Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2546

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
17_62
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de naleving van de Mediawet. Voor dat toezicht moeten commerciële media-instellingen jaarlijks kosten betalen. Eiseressen zijn commerciële radiodiensten. Zij zijn van mening dat de toezichtskosten die zij moet betalen, te hoog zijn. Ze vinden dat het Commissariaat de Mediaregeling (waarop de kosten zijn gebaseerd) verkeerd toepast, waardoor te hoge bedragen in rekening zijn gebracht. Voor zover de regeling wel goed is toegepast, vinden zij dat de regeling voor hen niet eerlijk uitpakt. Verder ligt in deze zaak voor de vraag of het Commissariaat bij de berekening van de toezichtskosten mocht meenemen dat er ook huishoudens zijn die de uitzendingen via DAB+ (Digital Braodcasting Audio) beluisteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/62, 17/203 en 17/204

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2018 in de zaak tussen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Commerciële Radio Zuid Nederland B.V., gevestigd te Geldrop, eiseres in zaak 17/62,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TiDa B.V., gevestigd te Rosmalen, eiseres in zaken 17/203 en 17/204,

(gemachtigde: mr. A.J.H.W.M. Versteeg)

en

het Commissariaat voor de Media, verweerder,

(gemachtigden: mr. M.L. Batting en mr. A.A.M. Elzakkers)

Partijen zullen hierna worden aangeduid als: CRZN, TiDa en het Commissariaat.

Procesverloop

Het procesverloop is opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak.

Overwegingen

1. De wettelijke bepalingen die voor deze uitspraak van belang zijn, en die niet worden geciteerd in de tekst van de uitspraak, zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze uitspraak.

Inleiding

2.1.

CRZN en TiDa zijn commerciële radiodiensten in de zin van de Mediawet. Ze verzorgen in Noord-Brabant en Zeeland (voor zover in deze zaak van belang) de volgende programmakanalen (ook wel “edities” genoemd):

CRZN: TiDa:

Puur NL Eindhoven Puur NL Zeeland

Puur NL Tilburg Puur NL West-Brabant

Puur NL Den Bosch Puur NL Zuidoost-Brabant

Puur NL Midden-Brabant

Puur NL Noordoost-Brabant

Radio 8FM West Brabant

Radio 8FM Zuidoost-Brabant

Radio 8FM Midden-Brabant

Radio 8FM Noordoost-Brabant

2.2.

Op grond van de Mediawet kan een commerciële radiodienst alleen worden verzorgd met toestemming van het Commissariaat.1 Als een commerciële media-instelling (zoals CRZN en TiDa zijn) meerdere programmakanalen verzorgt, is voor elk programmakanaal afzonderlijk toestemming nodig.2 CRZN beschikt dus over 3 toestemmingen en TiDa over 9 toestemmingen.

2.3.

Het Commissariaat houdt toezicht op de naleving van de Mediawet. Voor dat toezicht moeten commerciële media-instellingen jaarlijks kosten betalen. Voor elke verkregen toestemming moeten kosten worden voldaan.3

2.4.

Over de hoogte van die toezichtskosten gaat deze zaak. Het Commissariaat verschilt met CRZN en TiDa van mening over de manier waarop de kosten zijn berekend en over de hoogte van het bedrag.

2.5.

Het Commissariaat heeft de volgende bedragen aan CRZN en TiDa in rekening gebracht:

Radiodienst

Bedrag

Jaar

CRZN

€ 5.194,08

2015

TiDa

€ 5.413,35 (PuurNL)

€ 4.330,68 (Radio 8FM)

2014

TiDa

€ 13.121,92 (PuurNL)

€ 13.121,92 (Radio 8FM)

2015

Tegen de besluiten waarbij die bedragen in rekening zijn gebracht, richten zich de beroepen die CRZN en TiDa hebben ingesteld en die de rechtbank dient te beoordelen.

De beoordeling

Bespreking van de eerste beroepsgrond

3.1.

