Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2572

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
17_1909EINDUITSPRAAK
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Dat eiser niet beperkt is wat betreft ‘inzicht in eigen kunnen’ heeft verweerder, ook nadat hij daartoe gelegenheid heeft gehad, niet aannemelijk gemaakt. Eiser moet daarom beperkt worden geacht op dit punt. Naar het oordeel van de rechtbank is de medische grondslag van het bestreden besluit dan ook onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1909 einduitspraak na tussenuitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.W.G. Bombeeck).

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 23 februari 2018 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit gebrekkig tot stand is gekomen en heeft zij verweerder in de gelegenheid gesteld het in de tussenuitspraak vermelde gebrek te herstellen.

Op 27 maart 2018 heeft verweerder een nadere reactie ingediend, met daarbij een rapport van de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B) van 23 februari 2018.

Op 23 april 2018 is hierop namens eiser gereageerd.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In haar tussenuitspraak van 23 februari 2018 heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Anders oordeelt de rechtbank ten aanzien van het ziekte-inzicht van eiser. Uit de brief van Brands van 4 juli 2017 komt naar voren dat bij eiser sprake is van een gebrek aan ziekte-inzicht en de inschatting van eigen functioneren inadequaat is. De verzekeringsarts B&B heeft geoordeeld dat eiser met name na datum in geding een verminderd ziekte-inzicht lijkt te vertonen. Dit oordeel correspondeert naar het oordeel van de rechtbank niet met de stukken. Hetgeen Brands in de brief van 4 juli 2017 stelt ten aanzien van het ziekte-inzicht van eiser komt overeen met de informatie van Brands in de brief van 8 april 2016, te weten dat eiser slechts beperkt inzicht heeft in de aanwezige beperkingen en dat hij onvoldoende opmerkt dat iets verkeerd loopt. Dit komt ook overeen met de brief van de jobcoach van 26 oktober 2016, waarin wordt aangegeven dat sprake is van een beperkt ziekte-inzicht. Hierdoor kan hij zijn capaciteiten ten aanzien van taken en resultaten niet goed inschatten. Deze informatie van de jobcoach was bekend bij de primaire verzekeringsarts, maar ook zij heeft niet gemotiveerd waarom geen beperking is aangenomen wat betreft ‘inzicht in eigen kunnen’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

2. Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een nadere reactie van de verzekeringsarts B&B overgelegd. Deze geeft aan dat de jobcoach op 26 oktober 2016 weliswaar aangeeft dat bij eiser sprake is van een beperkt ziekte-inzicht, waardoor eiser zijn capaciteiten ten aanzien van taken en resultaten niet goed kan inschatten, maar tijdens het uitvoeren van taken blijkt dat eenvoudige voorgestructureerde administratieve taken wel lukken. Dit komt ook naar voren in de rapportage van Ergatis van 19 mei 2016, waaruit blijkt dat de prestaties van eiser duidelijk verminderd zijn en dat deze vermindering voor het grootste gedeelte te verklaren is door een algehele afname van de conditie. Er is sprake van een verminderde cognitieve flexibiliteit en een vertraagd tempo van informatieverwerking. Eiser functioneert hiermee toch nog op een normaal niveau. Dit komt ook overeen met de bevindingen tijdens het onderzoek door de primaire verzekeringsarts, die noteert dat eiser tijdens het onderzoek op adequate wijze reageert. Ook zijn er ten aanzien van aandacht, concentratie en overige cognitieve functies tijdens het gesprek geen bijzonderheden waarneembaar. Voor het opleggen van beperkingen in rubriek 1.4 ‘inzicht in eigen kunnen’, moet er eerst sprake zijn van een ernstige (psychiatrische of neurologische) aandoening. Daar kan bij een cognitief functioneren op een normaal niveau geen sprake van zijn. Ook uit de informatie van de revalidatiearts C.P. Pijlman van 11 augustus 2015 blijkt dat de planningsvaardigheden en doelgericht handelen van eiser adequaat zijn. Er wordt wel een neiging beschreven om te bagatelliseren of zich beter voor te doen dan hij daadwerkelijk functioneert, maar er is geen sprake van dat hij meestal op ernstige wijze de eigen beperkingen overschat. Er is geen sprake van een situatie dat eiser wel of niet een actie start, of wel of niet een actie voortzet. Er zijn weliswaar problemen met het inzicht in eigen kunnen, maar deze zijn op datum in geding niet dusdanig ernstig dat deze tot een beperking in rubriek 1.4 van de FML leiden.

