Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2589

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
01/865116-17
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:610, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet, en terwijl het feit is veroorzaakt of mede veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

Tevens ontzegt de rechtbank verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevoerd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865116-17

Datum uitspraak: 30 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] op [geboortedatum] ,

[adresgegevens]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 mei 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 april 2018. Aan verdachte is een vertaling van de dagvaarding meegezonden.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 september 2017 te [plaats] , [gemeente] , als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straat 1] / [straat 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden terwijl, hij, verdachte, onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, met een gemeten ademalcoholgehalte van 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, in ieder geval onder invloed van alcoholhoudende drank, en/of (daarbij) te rijden met een snelheid waarmee de aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur in ernstige mate werd overschreden, en/of in een voor zijn, verdachtes, rijrichting naar links verlopende bocht, op of nabij het kruisingsvlak met de weg, [naam straat 1] , met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, in elk geval met een gelet op het wegverloop te hoge snelheid, die bocht in te rijden en/of in die bocht rechtdoor te rijden en/of in die bocht de macht over het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig kwijt te raken en/of (vervolgens) (daardoor) tegen de gevel van een in of nabij die kruising [adres 1] gelegen woning te rijden en/of (deels) die woning in te rijden, waardoor een ander (te weten een bewoner van die woning, [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet en/of terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens genoemde wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijswaardering

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat de roekeloosheid van de gedraging niet kan worden vastgesteld, maar dat wel sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat slechts kan worden bewezen verklaard dat verdachte, door onder invloed van alcohol en te hard te rijden, aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend heeft gereden. Van roekeloosheid of zeer onvoorzichtig/onoplettend rijgedrag is geen sprake.

Het oordeel van de rechtbank.

A. De bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 16 mei 2018, inhoudende:

Ik was op 17 september 2017 te [plaats] de bestuurder van het voertuig dat in de bocht de macht over het stuur verloor en daardoor gedeeltelijk een woning is ingereden, ten gevolge waarvan de bewoner is overleden. Ik heb de avond voor en de nacht van het ongeval meerdere alcoholische dranken gedronken, vijf of zes cocktails. Als bijrijdster zat in de auto [naam bijrijdster] . De auto was van haar en ik reed voor het eerst in de auto. Ik vond [naam bijrijdster] leuk en wij waren aan het kletsen, daardoor was ik minder oplettend.

Ik heb niet gekeken hoe hoog de snelheid was voordat ik uit de bocht vloog.

2. Het proces-verbaal rijden onder invloed van de politie Eenheid Oost-Brabant nr. PL2100-2017192778-2 (pagina 52 t/m 56 zaaksdossier), inhoudende de verklaring van de verbalisanten , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Ik. [naam verhoorder] (BZ084019), heb op 17 september 2017 om 08:05 uur, de [verdachte] gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.

Als resultaat van deze test zag ik dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: F.

Op 17 september 2017 om 9.30 uur heeft de verdachte zich onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2, onder a, Wegenverkeerswet 1994.

Het onderzoeksresultaat van de analyse van zijn adem bedroeg 785 µg/l.

3. Het proces-verbaal van verhoor van de politie Eenheid Oost-Brabant nr. PL2100-2017192778-12 (pagina 83 t/m 85 zaaksdossier), inhoudende de verklaring van getuige [naam getuige] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Op 17 september 2017 was ik in mijn woning in [plaats] . Ik hoorde buiten een auto heel hard rijden. Vervolgens hoorde ik direct daar opvolgend twee doffe klappen. Ik zag dat een voertuig bij het [adres 1] de woning was binnengereden. Ik ben de woning binnen gegaan. Ik zag dat [slachtoffer] , woonachtig op [adres 1] ter hoogte van het linkervoorwiel lag. [slachtoffer] lag met zijn hoofd richting de linkervoorzijde van de auto. Ik zag dat [slachtoffer] op een berg stenen lag met zijn bovenlichaam en gezicht. Ik zag dat de benen van [slachtoffer] vrij lagen. Ik ben bij [slachtoffer] gaan zitten en heb zijn hand vastgehouden. Ik zag dat [slachtoffer] probeerde omhoog te komen maar dat lukte hem niet. Ik hoorde dat hij enkele malen zuchtte. Ik hoorde dat [slachtoffer] niets meer kon zeggen maar hij bewoog wel op mijn aanroepen. Ik zag dat [slachtoffer] hier licht op reageerde, maar ik zag wel dat [slachtoffer] zwaar gewond was. Ik vermoed dat [slachtoffer] door de aanrijding is gelanceerd door de auto.

4. Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse van de politie Eenheid Oost-Brabant nr. 2017192778 (als ongenummerde bijlage bij het zaaksdossier, bevattende 16 pagina’s en enkele bijlagen), inhoudende de bevindingen van de verbalisanten, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Op zondag 17 september 2017, omstreeks 07:37 uur kwam er bij de meldkamer Brabant Oost-Brabant de melding binnen dat er op het [adres 1] te [plaats] een verkeersongeval had plaatsgevonden. Een personenauto reed over de [straat 1] , gaande in de richting van [plaats 2] [land] . In de scherpe bocht naar links verloor de bestuurder van de personenauto de controle over zijn voertuig en botste tegen een verkeersdrempel waarop een kunststof pion (een zogenaamd Amsterdammertje) was gemonteerd. De personenauto werd hierdoor gelanceerd en botste tegen de voorgevel van het pand, gelegen aan het

[adres 1] te [plaats] . Achter de voorgevel bevond zich een slaapkamer, alwaar de bewoner van het pand lag te slapen. Door de impact van de botsing werd de bewoner op zijn bed/matras de slaapkamer ingeduwd.

De ter plaatse wettelijk toegestane maximumsnelheid was 50 km/u.

Schouw

De bewoner liep ten gevolge van de botsing zwaar lichamelijk letsel op en overleed later die dag in het [ziekenhuis] te [plaats 3] aan zijn verwondingen.

5. Een rapport van het NFI d.d. 20 april 2017 (als ongenummerde bijlage van het zaaksdossier, bevattende 20 pagina’s), inhoudende als bevindingen van de rapporteur, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Laatste deel van het traject

De resultaten van het onderzoek naar de snelheid van de auto over het laatste deel van het traject, dus op basis van de beelden van het camerasysteem van [adres 2] , volgen hieronder.

In Tabel 3 staan de resultaten vermeld zoals die zijn gevonden op basis van de beelden. Dit zijn de resultaten gemiddeld over de drie onderzoekers. De afstand waarover de snelheden bepaald zijn bedraagt ongeveer 60 meter. In de tabel staat van links naar rechts in de kolommen: cijfer om de rit aan te geven (kolom 1); de gemiddelde snelheid bepaald op basis van de beelden (kolom 2); de werkelijke snelheid zoals die bepaald is met de datalogger (kolom 3); het verschil tussen kolom 2 en kolom 3 (kolom 4). In de onderste rij van de tabel staat de gemiddelde beeldsnelheid die bepaald is voor de auto in de beelden van het incident.

De initiële ongecorrigeerde schatting voor de gereden snelheid van de auto is dus 103,3 km/h. Om een schatting te maken voor de werkelijk gereden snelheid is gekeken naar de systematische en toevallige meetfouten. Het gemiddelde snelheidsverschil tussen de snelheid bepaald in de referentiebeelden en de snelheid vastgelegd door de datalogger in de referentieauto is een maat voor de systematische meetfout. Samen met de variatie van deze snelheidsverschillen (toevallige meetfout) zijn deze gegevens gebruikt om het betrouwbaarheidsinterval te berekenen van de meting aan de beelden van het incident. De methode waarmee de betrouwbaarheidsintervallen berekend zijn, staat beschreven in het artikel “Estimating the speed of a car from video images” van [naam] . Het gemiddelde verschil (systematische meetfout) bedraagt -1,9 km/h (dus een onderschatting van 1,9 km/h) met een standaarddeviatie van 2,3 km/h. De beste schatter voor de snelheid van de auto in de beelden van incident wordt hierdoor 103,3 + 1,9 = 105,2 km/h. Op basis van de variatie van de verschillen en het aantal referentieritten zijn betrouwbaarheidsintervallen berekend voor verschillende

betrouwbaarheidsniveaus. Deze zijn gegeven in Tabel 4.