CRZN en TiDa hebben in de eerste plaats aangevoerd dat het Commissariaat artikel 4 uit de bijlage bij de Mediaregeling 20084 (verder: de Regeling) verkeerd toepast. In dat artikel is het volgende bepaald:

“Artikel 4. Edities

Een commerciële media-instelling die toestemmingen heeft voor het verzorgen van meerdere televisieomroepdiensten of meerdere radio-omroepdiensten waarbij:

a. deze televisieomroepdiensten respectievelijk deze radio-omroepdiensten wat betreft inhoud nagenoeg identiek zijn; en

b. deze televisieomroepdiensten respectievelijk deze radio-omroepdiensten onder dezelfde naam worden verspreid,

is voor deze televisieomroepdiensten respectievelijk deze radio-omroepdiensten tezamen niet meer verschuldigd dan éénmaal het desbetreffende hoogste bedrag uit de toepasselijke tabel.”

Die “toepasselijke tabel” is de tabel uit artikel 2 van de Regeling en ziet er als volgt uit:

De bedragen zijn jaarlijks geïndexeerd. Voor deze zaak is van belang:

  • -

    dat het rood omcirkelde bedrag in 2014 € 3.248,– was;

  • -

    dat het rood omcirkelde bedrag in 2015 € 3.280,48 was;

  • -

    dat het groen omcirkelde bedrag in 2014 € 12.992,– was en

  • -

    dat het groen omcirkelde bedrag in 2015 € 13.121,92 was.

Verder is in artikel 2 van de Regeling nog bepaald dat onder “aantal huishoudens” wordt verstaan: het aantal huishoudens dat een radio-omroepdienst technisch in Nederland kan ontvangen, en dat onder “uitzenduren” wordt verstaan: de gemiddelde duur van het verzorgde programma-aanbod per dag in het desbetreffende kalenderjaar.

Partijen zijn het er over eens dat CRZN en TiDa omroepdiensten verzorgen die voldoen aan de criteria zoals genoemd in artikel 4 van de Regeling (“wat betreft inhoud nagenoeg identiek” / “onder dezelfde naam worden verspreid”).

In de toelichting5 bij artikel 4 van de Regeling is het volgende opgenomen:

“In dit artikel is een regeling getroffen voor aanbieders van omroepdiensten die zogenaamde edities verzorgen. Het gaat dan om de verspreiding van meerdere omroepdiensten onder dezelfde naam met nagenoeg dezelfde inhoud, bijvoorbeeld regionale edities van eenzelfde radioprogramma. Omdat voor elk van die omroepdiensten een toestemming is vereist, zouden ook voor elk van die toestemmingen toezichtskosten in rekening gebracht moeten worden. Dat kan opgeteld leiden tot een totaalbedrag dat uitkomt boven het maximum dat een aanbieder van één omroepdienst verschuldigd is. Om die reden is de heffing gemaximeerd op het maximum dat voor één omroepdienst verschuldigd is.”

3.2.

Het Commissariaat heeft de toezichtskosten in de primaire besluiten op de volgende manier vastgesteld. CRZN heeft 3 toestemmingen en TiDa heeft 9 toestemmingen. Volgens de Mediawet moet voor elke toestemming apart toezichtskosten worden betaald6, maar omdat CRZN en TiDa meerdere edities (3 respectievelijk 9) verzorgen, heeft het Commissariaat gekeken of het verschuldigde bedrag moet worden gemaximeerd op grond van artikel 4 van de Regeling. Bij TiDa is het Commissariaat, onder toepassing van de hierboven opgenomen tabel, tot de volgende conclusies gekomen:

 Gezien het aantal huishoudens en uitzenduren wordt uitgegaan van tariefgroep D, en van het daarin vermelde bedrag dat hoort bij >= 12 uur.

 In 2014 heeft TiDa slechts vier maanden radio-omroep verzorgd, daarom wordt van het toepasselijke bedrag één derde in rekening gebracht (en dat is: één derde van € 3.248,– = € 1.082,67).

 Voor 2014 betekent dat dat voor 9 toestemmingen 9 x € 1.082,67 = € 9.744,03 verschuldigd is.