3. Namens eiser is naar voren gebracht dat wel sprake is van een ernstige neurologische aandoening. Er is sprake van frontobasaal letsel links, hetgeen op grond van de Basisadministratie CBBS valt onder een ernstige stoornis. Volgens het CBBS is ‘inzicht in eigen kunnen’ het zich bewust zijn van de reële eigen mogelijkheden tot functioneren. Nu de verzekeringsarts B&B concludeert dat eiser problemen heeft met het inzicht in eigen kunnen, dient de conclusie te zijn dat hij op dit punt beperkt is. Verwezen wordt naar de brief van revalidatiearts Brands van 8 april 2016 waarin staat: “Patiënt heeft slechts beperkt inzicht in aanwezige beperkingen. In het uitvoeren van handelingen gaat veel mis. Patiënt merkt ook onvoldoende op dat iets verkeerd loopt ….Patiënt verliest zeer snel het overzicht.” Ook wordt verwezen naar de brief van Brands van 4 juli 2017, waarin staat: “Patiënt is snel het overzicht kwijt waardoor hij in paniek raakt hetgeen kan leiden tot denk- en doemscenario’s en waanachtige paranoïde gedachten. In het uitvoeren van handelingen is er sprake van een gebrekkige initiatiefname. Patiënt is niet in staat om handelingsplannen te gebruiken ter verbetering van executief functioneren. …waarbij patiënt geen inzicht vertoonde in eigen functioneren. Bij patiënt is er een compleet gebrek aan ziekte-inzicht. Inschatting van eigen functioneren is inadequaat.”

De conclusies van de revalidatiearts zien volgens eiser op de datum in geding, aangezien de conclusies die reeds in 2016 en zelfs in 2015 werden getrokken op deze punten opnieuw bevestigd worden in de brief van juli 2017.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. De conclusie van Brands in de brieven van 8 april 2016 en 4 juli 2017, welke ondersteuning vindt in de brief van de jobcoach van 26 oktober 2016, dat bij eiser sprake is van een beperkt inzicht in de eigen beperkingen en dat hij onvoldoende opmerkt als iets misloopt wordt naar het oordeel van de rechtbank niet weerlegd door de rapportage van Ergatis van 19 mei 2016 of de informatie van Pijlman van 11 augustus 2015. Overigens merkt de rechtbank op dat verweerder zelf erkent dat bij eiser sprake is van problemen met het inzicht in eigen kunnen. De informatie van Pijlman ziet op een datum ruim voor de datum hier in geding en kan om die reden naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan het oordeel van Brands, dat wel ziet op de datum in geding. De informatie van Ergatis dat eiser op een normaal niveau functioneert, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat er dus geen sprake kan zijn van een beperking wat betreft inzicht in eigen kunnen. Uit de toelichting in de Basisinformatie CBBS van 14 mei 2013 blijkt dat als er op beoordelingspunt 1.4 een beperkende score bestaat, de cliënt meestal ook op andere beoordelingspunten van rubriek 1 beperkingen zal vertonen. Weliswaar zijn bij eiser geen beperkingen onder rubriek 1 aangenomen, maar wel erkent verweerder dat bij eiser sprake is van cognitieve problemen, waardoor eiser aangewezen is op routine-afhankelijk, voorgestructureerd en cognitief eenvoudig werk zonder veel deadlines, productiepieken en multi-tasken en is eiser verder aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Bovendien blijkt uit de CBBS dat een beperkende score onder beoordelingspunt 1.4 meestal betekent dat sprake is van een ernstige stoornis, waarbij specifiek wordt genoemd een prefrontaal syndroom. Gelet op het bij eiser aanwezige hersenletsel frontobasaal links, acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat er een ernstige stoornis is als bedoeld in de CBBS toelichting. Dat eiser wel in staat is eenvoudige voorgestructureerde administratieve taken uit te voeren, sluit naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat sprake kan zijn van een beperking op punt 1.4. Blijkens de toelichting uit het CBBS zegt een probleem met inzicht in eigen kunnen niet zonder meer dat betrokkene geen enkele functie zou kunnen uitvoeren. Of eiser in staat is functies uit te voeren, en welke, zal naar het oordeel van de rechtbank door een arbeidsdeskundige moeten worden beoordeeld.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de in de FML opgenomen score ‘normaal’ op het aspect ‘inzicht in eigen kunnen’ geen stand kan houden. Dat eiser niet beperkt is op dit punt heeft verweerder, ook nadat hij daartoe gelegenheid heeft gehad, niet aannemelijk gemaakt. Eiser moet daarom beperkt worden geacht op dit punt. Naar het oordeel van de rechtbank is de medische grondslag van het bestreden besluit dan ook onjuist.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, oordeelt de rechtbank dat het onderzoek van verweerder, voor zover dit ziet op de aangenomen beperkingen, met uitzondering van het aspect ‘inzicht in eigen kunnen’, zorgvuldig is geweest en dat de bevindingen inzichtelijk zijn gerapporteerd met inachtneming van alle beschikbare medische informatie. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder getrokken conclusies ten aanzien van de belastbaarheid van eiser, behalve wat betreft het aspect ‘inzicht in eigen kunnen’. Wat dit aspect betreft is naar het oordeel van de rechtbank voldoende informatie aanwezig om inhoudelijk te beslissen en om die reden ziet de rechtbank ook hierin geen aanleiding een deskundige te benoemen.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens een onjuiste medische grondslag. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien omdat verweerder opnieuw de mate van arbeidsongeschiktheid moet vaststellen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskoten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 501,0 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze

uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman, rechter, in aanwezigheid van mr. F.C. Meulemans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en tegen de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.