Alle bovenstaande punten in aanmerking genomen komen de referentiebeelden goed overeen met de beelden van het incident. De berekende betrouwbaarheidsintervallen zijn daarom naar verwachting correcte schattingen voor de werkelijk gereden snelheid van de auto in de beelden van het incident.

In Tabel 4 zijn de betrouwbaarheidsintervallen gegeven voor verschillende betrouwbaarheidsniveaus om de lezer een gevoel te geven wat het gekozen niveau van betrouwbaarheid doet met de breedte van het interval. De grenzen van het 95% betrouwbaarheidsinterval bedragen [100, 111] km/h.

Conclusie

Het onderzoek naar de gemiddelde snelheid van de auto zichtbaar in de camerabeelden [AAGK5873NL] heeft plaatsgevonden op basis van metingen aan de beelden zoals gedefinieerd in Figuur 8 en Figuur 9 van deze rapportage. De beste schatter voor de gemiddelde snelheid van de auto bedraagt 105 km/h. Deze gemiddelde snelheid is bepaald over een afstand van ongeveer 60 meter.

Met een betrouwbaarheid van 95% bedraagt de gemiddelde minimale snelheid van de auto over deze afstand 100 km/h en de gemiddelde maximale snelheid 111 km/h.

6. Het briefverslag overlijden ten gevolge van niet-natuurlijke dood van [schouwarts] d.d. 17 september 2018, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Ten gevolge van het ongeval is betrokkene [slachtoffer] beklemd geraakt. Hierbij werd zijn borstkas ingedrukt, waarbij hij links en rechts een groot aantal ribben gebroken heeft. Tevens is hierdoor een klaplong ontstaan. In deze situatie is waarschijnlijk een ernstig zuurstoftekort ontstaan, wat weer tot een hartstilstand heeft geleid.

Toen de hulpdiensten ter plaatse kwamen, heeft het enige tijd gekost voordat betrokkene uit zijn beknelde situatie bevrijd kon worden. Door het lange zuurstofgebrek is er schade aan de hersenen ontstaan. De schade aan de hersenen kon niet ongedaan gemaakt worden. Hierdoor is betrokkene uiteindelijk overleden.

Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

B. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft, kort samengevat, aangevoerd dat onbekend is gebleven hoe hard verdachte precies heeft gereden. Uit het NFI-rapport d.d. 20 april 2017 blijkt niet waarom aansluiting is gezocht bij referentierit 8. Mogelijkerwijs heeft verdachte harder gereden dan 70 km/u, maar dat valt niet met zekerheid te zeggen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de roekeloosheid van de gedraging niet bewezen kan worden verklaard. De rechtbank wenst daarbij voor een goed begrip te benadrukken dat de betekenis van het juridische begrip ‘roekeloosheid’ afwijkt van hetgeen daarmee bedoeld wordt in het gewone spraakgebruik. Met het juridische begrip ‘roekeloosheid’ wordt bedoeld de zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm, waarvan slechts sprake kan zijn indien door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de hier bedoelde juridische betekenis van het woord is geen sprake. De rechtbank kan bepaald niet uitsluiten dat het verkeersgedrag van verdachte in het gewone spraakgebruik wel als roekeloos zou worden aangeduid.

De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de verdediging, van oordeel dat wel sprake is van ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend’ rijgedrag. Deze onvoorzichtigheid en onoplettendheid blijken uit de navolgende factoren.

Verdachte was onder invloed van veel meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol (785 µg/l, waar de wettelijke limiet voor een ervaren bestuurder 220 µ/l bedraagt) en hij reed met een veel hogere snelheid (ten minste 100 km/u) dan plaatselijk was toegestaan (50 km/u). Daarnaast heeft verdachte op de terechtzitting verklaard dat hij voor het eerst in de betreffende auto reed en dat hij aan het kletsen was met zijn bijrijdster, waardoor hij minder oplettend was.

Gereden snelheid.