 Dat bedrag komt niet uit boven het maxiumumbedrag dat voor één toestemming geldt (dat is € 13.121,92: het in de tabel groen omcirkelde bedrag na indexering), dus er is geen reden om met toepassing van artikel 4 van de Regeling te maximeren.

 Voor 2015 is dezelfde berekening gemaakt, met het verschil dat in dat jaar 12 maanden radio-omroep is verzorgd. Met inachtneming van de geïndexeerde bedragen, komt het verschuldigde bedrag in dit geval wel uit boven het maximumbedrag dat voor één toestemming geldt (dat maximumbedrag is immers € 13.121,92). Daarom is het verschuldigde bedrag met toepassing van artikel 4 van de Regeling gemaximeerd op € 13.121,92 voor PuurNL en € 13.121,92 voor Radio 8FM.

Voor CRZN heeft het Commissariaat een soortgelijke berekening gemaakt, die later is aangepast in het besluit van het Commissariaat van 14 november 2017.

3.3.

TiDa en CRZN zijn het niet eens met deze manier van berekenen. Zij vinden dat bij de toepassing van artikel 4 van de Regeling niet moet worden gekeken naar het hoogst mogelijke bedrag dat op grond van de tabel voor één toestemming kan worden gerekend (het in de tabel hierboven groen omcirkelde bedrag), maar dat moet worden gekeken naar het maximumbedrag dat voor de toepasselijke tariefgroep geldt (het rood omcirkelde bedrag). Dat leiden ze af uit de tekst van artikel 4 van de Regeling, en in het bijzonder uit het woord “desbetreffende”. Met dat woord is volgens hen tot uitdrukking gebracht dat het maximum moet worden bepaald aan de hand van het bedrag dat voor één editie in rekening zou worden gebracht.

3.4.

De rechtbank volgt CRZN en TiDa daarin niet. In artikel 4 van de Regeling is met zoveel woorden omschreven dat als aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan, voor de edities tezamen niet méér verschuldigd kan zijn dan eenmaal het desbetreffende hoogste bedrag uit de toepasselijke tabel. Artikel 4 verwijst naar de toepasselijke tabel als geheel en niet naar de bedragen in een toepasselijke kolom. De tekst “toepasselijke tabel” doelt op het onderscheid tussen de tabellen 1 tot en met 6 die in de Regeling zijn opgenomen. Het woord “desbetreffende” doelt op het hoogste bedrag in de tabel en niet in de kolom. In dit geval is, zoals eerder vastgesteld, de toepasselijke tabel: tabel 3. En “het hoogste bedrag uit de toepasselijke tabel” is, zoals zichtbaar in de hierboven afgebeelde tabel: het bedrag dat in tariefgroep F wordt genoemd.
Dat is ook in overeenstemming met de toelichting op de Regeling, waarin is opgenomen dat de maximering uit artikel 4 is bedoeld om te voorkomen dat door ‘samenloop’ een aanbieder die meerdere regionale edities verzorgt, onverhoopt méér zou moeten betalen dan een landelijke omroep betaalt. De uitleg die CRZN en TiDa aan artikel 4 van de Regeling geven, zou erop neerkomen dat een aanbieder met meerdere regionale edities, ongeacht het aantal edities, slechts éénmaal het hoogste bedrag van de tariefgroep waar zij onder valt, zou hoeven te betalen. Dat is niet logisch, aangezien het Commissariaat op alle edities afzonderlijk toezicht moet houden.

3.5.

CRZN en TiDa hebben in dit verband nog aangevoerd dat de inhoud van de edities nagenoeg identiek is en dat het toezicht dat het Commissariaat houdt, dus in wezen maar één keer hoeft plaats te vinden. Het Commissariaat heeft daar echter tegen aangevoerd dat de reclameblokken (waarop het toezicht voor een groot deel ziet) wel degelijk regionale verschillen kennen. CRZN en TiDa hebben dat niet betwist. Daarom slaagt de stelling van CRZN en TiDa niet.

3.6.

