwd dat WDD heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht door geen of onvoldoende maatregelen te nemen.

Ad c. onvoldoende schonen van de (grond langs de) beek waardoor er zand en bomen in de beek terecht zijn gekomen

4.18.

[eiseres] stelt dat de grond langs de beek was ingestort en de beek was ingespoeld, waardoor er ook bomen in de beek zijn gevallen. De rechtbank begrijpt, gelet op het gestelde in punt 8 van de dagvaarding, dat [eiseres] doelt op de beek bij zijn graslandpercelen C.

4.19.

WDD betwist dat dit het geval was en stelt dat de juistheid daarvan (door Velthuijs) ook niet gecontroleerd kon worden omdat [eiseres] de locatie waar de grond zou zijn ingestort niet nader heeft aangeduid. Daarnaast wijst WDD er op dat hiervan ook geen melding is gemaakt in het verslag van het huisbezoek (prod. 8 bij dagvaarding).

4.20.

[eiseres] heeft haar stelling niet nader toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het verweer van WDD, niet vast staat dat er sprake was van ingestorte grond en bomen in de beek. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat dit zou zijn veroorzaakt door onvoldoende schonen of onderhoud van de beek. Velthuijs vermeldt in zijn rapport dat, als er sprake is geweest van een ingestort oevertalud, het aannemelijk is dat dit het gevolg is geweest van hoge waterstanden en piekafvoeren en niet van onvoldoende onderhoud. Voor zover [eiseres] van mening was dat WDD herstelwerkzaamheden moest verrichten, had het op zijn weg gelegen om het instorten van grond langs de beek bij WDD te melden. WDD heeft echter onweersproken gesteld dat zij voorafgaand of tijdens de hoogwaterperiode (mei/juni 2016) geen melding van [eiseres] heeft ontvangen. De stelling van [eiseres] dat in dit opzicht sprake is van verwijtbaar handelen van WDD moet bij gebreke van een genoegzaam gestelde feitelijke grondslag worden verworpen.

Ad. d. het aanpassen en handhaven van duikers die de waterdoorgangen te veel verkleinen

4.21.

In punt 6 van de dagvaarding stelt [eiseres] dat duikers in de watergangen bij zijn percelen A en D zodanig zijn aangepast dat de waterdoorgang bewust verkleind is, waardoor het water onvoldoende door liep.

4.22.

WDD stelt zich (in de conclusie van antwoord) op het standpunt dat de percelen A en D zijn gelegen aan B-watergangen die, evenals de duikers in die watergangen, niet bij WDD in beheer zijn. Dat staat ook vermeld in het rapport van Velthuijs.

4.23.

Op de zitting is door de heer [naam vennoot] (vennoot van [eiseres] ) toegelicht dat een duiker minder functioneel is gemaakt door er een schot voor te zetten. Van de zijde van WDD (de heer [naam werknemer WDD] ) is daarop verklaard dat de watergang waar die bedoelde duiker zich bevindt wél in beheer is bij WDD en dat het schot onderdeel is van de constructie en dient als zandvanger.

4.24.

Gelet op het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank ervan uit dat de stelling van [eiseres] alleen betrekking heeft op de duiker waarover op de zitting is gesproken. Dat er nog andere watergangen (en duikers) zijn die wel in beheer zijn bij WDD waarop deze stelling betrekking heeft, is niet gebleken.

Maar die stelling wordt gepasseerd. Dat de duiker constructief niet in orde is, is niet -voldoende onderbouwd- gesteld en ook is niet gereageerd op de door WDD genoemde functie van het schot. Alleen daarom al is het verwijt aan WDD niet terecht. De rechtbank voegt hieraan toe dat er, gelet op de omstandigheid dat sprake was van extreem veel neerslag, onvoldoende reden is om aan te nemen dat de wateroverlast (op de percelen A en D), (mede) is veroorzaakt door het schot in de duiker.

Ad. e. het onvoldoende en niet tijdig naar beneden laten van de stuwen

4.25.

WDD betwist dat hij de stuwen onvoldoende (tijdig) naar beneden heeft gedaan. In de conclusie van antwoord heeft hij, onder verwijzing naar het rapport van Velthuijs, de afzonderlijke stuwen besproken.

Ten aanzien van de stuw (GA1-st13) die zich benedenstrooms van graslandperceel B bevindt, stelt WDD dat dit een automatische stuw betreft, die zakt als sprake is van hoogwater en dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Daarnaast stelt WDD dat deze stuw van minimale invloed is geweest op de waterstand in watergang GA1. Dat er in de nabijheid van de graslandpercelen C stuwen zijn die van invloed zijn op die percelen, wordt door WDD betwist. De dichtstbijzijnde stuw bevindt zich benedenstrooms op 1300 meter afstand. Die afstand is, zoals ook door Velthuijs in zijn rapport wordt vermeld, te groot om enig effect te

hebben op de afvoersituatie op de graslandpercelen C van [eiseres] . Dat geldt ook voor de vaste stuw (KD1-dr1) die zich bovenstrooms op een afstand van 4000 meter bevindt.