Uit het NFI-rapport d.d. 20 april 2017 onder 6.2.7 kan, anders dan de raadsman veronderstelt, niet worden afgeleid dat de onderzoekers voor het baseren van de snelheid enkel aansluiting hebben gezocht bij referentierit 8.

De onderzoekers hebben zich gebaseerd op de werkelijke snelheid zoals die kan worden afgeleid uit de beelden van het incident (103,3 km/u).

Vervolgens is van de in totaal negen referentieritten de gemiddelde berekende beeldsnelheid vergeleken met de werkelijk gereden snelheid, zodat het gemiddelde snelheidsverschil tussen de snelheid bepaald in de referentiebeelden en de snelheid vastgelegd door de datalogger in de referentieauto een maat is voor de systematische meetfout. Op basis van de variatie van de verschillen en het aantal referentieritten zijn betrouwbaarheidsintervallen berekend voor verschillende betrouwbaarheidsniveaus (tabel 4). Bij een betrouwbaarheidsinterval van 95% bedragen de grenzen 100 km/u (ondergrens) en 111 km/u (bovengrens).

De onderzoekers hebben voor het vaststellen van de betrouwbaarheidsintervallen gebruik gemaakt van negen referentieritten. De rechtbank is niet aannemelijk geworden dat het aantal van negen referentieritten onvoldoende is geweest om de betrouwbaarheidsintervallen te berekenen voor de verschillende betrouwbaarheidsniveaus. Zulks kan in ieder niet worden geconcludeerd op grond van de enkele opmerking in het rapport dat de aangeleverde opnamen niet alle referentieritten bevatten en dat uiteindelijk de opnamen van negen referentieritten zijn veiliggesteld. De rechtbank acht de resultaten van het onderzoek betrouwbaar.

Waar verdachte aanvankelijk heeft aangevoerd dat hij zeker wist ongeveer 70 km/u te hebben gereden, is op de terechzitting gebleken dat hij niet wist met welke snelheid hij gereden heeft voordat hij uit de bocht vloog, omdat hij niet op zijn snelheidsmeter heeft gekeken. Ook de eigen verklaring van verdachte geeft daarom geen aanleiding om aan de resultaten het NFI-onderzoek te twijfelen.

Alcoholademgehalte.

Ter terechtzitting heeft verdachte voorts verklaard dat hij de avond en nacht voor het ongeval vijf of zes cocktails heeft gedronken, maar dat hij niet wist hoeveel alcohol daarin zat. De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de verklaring van verdachte volgt dat hij zich aldus ervan bewust was dat zijn drankjes alcohol bevatten, maar dat hij toch is gaan autorijden. De omstandigheid dat verdachte het exacte percentage alcohol niet kende, komt voor zijn eigen rekening en risico en doet daarmee niet af aan de mate van schuld die verdachte kan worden verweten.

Gelet op al het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte zich door te rijden onder invloed van, veel, meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol en met een veel hogere snelheid dan plaatselijk was toegestaan en gelet op het wegverloop passend was in een bocht de controle over zijn voertuig heeft verloren en zich aldus zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] werd gedood. De rechtbank overweegt daarbij dat zij voor de bepaling van de mate van schuld ervan uitgaat dat verdachte direct voordat het ongeval plaatsvond heeft gereden met een snelheid van in elk geval 100 kilometer per uur, zijnde de ondergrens van de door het NFI bepaalde snelheid bij een betrouwbaarheidsinterval van 95 procent, zoals hiervoor aangeduid.

C. Conclusie
Het ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, en het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 17 september 2017 te [plaats] , [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straat 1] / [straat 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden terwijl hij, verdachte, onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank met een gemeten ademalcoholgehalte van 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht en daarbij te rijden met een snelheid waarmee de aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur in ernstige mate werd overschreden, en in een voor zijn, verdachtes, rijrichting naar links verlopende bocht, op of nabij het kruisingsvlak met de weg, [naam straat 2] , met een gelet op het wegverloop te hoge snelheid die bocht in te rijden en in die bocht de macht over het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig kwijt te raken en vervolgens daardoor tegen de gevel van een in of nabij die kruising [adres 1] gelegen woning te rijden en deels die woning in te rijden, waardoor een ander (te weten een bewoner van die woning, [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens genoemde wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar geëist.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf te nadelige gevolgen zou hebben voor verdachte. In plaats daarvan dient aan hem een taakstraf te worden opgelegd. Eventueel kan een taakstraf gepaard gaan met een gebiedsverbod voor de omgeving van [plaats] .