De conclusie luidt dat het Commissariaat een juiste toepassing en uitleg heeft gegeven aan artikel 4 van de Regeling en dat de uitleg die CRZN en TiDa eraan geven, niet klopt. Dat betekent dat de beroepsgrond van CRZN en TiDa daarover niet slaagt.

Bespreking van de tweede beroepsgrond

4.1.

Voor het geval hun eerste beroepsgrond niet slaagt, hebben CRZN en TiDa het volgende aangevoerd. De uitkomst van de redenering van het Commissariaat leidt tot strijd met het beginsel van een evenredige verdeling van lasten. Omdat het gaat om edities van hetzelfde radioprogramma en dus van inhoudelijk nagenoeg dezelfde programma’s die onder dezelfde naam worden uitgezonden, zou het in rekening brengen van kosten van toezicht voor elke editie een onevenredige last betekenen in verhouding tot het toezicht dat het Commissariaat uitoefent.

4.2.

Wat CRZN en TiDa aanvoeren, komt in feite neer op het bekritiseren van het wettelijk systeem zoals dat in de Mediawet en de Regeling is neergelegd. Het is niet aan de rechter om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. De rechter kan een wet in formele zin alleen in de volgende gevallen (gedeeltelijk) buiten toepassing laten: als sprake is van strijd met het gemeenschapsrecht of met een ieder verbindende bepaling van een verdrag, dan wel als de toepassing van de wettelijke bepaling vanwege daarin niet verdisconteerde omstandigheden in strijd komt met een fundamenteel rechtsbeginsel7. Die situatie doet zich hier niet voor. De wetgever heeft de keuze gemaakt om voor elke verkregen toestemming kosten in rekening te brengen, en om in geval van verschillende edities waarvan de inhoud nagenoeg identiek is, de samenloopregeling van artikel 4 van de Regeling te creëren. Op die manier heeft de wetgever dus willen voorkomen dat een aanbieder van verschillende edities meer moet betalen dan een aanbieder van één omroepdienst maximaal zou moeten betalen. De beroepsgrond faalt.

Het artikel 6:19 8 -besluit

5.1.

Nadat beroep was ingesteld, heeft het Commissariaat (op 14 november 2017) een aanvullend besluit genomen in de zaak van CRZN. In dat besluit is het bedrag van € 5.194,08 vastgesteld, een verlaging ten opzichte van het bij het eerdere besluit op bezwaar vastgestelde bedrag van € 9.841,44. Volgens het Commissariaat had CRZN er in haar bezwaarschrift terecht op gewezen dat voor een deel van de verkeerde tariefgroep was uitgegaan, waardoor het bedrag te hoog was uitgevallen. In de herberekening die het Commissariaat vervolgens in het aanvullend besluit heeft opgenomen, is ook een percentage van het aantal huishoudens dat de edities via DAB+-frequentie kan beluisteren, meegenomen. DAB+ staat voor “Digital Broadcasting Audio”, oftewel digitale radio.

5.2.

In het aanvullend besluit heeft het Commissariaat dat als volgt gemotiveerd. Het aantal ontvangers van PuurNL bedraagt 1.622.962 huishoudens. Een percentage van 5% daarvan wordt meegerekend bij de vaststelling van de toezichtskosten. Dat percentage ontleent het Commissariaat aan het Audio Distributie Onderzoek van de Stichting Nationaal Luister Onderzoek, waarin is vastgesteld dat in 2015 ongeveer 5% van de Nederlandse bevolking gebruik maakte van DAB+.

5.3.

CRZN is het niet eens met het meenemen van (een percentage van) het aantal huishoudens dat PuurNL via een DAB+-frequentie kan ontvangen. Zij vindt dat de wet daar geen grondslag voor biedt.

5.4.

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend, en daarbij in een brief aan het Commissariaat verzocht om inzichtelijk te maken hoe het percentage van 5% is vastgesteld, onder overlegging van het Audio Distributie Onderzoek.

5.5.

