Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:2477

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
02-07-2018
Zaaknummer
17_3447
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij wijze van maatregel is de IOAW-uitkering van eiser gedurende één maand met 100% verlaagd. De rechtbank is, gelet op de bewoordingen van de wet en de Memorie van Toelichting,

van oordeel dat een wettelijke grondslag voor verlaging van een uitkering op grond van de IOAW wegens het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting om naar vermogen te

trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen ontbreekt. Dit betekent dat verweerder ten onrechte is overgaan tot verlaging en dat verweerder het gedurende één maand ingehouden

bedrag aan eiser dient terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/3447

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer, verweerder

(gemachtigde: W.E.C. Veltkamp).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) bij wijze van maatregel met ingang van 13 september 2017 voor de duur van één maand met 100% verlaagd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 3 november 2017 (SHE 17/2726) dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.


Bij besluit van 5 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt sinds 25 april 2017 een uitkering op grond van de IOAW naar de norm van alleenstaande.

2. Bij brief van 15 augustus 2017 heeft verweerder aan eiser een laatste waarschuwing gegeven, omdat hij niet naar vermogen heeft geprobeerd algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. De reden hiervoor is dat eiser op 7 juli 2017 is voorgesteld bij uitzendbureau Randstad voor een vacature voor productiemedewerker bij Nelipak. Volgens verweerder zou eiser bij Randstad hebben aangegeven dat hij niet op zoek is naar productiewerk. Daarnaast heeft verweerder eiser in deze brief verzocht om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met [naam] van uitzendbureau Unique om te solliciteren op de vacatures bij Foot Locker. Daarbij heeft verweerder eiser erop gewezen dat dit valt onder de arbeids- en

re-integratieverplichtingen. Verder staat in deze brief vermeld dat, indien eiser zich wederom niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan zijn uitkering, dit gevolgen heeft voor zijn uitkering.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een maatregel opgelegd omdat hij door het niet solliciteren op de aangeboden vacature bij uitzendbureau Unique niet heeft voldaan aan de verplichting om naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen zoals neergelegd in artikel 37, eerste lid, onder a, van de IOAW. De maatregel houdt in dat de uitkering van eiser met ingang van 13 september 2017 gedurende één maand met 100% wordt verlaagd. Het hiertegen door eiser ingediende bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de bezwarenbehandelaars, ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of er een wettelijke grondslag bestaat voor verlaging van eisers uitkering. Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat de grondslag voor verlaging van eisers uitkering in zijn optiek is gelegen in artikel 20, tweede lid, van de IOAW en dat hij vooralsnog het bestreden besluit handhaaft.

5. De rechtbank is van oordeel dat voor de verlaging van eisers uitkering geen wettelijke grondslag bestaat en overweegt daartoe het volgende. Verweerder heeft, zoals ter zitting is bevestigd, de uitkering van eiser gedurende één maand met 100% verlaagd wegens het niet nakomen van de verplichting in artikel 37, eerste lid, onder a, van de IOAW. Sinds 1 juli 2010 wordt in artikel 20, tweede lid, van de IOAW de mogelijkheid tot verlaging van een uitkering wegens het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting zoals neergelegd in artikel 37, eerste lid, onder a, van de IOAW, echter uitgesloten. Artikel 20, tweede lid, van de IOAW bepaalt namelijk, voor zover van belang, dat verweerder de uitkering overeenkomstig de verordening verlaagt wegens het niet of onvoldoende nakomen van een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen a en c. In de Memorie van Toelichting hierbij (MvT, Kamerstukken II 2010/2011 32 520, nr. 3) staat het volgende vermeld: “(…) Voorts worden het eerste lid van artikel 20 IOAZ en het tweede lid van artikel 20 IOAW technisch aangepast aan het feit dat de maatregel op het overtreden van artikel 37, eerste lid, onderdeel a, van die wetten (naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen) al is geregeld in het tweede lid van artikel 20 IOAZ respectievelijk het eerste lid van artikel 20 IOAW. Er is daarmee geen inhoudelijke wijziging in het maatregelenbeleid beoogd. (…). Uit de MvT leidt de rechtbank af dat er dus expliciet voor is gekozen om de mogelijkheid om een uitkering te verlagen wegens het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting zoals neergelegd in artikel 37, eerste lid, onder a, van de IOAW uit te sluiten. De reden hiervoor is dat de maatregel wegens overtreding van voornoemd artikel al zou zijn geregeld in artikel 20, eerste lid, van de IOAW. Het voorgaande betekent dat een wettelijk grondslag voor het verlagen van een uitkering wegens het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting om naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen ontbreekt. Dat volgens de MvT geen inhoudelijke wijziging in het maatregelenbeleid is beoogd leidt niet tot een ander oordeel, omdat een maatregel te allen tijde moet zijn gebaseerd op een wettelijke grondslag. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat artikel 20, eerste lid, van de IOAW in het geval van eiser niet van toepassing is.

6. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot een verlaging van 100% van eisers uitkering gedurende één maand, omdat een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking meer. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden tevens aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen. Dit betekent dat verweerder het gedurende één maand ingehouden bedrag ter hoogte van 100% van eisers uitkering aan eiser dient terug te betalen.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de reiskosten van eiser op basis van het openbaar vervoer, tweede klas, voor vergoeding in aanmerking. Deze reiskosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, worden begroot op € 26,72 (retour adres van eiser naar station ’s-Hertogenbosch). Tevens moet verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van
€ 46,00 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakt proceskosten tot een bedrag van

€ 26,72;

- draagt verweerder op aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,00 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.A. Buijs, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.S. Abbing, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.