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, na een avond stappen, terwijl hij onder invloed was van veel meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met in elk geval 50 kilometer per uur overgeschreden. Vervolgens heeft hij in een bocht de macht over het stuur verloren en is hij gedeeltelijk een woning in gereden. De bewoner is als gevolg van dit ongeval komen te overlijden. Bovendien staat vast dat verdachte in een voor hem onbekende auto reed en dat hij was afgeleid, omdat hij aan het kletsen was met de bijrijdster, een vriendin van hem. Verdachte heeft aldus zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden. Verdachte heeft zich totaal geen rekenschap gegeven van de verantwoordelijkheid die een bestuurder van een motorvoertuig heeft ten opzichte van anderen.

De rechtbank rekent dit verdachte bijzonder zwaar aan. Door zijn handelen heeft verdachte het [slachtoffer] het hoogste goed, namelijk zijn leven, ontnomen en zeer ingrijpend en onherstelbaar leed toegebracht aan diens nabestaanden. Ter terechtzitting is door een nicht van het slachtoffer op indringende wijze verwoord wat dit verlies voor hen en hun omgeving betekent en is uiting gegeven aan hun verdriet.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij ter terechtzitting spijt heeft betuigd aan de nabestaanden. Naar de inschatting van de rechtbank is bij verdachte sprake van oprecht berouw.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit het Europees Strafregisterinformatiesysteem (ECRIS) van 21 maart 2018 en een uittreksel uit het (Nederlands) Justitieel Documentatiesysteem van 9 april 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke of andere strafbare feiten.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Voor het veroorzaken van een verkeersongeval, de dood ten gevolge hebbende, met een alcoholgebruik van 570 µg/l en meer wordt bij een gradatie van ‘ernstige schuld’ een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaar vermeld. Bij de gradatie van ‘zeer hoge mate van schuld’ (dit is geen synoniem voor roekeloosheid) staat bij eenzelfde alcoholgebruik een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaar vermeld. Indien voorts wordt uitgegaan van een ‘zeer hoge mate van schuld’ en een ademalcoholpercentage van minder dan 570 ug/l, luidt het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van drie jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor vier jaar.

De rechtbank acht het door de officier van justitie tot uitgangspunt genomen oriëntatiepunt (het tweede van de drie hiervoor genoemde oriëntatiepunten) onvoldoende passend bij de situatie die hier aan de orde is. Zonder het alcoholgebruik zou immers naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet kunnen worden gesproken van een ‘zeer hoge mate van schuld’, terwijl het alcoholgebruik als zodanig ook nog een (sterke) strafverhogende werking heeft. Aldus dreigt een zekere mate van ‘dubbeltelling’ van de factor alcoholgebruik. De rechtbank acht al met al de hiervoor als eerste en derde genoemde oriëntatiepunten meer passend bij de situatie die hier aan de orde is.

De rechtbank acht voorts geen feiten en omstandigheden aanwezig die grond geven voor het ten nadele van verdachte afwijken van de door de rechtbank als meest passend bevonden twee oriëntatiepunten. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank hier in enige mate mee het oprechte berouw dat verdachte heeft getoond.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd en/of ingehouden is geweest. De rechtbank hecht er daarbij aan nog op te merken dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet loopt gedurende de tijd dat verdachte rechtens van zijn vrijheid is beroofd.

Anders dan door de verdediging is bepleit, acht de rechtbank een andere of lichtere straf dan voormeld, gelet op de aard en ernst van hetgeen is bewezen verklaard en met name op de fatale gevolgen van het rijgedrag van verdachte, niet op haar plaats.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

6, 175 en 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongevalbetreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet, en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen:

gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. Kraniotis, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. T. van de Woestijne, leden,

in tegenwoordigheid van G. van de Luijtgaarden, griffier,

en is uitgesproken op 30 mei 2018.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.