Het Commissariaat heeft daarop als volgt schriftelijk gereageerd: “Naar aanleiding van uw brief heeft het Commissariaat geconstateerd dat in het aanvullende besluit van 14 november 2017 abusievelijk ter onderbouwing van het percentage van 5% is verwezen naar het “Audio Distributie Onderzoek 2015” van de Stichting Nationaal Luister Onderzoek (…). Dit onderzoek ziet niet op het aantal huishoudens in Nederland dat in 2015 een DAB+ ontvanger had, maar op het aandeel Nederlanders dat via de ether een DAB+ frequentie beluisterde. Het Commissariaat heeft daarom naar aanleiding van uw brief (…) de cijfers van het Centraal bureau voor de Statistiek (CBS) geraadpleegd. Uit die cijfers blijkt dat 6% van het aantal huishoudens in Nederland in 2015 over een DAB+ ontvanger (in huis en in de auto) beschikte (…). Aangezien het Commissariaat in het aanvullende besluit op bezwaar van 14 november 2017 een lager percentage heeft gehanteerd dan het percentage dat volgt uit de cijfers van het CBS, meent het Commissariaat dat er geen aanleiding is om terug te komen op het gehanteerde percentage van 5%.” Bij de brief heeft het Commissariaat de daarin genoemde CBS-cijfers overgelegd.

5.6.

Op deze brief heeft CRZN schriftelijk gereageerd. Daarin zegt zij dat de door het Commissariaat overgelegde CBS-cijfers geen aanleiding geven tot het maken van kanttekeningen. Wel heeft zij nog steeds bezwaar tegen het überhaupt meenemen van (een percentage van) het aantal huishoudens dat PuurNL via een DAB+-frequentie kan ontvangen.

5.7.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Anders dan CRZN is zij van oordeel dat de Regeling wel een grondslag biedt voor het in de berekening meenemen van (een percentage van) het aantal huishoudens dat PuurNL via een DAB+-frequentie kan ontvangen. In artikel 2 van de Regeling is immers bepaald dat onder “aantal huishoudens” wordt verstaan: het aantal huishoudens dat een radio-omroepdienst technisch in Nederland kan ontvangen (onderstreping rechtbank). Het hebben van een DAB+-ontvanger maakt het ontvangen van een radio-omroepdienst technisch mogelijk. Daarmee staat vast dat het in de berekening meenemen van huishoudens die gebruik maken van DAB+, op grond van de Regeling mogelijk is. De beroepsgrond faalt.

Conclusie en slotoverwegingen

6. Geen van de aangevoerde beroepsgronden leidt tot de conclusie dat de bestreden besluiten niet rechtmatig zijn. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzitter, en mr. M.L.W.M. Viering en mr. J.A.W. Huijben, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2018.

De griffier is verhinderd voorzitter

de uitspraak te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE 1

Procesverloop

in zaak 17/62 (CRZN)

Bij besluit van 11 maart 2016 (het primaire besluit 1) heeft het Commissariaat de toezichtskosten die CRZN verschuldigd is voor het jaar 2015 voor het toezicht op de drie edities van de radio-omroepdienst PuurNL vastgesteld op totaal € 9.841,44.

Bij besluit van 6 december 2016 (het bestreden besluit 1) heeft het Commissariaat het bezwaar van CRZN ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft CRZN bij het Commissariaat bezwaar gemaakt, dat het Commissariaat met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank heeft doorgezonden.

Bij besluit van 14 november 2017 heeft het Commissariaat het primaire besluit 1 herroepen en de voor het jaar 2015 door CRZN aan het Commissariaat verschuldigde toezichtskosten opnieuw vastgesteld, dit maal op een bedrag van in totaal € 5.194,08. Het beroep wordt op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht ook tegen dat besluit te zijn gericht (samen aangeduid als bestreden besluit 1).

Op 1 december 2017 is de zitting geweest. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak op 5 december 2017 heropend om aan partijen nadere inlichtingen te vragen. Het Commissariaat heeft daarop gereageerd bij brief van 20 december 2017. Bij brief van 9 januari 2018 heeft CRZN daarop gereageerd.