Met betrekking tot de stuw die zich benedenstrooms van het meest zuidelijk gelegen perceel van de maïspercelen E bevindt (GA78-st1) stelt WDD dat deze niet volledig is platgelegd omdat ter plaatse geen grote overlast werd verwacht en dat hij in de hoogwaterperiode ook geen klachten over deze stuw heeft ontvangen. Bovendien zou verlagen van de stuw ook negatieve effecten elders kunnen veroorzaken. WDD betwist ook dat het verder verlagen van die stuw daadwerkelijk van invloed zou zijn geweest op de afvoercapaciteit.

4.26.

Van de zijde van [eiseres] is daartegen niets ingebracht, noch is haar stelling nader toegelicht. De juistheid van het door WDD ten aanzien van het stuwbeheer gestelde wordt (ook) in het aanvullende rapport van Agro niet betwist. [eiseres] heeft haar stelling dat WDD de stuwen onvoldoende en niet tijdig naar beneden heeft gelaten dan ook onvoldoende onderbouwd. Daarom dient deze stelling verworpen te worden.

Ad. f. het onvoldoende opschonen, maaien en onderhouden van de watergangen

4.27.

[eiseres] stelt dat WDD onvoldoende onderhoud aan de watergangen heeft gepleegd. Dit betreft met name het niet tijdig of te weinig maaien en vegen van de waterlossingen bij de percelen van [eiseres] .

4.28.

WDD stelt dat de percelen A en D niet zijn gelegen aan of nabij een watergang die in beheer en onderhoud is bij WDD. De in de nabijheid van die percelen gelegen watergangen zijn B-watergangen. Deze zijn in beheer en onderhoud bij de gemeente Heeze-Leende en de aangelanden.

In het rapport van Velthuijs wordt vermeld dat de (A-)watergangen in de nabijheid van de percelen B, C en E voorafgaand aan de wateroverlastperiode nog niet gemaaid waren. WDD moet bij zijn maaibeleid rekening houden met de voorkeursperioden die voortvloeien uit de Gedragscode Flora- en Faunawet waterschappen. De watergangen bij de percelen B,C en E staan op de maaikalender voor planperiode 3 (1 juni – 15 juli). Volgens de onderhoudsplanning had WDD dus nog twee weken om de maaiwerkzaamheden uit te voeren. Velthuijs vermeldt in zijn rapport dat er geen aanleiding was om de maaiwerkzaamheden vervroegd uit te voeren.

4.29.

Door [eiseres] is niet betwist dat de watergangen bij de percelen A en D

B-watergangen zijn. In het aanvullend rapport van Agro staat daarover vermeld dat daarnaar geen onderzoek is gedaan. Dat betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat WDD niet verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van die watergangen. Voor zover de stelling van [eiseres] ziet op die watergangen treft deze dus geen doel.

Dat geldt echter ook voor de stelling van [eiseres] ten aanzien van de watergangen bij de percelen B, C en E. Uit het rapport van Velthuijs volgt immers dat er geen reden was om af te wijken van de onderhoudsplanning door eerder te maaien. Dat is door [eiseres] ook niet aangevoerd.

Ad.g. percelen [eiseres] te gebruiken als waterberging

4.30.

De rechtbank begrijpt de verklaring van de heer [naam vennoot] op de zitting aldus dat [eiseres] WDD (ook) verwijt bewust (een deel van) zijn percelen te hebben gebruikt als waterberging om te voorkomen dat er in Eindhoven en Geldrop wateroverlast zou ontstaan, althans om die te beperken.

Waarop [eiseres] dit baseert is niet duidelijk geworden. Met name is niet toegelicht waaruit blijkt of af te leiden valt dat WDD door bepaald handelen of nalaten heeft bewerkstelligd dat het teveel aan water naar (een deel van ) de percelen van [eiseres] is gestroomd, en niet naar Eindhoven en Geldrop.

Uit de verklaringen van de zijde van WDD leidt de rechtbank ook af dat dit wordt betwist.

De rechtbank is van oordeel dat, bij gebreke van enige onderbouwing, ook deze stelling bij gebreke van een voldoende deugdelijke grondslag moet worden verworpen.

Conclusie

4.31.

De rechtbank komt tot de conclusie dat WDD tegenover [eiseres] niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als waterbeheerder. Dat betekent dat WDD alleen al daarom niet aansprakelijk is voor de (gestelde) schade.

4.32.

De rechtbank voegt daaraan toe dat, ook indien één of meer van de stellingen van [eiseres] vast zouden zijn komen te staan en WDD zijn zorgplicht zou hebben geschonden, er onvoldoende grond is voor aansprakelijkheid voor de schade. Vast staat immers dat er in de periode van het schadevoorval sprake was van (zeer) hevige en langdurige regenval en gestegen grondwaterstanden. Uit de stellingen van [eiseres] volgt niet dat dit niet, of in veel mindere mate tot wateroverlast (en schade) had geleid als WDD wel aan zijn zorgplicht had voldaan. Het causaal verband tussen de aan WDD verweten gedragingen en de opgetreden schade is daarmee niet komen vast te staan.

4.33.

De vordering wordt afgewezen. Het overigens nog door WDD aangevoerde behoeft daarom niet besproken te worden.

4.34.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van WDD worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 1.924,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 3.010,00.

4.35.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van WDD tot op heden begroot op € 3.010,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. D.J. Hutten en mr. M.E. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2018.