Na ontvangst van de reacties heeft de rechtbank partijen bij brief van 11 april 2018 gevraagd om toestemming te verlenen de zaak zonder nadere zitting af te doen. Daarbij is partijen te kennen gegeven dat, indien zij een nadere zitting wensen, zij dat de rechtbank uiterlijk 9 mei 2018 moeten laten weten. Partijen hebben niet binnen deze termijn gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

in zaak 17/203 (TiDa)

Bij besluit van 23 maart 2015 (het primaire besluit 2) heeft het Commissariaat de toezichtskosten die TiDa verschuldigd is voor het jaar 2014 voor het toezicht op de vijf edities van de radio-omroepdienst PuurNL vastgesteld op totaal € 5.413,35 en voor de vier edities van de radio-omroepdienst Radio 8FM op in totaal € 4.330,68.

Bij besluit van 6 december 2016 (het bestreden besluit 2) heeft het Commissariaat het bezwaar van TiDa ongegrond verklaard.

TiDa heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

in zaak 17/204 (TiDa)

Bij besluit van 14 januari 2016 (het primaire besluit 3) heeft het Commissariaat de toezichtskosten die TiDa verschuldigd is voor het jaar 2015 voor het toezicht op de vijf edities van de radio-omroepdienst PuurNL vastgesteld op totaal € 13.121,92 en voor de vier edities van de radio-omroepdienst Radio 8FM eveneens op € 13.121,92.

Bij besluit van 6 december 2016 (het bestreden besluit 3) heeft het Commissariaat het bezwaar van TiDa ongegrond verklaard.

TiDa heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

in alle zaken

Bij brief van 13 februari 2017 heeft mr. Versteeg de beroepen van CRZN en TiDa aangevuld. Op 2 mei 2017 heeft het Commissariaat een verweerschrift ingediend.

Op 1 december 2017 is de zitting geweest. Daar zijn alle beroepen gevoegd behandeld. Voor CRZN is [naam] naar de zitting gekomen en voor TiDa is [naam] naar de zitting gekomen. Ze werden bijgestaan door mr. Versteeg. Voor het Commissariaat is [naam] naar de zitting gekomen, bijgestaan door mr. A.A.M. Elzakkers.

BIJLAGE 2

Wettelijk kader

Mediawet

Artikel 3.1

1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet is het verzorgen van een commerciële omroepdienst alleen toegestaan met toestemming van het Commissariaat.

2. Als een commerciële media-instelling meerdere programmakanalen verzorgt, is voor ieder programmakanaal afzonderlijk toestemming nodig.

(…)

4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop aanvragen voor een toestemming worden ingediend.

Artikel 3.30

1. Een commerciële media-instelling is aan het Commissariaat jaarlijks kosten verbonden aan het toezicht verschuldigd voor elke verkregen toestemming en voor elke van haar mediadiensten op aanvraag.

2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de vaststelling van de toezichtskosten, bedoeld in het eerste lid, waarbij in elk geval:

a. onderscheid kan worden gemaakt tussen omroepdiensten en mediadiensten op aanvraag;

b. onderscheid kan worden gemaakt tussen toestemmingen voor radio-omroep en voor televisieomroep; en

c. rekening kan worden gehouden met de gemiddelde duur van de uitzendingen en met het aantal huishoudens in Nederland, dat het programma-aanbod kan ontvangen.

3. Het Commissariaat kan de verschuldigde toezichtskosten invorderen bij dwangbevel.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.

3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.

4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.

5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.

6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

1 Artikel 3.1, eerste lid, van de Mediawet (zie bijlage).

2 Artikel 3.1, tweede lid, van de Mediawet (zie bijlage).

3 Artikel 3.30, eerste lid, van de Mediawet (zie bijlage).

4 Meer precies: de Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2012, nr. MLB/461975, houdende wijziging van de bijlage behorende bij artikel 17 van de Mediaregeling 2008, Stcrt. 2012 nr. 27183, 31 december 2012.

5 Die toelichting is opgenomen achter de Regeling, zie voor de vindplaats daarvan noot 4.

6 Artikel 3.30 van de Mediawet.

7 Harmonisatiewetarrest, HR 14 april 1989 (ECLI:NL:HR:1989:AD5725).

8 Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, zie bijlage.